Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2020:1851

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
14-05-2020
Datum publicatie
14-05-2020
Zaaknummer
C/16/501672 / KG ZA 20-195
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Kort geding. Is besluit bestuur betaald voetbal dat vanwege coronapandemie voor het seizoen 2019-2020 er geen promotie- en degradatie plaatsvindt ongeldig op grond van 2:14, 2:15 en artikel 6 Mededingingswet? Geconcludeerd wordt van niet. Geen strijd met reglementen, geen gebrekkige besluitvorming, besluit wat inhoud betreft niet in strijd met redelijkheid en billijkheid. Nader onderzoek nodig met betrekking tot mededingingsrecht, op eerste gezicht geen strijd daarmee

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJF 2020/205
OR-Updates.nl 2020-0178
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Civiel recht

handelskamer

locatie Utrecht

zaaknummer / rolnummer: C/16/501672 / KG ZA 20-195

Vonnis in kort geding van 14 mei 2020

in de zaak van

1. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

SC CAMBUUR-LEEUWARDEN B.V.

statutair gevestigd te Leeuwarden

2. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

BETAALD VOETBAL DE GRAAFSCHAP B.V.

statutair gevestigd te Doetinchem

eiseressen,

hierna: Cambuur en De Graafschap

advocaten mrs. C.A. Segaar en Oude Elferink

tegen

de vereniging met volledige rechtsbevoegdheid

KONINKLIJKE NEDERLANDSE VOETBALBOND

statutair gevestigd te Zeist

gedaagde

hierna: KNVB

advocaat mr. H.J.A. Knijff te Amsterdam.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding

  • -

    de producties 1 tot en met 16 van Cambuur en De Graafschap

  • -

    de producties 1 tot en met 14 van de KNVB

  • -

    de mondelinge behandeling van 8 mei 2020

  • -

    de pleitnota van Cambuur en De Graafschap

  • -

    de pleitnota van KNVB.

1.2.

Daarna is aan partijen verteld dat op 14 mei 2020 vonnis zal worden gewezen.

2. Waar gaat dit kort geding over?

2.1.

In dit kort geding gaat het om de betaald voetbal competitie in Nederland.
Het betaald voetbal wordt gespeeld in de eredivisie en de eerste divisie.
Aan de eredivisie nemen 18 clubs deel en aan de eerste divisie 20, waarvan 4 beloftenteams (het tweede team van clubs die in de eredivisie spelen). Cambuur en De Graafschap komen uit in de eerste divisie.

2.2.

De overheid heeft in verband met het coronavirus tot 1 september 2020 het spelen van betaald voetbalwedstrijden en amateur wedstrijden verboden.

2.3.

Het bestuur betaald voetbal heeft voor de betaald voetbalwedstrijden, na het horen van de clubs uit de eredivisie en de eerste divisie, de centrale trainersraad, en de centrale spelersraad, op 24 april 2020 besloten dat:
1. de competitie in de eredivisie en de eerste divisie voor het seizoen 2019-2020
wordt stopgezet en niet op een later moment wordt afgemaakt
2. geen promotie naar de eredivisie en geen degradatie naar de eerste divisie zal
plaatsvinden.

Op het moment van het nemen van deze besluiten moesten er nog 8 of 9 wedstrijden in de eredivisie en eerste divisie worden gespeeld.

2.4.

Over de geldigheid van het eerste besluit (het stopzetten en niet afmaken van de competitie) bestaat geen discussie tussen partijen.

2.5.

Wel discussie bestaat over de geldigheid van het tweede besluit dat dit seizoen geen promotie naar de eredivisie en geen degradatie naar de eerste divisie zal plaatsvinden (hierna: het promotie- en degradatiebesluit). Over dit besluit gaat dit kort geding.

2.5.1.

Cambuur en De Graafschap zijn om verschillende redenen van mening dat dit tweede besluit ongeldig (of zoals dat juridisch wordt genoemd nietig of vernietigbaar) is en dat er daarom geen uitvoering aan dat besluit mag worden gegeven.

