Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2020:1810

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
06-05-2020
Datum publicatie
22-05-2020
Zaaknummer
NL-19.23034
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Erfrechtzaak, verdeling.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

_________________________________________________________________ _

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Familierecht

Zittingsplaats Utrecht

zaaknummer: NL19.23034

Vonnis van 6 mei 2020

in de zaak van

1 [eiseres sub 1] ,
wonende te [woonplaats 1] ,

hierna te noemen [voornaam van eiseres sub 1] ,

eiseres op de vordering,

2. [eiser sub 2],
wonende te [woonplaats 2] ,

handelend voor en namens eiseres sub 1 krachtens schriftelijke volmacht,
hierna te noemen [voornaam van eiser sub 2] ,

advocaat A.J.G. Jukema te Bergschenhoek,

tegen

1 [verweerder sub 1] ,
wonende te [woonplaats 3] ,
verweerder op de vordering,

hierna te noemen [voornaam van verweerder sub 1] ,

niet verschenen,
2. [verweerder sub 2],
wonende te [woonplaats 4] ,

hierna te noemen [voornaam van verweerder sub 2] ,
verweerder op de vordering,
advocaat M.P.G. Roobeek te Mijdrecht,
3. [verweerster sub 3],
wonende te [woonplaats 5] ,

hierna te noemen [voornaam van verweerster sub 3]
verweerder op de vordering,
advocaat M.P.G. Roobeek te Mijdrecht,
4. [verweerder sub 4],
wonende te [woonplaats 6] ,
verweerder op de vordering,
advocaat M.P.G. Roobeek te Mijdrecht,
hierna samen (met uitzondering van [voornaam van verweerder sub 1] ) te noemen verweerders.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de procesinleiding,

  • -

    het tegen [voornaam van verweerder sub 1] verleende verstek,

  • -

    het verweerschrift van verweerders,

  • -

    de pleitnota met aangepaste vordering en begeleidende brief van [voornaam van eiseres sub 1] ,

  • -

    de pleitnota en begeleidende brief van verweerders,

  • -

    de mondelinge behandeling via Skype waarbij aanwezig waren:

  • -

    de rechter en de griffier in het gebouw van de rechtbank te Utrecht,

  • -

    mr. Jukema,

  • -

    [voornaam van eiser sub 2] als gevolmachtigde van [voornaam van eiseres sub 1] ,

  • -

    mr. Hendrikx, kantoorgenoot van mr. Roobeek,

  • -

    [voornaam van verweerder sub 2] ,

  • -

    de heer [A] krachtens schriftelijke volmacht namens [voornaam van verweerster sub 3] .

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

Op [overlijdensdatum 1] 2003 is overleden mevrouw [B] (tante [voornaam van B] ), hierna te noemen “erflaatster”. Erflaatster heeft bij testament van 10 oktober 1997 over haar nalatenschap beschikt, in die zin dat zij haar broer de heer [C] (ome [voornaam van C] ) als enig erfgenaam heeft benoemd. De heer [C] was echter al overleden voordat erflaatster overleed, namelijk op [overlijdensdatum 2] 2002, zodat hij niet langer van erflaatster kon erven. Hierdoor dient de erfenis krachtens de regels van het versterferfrecht te worden afgewikkeld.

2.2.

De erfgenamen van erflaatsters op basis van het versterferfrecht zijn:

[voornaam van eiseres sub 1] , [voornaam van verweerder sub 1] , [voornaam van verweerder sub 2] , [voornaam van verweerster sub 3] en mevrouw [voorletters van D] ( [voornaam van D] ) [D] . [voornaam van D] is de zus van [voornaam van verweerder sub 2] en

[voornaam van verweerster sub 3] . [voornaam van eiseres sub 1] en [voornaam van verweerder sub 1] zijn broer en zus. Alle erfgenamen zijn nichten dan wel neven van

erflaatster. Zij hebben allen de nalatenschap zuiver aanvaard.

2.3.

Blijkens de verklaring van erfrecht van 3 november 2003 van mr. [E] , notaris te

Breukelen, hebben [voornaam van eiseres sub 1] , [voornaam van verweerder sub 2] , [voornaam van verweerster sub 3] en [voornaam van D] de heer [verweerder sub 4] een algehele last en

volmacht gegeven om namens hen de nalatenschap van erflaatster af te wikkelen. Blijkens

de verklaring voor erfrecht zijn [verweerder sub 4] en [voornaam van verweerder sub 1] dus samen bevoegd en gerechtigd om

alle goederen en waarden van de nalatenschap van erflaatster op te vorderen, in ontvangst te

nemen en voor ontvangst daarvan kwijting te verlenen.

