Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2020:1828

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
07-05-2020
Datum publicatie
11-05-2020
Zaaknummer
UTR 19/2396
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Wabo, omgevingsvergunning, belanghebbendheid, belangenafweging en parkeren:

Het college heeft een omgevingsvergunning verleend voor het restaureren van en het toevoegen van een logies- en museumfunctie aan een voormalige sluiswachterswoning. Omwonenden vrezen voor geluidsoverlast, aantasting van privacy en extra belasting van de reeds bestaande parkeeroverlast in het dorp. Niet alle omwonenden worden als belanghebbenden bij het besluit aangemerkt, alleen de naaste buren. De naaste buren hebben niet aannemelijk gemaakt dat realisering van het bouwplan een onevenredige aantasting van hun woongenot en privacy veroorzaakt. Hun woningen liggen in een compacte dorpskern. Zij moeten dan ook een zekere beperking van privacy en een zekere mate van geluidshinder aanvaarden. Voor het parkeren heeft het college zich bij de besluitvorming op verkeerde parkeerkencijfers gebaseerd. Het beroep is hierdoor gegrond. Op basis van de juiste parkeerkencijfers heeft het college de gemaakte afweging voldoende gemotiveerd. Hoewel de rechtbank de lastige parkeersituatie in het dorp begrijpt, kan een bestaand parkeertekort niet op een nieuw project worden afgewenteld. De verleende omgevingsvergunning blijft in stand.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Omgevingsvergunning in de praktijk 2020/8261
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Zittingsplaats Utrecht

Bestuursrecht

zaaknummer: UTR 19/2396

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 7 mei 2020 in de zaak tussen

1. [eiser sub 1a] en [eiser sub 1b] , eisers sub 1

2. [eiser sub 2a] en [eiser sub 2b] , eisers sub 2

3. [eiseres sub 3] , eiseres sub 3

4. [eiser sub 4a] en [eiser sub 4b] , eisers sub 4

5. [esier sub 5] , eiser sub 5

6. [eiser sub 6a] en [eiser sub 6b] , eisers sub 6 en

7 [eiser sub 7] , eiser sub 7

allen wonende te [woonplaats] ,

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Oudewater, verweerder

(gemachtigde: mr. A.M. van de Laar).

Als derde-partij heeft aan het geding deelgenomen: Vereniging Hendrick de Keijser (vergunninghouder), te Amsterdam.

Procesverloop

Bij besluit van 1 oktober 2018 (het primaire besluit) heeft verweerder een omgevingsvergunning aan vergunninghouder verleend voor het restaureren van en het toevoegen van een logies- en museumfunctie aan een voormalige sluiswachterswoning op het perceel [adres 1] in [woonplaats] (het perceel).

Bij besluit van 14 mei 2019 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eisers ongegrond verklaard.

Eisers hebben tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek op de zitting heeft plaatsgevonden op 21 januari 2020. Op de zitting zijn de volgende eisers verschenen: [eiser sub 1a] , [eiser sub 1b] , [eiser sub 2a] en

[eiseres sub 3] . Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door haar gemachtigde. Namens verweerder waren ook op de zitting aanwezig: beleidsadviseur verkeer [A] en juridisch adviseur [B] . Derde-partij heeft zich laten vertegenwoordigen door [C] , adjunct-directeur, vergezeld door [D] , restauratie architect.

Overwegingen

Feiten

1. De rechtbank gaat uit van de volgende feiten.

Het perceel heeft op grond van het bestemmingsplan [bestemmingsplan] (het bestemmingsplan) een woonbestemming. Op het perceel bevindt zich een 18e-eeuwse sluiswachterswoning, aangewezen als rijksmonument. Nadat de sluis werd geautomatiseerd, was het overbodig hier een sluiswachter te huisvesten. Daardoor was de woning niet meer in gebruik.

Vergunninghouder heeft op 23 april 2018 een omgevingsvergunning bij verweerder aangevraagd voor het restaureren van en het toevoegen van een logiesfunctie aan de voormalige sluiswachterswoning op het perceel. In de aanvraag heeft vergunninghouder toegelicht dat het pand gedurende de negentiende en begin twintigste eeuw een openbare functie heeft gehad, namelijk die van café en herberg. De historische functie als herberg dient als motivatie om dit pand niet als (sluiswachters)woning te gebruiken maar als vakantiewoning met logiesfunctie. De logiesfunctie betreft het ‘Monument & Bed’ programma van vergunninghouder. Het gaat hier om short-stay voor groepen van maximaal 6 personen (3 slaapkamers) van een weekend tot maximaal 2 weken. Op een later moment heeft vergunninghouder verzocht om hier ook een museale functie aan toe te voegen. Vergunninghouder wil het pand, als het niet verhuurd is voor logies, openstellen voor rondleidingen en museumbezoek, mogelijk gekoppeld aan de rondleidingen door een historische vereniging.