2.5.2.

Ook vinden zij dat zij op grond van de rangorde bij het stopzetten van de competitie en de van toepassing zijnde Promotie- en degradatieregeling (productie 8 van Cambuur en De Graafschap) moeten promoveren naar de eredivisie; zij stonden op dat moment op de eerste en tweede plaats. Als zij hierin niet worden gevolgd dan vinden zij dat de KNVB een nieuw besluit moet nemen over de gevolgen van het stopzetten van de competitie voor promotie en degradatie.

2.5.3.

Verder vinden Cambuur en De Graafschap dat de KNVB met spoed een buitengewone algemene ledenvergadering betaald voetbal moet uitroepen. Er staat een algemene ledenvergadering gepland op 18 juni 2020.

2.6.

Cambuur en De Graafschap vorderen daarom in dit kort geding dat de KNVB:

a. wordt verboden uitvoering te geven aan haar besluit van 24 april 2020 om geen
promotie en degradatie toe te passen voor het seizoen 2019-2020
en
b. primair, wordt veroordeeld om Cambuur en De Graafschap voor het seizoen
2020-2021 in de eredivisie te laten spelen
of
subsidiair, wordt veroordeeld tot het nemen van een nieuw besluit wat tot gevolg
heeft dat Cambuur en De Graafschap voor het seizoen 2020-2020 in de eredivisie
uitkomen
of
meer subsidiair, wordt veroordeeld tot het nemen van een nieuw besluit over de
gevolgen van de beëindiging van de voetbalcompetitie 2019-2020 voor de promotie
naar de eredivisie en degradatie naar de eerste divisie
en
c. wordt veroordeeld tot het uitschrijven en bijeenroepen van een buitengewone
algemene ledenvergadering betaald voetbal.

Dit alles versterkt met een dwangsom.

3 De beoordeling van het geschil

Verbod om uitvoering te geven aan het promotie- en degradatiebesluit en de daarmee verband houdende vorderingen die ertoe strekken dat Cambuur en De Graafschap promoveren, althans dat een nieuw besluit wordt genomen over promotie en degradatie

3.1.

Eerst zullen het gevorderde verbod om uitvoering te geven aan het promotie- en degradatiebesluit en de en de daarmee verband houdende vorderingen die ertoe strekken dat Cambuur en De Graafschap promoveren, althans dat een nieuw besluit over promotie- en degradatie wordt genomen, worden besproken. Deze vorderingen zullen, zoals hierna zal worden uitgelegd, worden afgewezen, omdat het niet aannemelijk is dat het promotie- en degradatiebesluit ongeldig is.
Grondslag en toetsingskader

3.2.

Cambuur en De Graafschap leggen aan de vorderingen ten grondslag dat het promotie- en degradatiebesluit nietig of vernietigbaar is.

3.3.

Aan de hand van het rechtspersonenrecht moet worden beoordeeld of dit zo is. Daarbij geldt dat in het kader van dit kort geding moet worden beoordeeld of het aannemelijk is dat de bodemrechter tot die conclusie zal komen. Het toetsingskader is neergelegd in de artikelen 2:14 en 2:15 Burgerlijk Wetboek (BW).
In die artikelen is het volgende bepaald:
- Een besluit van een orgaan van een rechtspersoon is nietig als dat besluit in strijd is
met de wet of de statuten, tenzij de wet anders bepaald (2:14 BW)

- Een besluit van een orgaan van een rechtspersoon is vernietigbaar wegens:
a. strijd met wettelijke of statutaire bepalingen die het tot stand komen van
besluiten regelen
b. strijd met de redelijkheid en billijkheid die door artikel 2:8 BW worden
geëist
c. strijd met een reglement
(2:15 BW)

In artikel 2:8 BW is bepaald dat een rechtspersoon en degenen die krachtens de wet en de statuten bij zijn organisatie zijn betrokken, zich tegenover elkaar moeten gedragen naar hetgeen door redelijkheid en billijkheid wordt gevorderd.

