Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2020:1954

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
23-03-2020
Datum publicatie
29-05-2020
Zaaknummer
UTR 19/3484
Rechtsgebieden
Bestuursprocesrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Beroep van de vergunninghouder en de eigenaar van het pand tegen het niet tijdig nemen van een besluit niet-ontvankelijk, want geen procesbelang. Geen beroep van rechtswege tegen het alsnog genomen besluit op de bezwaren. Van rechtswege ontstane beroep tegen het dwangsombesluit.

4:17, 6:2, 7:14, 7:14a Awb

Verschillende partijen hebben bezwaar gemaakt tegen een verleende omgevingsvergunning. Omdat het college van B&W van de gemeente Zeist niet tijdig op deze bezwaren heeft beslist hebben de vergunninghouder en de eigenaar van het pand waar de omgevingsvergunning op ziet het college in gebreke gesteld. Vervolgens hebben zij beroep ingesteld tegen het niet tijdig beslissen op de bezwaren. Tijdens de procedure heeft het college alsnog een besluit op de bezwaren genomen. Daarnaast heeft het college aan de vergunninghouder een dwangsom toegekend vanwege het niet tijdig nemen van een besluit.

De rechtbank heeft beslist dat eiseressen geen procesbelang meer hebben, omdat er inmiddels op de bezwaren is beslist. Het beroep is ook gericht tegen het dwangsombesluit. Het beroep van de eigenaar van het pand tegen het dwangsombesluit is niet-ontvankelijk en dat van de vergunninghouder ongegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Zittingsplaats Utrecht

Bestuursrecht

zaaknummer: UTR 19/3484

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 23 maart 2020 in de zaak tussen

[eiseres 1] U.A. ( [eiseres 1] ), en

[eiseres 2] B.V. ( [eiseres 2] ),

hierna gezamenlijk: eiseressen

(gemachtigde: mr. M.W. van der Hulst)

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Zeist, verweerder

Procesverloop

Deze uitspraak gaat het beroep van eiseressen tegen het niet tijdig beslissen op bezwaar door verweerder.

De rechtbank heeft bepaald dat het onderzoek ter zitting achterwege blijft, omdat geen van de partijen, nadat zij zijn gewezen op hun recht ter zitting te worden gehoord, binnen een door hem gestelde redelijke termijn heeft verklaard dat zij gebruik wil maken van dit recht. Vervolgens heeft de rechtbank op 29 januari 2020 het onderzoek in deze zaak gesloten.

Overwegingen

1. Op 22 februari 2019 heeft verweerder aan [eiseres 1] een omgevingsvergunning voor de transformatie van een bedrijfsverzamelgebouw naar een gemengd bedrijven-wooncomplex verleend. Hiertegen is door verschillende bezwaarmakers bezwaar gemaakt. Met de brief van 10 augustus 2019 hebben eiseressen verweerder in gebreke gesteld, omdat verweerder niet op tijd op de bezwaren heeft beslist. Op 5 september 2019 heeft de rechtbank een beroepschrift van eiseressen ontvangen. Dat beroepschrift is gericht tegen het niet tijdig nemen van een besluit op de bezwaren van de bezwaarmakers.

Het beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit op de bezwaren

2. Als een bestuursorgaan niet op tijd beslist op een aanvraag of bezwaarschrift kan een betrokkene daartegen in beroep gaan. Voor [eiseres 1] als aanvrager en vergunninghouder staat in ieder geval beroep open tegen het niet tijdig beslissen op bezwaar door verweerder. Het is de vraag of dat ook geldt voor [eiseres 2] , die weliswaar eigenaar is van het perceel waar het bouwplan gerealiseerd moet worden, maar geen vergunninghouder. In dit geval gaat de rechtbank aan deze vraag voorbij, omdat de niet-ontvankelijk van het beroep om een andere reden al vaststaat. De rechtbank legt dat verder uit.

3. Op 22 oktober 2019 heeft verweerder alsnog een besluit op bezwaar bekend gemaakt. De rechtbank moet vervolgens beoordelen of eiseressen nog belang hebben bij de beoordeling van hun beroep tegen het niet tijdig nemen van een beslissing op bezwaar. Er is sprake van procesbelang als het resultaat dat eiseressen met hun beroep nastreven daadwerkelijk kan worden bereikt en als dat resultaat voor hen ook feitelijke betekenis kan hebben.

4. Volgens eiseressen hebben zij belang bij de beoordeling van het beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit, omdat met het gegrond verklaren van het beroep komt vast te staan dat verweerder te laat heeft beslist op de bezwaren. Eiseressen zijn van plan zijn om verweerder aansprakelijk te stellen voor de door hen geleden (vertragings)schade.

5. De rechtbank volgt eiseressen hierin niet. Verweerder heeft op 5 november 2019 een dwangsombesluit (het dwangsombesluit) bekend gemaakt, waarin hij erkent te laat op de bezwaren van de bezwaarmakers te hebben beslist. Om deze reden heeft hij ook een dwangsom vanwege het niet tijdig nemen van een besluit aan [eiseres 1] toegekend. Eiseressen kunnen dus met het beroep tegen het niet tijdig beslissen niet meer bereiken dan zij al hebben bereikt. Dat betekent dat eiseressen geen procesbelang meer hebben bij het beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit. Daarom is het beroep niet-ontvankelijk.

Het besluit op de bezwaren

6. Om te beoordelen of het beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit ook betrekking heeft op het alsnog genomen besluit de bezwaren, moet de rechtbank toetsen of verweerder met dat besluit volledig tegemoet is gekomen aan het beroep van eiseressen. Alleen als verweerder met het besluit op de bezwaren niet volledig tegemoet is gekomen aan het beroep van eiseressen, kan hun beroep ook daar betrekking op hebben. Dit staat in artikel 6:20, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).