Vervolgens heeft verweerder het primaire besluit genomen. Eisers hebben bezwaar gemaakt. Hierop heeft de bezwaarschriftencommissie van de gemeente Oudewater (de commissie) een advies uitgebracht, waarin de commissie adviseert om de motivering aan te vullen. Vervolgens heeft verweerder in navolging van dit advies het bestreden besluit met een aanvullende motivering genomen.

Eisers sub 1 en 2 zijn eigenaar van de naastgelegen percelen. Eisers sub 1 wonen aan de [adres 2] . Hun woning ligt direct naast de sluiswachterswoning. Eisers sub 2 zijn woonachtig aan de [adres 3] . Deze woning is gelegen tegenover de sluiswachterswoning, aan de overkant van de sluis. De overige eisers wonen aan de [straat] . De [straat] komt uit op de [straat] ter hoogte van de sluis en de sluiswachterswoning. Hieronder is op een kaart*

te zien waar de percelen aan de [adres 3] en [adres 2] en de [straat] ten opzichte van de sluiswachterswoning liggen.

Belanghebbendheid van de eisers

2.1.

Voordat de rechtbank de beroepen inhoudelijk beoordeelt, ziet de rechtbank zich ambtshalve voor de vraag gesteld of alle eisers kunnen worden aangemerkt als belanghebbenden bij het bestreden besluit.

2.2.

Slechts belanghebbenden kunnen bezwaar en/of beroep instellen tegen een besluit. Onder een belanghebbende wordt in artikel 1:2, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) verstaan degene wiens belang rechtstreeks bij een besluit is betrokken. Om als belanghebbende in de zin van de Awb te kunnen worden aangemerkt, moet degene een voldoende objectief bepaalbaar, actueel, eigen en persoonlijk belang hebben dat hem in voldoende mate onderscheidt van anderen en dat rechtstreeks wordt geraakt door het bestreden besluit.

2.3

Volgens vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrecht van de Raad van State (Afdeling)1 moet voor het zijn van belanghebbende aannemelijk zijn dat ter plaatse van de woning of het perceel van de betrokkene gevolgen van enige betekenis kunnen worden ondervonden. Het uitgangspunt is dat degene die rechtstreeks feitelijke gevolgen ondervindt van een activiteit die het besluit, zoals een vergunning, toestaat, in beginsel belanghebbende is bij dat besluit. Het criterium ‘gevolgen van enige betekenis’ dient als correctie op dit uitgangspunt. Gevolgen van enige betekenis ontbreken indien de gevolgen wel zijn vast te stellen, maar de gevolgen van de activiteit voor de woon-, leef- of bedrijfssituatie van betrokkene dermate gering zijn dat een persoonlijk belang bij het besluit ontbreekt. Daarbij wordt acht geslagen op de factoren als afstand tot en zicht op de activiteit die het besluit toestaat. Die factoren worden zo nodig in onderlinge samenhang bezien. Ook de aard, intensiteit en frequentie van de feitelijke gevolgen kunnen van belang zijn.

Het beroep, voor zover ingediend door eisers sub 1 en 2

2.4.

De rechtbank oordeelt dat het beroep, voor zover dat is ingediend door eisers sub 1 ( [adres 2] ), en eisers sub 2 ( [adres 3] ) ontvankelijk is, omdat deze eisers belanghebbenden zijn. Op grond van vaste rechtspraak van de Afdeling2 wordt de eigenaar van een naastgelegen perceel in beginsel als belanghebbende aangemerkt, tenzij op voorhand van het tegendeel blijkt. Eisers sub 1 wonen direct naast de sluiswachterswoning. De tuinen van deze panden grenzen aan elkaar. Het pand aan de [adres 3] ligt op een afstand van ongeveer 35 meter vanaf de sluiswachterswoning. Tussen deze twee panden ligt een sluis. Eiser [eiser sub 2a] heeft op de zitting toegelicht vanuit het leefgedeelte van zijn woning aan de [adres 3] direct zicht te hebben op de sluiswachterswoning. Hiermee ligt de woning van eisers sub 2 aan de [adres 3] vrijwel direct naast de sluiswachterswoning.