Bestuur betaald voetbal is een orgaan van de KNVB

3.4.

Partijen zijn het erover eens dat het bestuur betaald voetbal een orgaan is van de KNVB (de rechtsperoon: de vereniging) en dat de door haar genomen besluiten op grond van de hiervoor genoemde artikelen nietig of vernietigbaar kunnen zijn.

Argumenten van Cambuur en De Graafschap waarom het promotie- en degradatiebesluit nietig of vernietigbaar is

3.5.

Dan zullen nu de argumenten die Cambuur en De Graafschap aan hun stelling dat het promotie- en degradatiebesluit ongeldig (nietig of vernietigbaar) is worden besproken.

Besluit ongeldig wegens strijd met een reglement (artikel 2:15 lid 1 onder c BW)?

3.6.

Cambuur en De Graafschap voeren als eerste argument aan dat het promotie- en degradatiebesluit vernietigbaar is, omdat dit besluit is genomen in strijd met het Reglement Wedstrijden Betaald Voetbal en de daarvan onderdeel uitmakende Promotie- en degradatieregeling. Zij voeren daarvoor het volgende aan.
Het Reglement Wedstrijden Betaald Voetbal regelt dat het bestuur betaald voetbal bevoegd is om, na het horen van de clubs, de competitie in te korten als wedstrijden door de overheid worden verboden (artikel 16 lid 10 onder a en e in relatie met lid 4 van dit artikel). Vervolgens moet dan met inachtneming van artikel 17 van dit reglement de ranglijst (van de ingekorte competitie) worden bepaald en moet op basis van de Promotie- en degradatieregeling worden vastgesteld welke clubs er promoveren en degraderen.
In dit geval betekent dit dat Cambuur en De Graafschap, die als eerste en tweede na het stopzetten van de competitie zijn geëindigd, moeten promoveren naar de eredivisie (artikel 1 van de Promotie- en degradatieregeling). Het promotie- en degradatiebesluit van het bestuur betaald voetbal dat inhoudt dat geen promotie en degradatie plaatsvindt, is dus in strijd met het Reglement Wedstrijden Betaald Voetbal en om die reden vernietigbaar (artikel 2:15 lid 1 onder c BW).

3.7.

Dit argument van Cambuur en De Graafschap gaat niet op.

3.8.

Allereerst zal de voorzieningenrechter ingaan op de tussen partijen ter discussie staande vraag waaraan het bestuur betaald voetbal haar bevoegdheid ontleent voor haar besluit om de competitie te staken en niet meer af te maken, of - zoals Cambuur en De Graafschap het noemen - om de competitie in te korten.
De KNVB meent dat deze bevoegdheid voortvloeit uit artikel 1 lid 6 van de Statuten, terwijl Cambuur en De Graafschap vinden dat deze bevoegdheid moet worden ontleend aan het Reglement Wedstrijden Betaald Voetbal en dan in het bijzonder aan het bepaalde in artikel 16 lid 10 onder e en e in relatie met artikel 16 lid 4 van dit reglement.
Het doet er echter niet toe op grond van welke bepaling het bestuur betaald voetbal bevoegd was om het hiervoor genoemde besluit te nemen. Linksom of rechtsom het bestuur betaald voetbal was bevoegd om dat besluit te nemen. Daarover zijn partijen het ook eens. Bovendien wordt door Cambuur en De Graafschap niet het standpunt ingenomen dat dit besluit in strijd is met de reglementen. De grondslag voor dit besluit is ook niet van belang voor de beantwoording van de vraag waar het hier om draait, namelijk of in het Reglement Wedstrijden Betaald Voetbal en de daarvan onderdeel uitmakende Promotie- en degradatieregeling is bepaald hoe met promotie- en degradatie wordt omgegaan in het geval van inkorting van de competitie.

3.9.

Wat betreft die vraag concludeert de voorzieningenrechter dat dit, anders dan Cambuur en De Graafschap aanvoeren, niet zo is. Dit wordt als volgt gemotiveerd.

3.9.1.