2.4.

[voornaam van D] is overleden in 2006. Zij heeft blijkens haar testament haar broer [voornaam van verweerder sub 2] en

haar zus [voornaam van verweerster sub 3] tot haar enige erfgenamen benoemd. Ten gevolge van de werking van het

testament van [voornaam van D] zijn [voornaam van eiseres sub 1] , [voornaam van verweerder sub 1] , [voornaam van verweerder sub 2] en [voornaam van verweerster sub 3] ieder voor ¼ deel gerechtigd tot

de nalatenschap van erflaatster.

2.5.

Op 18 mei 2005 is een vonnis gewezen door de rechtbank ’s-Gravenhage in een

kort geding procedure tussen eisers [voornaam van D] , [voornaam van verweerder sub 2] , [voornaam van verweerster sub 3] en [voornaam van eiseres sub 1] enerzijds en gedaagde

[voornaam van verweerder sub 1] anderzijds. In de procedure is [voornaam van verweerder sub 1] veroordeeld om zijn medewerking te

verlenen aan de betaling van de door de Belastingdienst opgelegde aanslag successierechten

inzake de nalatenschap van erflaatster. Tevens is hij in de proceskosten van die procedure

veroordeeld als de in het ongelijk gestelde partij.

2.6.

Bij de rechtbank Den Haag is door [voornaam van verweerder sub 2] en [voornaam van verweerster sub 3] bij dagvaarding van 11 juli 2019

een procedure aanhangig gemaakt met [voornaam van eiseres sub 1] en [voornaam van verweerder sub 1] als gedaagde partij. In die procedure

is in geschil de verdeling van de nalatenschap van erflaatster en de nalatenschap van haar

overleden broer [voornaam van C] (oom van [voornaam van verweerder sub 2] , [voornaam van verweerster sub 3] , [voornaam van eiseres sub 1] en [voornaam van verweerder sub 1] ). Tot die nalatenschappen

behoren onverdeelde aandelen in de onder 3.1. vermelde onroerende zaken, die de beide

erflaters van hun ouders, de grootouders van [voornaam van verweerder sub 2] , [voornaam van verweerster sub 3] , [voornaam van eiseres sub 1] en [voornaam van verweerder sub 1] hebben geërfd.

3 De vordering

3.1.

[voornaam van eiseres sub 1] , hierbij mede vertegenwoordigd door [voornaam van eiser sub 2] , vordert na wijziging van eis en samengevat weergegeven, om:

I. de nalatenschap van erflaatster (tante [voornaam van B] ) te verdelen door aan ieder van de partijen, zijnde [voornaam van eiseres sub 1] , [voornaam van verweerder sub 1] , [voornaam van verweerder sub 2] en [voornaam van verweerster sub 3] toe te delen:

a. 1/16e aandeel in een perceel grond met water gelegen aan de [straatnaam] [nummeraanduiding 1] te [plaatsnaam] ;

b. 1/16e aandeel in een perceel grond met water gelegen aan de [straatnaam] [nummeraanduiding 2] te [plaatsnaam] ;

c. 1/32e aandeel in een perceel water gelegen nabij de [straatnaam] te [plaatsnaam] ;

d. 1/32e aandeel in een perceel water gelegen nabij de [straatnaam] te [plaatsnaam] ;

e. 1/16e aandeel in een perceel water gelegen nabij de [straatnaam] te [plaatsnaam] ;

althans

de nalatenschap van erflaatster te verdelen door voor recht te verklaren dat ieder van partijen ( [voornaam van eiseres sub 1] , [voornaam van verweerder sub 1] , [voornaam van verweerder sub 2] en [voornaam van verweerster sub 3] ) gerechtigd is in deze onroerende zaken voor de hierboven genoemde aandelen;

en tevens

II. de saldi van de tot de nalatenschap behorende bankrekeningen, nadat deze zijn geactualiseerd, tussen partijen te verdelen, althans de wijze van verdeling ervan vast te stellen, in die zin dat uit de aanwezige gelden eerst aan [voornaam van eiser sub 2] (de rechtbank begrijpt [voornaam van verweerder sub 1] ) de door hem betaalde Successierechten worden voldaan en dat ook de begrafeniskosten van erflaatster ten bedrage van € 788,35, worden betaald, waarna het restant van de geldmiddelen vervolgens gelijk, ieder voor 25%, aan [voornaam van eiseres sub 1] en [voornaam van verweerder sub 1] , [voornaam van verweerder sub 2] en [voornaam van verweerster sub 3] wordt uitgekeerd;

III. de wijze van verdeling vast te stellen als deze rechtbank in goede justitie oordeelt;

IV. de proceskosten tussen partijen te compenseren.

3.2.