Het beroep, voor zover ingediend door de overige eisers

2.5.

De rechtbank is van oordeel dat het beroep, dat is ingediend door de overige eisers, die woonachtig zijn aan de [straat] niet-ontvankelijk is, omdat deze eisers geen belanghebbenden zijn.

2.6.

Of iemand belanghebbende is, moet in gevallen als deze worden bepaald aan de hand van de ruimtelijke uitstraling waarvoor vergunning is verleend (zie rechtsoverweging 2.3.).

Op de zitting heeft eiseres sub 3 toegelicht dat het belang van de bewoners op de [straat] is gelegen in de parkeeroverlast die zij vrezen als gevolg van de vergunde activiteiten. Deze bewoners kunnen hun woning aan de [straat] namelijk niet met de auto bereiken bij drukte in het dorp, doordat de [straat] wordt geblokkeerd door geparkeerde auto’s op het punt waar de [straat] op de [straat] uitkomt.

2.7.

De woningen aan de [adres 4] , [adres 5] , [adres 6] , [adres 7] en [adres 8] liggen op een afstand van tussen de 58 tot 157 meter vanaf de sluiswachterswoning. Op de zitting is gebleken dat de bewoners van de panden aan de [adres 5] , [adres 6] , [adres 7] en [adres 8] vanuit hun woningen geen direct zicht op de sluiswachterswoning hebben. De woning aan de [adres 4] heeft zijzicht op de sluiswachterswoning. De enkele omstandigheid dat eisers in de omgeving van de sluiswachterswoning wonen en dat om die reden niet is uitgesloten dat zich gevolgen van de verleende omgevingsvergunning zullen voordoen, acht de rechtbank onvoldoende om te spreken van een bijzonder individueel belang dat eisers in voldoende mate onderscheidt van anderen die zich ook in deze omgeving bevinden.

Conclusie

2.8.

Eisers sub 1 en 2 zijn ontvankelijk in hun beroep. De overige eisers zijn niet-ontvankelijk in hun beroep, zodat de rechtbank niet toekomt aan een inhoudelijke bespreking van hun beroep. Het beroep van eisers sub 1 en 2 zal hieronder inhoudelijk worden beoordeeld.

Inhoudelijke beoordeling van het beroep, voor zover ingediend door eisers sub 1 en 2 (hierna: eisers)

Grondslag van het bestreden besluit

3. De aanvraag is in strijd met artikel 12 van de planregels van het bestemmingsplan, omdat de logiesfunctie niet past binnen de voor ‘wonen’ aangewezen gronden. Verweerder heeft de omgevingsvergunning verleend met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, aanhef en onder a, onderdeel 2, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) in samenhang met artikel 4, onder 9, van bijlage II bij het Besluit omgevingsrecht (Bor), dus met toepassing van de zogenoemde kruimelgevallenregeling.

Het bouwplan voldoet niet aan de in de planregels opgenomen parkeereis. Daaraan kan ook niet worden voldaan op het eigen terrein. Verweerder heeft voor het parkeren op basis van artikel 2.12, eerste lid, aanhef en onder a, onderdeel 1, van de Wabo, in samenhang met artikel 20.2, sub c, van de planregels van het bestemmingsplan, dus met toepassing van een binnenplanse afwijkingsmogelijkheid, aanleiding gezien om in dit geval af te wijken van de parkeereis. Hierbij heeft verweerder het bijzondere karakter van het pand en de locatie, en de niet tot nauwelijks wijzigende verkeerseffecten op basis van parkeerkencijfers, betrokken.


Toetsingskader: hoe toetst de rechtbank?

4. Niet in geschil is dat het bouwplan in strijd is met artikel 12 van de planregels van het bestemmingsplan. De rechtbank stelt dit ook vast. Een vergunning kan op grond van de kruimelgevallenregeling worden verleend als het bouwplan past binnen de in artikel 4 van Bijlage II van de Bor opgenomen categorieën kruimelgevallen en als de activiteit niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening (artikel 2.12, eerste lid, aanhef onder a, onderdeel 2, van de Wabo).