In artikel 15 van het Reglement Wedstrijden Betaald Voetbal is bepaald dat het bestuur betaald voetbal vóór 1 augustus de Promotie- en degradatieregeling bekendmaakt. Om te bepalen wie promoveert en degradeert moet dus worden gekeken naar de Promotie- en degradatieregeling die voor het seizoen 2019-2020 is vastgesteld door het bestuur betaald voetbal. Partijen zijn het erover eens dat deze Promotie- en degradatieregeling niet de status heeft van een reglement, maar dat het onderdeel uitmaakt van het Reglement Wedstrijden Betaald Voetbal. Hoewel dit niet duidelijk in dit reglement en de Promotie- en degradatieregeling is vermeld, zal de voorzieningenrechter hiervan uitgaan, nu partijen daarover niet twisten. Het Reglement Wedstrijden Betaald Voetbal behelst dus niet alleen de bepalingen uit dat reglement, maar ook de bepalingen uit de Promotie- en degradatieregeling.

3.9.2.

In de Promotie- en degradatieregeling is over de promotie van de eerste divisie naar eredivisie (waar het in deze zaak om gaat) het volgende vermeld:

Artikel 1
De betaaldvoetbalorganisatie waartoe het (eerste of tweede) elftal behoort dat als hoogste is geëindigd op de ranglijst na afloop van de reguliere competitie van de eerste divisie seizoen 2019/’20 is kampioen van de eerste divisie seizoen 2019/’20.

Het betreffende elftal promoveert rechtstreeks naar de eredivisie seizoen 2020/’21 indien dit elftal een eerste elftal is. (…).

De betaaldvoetbalorganisatie waartoe het elftal behoort dat als een-na-hoogste eerste elftal is geëindigd op de ranglijst na afloop van de reguliere competitie van de eerste divisie seizoen 2019/’20 is runner-up van de eerste divisie seizoen 2019/’20 en promoveert eveneens rechtstreeks naar de eredivisie seizoen 2020/’21.

3.9.3.

Uit de tekst van dit artikel volgt dat de daarin verwoorde promotieregeling alleen van toepassing is als de “reguliere” competitie is uitgespeeld. Dat is hier, zoals de KNVB ook aanvoert, niet het geval.

De competitie is (8 of 9 wedstrijden) voor de afloop daarvan beëindigd en zal ook niet worden afgemaakt. Cambuur en De Graafschap kunnen niet worden gevolgd in hun stelling dat een “ingekorte” competitie ook een “reguliere” competitie is. Regulier betekent volgens het spraakgebruik “gangbaar”, “gebruikelijk”, “normaal”. In dit geval gaat het dus om de competitie zoals die normaal gesproken gespeeld zou worden en dat is de competitie volgens het op grond van artikel 15 van het Reglement Wedstrijden Betaald Voetbal vóór 1 augustus 2019 door het bestuur betaald voetbal bekendgemaakte wedstrijdprogramma en niet een daarna ingekorte procedure.

3.9.4.

In de Promotie- en degradatieregeling is geen regeling met betrekking tot de promotie en degradatie opgenomen voor het geval dat de competitie wordt ingekort. De regeling voorziet dus niet in de situatie zoals die hier aan de orde is.

3.10.

De conclusie is dat er geen aanwijzingen zijn dat het promotie- en degradatiebesluit in strijd is met het Reglement Wedstrijden Betaald Voetbal en de daarvan onderdeel uitmakende Promotie- en degradatieregeling. Het is daarom niet aannemelijk dat het besluit vernietigbaar is wegens strijd met een reglement (artikel 2:15 lid 1 onder c BW).
Besluit is ongeldig, omdat het in strijd met de statuten en reglementen is totstandgekomen (artikel 2:15 lid 1 onder a BW)?

3.11.

