Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2020:1816

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
08-04-2020
Datum publicatie
12-05-2020
Zaaknummer
499583
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Beschikking
Inhoudsindicatie

Machtiging tot verlenen van verplichte zorg. Artikel 7:11 van de Wet verplichte geestelijke gezondheidszorg (Wvggz).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Afdeling familierecht

Locatie Utrecht

Zaaknummer: C/16/499583 / FA RK 20-1988

Betrokkene nummer: [betrokkene nummer]

Machtiging tot verlenen van verplichte zorg

Beschikking van 8 april 2020, naar aanleiding van het door de officier van justitie ingediende verzoek tot het verlenen van een zorgmachtiging als bedoeld in artikel 7:11 van de Wet verplichte geestelijke gezondheidszorg (Wvggz), ten aanzien van:

[betrokkene] ,

geboren op [geboortedatum] 1968, te [geboorteplaats] (Marokko),

wonende te [adres] , [woonplaats] ,

verblijvende te [verblijfplaats] te [plaatsnaam] ,

hierna te noemen: betrokkene,

advocaat: mr. V.C.Th. van 't Westende Meeder.

1 Procesverloop

1.1.

Bij verzoekschrift, ingekomen ter griffie op 25 maart 2020, heeft de officier van justitie verzocht om een zorgmachtiging. Het procesverloop blijkt uit het verzoekschrift.

Bij het verzoekschrift zijn de volgende bijlagen gevoegd:

- de medische verklaring d.d. 13 maart 2020;

- de zorgkaart inclusief bijlagen;

- het zorgplan inclusief bijlagen;

- de bevindingen van de geneesheer-directeur;

- de gegevens over eerder afgegeven machtigingen ingevolge de Wet BOPZ.

1.2.

De mondelinge behandeling van het verzoek heeft vanwege de coronamaatregelen telefonisch plaatsgevonden op 8 april 2020.

1.3.

Daarbij heeft de rechtbank gezamenlijk de volgende personen gehoord:

- de betrokkene,

- mevrouw V.C.Th. van 't Westende Meeder, advocaat,

- de heer [A] , psychiater,

- mevrouw [B] , verpleegkundig specialist in opleiding.

Tijdens de mondelinge behandeling was betrokkene zeer onrustig en luidruchtig. Om voldoende informatie te verkrijgen heeft een gedeelte van de zitting, met instemming van de advocaat, buiten de aanwezigheid van de betrokkene plaats gevonden. Op het einde heeft betrokkene weer deelgenomen aan de zitting, zodat de rechter de beslissing aan betrokkene heeft kunnen mededelen.

1.4.

De officier van justitie heeft van tevoren laten weten dat hij niet voornemens is bij de mondelinge behandeling te verschijnen.

1.5.

De rechtbank heeft na de mondelinge behandeling direct uitspraak gedaan en een kennisgeving mondelinge uitspraak per e-mail verstrekt.

2 Beoordeling

2.1.

In het verzoekschrift is, op grond van het zorgplan en het advies van de geneesheer-directeur, verzocht om aan betrokkene de volgende vormen van verplichte zorg als bedoeld in artikel 3:2 Wvggz te mogen verlenen. Het gaat dan om:

- toedienen van vocht, voeding en medicatie, alsmede het verrichten van medische controles of andere medische handelingen en therapeutische maatregelen, ter behandeling van een psychotische stoornis, dan wel vanwege die stoornis, ter behandeling van een somatische aandoening;

- beperken van de bewegingsvrijheid;

- insluiten;

- uitoefenen van toezicht op betrokkene;

- aanbrengen van beperkingen in de vrijheid het eigen leven in te richten, die tot gevolg hebben dat betrokkene iets moet doen of nalaten, waaronder het gebruik van communicatiemiddelen;

- opnemen in een accommodatie.

2.2.

Betrokkene heeft aan zijn advocaat laten weten dat hij best op de afdeling wil blijven, maar dat hij wel graag meer vrijheden zou krijgen. Tijdens de mondelinge behandeling is echter gebleken dat betrokkene toch niet opgenomen wil blijven. Omdat betrokkene hierin wisselend is verzoekt de advocaat om het verzoek af te wijzen. Subsidiair heeft zij verzocht de maatregel voor de duur van vier maanden toe te wijzen. Ten aanzien van de vormen van verplichte zorg stelt de advocaat zich op het standpunt dat het toedienen van vocht en voeding en insluiten niet nodig zijn. Naast het inhoudelijke verweer pleit de advocaat formeel voor afwijzing van het verzoek. Het verzoek van de zorgmachtiging aansluitend op de voortzetting van de crisismaatregel is immers ingediend nadat de voortzetting van de crisismaatregel verlopen was.