5.
Artikel 4, onder 9, van bijlage II bij het Bor geeft verweerder de mogelijkheid om afwijkingen van het bestemmingsplan toe te staan wanneer sprake is van het gebruiken van bouwwerken, eventueel in samenhang met bouwactiviteiten die de bebouwde oppervlakte of het bouwvolume niet vergroten, en van bij die bouwwerken aansluitend terrein, mits, voor zover gelegen buiten de bebouwde kom, het uitsluitend betreft een logiesfunctie voor werknemers of de opvang van asielzoekers of andere categorieën vreemdelingen. Tussen partijen is niet in geschil, en ook de rechtbank stelt vast, dat het bouwplan past binnen dit kruimelgeval.
6. Ten aanzien van de vraag of verweerder in redelijkheid gebruik heeft kunnen maken van de kruimelgevallenregeling overweegt de rechtbank het volgende. De rechtbank stelt voorop dat toepassing van artikel 2.12, eerste lid, aanhef en onder a, onderdeel 2, van de Wabo een zogenoemde discretionaire (dat wil zeggen een vrije) bevoegdheid van verweerder is. Bij gebruikmaking van deze bevoegdheid moet verweerder nagaan of met realisering van het bouwplan de belangen van eisers onevenredig worden geschaad. De rechtbank moet het al dan niet gebruiken van deze bevoegdheid terughoudend toetsen. Dat betekent dat de rechtbank beoordeelt of verweerder, bij afweging van alle betrokken belangen, in redelijkheid van deze bevoegdheid gebruik heeft kunnen maken.3

7. Ten aanzien van parkeren heeft verweerder toepassing gegeven aan de zogenoemde binnenplanse afwijkingsmogelijkheid uit artikel 20.2, sub c, van de planregels van het bestemmingsplan. De omgevingsvergunning kan bij toepassing van een binnenplanse afwijkingsregeling slechts worden verleend indien de activiteit niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. Daarnaast geldt ook hier dat verweerder beleidsruimte heeft om te beslissen of het gebruik zal maken van zijn bevoegdheid om af te wijken van het bestemmingsplan. De rechtbank toetst of verweerder bij een afweging van de betrokken belangen in redelijkheid tot zijn besluit heeft kunnen komen.4

Het geschil en de beroepsgronden

8. Gelet op voorgaande spitst de toetsing van het geschil zich daarom op de vraag of het bouwplan in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. Hierna zal de rechtbank de beroepsgronden van eisers beoordelen, die - kort gezegd - zien op de door verweerder gemaakte belangenafweging bij de toepassing van de kruimelgevallenregeling en het parkeren.

Belangenafweging bij de toepassing van de kruimelgevallenregeling
9.1. Eisers voeren in dit verband aan dat verweerder onvoldoende rekening heeft gehouden met hun belangen. Zij vrezen voor schending van hun privacy en voor geluidsoverlast als gevolg van het toevoegen van de logiesfunctie aan de sluiswachterswoning. Bij kortdurende verhuur leven mensen in een ander ritme en is de verwachting dat zij tot ’s avonds laat in de tuin zitten te praten, eten en drinken. Tussen de panden [adres 1] en [adres 2] zit slechts een vrije ruimte van 12 centimeter. De tuinen van deze panden grenzen aan elkaar. De bewoners van [adres 3] hebben direct zicht op het pand op nummer [adres 1] . Deze panden worden slechts gescheiden door water en bakstenen van de sluiskom. Geluid draagt ver over water en de sluiskom werkt daarbij als klankkast.

9.2.

Verweerder heeft zich in het bestreden besluit op het standpunt gesteld dat door toevoeging van een logiesfunctie aan de sluiswachterswoning de belangen van eisers niet zodanig geschaad worden dat de omgevingsvergunning geweigerd moet worden. De afwijking betekent niet een totaal ander afwijkend gebruik van het pand. De woonbestemming blijft intact maar het nieuwe gebruik maakt het mogelijk om het pand ook als logies- en museale functie te gebruiken. Het gebruik als logiesfunctie is gemaximeerd tot 6 personen per verhuurperiode. Uit navraag bij de vergunninghouder is gebleken dat het gebruik als museale functie is beperkt tot besloten gebruik, in die zin dat alleen op aanvraag een bezoek kan plaatsvinden. Daarbij wordt uitgegaan van maximaal 20 personen die kortdurend een bezoek aan het pand brengen. Hierop vormt een uitzondering de openstelling op dagen in het kader van de Open Monumentendagen. Verweerder ziet dan ook in het beoogde gebruik als logiesfunctie in combinatie met een beperkte museale functie geen onaanvaardbare inbreuk op het woon- en leefklimaat en de privacy van omwonenden.