Cambuur en De Graafschap voeren als tweede argument aan dat het promotie- en degradatiebesluit van het bestuur betaald voetbal van de KNVB vernietigbaar is, omdat het in strijd met de statuten en reglementen is totstandgekomen. Zij voeren daarvoor aan dat dit besluit niet op grond van artikel 1 lid 6 van het Reglement Wedstrijden Betaald Voetbal en artikel 12 van de Promotie- en degradatieregeling kan worden genomen, omdat het in dit geval niet gaat om een situatie die onder de reikwijdte van deze artikelen valt. Het besluit over promotie en degradatie kan volgens Cambuur en De Graafschap alleen worden genomen door wijziging van het Reglement Wedstrijden Betaald Voetbal. Zo’n reglementswijziging kan op grond van de statuten en reglementen niet alleen door het bestuur betaald voetbal worden bewerkstelligd. Er is ook bekrachtiging door de algemene ledenvergadering vereist en dat is niet gebeurd.

3.12.

Ook dit argument gaat niet op.

3.12.1.

Het promotie- en degradatiebesluit, zo voert de KNVB aan, is genomen op grond van artikel 12 van de Promotie- en degradatieregeling. Deze regeling maakt, zoals hiervoor is overwogen, onderdeel uit van het Reglement Wedstrijden Betaald Voetbal.

3.12.2.

In dit artikel is vermeld dat het bestuur betaald voetbal beslist in gevallen waarin niet is voorzien of waarin op grond van bijzondere omstandigheden naar de mening van het bestuur betaald voetbal afwijking noodzakelijk is (waaronder doch niet uitsluitend besluitvorming betreffende het wijzigen van de competitieopzet en/of voetbalpiramide).

3.12.3.

De situatie zoals die hier aan de orde is, valt onder de reikwijdte van dit artikel. Er is in de Promotie- en degradatieregeling niet voorzien in de situatie dat de competitie wordt ingekort.

Op basis van deze bepaling kon het bestuur betaald voetbal dus het ter discussie staande promotie- en degradatiebesluit nemen. Dat zij het daarnaast nodig heeft gevonden om goedkeuring te vragen van de Raad van Commissarissen maakt dit, anders dan Cambuur en De Graafschap menen, niet anders. Het feit dat zij deze goedkeuring heeft gevraagd, betekent nog niet dat zij daarmee erkent dat het Reglement Wedstrijden Betaald Voetbal moest worden gewijzigd om het promotie- en degradatiebesluit te kunnen nemen. Zij kan dit ook uit zorgvuldigheidsoverwegingen hebben gedaan.

3.13.

De conclusie is dat het niet aannemelijk is dat het promotie- en degradatiebesluit vernietigbaar is op grond van artikel 2:15 lid 1 onder a BW.

Besluit is ongeldig (van rechtswege nietig) omdat het in strijd is met het mededingingsrecht (artikel 6 Mw en 101 VWEU)?

3.14.

Cambuur en De Graafschap voeren verder aan dat het promotie- en degradatiebesluit van het bestuur betaald voetbal van rechtswege nietig is, omdat dit besluit is strijd is met het kartelverbod (artikel 6 Mededingingswet). Zij beroepen zich ook nog op artikel 101 VWEU, maar dat artikel mist toepassing, omdat het besluit geen gevolgen heeft voor de handel tussen lidstaten van de Europese Unie.

3.15.

