Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2020:1952

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
22-04-2020
Datum publicatie
02-06-2020
Zaaknummer
8045290 UC EXPL 19-10190
Rechtsgebieden
Verbintenissenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Vordering op grond van ongerechtvaardigde verrijking ex artikel 6:212 BW. Gedaagde is energie blijven gebruiken zonder energieleveringsovereenkomst en heeft de door netbeheerder geleverde energie niet betaald.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Prg. 2020/174
TvC 2020, afl. 4, p. 227
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Civiel recht

kantonrechter

locatie Utrecht

zaaknummer: 8045290 UC EXPL 19-10190 LL/44457

Vonnis van 22 april 2020

inzake

de besloten vennootschap

Stedin Netbeheer B.V.,

gevestigd te Rotterdam ,

verder ook te noemen Stedin,

eisende partij,

gemachtigde: Bosveld Gerechtsdeurwaarders B.V.,

tegen:

[gedaagde] ,

wonende te [woonplaats] ,

verder ook te noemen [gedaagde] ,

gedaagde partij,

procederend in persoon.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    het tussenvonnis van 4 december 2019;

  • -

    de akte overlegging aanvullende producties van Stedin met een productie die op 9 januari 2020 bij de rechtbank is ontvangen;

  • -

    de brief van [gedaagde] met drie producties die op 20 januari 2020 bij de rechtbank is ontvangen;

  • -

    de mondelinge behandeling op 27 januari 2020, waarvan de griffier aantekeningen heeft gemaakt;

  • -

    de akte na comparitie van Stedin die op 14 februari 2020 bij de rechtbank is ontvangen.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 Wat is er aan de hand?

2.1.

Stedin is een netbeheerder die verantwoordelijk is voor het transport van gas en elektriciteit en de aansluiting op het gas- en elektriciteitsnetwerk. Volgens Stedin heeft [gedaagde] in de periode van 19 januari 2018 tot 27 maart 2018 op het adres [adres] , [postcode] in [woonplaats] van de elektriciteit- en/of gasaansluiting gebruik gemaakt. In deze periode was er op dit adres bij Stedin geen energieleveringsovereenkomst tussen [gedaagde] en een energieleverancier bekend, waardoor [gedaagde] elektriciteit- en/of gas heeft afgenomen zonder dat hij daarvoor een rekening heeft ontvangen. Stedin vordert van [gedaagde] € 503,95 (bestaande uit € 426,53 aan hoofdsom en 77,42 aan incassokosten), te vermeerderen met de wettelijke rente over € 503,95 vanaf dinsdag 20 augustus 2019 tot en met de dag van voldoening en met veroordeling van [gedaagde] in de proceskosten. Stedin legt aan deze vordering tot schadevergoeding ten grondslag dat [gedaagde] ongerechtvaardigd is verrijkt ten laste van haar, omdat de kosten van de tijdens de periode van 19 januari 2018 tot 27 maart 2018 door [gedaagde] afgenomen elektriciteit- en/of gas voor haar rekening komen.

2.2.

[gedaagde] heeft gemotiveerd verweer gevoerd tegen de vordering van Stedin met als conclusie dat de kantonrechter deze zal afwijzen, met veroordeling van Stedin in de proceskosten.

2.3.

[gedaagde] baseert zijn verweer - kort weergegeven - op het volgende. [gedaagde] stelde aanvankelijk dat Stedin niet duidelijk had gemaakt waarom zij hem had gedagvaard. Hij maakte ook het bezwaar dat zij had nagelaten de door haar genoemde Aansluit- en Transportovereenkomst (hierna: ATO) in dit geding te brengen. Hij betwistte dat Stedin hem elektriciteit of gas had geleverd, waarbij hij erop wees dat Stedin zelf stelt dat zij als netbeheerder geen goederen of diensten mocht leveren. Tijdens de mondelinge behandeling op 27 januari 2020 (hierna: de zitting) heeft [gedaagde] evenwel niet meer betwist dat Stedin elektriciteit en/of gas op het adres [adres] , [postcode] in [woonplaats] heeft geleverd. Hij bleef wel bij zijn verweer dat niet duidelijk is hoeveel energie door Stedin is geleverd en welke periode het betreft. [gedaagde] betwist de meterstanden in de aan hem geadresseerde brief van Stedin van 1 november 2018 die door Stedin als productie 4 is overgelegd, en de daarin gemaakte berekening van het verschil tussen de begin- en eindstanden. [gedaagde] betwist daarnaast dat hij deze brief heeft ontvangen. Ook in de factuur bij de door Stedin als productie 1 overgelegde brief van 27 november 2018 en de daarin genoemde posten wordt de door Stedin gestelde schade niet (voldoende) onderbouwd, aldus [gedaagde] . Daarnaast stelt [gedaagde] de sommatiebrieven van Stedin van 27 november 2018, 12 december 2018 en 10 januari 2019 niet te hebben ontvangen. Ook stelt [gedaagde] dat de vordering van Stedin moet worden afgewezen omdat hij niet in verzuim verkeerd.