9.3.

De rechtbank is van oordeel dat verweerder zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat de belangen van eisers niet opwegen tegen de belangen van vergunninghouder. Verweerder heeft daarbij van belang mogen achten dat de historische functie van het gebouw door de logiesfunctie meer aandacht krijgt in het cultuurhistorisch besef. Verweerder heeft zich ervan bewust getoond dat eisers in enige mate negatieve gevolgen ondervinden van de toevoeging van de logiesfunctie en de museale functie aan de sluiswachterswoning. Door beperking van het maximaal aantal logées en museumbezoekers heeft verweerder in redelijkheid kunnen oordelen dat de gevolgen van het bouwplan niet zodanig zijn dat sprake is van een onevenredige aantasting van het woon- en leefklimaat van eisers. Daarbij wordt betrokken dat de logiesfunctie niet tegelijkertijd met de museale functie zal plaatsvinden. De woningen van eisers liggen in een compacte dorpskern. Dit brengt met zich dat eisers een zekere beperking van privacy en een zekere mate van geluidshinder moeten aanvaarden. In het licht van bovenstaande hebben eisers met wat ze hebben aangevoerd niet aannemelijk gemaakt dat de realisering van het bouwplan een onevenredige aantasting van hun woongenot en privacy veroorzaakt. Verweerder heeft in redelijkheid toepassing kunnen geven aan de kruimelgevallenregeling. De beroepsgrond slaagt niet.

Parkeren
10.1. Eisers voeren aan dat toevoeging van de logiesfunctie en de museale functie aan de sluiswachterswoning de reeds bestaande parkeeroverlast in het dorp extra belast. Zo levert de museale functie, waarbij sprake is van maximaal 20 bezoekers, een parkeervraag voor maximaal 20 auto’s op. Eisers vinden dat verweerder maatwerk had moeten leveren. Volgens eisers heeft verweerder voor de logiesfunctie in de parkeerkencijfers van de door de CROW uitgegeven publicatie 317 aansluiting moeten zoeken bij kamerverhuur, omdat het gebruik als logiesfunctie is gemaximeerd tot 6 personen per verhuurperiode. Dit maakt dat ook een maximum van 6 auto’s tegelijkertijd moet kunnen worden geparkeerd. Eisers verwachten ook meer verkeersonveilige situaties. Ter hoogte van de sluis, het café en [adres 1] komt verkeer uit 5 richtingen samen. Door het tekort aan parkeerplaatsen staan er vaak auto’s fout geparkeerd ter hoogte van de sluis. Er ontstaat een verhoogde kans op ongevallen en de bereikbaarheid voor de hulpdiensten komt in gevaar.

10.2.

Artikel 20.2 van de planregels van het bestemmingsplan bepaalt het volgende:

a. Een nieuw bouwwerk, verandering van bouwwerk, verandering van gebruik van een bouwwerk of van gronden - al dan niet gecombineerd -, waarvan een behoefte aan parkeergelegenheid wordt verwacht, is niet toegestaan wanneer op het bouwperceel of in de omgeving daarvan niet in voldoende parkeergelegenheid is voorzien en in stand wordt gehouden;

b. Bij een omgevingsvergunning, dan wel bij de uitoefening van de bestuursrechtelijke handhavingstaken wordt aan de hand van door het CROW uitgegeven publicatie 317 ‘Kencijfers parkeren en verkeersgeneratie’ of de opvolger van deze publicatie uitgegeven door het CROW, bepaald of er sprake is van voldoende parkeergelegenheid;

c. Bij een omgevingsvergunning kan worden afgeweken van het bepaalde in sub a en worden toegestaan dat in minder dan voldoende parkeergelegenheid wordt voorzien, mits dit geen onevenredige afbreuk doet aan de parkeersituatie.

Verweerder heeft op basis van artikel 20.2, sub c, van de planregels van het bestemmingsplan aanleiding gezien om in dit geval, gezien het bijzondere karakter van het pand en de locatie, en de niet tot nauwelijks wijzigende verkeerseffecten op basis van parkeerkencijfers, af te wijken van de parkeereis.