7. De rechtbank stelt vast dat verweerder met het besluit op de bezwaren volledig aan eiseressen is tegemoetgekomen. De bezwaren van de bezwaarmakers zijn namelijk ongegrond verklaard. Eiseressen hebben ook niet kenbaar gemaakt het met de inhoud van dat besluit oneens te zijn. Daarom zal de rechtbank het besluit op de bezwaren niet in deze procedure betrekken.

Het dwangsombesluit

8. Als een betrokkene het niet eens is met een met het beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit samenhangend dwangsombesluit, heeft het beroep van rechtswege ook betrekking op het dwangsombesluit. Dit volgt uit de artikelen 4:19, 6:2 en 7:14 van de Awb.

9. Eiseressen zijn het niet eens met het dwangsombesluit. De rechtbank beschouwt het beroep daarom als ook gericht tegen het dwangsombesluit.

10. De rechtbank ziet zich voor de vraag gesteld of [eiseres 2] als belanghebbende kan worden beschouwd bij het beroep voor zover dat zich richt tegen het dwangsombesluit. De rechtbank beantwoordt deze vraag ontkennend. Met het dwangsombesluit stelt verweerder de aan [eiseres 1] verbeurde dwangsom vast, omdat hij te laat heeft beslist op de bezwaren van de bezwaarmakers. De aard van dit besluit verzet zich ertegen dat [eiseres 2] als belanghebbende kan worden aangemerkt bij dat besluit. [eiseres 2] kan daarom niet worden ontvangen in het beroep gericht tegen het dwangsombesluit. Het beroep tegen het dwangsombesluit zal daarom niet-ontvankelijk worden verklaard voor zover dat is ingediend door [eiseres 2] .

11. [eiseres 1] stelt zich op het standpunt dat zij recht heeft op een gedeelte van de dwangsom per afzonderlijk ingediend bezwaarschrift. De rechtbank is het ook op dit punt niet met [eiseres 1] eens. Als iemand anders dan de aanvrager bezwaar maakt tegen een besluit, zoals in dit geval, dan waarborgt artikel 7:14a van de Awb dat de aanvrager van het besluit dezelfde middelen heeft als de indiener van een bezwaarschrift om het bestuursorgaan te bewegen tot het tijdig nemen van een besluit. Uit vaste rechtspraak1 van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (ABRvS) volgt dat in het geval dat een bestuursorgaan te laat beslist op afzonderlijke bezwaren tegen hetzelfde besluit en vaststaat de het bestuursorgaan daarvoor een dwangsom is verschuldigd aan de aanvrager, de aanvrager recht heeft op één individuele dwangsom. Dat wil zeggen dat het bestuursorgaan aan de aanvrager van het besluit maar één keer een dwangsom verschuldigd is voor het overschrijden van de beslistermijn en niet een met de indiener(s) van ieder afzonderlijk ingediend bezwaarschrift gedeelde dwangsom per afzonderlijk ingediend bezwaarschrift. Daarbij benadrukt de rechtbank dat in het geval van [eiseres 1] geen sprake is van meerdere gezamenlijk ingediende bezwaarschriften als bedoeld in artikel 4:17, zevende lid, van de Awb, maar dat [eiseres 1] alleen voor de toepassing van paragraaf 4.1.3.2 van de Awb gelijk wordt gesteld aan de indieners van de bezwaarschriften.

12. Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat verweerder de aan [eiseres 1] verbeurde dwangsom terecht op één keer het maximale bedrag van € 1.442,- heeft vastgesteld.

13. Het voorgaande maakt dat het beroep tegen het dwangsombesluit voor zover dat is ingediend door [eiseres 1] ongegrond is.

Proceskostenvergoeding

14. Omdat verweerder pas na het instellen van beroep aan eiseressen tegemoetgekomen is door alsnog een besluit op bezwaar bekend te maken, zal de rechtbank verweerder veroordelen in de proceskosten die eiseressen redelijkerwijs hebben moeten maken in verband met het instellen van het beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit op bezwaar. De rechtbank stelt deze kosten op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht vast op € 262,50,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift met een waarde per punt van € 525,- en een wegingsfactor 0,5). De rechtbank is van oordeel dat het beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit op bezwaar van licht gewicht is. Verweerder moet daarnaast het door eiseressen betaalde griffierecht van € 345,- vergoeden.

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit niet-ontvankelijk;

- verklaart het beroep tegen het dwangsombesluit voor zover dat is ingediend door [eiseres 2] niet-ontvankelijk;

- verklaart het beroep tegen het dwangsombesluit voor zover dat is ingediend door [eiseres 1] ongegrond;

- bepaalt dat verweerder het griffierecht van € 345,- aan eiseressen vergoedt, met dien verstande dat bij betaling van genoemd bedrage aan een van hen verweerder aan zijn betalingsverplichting heeft voldaan;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiseressen tot een bedrag van € 262,50, met dien verstande dat bij betaling van genoemd bedrage aan een van hen verweerder aan zijn betalingsverplichting heeft voldaan.

Deze uitspraak is gedaan door mr. R.C. Moed, rechter, in aanwezigheid van B. Inci, griffier. Als gevolg van maatregelen rondom het coronavirus is deze uitspraak niet uitgesproken op een openbare uitsprakenzitting. Zodra het openbaar uitspreken weer mogelijk is, wordt deze uitspraak alsnog in het openbaar uitgesproken.

de griffier de rechter

Afschrift verzonden op:

Bent u het niet eens met deze uitspraak?

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

1 ABRvS 20 september 2017, ECLI:NL:RVS:2017:2552