2.4.

Stedin heeft tijdens de zitting gesteld, en door [gedaagde] is niet weersproken, dat er tot 19 januari 2018 sprake was van een overeenkomst tussen Engie Nederland Retail B.V. (hierna: Engie) en [gedaagde] voor levering van energie op het adres [adres] , [postcode] in [woonplaats] . Vanaf 27 maart 2018 is er volgens Stedin sprake van een nieuwe overeenkomst voor levering van energie op dit adres met een andere energieleverancier (hierna: nieuwe energieleveringsovereenkomst). Volgens [gedaagde] (ter zitting) staat deze nieuwe energieleveringsovereenkomst op naam van zijn partner, mevrouw [A] , en weet hij niet op welke datum deze overeenkomst is gesloten.

2.5.

Volgens Stedin zijn de in haar brief van 1 november 2018 vermelde beginstanden door [gedaagde] aan Engie doorgegeven en zijn de in deze brief vermelde eindstanden afkomstig van degene die de nieuwe energieleveringsovereenkomst met een energieleverancier heeft gesloten. Stedin heeft tijdens de zitting aangegeven dat zij niet weet welk tarief is gehanteerd bij het berekenen van de kosten van de energie die zij op het adres [adres] , [postcode] in [woonplaats] heeft geleverd in de periode dat haar geen energieleverancier op dit adres bekend was.

2.6.

Tijdens de zitting heeft de kantonrechter vastgesteld dat Stedin en [gedaagde] in overleg willen gaan over het treffen van een schikking. In de akte na comparitie van Stedin die op 14 februari 2020 bij de rechtbank is ontvangen, meldt Stedin dat partijen geen schikking hebben kunnen treffen. Op grond van de ter zitting voor die situatie gemaakte afspraken is vervolgens vonnis bepaald.

2.7.

Bij deze stand van zaken staat vast dat [gedaagde] na 19 januari 2018 zonder tussenkomst van een energieleverancier door Stedin geleverde energie (elektriciteit en gas) heeft afgenomen op zijn woonadres aan de [adres] in [woonplaats] . Met zijn verweer stelt hij ter discussie de periode waarin deze levering heeft plaatsgevonden en de hoogte van de daarmee gemoeide kosten.

3 De beoordeling

3.1.

De kantonrechter stelt voorop dat Stedin de met [gedaagde] gesloten ATO slechts noemt ter onderbouwing van haar stelling dat zij energie naar het adres van [gedaagde] heeft getransporteerd. Nu dat niet in geschil is, is dit gegeven verder voor de beoordeling in dit geding niet relevant.

3.2.

Stedin mag in haar hoedanigheid van netbeheerder niet als energieleverancier optreden. Als voor een woonadres geen energieleverancier bekend is, is de netbeheerder wettelijk verplicht om de afnemer van energie af te sluiten. Dit neemt echter niet weg dat energie die wordt afgenomen in de periode vanaf het moment dat de afnemer geen energieleverancier meer heeft tot het moment dat de netbeheerder tot afsluiting overgaat, een schadepost voor de netbeheerder oplevert.

3.3.

Het spreekt voor zich dat Stedin door de energielevering aan het adres van [gedaagde] vanaf 19 januari 2018 kosten heeft gemaakt. [gedaagde] heeft aangevoerd dat Stedin voor die kosten in ieder geval geen vordering toekomt uit ongerechtvaardigde verrijking. Hij baseert dit op het feit dat Stedin niet is ingegaan op zijn aanbod om een borg te stellen voor Stedin in het geval zijn discussie met energieleverancier Engie zou leiden tot de conclusie dat Stedin inderdaad schade heeft geleden. Dit leidt in zijn visie tot schuldeisersverzuim, waardoor aan Stedin geen vordering meer toekomt. Dit verweer faalt. Van schuldeisersverzuim in de zin dat Stedin als schuldeiser zelf bewerkstelligt dat [gedaagde] zijn verplichtingen niet kan nakomen is geen sprake. [gedaagde] kan de schade immers gewoon - zonder borgstelling - vergoeden.

3.4.

Voor het toewijzen van een vordering uit ongerechtvaardigde verrijking moet op grond van artikel 6:212 BW aan de volgende vereisten zijn voldaan:

1. er is sprake van een verrijking van [gedaagde] ;

2. de verrijking is ontstaan ten koste van een ander, Stedin, die verarmd is;

3. de verrijking en verarming staan in voldoende verband met elkaar;

4. de verrijking is ongerechtvaardigd.

3.5.

Aan deze voorwaarden voor toewijzing van de vordering van Stedin uit ongerechtvaardigde verrijking is voldaan. [gedaagde] bestrijdt niet dat hij na 19 januari 2018 energie is blijven gebruiken zonder contract met een energieleverancier. Het staat dus vast dat Stedin feitelijk energie heeft geleverd aan [gedaagde] en [gedaagde] die energie ook is gaan gebruiken. De energie zelf en het transport ervan kosten Stedin geld en de kosten van de energie worden in dit geval niet gedragen door een energieleverancier. Uitgaande van de in dit geding genoemde meterstanden en de door [gedaagde] verstrekte kostenopgave van Eneco is ter zitting door [gedaagde] (en de rechter) al globaal berekend dat hij zich daarmee € 1.200,- heeft bespaard. Dit staat uiteraard met elkaar in verband en is totaal ongerechtvaardigd.