10.3.

Parkeerkencijfers zijn op de praktijk gebaseerde cijfers van de verwachte parkeerbehoefte. Bij parkeerkencijfers wordt onderscheid gemaakt naar stedelijkheidsgraad en naar de ligging in de stedelijke zone. Verweerder heeft bij zijn besluitvorming in lijn met artikel 20.2, sub b, van de planregels aansluiting gezocht bij de landelijk aanvaarde richtlijnen op grond van de CROW kencijfers. Er zit een woning in het pand. Volgens de CROW kencijfers heeft de woning een parkeervraag van 2,0-2,2 parkeerplaatsen per woning. Voor een Bed & Breakfast functie ontbreekt een direct parkeerkencijfer in de CROW kencijfers. Verweerder heeft daarom voor de logiesfunctie de parkeervraag voor een bungalow op een recreatiepark gehanteerd, 2,0-2,2 per bungalow, gebaseerd op een bungalowpark (huisjescomplex), niet stedelijk, rest bebouwde kom. Gelet hierop is de parkeervraag even hoog als bij gebruik als woning. Voor de museale functie heeft verweerder de parkeerkencijfers voor een museum per 100 vierkante meter toegepast,

1,0-1,2 per 100 m2, gebaseerd op museum, niet stedelijk, rest bebouwde kom. De parkeervraag komt in relatie tot de oppervlakte die gebruikt wordt voor deze functie niet uit boven het voor de woning c.q. recreatiewoning gebruikte parkeerkencijfer. Bovendien zal de museale functie een kortdurende activiteit zijn en niet gelijktijdig met de verhuur van het pand plaatsvinden. Volgens verweerder is dan ook geen sprake van een tekort of het niet voldoen aan de parkeerbehoefte.

10.4.

Omdat verweerder op de zitting heeft gesteld dat uitgaande van de door de CROW uitgegeven publicatie 317 ‘Kencijfers parkeren en verkeersgeneratie’ andere parkeerkencijfers moeten worden toegepast, te weten een huidige parkeervraag voor de sluiswachterswoning van 1,6-2,4, gebaseerd op de parkeerkencijfers voor een huurhuis (vrije sector, niet stedelijk, rest bebouwde kom) en een parkeervraag voor een bungalow op een recreatiepark van 1,6-1,8 per bungalow, heeft verweerder zich op een ander standpunt gesteld dan hij in het bestreden besluit heeft gedaan. Gelet hierop is het bestreden besluit niet met de vereiste zorgvuldigheid voorbereid en niet op deugdelijke wijze gemotiveerd. Om die reden is het beroep wegens strijd met artikel 3:2 en 7:12 van de Awb gegrond en moet het bestreden besluit worden vernietigd.

10.5.

De rechtbank ziet met het oog op definitieve geschilbeslechting aanleiding om de nadere motivering van de gehanteerde parkeerkencijfers inhoudelijk te bespreken. Hiermee zal de rechtbank beoordelen of er aanleiding bestaat om op grond van artikel 8:72, derde lid, van de Awb de rechtsgevolgen van het vernietigde bestreden besluit in stand te laten. Hiervoor moet de rechtbank bekijken of de nadere motivering voldoende is. Als dit het geval is, kan de rechtbank besluiten om de verleende omgevingsvergunning in stand te laten.

10.6.

De rechtbank stelt vast dat de door CROW uitgegeven publicatie 317, waarbij verweerder aansluiting heeft gezocht, geen parkeerkencijfers voor de Bed & Breakfast functie bevat. Verweerder heeft op de zitting toegelicht dat de logiesfunctie op beperkte schaal zal plaatsvinden. Het gebruik als logiesfunctie is gemaximeerd tot 6 personen per verhuurperiode. De verwachting is dat, gelet op het cultuurhistorische karakter van de sluiswachterswoning en de omgeving hiervan, deze woning niet aan 6 afzonderlijke personen zal worden verhuurd, maar eerder aan een kleine groep of twee afzonderlijke koppels. De rechtbank is van oordeel dat verweerder voor de logiesfunctie in redelijkheid aansluiting heeft kunnen zoeken bij het parkeerkencijfer voor een bungalow, gebaseerd op een bungalowpark (huisjescomplex, niet stedelijk, rest bebouwde kom): 1,6-1,8 per bungalow. Eisers hebben niet onderbouwd, bijvoorbeeld met een tegenadvies, waarom in dit geval aangesloten had moeten worden bij kamerverhuur. De beroepsgrond slaagt niet.