Verweerders voeren verweer en concluderen tot:

Primair

niet-ontvankelijk verklaring van eiser(e)s dan wel afwijzing van de vorderingen.

Subsidiair

I. niet-ontvankelijk verklaring van eiser(e)s dan wel afwijzing van de vorderingen, voor zover die betrekking hebben op het onroerend goed; en

II. voor zover betrekking hebbende op de banksaldi tot bepaling dat deze dienen te worden

verdeeld conform randnummer 7.1 van het verweerschrift.

Althans tot het nemen van zodanige beslissingen als deze rechtbank in goede justitie juist acht met veroordeling van eiser(e)s in de proceskosten.

4 De beoordeling

4.1.

De rechtbank stelt voorop dat [voornaam van eiseres sub 1] zowel materieel als formeel procespartij is in deze procedure. Dit betekent dat [voornaam van eiser sub 2] geen zelfstandige (proces)positie heeft in deze procedure anders dan dat hij namens [voornaam van eiseres sub 1] aanwezig was tijdens de mondelinge behandeling.

De vorderingen van [voornaam van eiseres sub 1] zijn niet ingesteld tegen [verweerder sub 4] , zodat hij ten onrechte in de procedure is betrokken. Dat [voornaam van verweerder sub 2] , [voornaam van verweerster sub 3] en [voornaam van eiseres sub 1] hem in het verleden een volmacht hebben gegeven en dat niet is gebleken dat deze volmacht al is ingetrokken, doet hier niet aan af.

Vordering onder I

4.2.

De rechtbank zal de vordering van [voornaam van eiseres sub 1] onder I ten aanzien van de verdeling en de verklaring voor recht afwijzen en zal hierna toelichten hoe zij tot dit oordeel is gekomen.

4.3.

Tussen de erfgenamen staat vast en is ook nooit in geschil geweest wat ieders aandeel is in de nalatenschap van erflaatster en wat ieders aandeel is in de onverdeelde aandelen van het onroerend goed (de percelen aan de [straatnaam] [nummeraanduiding 1] en [nummeraanduiding 2] en nabij de [straatnaam] ) die deel uitmaken van die nalatenschap. Los van de vraag of het wijzigen van de vordering bij pleitnota in strijd is met de goede procesorde, is de rechtbank van oordeel dat het toedelen van een aandeel in een perceel ter grootte van ieders oorspronkelijke aandeel – zonder nadere omschrijving welk deel van het perceel dit dan betreft – geen verdeling is. Dit brengt immers geen wijziging in de huidige rechtstoestand: de erfgenamen zijn al gerechtigd tot hun niet nader omschreven aandeel in het perceel.

4.4.

Ten aanzien van de verklaring voor recht is de rechtbank van oordeel dat [voornaam van eiseres sub 1] daar geen belang bij heeft. Zoals gezegd, tussen de erfgenamen bestaat geen geschil over wat ieders aandeel is in de nalatenschap van erflaatster. Dit staat ook vast in de procedure die in Den Haag aanhangig is zoals blijkt uit de dagvaarding van 11 juli 2019, zodat niet valt in te zien welk belang [voornaam van eiseres sub 1] zou hebben bij van het inbrengen van een verklaring voor recht in die procedure.

Vordering onder II

4.5.

De vordering onder II betreft de verdeling van de banksaldi van erflaatster. De erfgenamen zijn het erover eens dat de aanwezige banksaldi in vier gelijke delen moeten worden verdeeld, maar in geschil is welke schulden van die banksaldi moeten worden voldaan voordat tot verdeling daarvan kan worden overgegaan. Nu dit geschilpunt niet voorligt bij de rechtbank Den Haag en er een belang is bij de verdeling van deze saldi, zal de rechtbank hierover beslissen.

4.6.

De rechtbank zal de saldi aldus verdelen dat ieder der erfgenamen recht heeft op ¼ deel van de aanwezige banksaldi nadat de volgende schulden daarvan zijn voldaan:

  1. de vordering van [voornaam van verweerder sub 1] inzake de door hem zelf betaalde successierechten van € 52.874,-;

  2. de vordering van de nalatenschap van de heer [C] (ome [voornaam van C] ) vanwege uit die nalatenschap betaalde begrafeniskosten van erflaatster ten bedrage van € 788,35;

  3. de kosten van advocaat [F] / [G] van € 7.193,42 voor verrichte werkzaamheden in het kader van de kort geding procedure over de betaling van de successierechten die is gevoerd tussen [voornaam van verweerder sub 2] , [voornaam van verweerster sub 3] , [voornaam van eiseres sub 1] en [voornaam van D] enerzijds tegen [voornaam van verweerder sub 1] anderzijds;

  4. e kosten voor werkzaamheden verricht door [verweerder sub 4] in het kader van de gevoerde kort geding procedure van € 3.000,80;

  5. de kosten van notaris [H] van € 2.367,83.

De rechtbank merkt niet aan als schulden van de nalatenschap:

de rente over de vordering van [voornaam van verweerder sub 1] inzake de door hem zelf betaalde successierechten vanaf 1 juni 2005 tot de dag van de afrekening van de erfenis;

de proceskostenveroordeling van [voornaam van verweerder sub 1] .

De rechtbank zal hierna toelichten hoe zij tot dit oordeel is gekomen.

ad a. en b.

4.7.

[voornaam van eiseres sub 1] en verweerders zijn het erover eens dat deze kosten moeten worden voldaan vanuit de nalatenschap, zodat de rechtbank dienovereenkomstig zal beslissen.

ad. c

4.8.

De rechtbank is van oordeel dat de kosten die zijn gemaakt ten behoeve van de kort geding procedure in mindering strekken op de nalatenschap, gelet op het bepaalde in artikel 4:7 lid 1 sub c en sub e BW. Successierechten behoren tot schulden van de nalatenschap (sub e). De kosten die nodig zijn geweest om deze schulden te betalen zijn kosten ter vereffening van de nalatenschap (sub c). De rechtbank twijfelt er niet aan dat het noodzakelijk was om deze procedure te voeren, in het belang van de vereffening en afwikkeling van de nalatenschap en dus ook in het belang van alle erfgenamen. [voornaam van verweerder sub 1] heeft – zoals blijkt uit het kort geding vonnis – ten onrechte geweigerd mee te werken aan de ondertekening en betaling van de aangifte successierechten. Dat de procedure niet is gevoerd namens alle erfgenamen ( [voornaam van verweerder sub 1] was immers geen eisende partij, maar gedaagde), doet hier naar het oordeel van de rechtbank niet aan af. De rechtbank zal rekening houden met een bedrag van € 7.193,42. In de pleitnota heeft [voornaam van eiseres sub 1] voor het eerst in deze procedure de hoogte van het bedrag betwist. De hoogte van de kosten komt de rechtbank niet onredelijk voor nu de daadwerkelijke kosten altijd hoger zijn dan de forfaitaire kosten. Daarbij komt dat ook [voornaam van eiseres sub 1] als eisende partij opdrachtgever is geweest, zodat het op haar weg had gelegen de facturen en urenspecificaties op te vragen indien zij daar vraagtekens bij had.

ad d.

4.9.

Vast staat dat [verweerder sub 4] een volmacht had om de nalatenschap namens [voornaam van eiseres sub 1] , [voornaam van verweerder sub 2] en [voornaam van verweerster sub 3] af te wikkelen. De kosten die door [verweerder sub 4] zijn gemaakt ten behoeve van de betaling van de successierechten en de kort geding procedure strekken in mindering op de nalatenschap om dezelfde reden als geldt voor de kosten van [F] / [G] . Dat [verweerder sub 4] in de kort geding procedure niet heeft opgetreden namens alle erfgenamen, doet hier naar het oordeel van de rechtbank niet aan af. Zijn optreden strekte ter vereffening van de nalatenschap. De rechtbank verwerpt het verweer van [voornaam van eiseres sub 1] dat deze kosten haar niet bekend voorkomen. Hetzelfde geldt voor haar verweer dat er geen afspraken zouden zijn gemaakt dat [verweerder sub 4] kosten in rekening zou brengen voor zijn werkzaamheden. [verweerder sub 4] is geen familielid maar was of is bankdirecteur van beroep. Hij is dus kennelijk mede door [voornaam van eiseres sub 1] benoemd tot gevolmachtigde vanwege zijn financiële expertise. Een dergelijke volmacht impliceert dat aan [verweerder sub 4] ook een opdracht is verstrekt. Anders heeft een volmacht geen nut. Daaruit vloeit voort dat hij aanspraak kan maken op een redelijke beloning voor zijn werkzaamheden, onafhankelijk van de vraag of daarover expliciete afspraken zijn gemaakt. Dit zou anders zijn als expliciet met hem was overeengekomen dat hij zijn werkzaamheden gratis zou verrichten. Dit is echter door [voornaam van eiseres sub 1] niet gesteld. Als [voornaam van eiseres sub 1] de kosten te hoog vindt had het op haar weg gelegen zich daarover specifieker uit te laten. Zij is immers mede-opdrachtgever van [verweerder sub 4] en verkeert ten opzichte van hem dus niet in een andere positie dan [voornaam van verweerder sub 2] en [voornaam van verweerster sub 3] .

ad e.