Het is onvoldoende aannemelijk dat dit, door de KNVB gemotiveerd betwiste, standpunt opgaat. Het gaat in dit geval om een zeer uitzonderlijke situatie en afgevraagd kan worden of het mededingingsrecht in deze situatie wel van toepassing is. Om dat goed te kunnen beoordelen moet een meer inhoudelijk debat worden gevoerd, waarvoor in het kader van dit kort geding geen ruimte (meer) is. Als toelichting daarop het volgende.
Het promotie- en degradatiebesluit is genomen, omdat de voetbalcompetitie door de coronapandemie niet kon worden uitgespeeld. De regel voor promotie naar de eredivisie zoals vermeld in de promotie- en degradatieregeling hield in dat op basis van de sportieve prestaties na het spelen van 38 wedstrijden er twee clubs zouden promoveren (toetreden tot) naar de eredivisie. Dit is een redelijke toetredingsregel die niet in strijd is met het mededingingsrecht. Er moesten toen de competitie vanwege het uitbreken van de coronapandemie werd gestaakt nog 9 wedstrijden in de eerste divisie worden gespeeld. In de reglementen en de Promotie- en degradatieregeling was niet voorzien in deze situatie. Er moest dus om de competitie af te ronden een besluit worden genomen over wel of geen promotie en wel of geen degradatie. Besloten is dat er geen promotie en geen degradatie plaatsvindt, omdat op basis van de sportieve prestaties onvoldoende kon worden bepaald welke clubs er na het spelen van de volledige competitie gepromoveerd en gedegradeerd zouden zijn. Daar valt iets voor te zeggen, aangezien er nog 9 wedstrijden moesten worden gespeeld en de eindstand in de competitie nog onzeker was. Het komt er dus op neer dat omdat de sportieve prestaties niet leidend konden zijn, is afgezien van promotie- en degradatie.
Verder is van belang dat het gaat om het éénmalig niet kunnen promoveren en daarmee niet kunnen toetreden tot de erevisie. Dit éénmalig niet kunnen toetreden tot de eredivisie heeft, zoals uit het voorgaande volgt, niets te maken met het uitschakelen van concurrenten, zoals in de door Cambuur en De Graafschap aangehaalde ISU-zaak (Besluit Europese Commissie 8 december 2017, zaak AT-40208) wel het geval was. Overigens is deze zaak, anders dan Cambuur en De Graafschap betogen, niet vergelijkbaar met de zaak ISU.

In die zaak werd de toetreding van schaatsers aan door ISU georganiseerde schaatswedstrijden belemmerd als er door de schaatsers werd deelgenomen aan een niet door ISU georganiseerde schaatswedstrijden. Er was dan sprake van een levenslange schorsing. Dat is, zoals de KNVB ook aanvoert, van hele andere orde als waar het in deze zaak om gaat.

Besluit is ongeldig omdat het is totstandgekomen na een gebrekkige procedure
(artikel 2:15 lid 1 onder b BW)?

3.16.

Cambuur en De Graafschap stellen zich verder op het standpunt dat het promotie- en degradatiebesluit in strijd is met de redelijkheid en billijkheid die door artikel 2:8 BW worden geëist (artikel 2:15 lid 1 onder b) en om die reden vernietigbaar is.
Zij voeren daarvoor aan dat er ernstige gebreken kleven aan de manier waarop het besluit tot stand gekomen is. Die manier verdraagt zich volgens hen niet met de redelijkheid en billijkheid die door artikel 2:8 BW worden geëist.

3.17.

Ook dit standpunt wordt niet gevolgd, zij het dat de voorzieningenrechter wel vindt dat de besluitvorming door het bestuur betaald voetbal beter had gekund. Het is echter niet zo onzorgvuldig dat het besluit daarom vernietigbaar is. Daarbij moet ook in aanmerking genomen worden dat het hier gaat om een gevorderde maatregel in kort geding, waarbij in hoge mate waarschijnlijk moet zijn dat het besluit in een bodemprocedure niet in stand kan blijven.

3.18.

Vooropgesteld wordt dat het bestuur betaald voetbal op grond van artikel 12 van de Promotie- en degradatieregeling bevoegd is om zelfstandig het besluit betreffende de promotie- en degradatie te nemen. Zij hoefde daarvoor niet de leden van de KNVB, in dit geval de betaaldvoetbalorganisaties (de clubs in de eredivisie en eerste divisie) te raadplegen.

3.19.

Het bestuur betaald voetbal heeft niet meteen zelfstandig het promotie- en degradatiebesluit genomen waartoe het formeel bevoegd was, maar heeft eerst de clubs, de centrale trainersraad en de centrale spelersraad in de gelegenheid gesteld hun standpunt kenbaar te maken. In dat kader is er gesproken over een peiling van meningen en niet over een stemming. Ook is aangegeven dat het bestuur uiteindelijk zou besluiten.