10.7.

De parkeerkencijfers voor een bungalow zijn lager dan de kencijfers voor het huidige gebruik van de sluiswachterswoning van 1,6-2,4, gebaseerd op de parkeerkencijfers voor een huurhuis (vrije sector, niet stedelijk, rest bebouwde kom). Verder heeft verweerder de parkeerkencijfers voor een museum per 100 vierkante meter gehanteerd: 1,0-1,2 (niet stedelijk, rest bebouwde kom). De rechtbank stelt vast dat ook deze kencijfers niet boven de huidige kencijfers liggen. De logiesfunctie en de museumfunctie worden niet tegelijkertijd gebruikt, zodat salderen van de parkeervraag bij functiewijziging, anders dan eisers hebben betoogd, niet aan de orde is.

10.8.

Omdat de parkeerkencijfers voor de toekomstige logies- en museumfunctie niet boven de huidige parkeerkencijfers liggen, vereisen deze functies geen extra parkeerplaatsen. Hoewel de rechtbank de lastige parkeersituatie in het dorp begrijpt, kan een bestaand parkeertekort niet op een nieuw project worden afgewenteld.5 Voor zover eisers vrezen dat bij de sluis (verkeers)onveilige situaties ontstaan, is dit een kwestie van handhaving en kan dit niet aan de verlening van de omgevingsvergunning in de weg staan. Gelet op het voorgaande heeft verweerder, alle belangen afwegende, in redelijkheid gebruik kunnen maken van de in artikel 20.2, sub c, van het bestemmingsplan neergelegde afwijkingsbevoegdheid om de omgevingsvergunning te verlenen. De beroepsgrond slaagt niet.

Conclusie
11. Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat verweerder de omgevingsvergunning in redelijkheid heeft kunnen verlenen. Het beroep is wegens strijd met artikel 3:2 en 7:12 van de Awb gegrond en het bestreden besluit zal worden vernietigd (zie r.o. 10.4.). De rechtbank laat op grond van artikel 8:72, derde lid, van de Awb de rechtsgevolgen van het vernietigde bestreden besluit in stand. Dit betekent dat de verleende omgevingsvergunning gehandhaafd blijft.

Proceskosten
12. Omdat de rechtbank het beroep gegrond verklaart, bepaalt de rechtbank dat verweerder aan eiseres [eiser sub 1a] het door haar betaalde griffierecht van € 345,- vergoedt. Van overige proceskosten is niet gebleken.

Beslissing

De rechtbank:

  • -

    verklaart het beroep, voor zover ingediend door eiseres sub 3, eisers sub 4, eiser sub 5, eisers sub 6 en eiser sub 7, niet-ontvankelijk;

  • -

    verklaart het beroep, voor zover ingediend door eisers sub 1 en sub 2, gegrond;

  • -

    vernietigt het bestreden besluit;

  • -

    bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde bestreden besluit in stand blijven;

  • -

    draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 345,- aan eiseres [eiser sub 1a] te vergoeden.

Deze uitspraak is op 7 mei 2020 gedaan door mr. N.M.H. van Ek, rechter, in aanwezigheid van mr. J.M.T. Bouwman-Everhardus, griffier. Als gevolg van maatregelen rondom het corona virus is deze uitspraak niet uitgesproken op een openbare uitsprakenzitting. Zodra het openbaar uitspreken weer mogelijk is, wordt deze uitspraak, voor zover nodig, alsnog in het openbaar uitgesproken.

de griffier is verhinderd deze uitspraak rechter

te ondertekenen

Afschrift verzonden aan partijen op:

* De afbeelding is om privacy redenen niet opgenomen in de versie op Rechtspraak.nl.

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

1 Zie bijvoorbeeld de uitspraak van 28 maart 2018, ECLI:NL:RVS:2018:1066.

2 Zie bijvoorbeeld de uitspraak van 11 december 2013, ECLI:NL:RVS:2013:2343.

3 Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 27 december 2018, ECLI:NL:RVS:2018:4263.

4 Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 19 juli 2017, ECLI:NL:RVS:2017:1957.

5 Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 11 oktober 2017, ECLI:NL:RVS:2017:2755.