4.10.

[voornaam van eiseres sub 1] en verweerders zijn het erover eens dat deze kosten, voor zover betrekking hebbend op de afwikkeling van de nalatenschap van erflaatster, vanuit de nalatenschap moeten worden voldaan. De rechtbank is van oordeel dat voldoende is vast komen staan dat het gehele bedrag van € 2.367,83 ziet op werkzaamheden verricht ten behoeve van de nalatenschap van erflaatster. Vast staat dat er een concept akte verdeling is opgesteld door notaris [H] en dus dat de notaris werkzaamheden heeft verricht. Ook hier geldt, notarissen werken doorgaans niet voor niets. [voornaam van eiseres sub 1] heeft ook opdracht gegeven aan de notaris voor deze werkzaamheden. Indien zij het met de hoogte van de kosten niet eens is had het op haar weg gelegen om hierover informatie op te vragen bij notaris [H] en om een specificatie te vragen. Daarbij komt dat de kosten de rechtbank niet onredelijk voorkomen voor het opstellen van een concept akte verdeling.

ad f.

4.11.

Voor de betaling van rente over de door [voornaam van verweerder sub 1] voorgeschoten successierechten bestaat geen rechtsgrond. De redelijkheid en billijkheid kan, zoals door [voornaam van eiseres sub 1] aangevoerd, niet als zelfstandige rechtsgrond worden aangevoerd. Het is bovendien aan [voornaam van verweerder sub 1] zelf te wijten dat de nalatenschap niet ook zijn successierechten heeft betaald, tegelijk met die van de andere erven.

ad g.

4.12.

[voornaam van eiseres sub 1] en verweerders zijn het erover eens dat de proceskostenveroordeling van [voornaam van verweerder sub 1] voor zijn rekening komt en niet uit de nalatenschap moet worden betaald. Nu tijdens de mondelinge behandeling is gesteld dat deze kosten nog niet zijn voldaan, zal de rechtbank – anders dan verweerders – deze kosten niet in mindering brengen op hetgeen [voornaam van verweerder sub 1] verkrijgt uit de nalatenschap als vergoeding van de door hem zelf betaalde successierechten onder a. De proceskostenveroordeling staat los van de nalatenschap en dient door [voornaam van verweerder sub 1] zelf te worden betaald aan de toenmalige eisers in die procedure ieder voor en kwart, waarbij [voornaam van verweerster sub 3] en [voornaam van verweerder sub 2] aanspraak kunnen maken op het deel van [voornaam van D] .

4.13.

[voornaam van eiseres sub 1] zal als de (grotendeels) in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld.

4.14.

De kosten aan de zijde van verweerders worden begroot op:

- griffierecht € 297,- (gezamenlijk griffierecht op basis van gelijkluidend verweer)

- salaris advocaat € 1.086,- (2 punten × tarief II bij vorderingen met onbepaalde waarde

€ 543,-)

Totaal € 1.383,-

4.15.

De kosten aan de zijde van de niet verschenen gedaagde [voornaam van verweerder sub 1] worden begroot op nihil.

5 De beslissing

De rechtbank

5.1.

gelast de wijze van verdeling van de in de nalatenschap van erflaatster aanwezige banksaldi aldus dat van deze banksaldi eerst moeten worden voldaan de vordering van [voornaam van verweerder sub 1] inzake de door hem zelf betaalde successierechten van € 52.874,-, de vordering van de nalatenschap van de heer [C] (ome [voornaam van C] ) inzake de begrafeniskosten van € 788,35, de kosten van advocaat [F] / [G] van € 7.193,42, de kosten voor werkzaamheden verricht door [verweerder sub 4] van € 3.000,80 en de kosten van notaris [H] van € 2.367,83, waarna het restant moeten worden verdeeld onder de erfgenamen in gelijke delen;

5.2.

veroordeelt [voornaam van eiseres sub 1] in de proceskosten, aan de zijde van verweerders tot op heden begroot op € 1.383,- en aan de zijde van [voornaam van verweerder sub 1] tot op heden begroot op nihil,

5.3.

verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,

5.4.

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. M.A.A.T. Engbers, rechter, bijgestaan door mr. M.H. Lamers, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 6 mei 2020.