Het bestuur betaald voetbal heeft ook te kennen gegeven dat die standpunten mede worden betrokken bij de besluitvorming en in antwoord op vragen van de clubs gezegd dat de uitkomst van de peiling richtinggevend zou zijn voor die besluitvorming. Verder heeft het bestuur betaald voetbal laten weten dat de reden dat zij de clubs en de centrale trainersraad en de centrale spelersraad vooraf hun standpunt kenbaar wilde laten maken, is dat zij op die manier draagvlak voor het te nemen besluit wilde creëren. De KNVB is een democratische vereniging en wil graag zo gezien worden.

3.20.

Het bestuur betaald voetbal heeft hiermee de verwachting gewekt dat de mening van de clubs mee zou worden gewogen bij het nemen van het besluit, zonder dat het bestuur zich vooraf op die uitkomst heeft willen vastleggen. Hoe zich die twee uitgangspunten tot elkaar verhouden is vooraf niet duidelijk gemaakt.

3.21.

De uitkomst van de peiling was als volgt:

- 16 clubs waren voor de optie wel promotie en wel degradatie

- 9 clubs waren voor de optie geen promotie en geen degradatie

- 9 clubs hebben zich van stemming onthouden

- de 2 overige partijen hebben niet gereageerd.

3.22.

Mogelijk is het bestuur overvallen door het relatief grote aantal clubs dat geen voorkeur heeft uitgesproken. Feitelijk waren er drie kampen, de voorstanders, de tegenstanders en de partijen die het besluit aan het bestuur hebben gelaten. Uitgaande van een peiling en niet van een stemming kon het bestuur in die situatie oordelen dat niet een zo duidelijke voorkeur is uitgesproken dat niet anders besloten kon worden dan de optie “wel promotie en degradatie”. Het bestuur kon daarom, zoals zij heeft gedaan, geen waarde toekennen aan de uitkomst van de peiling en weer terugvallen op haar bevoegdheid om zelfstandig een besluit te nemen. Het bestuur is dus binnen de bandbreedte gebleven die vooraf gecommuniceerd is. Van een gebrekkige procedure, die vernietiging van het besluit zou rechtvaardigen, is daarom geen sprake geweest. Dat, zoals Cambuur en De Graafschap nog aanvoeren, sprake is geweest van tijdsdruk, in die zin dat de clubs binnen 1 dag hun voorkeur moesten doorgeven, maakt dit niet anders. Er rustte zoals gezegd geen verplichting op het bestuur om de clubs te raadplegen. Daarbij komt dat zoals, de KNVB aanvoert, de clubs ook zelf er bij het bestuur betaald voetbal op aandrongen om snel een besluit over de promotie en degradatie te nemen, zodat er hierover snel duidelijkheid zou zijn en iedereen wist waaraan hij toe was.

3.23.

De conclusie is dat het niet aannemelijk is dat het promotie- en degradatiebesluit vernietigbaar is, omdat het tot stand is gekomen na een gebrekkige procedure.

Besluit is ongeldig, omdat de inhoud van het besluit in strijd is met de redelijkheid en billijkheid (artikel 2:15 lid 1 onder b BW)?

3.24.

Cambuur en De Graafschap voeren als laatste argument aan dat de inhoud van het promotie- en degradatiebesluit in strijd is met de redelijkheid en billijkheid die (het bestuur betaald voetbal van) de KNVB op grond van artikel 2:8 BW tegenover de clubs in het algemeen en in het bijzonder tegenover Cambuur en De Graafschap in acht moeten nemen.

3.25.