2.3.

De psychiater heeft geconcludeerd tot toewijzing van het verzoek. Betrokkene heeft ondanks het gebruik van zijn medicatie waanideeën. Zijn psychotisch beeld is wisselend. Betrokkene is nu overgegaan op smelttabletten en een andere dosering van zijn medicatie. Zodra de medicatie aanslaat is het de bedoeling dat betrokkene naar huis gaat. Het is echter nog niet duidelijk wanneer dit zal zijn, vanwege het onstabiele en wisselende beeld. Als de medicatie niet zal helpen, zal er moeten worden overgegaan op dwangbehandeling. Betrokkene wil geen werkzame medicatie, omdat hij zich goed voelt zich in zijn waanideeën. Ten aanzien van de vormen van verplichte zorg stelt de psychiater dat vocht en voeding niet onder dwang worden toegediend en dus niet nodig zijn als verplichte zorg. De verpleegkundig specialist in opleiding stelt dat betrokkene voorheen brandgevaar heeft veroorzaakt. Vanwege het wisselende beeld kan niet worden uitgesloten dat dit nog eens zal voorkomen. De verplichte zorg in de vorm van insluiten is derhalve noodzakelijk.

2.4.

Uit de overgelegde stukken en de mondelinge behandeling is gebleken dat betrokkene lijdt aan een psychische stoornis, in de vorm van een schizoaffectieve stoornis van het bipolaire type.

2.5.

Deze stoornis leidt tot ernstig nadeel, gelegen in het bestaan van of het aanzienlijk risico op: ernstig lichamelijk letsel, ernstige materiële schade, ernstige verwaarlozing en de situatie dat betrokkene met hinderlijk gedrag agressie van anderen oproept.

2.6.

Om de het ernstig nadeel af te wenden, de fysieke gezondheid van betrokkene te stabiliseren of te herstellen en de geestelijke gezondheid van betrokkene te stabiliseren en dusdanig te herstellen dat hij zijn autonomie zoveel mogelijk herwint, heeft betrokkene zorg nodig.

2.7.

Gebleken is dat er geen mogelijkheden voor passende zorg op vrijwillige basis zijn. Het formele verweer van de advocaat staat de rechtbank niet in de weg om het verzoek te behandelen, omdat de rechtbank het verzoek kan behandelen als een zorgmachtiging in de zin van artikel 6:4 van de Wvggz. De rechtbank verleent gelet op het voorgaande een zorgmachtiging voor de verzochte vormen van verplichte zorg als bedoeld in artikel 3:2 Wvggz, met uitzondering van het toedienen van vocht en voeding en het uitoefenen van toezicht op betrokkene.

2.8.

Er zijn geen minder bezwarende alternatieven die hetzelfde beoogde effect hebben.

2.9.

De verplichte zorg is evenredig en naar verwachting effectief. Uit de stukken blijkt dat bij het bepalen van de juiste zorg rekening is gehouden met de voorwaarden die noodzakelijk zijn om deelname van betrokkene aan het maatschappelijk leven te bevorderen, alsmede met de veiligheid van betrokkene.

2.10.

Gelet op het voorgaande is voldaan aan de criteria voor en doelen van verplichte zorg als bedoeld in de Wvggz. De zorgmachtiging zal worden verleend voor de (verzochte) duur van zes maanden, en geldt aldus tot en met 8 oktober 2020.

3 Beslissing

De rechtbank:

verleent een zorgmachtiging ten aanzien van [betrokkene], geboren op [geboortedatum] 1968, te [geboorteplaats] (Marokko), voor de volgende vormen van verplichte zorg:

- toedienen van medicatie, alsmede het verrichten van medische controles of andere medische handelingen en therapeutische maatregelen, ter behandeling van een psychotische stoornis, dan wel vanwege die stoornis, ter behandeling van een somatische aandoening;

- beperken van de bewegingsvrijheid;

- insluiten;

- aanbrengen van beperkingen in de vrijheid het eigen leven in te richten, die tot gevolg hebben dat betrokkene iets moet doen of nalaten, waaronder het gebruik van communicatiemiddelen;

- opnemen in een accommodatie;

bepaalt dat deze machtiging geldt tot en met 8 oktober 2020;

wijst af het meer of anders verzochte.

Deze beschikking is op 8 april 2020 mondeling gegeven door mr. E.P. de Beij, rechter en in het openbaar uitgesproken bijgestaan door mr. Z.E.W. Fuchs als griffier, en schriftelijk uitgewerkt en ondertekend op 22 april 2020.

Tegen deze beschikking staat het rechtsmiddel van cassatie open.