3.6.

[gedaagde] bestrijdt wél dat de energielevering door Stedin tot 27 maart 2018 heeft geduurd en ook bestrijdt hij de juistheid van de door Stedin voor de berekening gehanteerde meterstanden. Het had echter op zijn weg gelegen om deze betwisting nader op de zitting te onderbouwen. Dit heeft [gedaagde] nagelaten. Stedin heeft voldoende onderbouwd gesteld hoe zij tot de meterstanden is gekomen: zij heeft de meterstanden ontvangen vanuit de landelijke registratie behorend bij het einde van het contract tussen [gedaagde] en zijn toenmalige energieleverancier Engie op 19 januari 2018 en het daaropvolgende contract van de huisgenoot van [gedaagde] , mevrouw [A] , met de nieuwe leverancier Nuts service op 28 maart 2018. [gedaagde] kan niet volstaan met een enkele betwisting van die standen. Zonder een onderbouwde betwisting gaat de kantonrechter uit van de door Stedin verstrekte onderbouwde gegevens. Wel is de kantonrechter het met [gedaagde] eens dat Stedin de door haar geleden schade niet of nauwelijks heeft gespecificeerd. Met het oog op het feit dat uit de globale berekening ter zitting is gebleken dat [gedaagde] zich € 1.200,- heeft bespaard, acht de kantonrechter voldoende grond aanwezig om het nadeel dat Stedin leidt te begroten op het door haar genoemde (in hoogte beperkte) bedrag.

3.7.

De slotsom is dat de hoofdsom van € 426,53 wordt toegewezen. Ook de daarover gevorderde wettelijke rente vanaf dinsdag 20 augustus 2019 tot en met de dag van voldoening wordt toegewezen. [gedaagde] heeft tegen deze vordering geen gemotiveerd verweer gevoerd.

3.8.

Stedin maakt aanspraak op buitengerechtelijke incassokosten. Stedin stelt dat zij

[gedaagde] heeft aangemaand en verwijst daarbij naar de door haar als productie 2 bij de inleidende dagvaarding in het geding gebrachte aanmaning van 12 december 2018 (hierna: de aanmaning). De kantonrechter wijst de vordering ten aanzien van de buitengerechtelijke incassokosten af om twee redenen.

3.9.

Ten eerste vordert Stedin een bedrag dat is gebaseerd op het bepaalde in het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten (hierna: het Besluit). De onderhavige vordering uit ongerechtvaardigde verrijking heeft echter geen betrekking op één van de situaties waarin genoemd Besluit van toepassing is.

3.10.

Ten tweede vereist de wet voor de verschuldigdheid van buitengerechtelijke incassokosten dat de aanmaning heeft plaatsgevonden volgens de vereisten van artikel 6:96 lid 6 BW. Daarbij moet de aanmaning ook door [gedaagde] zijn ontvangen. Het is bij deze stand van zaken aan Stedin om te stellen en zo nodig te bewijzen dat en wanneer de door haar verzonden aanmaning door [gedaagde] is ontvangen. Een tot een bepaalde persoon gerichte verklaring moet op grond van artikel 3:37 BW, om haar werking te hebben, deze persoon immers hebben bereikt. Omdat [gedaagde] de ontvangst van de aanmaning betwist, moet Stedin op grond van artikel 150 Rv bewijzen dat [gedaagde] de aanmaning wèl heeft ontvangen. Dit heeft Stedin niet gedaan. Zonder een nadere onderbouwing op dit punt, moet ervan uit worden gegaan dat niet is komen vast te staan dat [gedaagde] kosteloos is aangemaand als bedoeld in artikel 6:96 lid 6 BW en dat de gevorderde incassokosten niet voor vergoeding in aanmerking komen.

3.11.

De proceskosten komen voor rekening van [gedaagde] , omdat hij grotendeels in het ongelijk is gesteld. Aan de kant van Stedin begroot de kantonrechter die kosten op € 109,18 (dagvaarding), € 486,00 (griffierecht) en € 240,00 (salaris gemachtigde, twee punten tegen het tarief van € 120,00). Samen is dat € 835,18.

4 De beslissing

De kantonrechter:

veroordeelt [gedaagde] om aan Stedin te betalen € 426,53, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf dinsdag 20 augustus 2019 tot en met de dag van voldoening;

veroordeelt [gedaagde] tot betaling van de proceskosten aan de zijde van Stedin, tot de uitspraak van dit vonnis begroot op € 835,18, waarin begrepen € 240,00 aan salaris gemachtigde;

verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. M.J. Slootweg, kantonrechter, en is in het openbaar uitgesproken op 22 april 2020.