Dit argument gaat niet op.
Het bestuur betaald voetbal zag zich door de uitzonderlijke situatie dat de voetbalcompetitie niet kan worden afgespeeld door de coronapandemie zich voor de moeilijke vraag gesteld hoe om te gaan met promotie en degradatie. Het bestuur betaald voetbal moest in dit verband niet alleen rekening houden met de belangen van Cambuur en De Graafschap, maar met de belangen van alle aan de eredivisie en eerste divisie deelnemende clubs.
Welk besluit het bestuur betaald voetbal ook zou nemen, er zouden, zoals de KNVB ook aanvoert, altijd clubs zijn die daardoor in sportief en financieel opzicht zouden worden geraakt. Het door het bestuur betaald voetbal genomen besluit raakt in dit geval Cambuur en De Graafschap. Dat is zuur, maar betekent niet dat het besluit wat inhoud betreft in strijd is met de redelijkheid en billijkheid die het bestuur betaald voetbal tegenover Cambuur en De Graafschap en alle andere aan de eredivisie en eerste divisie deelnemende clubs in acht moest nemen. Had het bestuur besloten om wel promotie en degradatie te laten plaatsvinden, dan waren ADO Den Haag en RKC Waalwijk in sportief en financieel opzicht geraakt, omdat zij dan van de eredivisie naar de eerste divisie zouden zijn gedegradeerd.
Dat Cambuur en De Graafschap nu schade lijden en de KNVB hen hier niet voor compenseert, maakt niet dat het beluit wat inhoud betreft in strijd is met de redelijkheid en billijkheid. Deze situatie is veroorzaak door een coronapandemie waaraan niemand iets aan kon doen. Uitgangspunt is dan dat de schade moet worden gedragen door degene die het lijdt.

Cambuur en De Graafschap voeren nog aan dat het besluit van het bestuur betaald voetbal is gebaseerd op niet-sportieve, niet transparante en niet-objectieve uitgangspunten, omdat in het kader van de tickets voor Europees voetbal wel is uitgegaan van de ranglijst op het moment van het afbreken van de competitie en in het kader van de promotie en degradatie dit niet is gedaan. Cambuur en De Graafschap worden hierin niet gevolgd.
Dat in verband met de tickets voor Europees voetbal wel is uitgegaan van de ranglijst, komt doordat de UEFA dit zo voorschreef.
Het is verdedigbaar dat het bestuur betaald voetbal heeft gemeend dit niet voor de promotie en degradatie toe te passen, omdat zij gelet op het aantal wedstrijden die nog gespeeld moesten worden (8 of 9 wedstrijden) vond dat er niet op basis van de sportieve prestaties kon worden bepaald wie er zouden promoveren en degraderen.
Het zou evengoed verdedigbaar zijn geweest als het bestuur betaald voetbal had gemeend dat op basis van de sportieve prestaties tot dat moment wel had kunnen worden gepromoveerd en gedegradeerd.

3.26.

De conclusie is dat het niet aannemelijk is dat het promotie- en degradatiebesluit vernietigbaar is, omdat de inhoud van het besluit in strijd is met de redelijkheid en billijkheid (artikel 2:15 lid 1 onder b BW).
Vordering: Bijeenroepen buitengewone algemene ledenvergadering
3.27. Cambuur en De Graafschap vorderen ook nog dat de KNVB moet worden veroordeeld tot het uitschrijven en bijeenroepen van een algemene vergadering betaald voetbal. Deze vordering zal als onvoldoende gemotiveerd onderbouwd worden afgewezen.
Cambuur en De Graafschap hebben niet toegelicht waarom zij willen dat deze vergadering wordt gehouden en wat zij daar dan willen bespreken en voorleggen.

Proceskosten

3.28.

Cambuur en De Graafschap zullen als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van KNVB worden begroot op:

- griffierecht € 656,00

- salaris advocaat 980,00

Totaal € 1.636,00

Tekst

3 De beslissing

De voorzieningenrechter

2.1.

wijst de vorderingen af,

2.2.

veroordeelt Cambuur en De Graafschap in de proceskosten, aan de zijde van KNVB tot op heden begroot op € 1.636,00,

2.3.

verklaart dit vonnis wat betreft de kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. J.O. Zuurmond, rechter, en in aanwezigheid van
mr. B.H. van der Graaf, griffier, in het openbaar uitgesproken op 14 mei 2020.1

1type: BvdG (4374)coll: