Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2020:1808

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
04-05-2020
Datum publicatie
07-05-2020
Zaaknummer
UTR - 19 _ 1596
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Besluiten rondom de DHW-vergunning én vrijstelling van een exploitatievergunning kunnen niet in stand blijven, beroep gegrond, verweerder moet een nieuw besluit nemen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Zittingsplaats Utrecht

Bestuursrecht

zaaknummer: UTR 19/1596

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 4 mei 2020 in de zaak tussen

[eiser] , te [woonplaats] , eiser

(gemachtigde: mr. M.R. Plug),

en

de burgemeester van de gemeente Utrechtse Heuvelrug, verweerder

(gemachtigden: M. van der Wel en S. Roelofsen).

Als derdebelanghebbende heeft aan het geding deelgenomen: [derde-belanghebbende] B.V., te [vestigingsplaats] , gemachtigde: [A] .

Procesverloop

Bij besluit van 7 juni 2018 (het primaire besluit I) heeft verweerder een Drank- en horecawet-vergunning (DHW-vergunning) verleend aan [A] , ten behoeve van stichting behoud het [stichting] (de Stichting).

Bij afzonderlijk besluit van 7 juni 2018 (het primaire besluit II) heeft verweerder een vrijstelling exploitatievergunning verleend aan [A] , ten behoeve van de Stichting.

Bij besluit van 20 december 2018 heeft verweerder de tenaamstelling van de DHW-vergunning gewijzigd.

Bij besluit van 8 april 2019 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser deels gegrond verklaard maar de besluitvorming in stand gelaten.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 10 oktober 2019. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigden. Derdebelanghebbende is vertegenwoordigd door haar gemachtigde [A] .

Bij besluit van 16 oktober 2019 heeft de rechtbank het onderzoek heropend. Eiser, verweerder en derdebelanghebbende hebben gereageerd op de vraag van de rechtbank.

Overwegingen

Waar gaat de zaak over?

1. De [naam] is een monumentaal pand in [vestigingsplaats] . Het gebouw was eerder in gebruik als bibliotheek en had een bijeenkomstfunctie. [A] (hierna: de uitbaatster) wil het monumentale pand bewaren en een nieuwe functie geven. Op de benedenverdieping moet ruimte komen voor culturele en andere bijeenkomsten, op de eerste verdieping voor logies. In deze zaak staat het gebruik van de benedenverdieping centraal. Uitbaatster heeft ten behoeve van de Stichting voor de [naam] een DHW-vergunning gekregen en er is een vrijstelling verleend voor het exploiteren van een bedrijf zonder exploitatievergunning. De vergunningsaanvraag is gedaan om licht alcoholische dranken te kunnen schenken tijdens onder meer bijeenkomsten, tentoonstellingen en filmvoorstellingen. De vrijstelling is aangevraagd om een horecabedrijf te kunnen exploiteren zonder horecavergunning. Eiser is het niet eens met de verleende DHW-vergunning en vrijstelling.

Is eiser belanghebbende? Ja

2. De eerste vraag die de rechtbank moet beantwoorden, is of eiser belanghebbende is. Als eiser geen belanghebbende zou zijn, komt de rechtbank aan een inhoudelijke beoordeling van zijn beroep immers niet toe. De rechtbank heeft na de zitting het onderzoek heropend omdat de derdebelanghebbende aanvoerde dat eiser geen belanghebbende is. Verweerder, eiser en derdebelanghebbende hebben zich hierover uitgelaten. De rechtbank is van oordeel dat eiser belanghebbende is. Volgens eiser zelf woont hij hemelsbreed op 56 meter afstand van de [naam] . Volgens de derdebelanghebbende woont eiser hemelsbreed op 73 meter afstand. Hoe dan ook woont eiser op geringe afstand van de [naam] , waar het in deze zaak om gaat. Het is daarom aannemelijk dat hij gevolgen van enige betekenis zal ondervinden van de activiteiten rondom de [naam] .1

Het oordeel van de rechtbank over de DHW-vergunning

3. De rechtbank zal als eerste beoordelen of het bestreden besluit stand kan houden voor zover dat ziet op de DHW-vergunning. De rechtbank is van oordeel dat het besluit op dit punt geen stand kan houden, en zal hierna toelichten waarom.

De gang van zaken rondom de DHW-vergunning

4. Verweerder heeft de DHW-vergunning aanvankelijk verleend aan uitbaatster, ten behoeve van de Stichting. Verweerder heeft hierbij de reguliere procedure gevolgd en een commerciële horecavergunning afgegeven. Nadat eiser hiertegen bezwaar had gemaakt, heeft de bezwaarcommissie geoordeeld dat de Stichting een paracommerciële instelling is. Er is volgens de commissie geen sprake van winstoogmerk maar wel van een horecabedrijf waarvoor de DHW-vergunning kan worden verstrekt. Voor een paracommerciële instelling gelden, op grond van de APV andere regels dan voor een commercieel horecabedrijf. De commissie adviseert de DHW-vergunning in stand te laten.

5. De rechtbank merkt hier op dat voor een DHW-vergunning ten behoeve van een paracommerciële instelling de uniforme openbare voorbereidingsprocedure moet worden gevolgd. Verweerder heeft, zoals hiervoor overwogen, bij het nemen van het primaire besluit I de reguliere procedure gevolgd.

6. Na het advies van de bezwaarcommissie is op 27 november 2018 een verzoek gedaan bij verweerder om de tenaamstelling van de DHW-vergunning te wijzigen. Het verzoek is gedaan door uitbaatster en door [B] , namens [derde-belanghebbende] B.V. Bij besluit van 20 december 2018 heeft verweerder een gewijzigde DHW-vergunning afgegeven ten behoeve van [derde-belanghebbende] B.V. In het bestreden besluit heeft verweerder geoordeeld, dat nu de DHW-vergunning is gewijzigd naar een B.V., er geen sprake kan zijn van een paracommerciële instelling. Dit betekent dat voor het nemen van het primaire besluit de juiste procedure is gevolgd en de DHW-vergunning in stand kan blijven.

Hoe moet de gang van zaken rondom de tenaamstellingswijziging juridisch geduid worden?

7. De rechtbank is van oordeel dat uitbaatster, met het verzoek van 27 november 2018 om de tenaamstelling te wijzigen, een gewijzigde aanvraag heeft gedaan. Dat betekent dat er op dit moment geen aanvraag meer ligt voor een DHW-vergunning voor de Stichting, maar alleen een aanvraag voor een DHW-vergunning voor [derde-belanghebbende] B.V.

8. Ten aanzien van het besluit van 27 november 2018 is de rechtbank van oordeel dat verweerder heeft beoogd hiermee de bij het primaire besluit I verleende DHW-vergunning te vervangen door de vergunning zoals verwoord in het besluit van 27 november 2018. Dat betekent dat er op dit moment geen DHW-vergunning meer is voor de Stichting maar uitsluitend een vergunning voor [derde-belanghebbende] B.V. De rechtbank zal het besluit van 27 november 2018 daarom aanduiden als vervangend primair besluit I.

9. Nu het bezwaar en beroep van eiser ziet op de verleende DHW-vergunning ten behoeve van de [naam] , en deze DHW-vergunning bij het vervangend primair besluit I is gewijzigd, ziet het bezwaar en beroep van eiser ook op dit besluit.2

Waarom oordeelt de rechtbank dat de besluitvorming geen stand kan houden?

10. Eiser heeft aangevoerd dat de DHW-vergunning niet aan [derde-belanghebbende] B.V. kan worden verstrekt omdat de aanvraag is ingediend voor de Stichting en dat de uniforme openbare voorbereidingsprocedure had moeten worden gevolgd. De rechtbank overweegt dat de DHW-vergunning, ook na het vervangend primair besluit I, nog steeds op de zelfde inrichting ziet, namelijk de [naam] . Ook is, nu de DHW-vergunning is verleend aan een B.V., geen sprake van een paracommerciële instelling. Dit betekent dat op dat punt de juiste procedure zou zijn gevolgd. De rechtbank kan verweerder echter niet volgen in het standpunt dat de oorspronkelijke aanvraag, dus de aanvraag van 3 maart 2018, is gedaan door [derde-belanghebbende] B.V. De oorspronkelijke aanvraag is gedaan door uitbaatster ten behoeve van de Stichting. De Stichting is een andere rechtspersoon dan [derde-belanghebbende] B.V.. Dit heeft voor de vergunningverlening consequenties. Uitbaatster vertegenwoordigt zowel [derde-belanghebbende] B.V. als de Stichting. Bij [derde-belanghebbende] B.V. is echter ook de echtgenoot van uitbaatster, [B] , betrokken.

11. Ook [B] is leidinggevende voor de Drank- en Horeca Wet (DHW). Hij is immers de bestuurder van een rechtspersoon, [derde-belanghebbende] B.V., voor wiens rekening en risico het horecabedrijf wordt uitgeoefend.3 Leidinggevenden moeten voldoen aan een aantal eisen. Voor sommige van deze eisen wordt een uitzondering gemaakt als de leidinggevende geen bemoeienis heeft met de bedrijfsvoering of exploitatie.4 Aan sommige eisen moeten alle leidinggevenden voldoen. Zo moeten leidinggevenden bijvoorbeeld op geen enkele wijze van slecht levensgedrag zijn en niet onder curatele staan. Op geen enkele wijze blijkt uit de besluitvorming van verweerder dat ook voor [B] is getoetst of aan de eisen van DHW is voldaan. Verweerder heeft immers overwogen dat [derde-belanghebbende] B.V. gelijk te stellen is met de oorspronkelijke aanvrager, waarvan [B] geen leidinggevende was. Verweerder had na de wijziging van de aanvraag nader onderzoek moeten doen of er sprake was van één van de weigeringsgronden uit de DHW of beter moeten motiveren dat ook voor [B] en [derde-belanghebbende] B.V. geen weigeringsgronden aan de orde zijn. Daarvoor moet ook duidelijk zijn of [B] al dan niet bemoeienis heeft met de bedrijfsvoering of exploitatie van de [naam] .5 Dit betekent dat de besluitvorming van verweerder geen stand kan houden.

Het oordeel van de rechtbank over de vrijstelling exploitatievergunning

12. De rechtbank is van oordeel dat ook de besluitvorming rond de vrijstelling exploitatievergunning geen stand kan houden. De rechtbank zal hierna toelichten waarom.

Geen maatschappelijk gebruik van de [naam]

13. Eiser heeft zich op het standpunt gesteld dat de exploitatie van de [naam] op de huidige wijze in strijd is met de ter plaatse geldende beheersverordening. Ter zitting heeft verweerder verklaard dat sprake is van strijd met de maatschappelijke bestemming die op het pand rust en dat daarom sprake is van een weigeringsgrond. Omdat de exploitatievergunning is verleend aan een commercieel bedrijf en er ook feesten en begrafenissen worden georganiseerd, is geen sprake van ondergeschikte horeca. Verweerder heeft aangegeven dat de gemeente positief staat tegenover een wijziging van de bestemming van het pand. Omdat ten tijde van de besluitvorming op het pand nog de bestemming “Maatschappelijk” rustte, was op dat moment de commerciële horeca-uitbating op de wijze waarop deze plaatsvindt, niet toegestaan. De weigeringsgrond van artikel 2:28 van de APV is dwingend geformuleerd. Dat wil zeggen dat de vrijstelling geweigerd moet worden als van deze weigeringsgrond sprake is.6 Het bestreden besluit kan daarom geen stand houden. De overige gronden die eiser op dit punt heeft aangevoerd hoeven daarom niet te worden besproken.

Hoe nu verder?

14. Gelet op het voorgaande moet worden geoordeeld dat het bestreden besluit niet met de vereiste zorgvuldigheid tot stand is gekomen en niet kan worden gedragen door de daaraan ten grondslag gelegde motivering.7 De vraag is of verweerder met een nieuwe beslissing op bezwaar de gebreken kan repareren of dat ook de primaire besluiten moeten worden herroepen. De rechtbank zal verweerder de kans geven de gebreken in het bestreden besluit te herstellen. De rechtbank zal de primaire besluiten dus niet herroepen. De rechtbank licht hieronder toe waarom

De DHW-vergunning

15. Zoals overwogen in de uitspraak heeft verweerder de vergunningverlening onzorgvuldig voorbereid. Eiser heeft aangevoerd dat de verkeerde voorbereidingsprocedure is gevolgd. Verweerder had de uniforme openbare voorbereidingsprocedure moeten volgen. Omdat sprake is van een gewijzigde aanvraag en vervangend primair besluit, is daar echter geen sprake van. Wel heeft verweerder niet kenbaar onderzocht of alle leidinggevenden voldoen aan de vereisten die de DHW daaraan stelt. Hoewel eiser niet heeft aangevoerd dat de vergunninghouder, [derde-belanghebbende] B.V., op enig punt niet voldoet aan de door de DHW gestelde vereisten, krijgt verweerder de gelegenheid dit gebrek in een nieuwe beslissing op bezwaar te herstellen. De reden daarvoor is de gang van zaken rond de wijziging van de tenaamstelling. In de nieuwe beslissing op bezwaar moet verweerder motiveren of er sprake is van weigeringsgronden om de DHW-vergunning toe te kennen. Daarbij dient verweerder te kijken naar de omstandigheden van het geval, nu er een aanvraag ligt van [derde-belanghebbende] B.V. in plaats van de Stichting. Afhankelijk hiervan kan verweerder de DHW-vergunning in stand laten, wijzigen of het vervangende primaire besluit I herroepen.

De vrijstelling exploitatievergunning

16. De rechtbank heeft uit de toelichting van verweerder op zitting begrepen dat hij zich op het standpunt stelt het gebrek in de vrijstelling exploitatievergunning te kunnen herstellen in de bezwaarprocedure. De gemeente wil graag dat de [naam] behouden blijft. Daartoe is een vorm van exploitatie noodzakelijk. Wel vindt de gemeente het belangrijk dat daarbij overlast voor omwonenden zoveel mogelijk beperkt blijft. De gemeente staat dan ook welwillend tegenover een wijziging van het bestemmingsplan. Ten tijde van de zitting werd hier al naar gekeken. De rechtbank zal verweerder daarom de kans geven om door middel van een nieuwe beslissing op bezwaar de gebreken te herstellen. Indien de gemeente inderdaad het bestemmingsplan wijzigt, en de exploitatie na deze wijziging is toegestaan, dan kan de vrijstelling in de nieuwe beslissing op bezwaar in principe in stand blijven. Uiteraard mits ook aan alle andere vereisten is voldaan. Indien de gemeente het bestemmingsplan niet wijzigt, kan de gemeente alleen een vrijstelling verlenen als wordt voldaan aan de vereisten die op de bestemming rusten. Als dat niet zo is, zoals ten tijde van de besluitvorming, dient verweerder het primaire besluit II te herroepen. De derdebelanghebbende zou dan geen vrijstelling meer hebben.

Verdere aanwijzingen voor verweerder

17. Verweerder moet de gebreken in de besluitvorming rondom de DHW-vergunning en de vrijstelling exploitatievergunning herstellen met inachtneming van wat in deze uitspraak is overwogen. Daarbij dient verweerder ook in acht te nemen dat de twee primaire besluiten zoals die er nu liggen, gericht zijn op twee verschillende rechtspersonen. Het vervangend primair besluit I kent een DHW-vergunning toe aan [derde-belanghebbende] B.V. Het primaire besluit II kent een vrijstelling exploitatievergunning toe aan de Stichting behoud [stichting] . Beide besluiten richten zich wel op de inrichting [naam] . Indien verweerder dat op deze wijze in stand houdt, dient wel duidelijk te zijn waarom hij daarvoor kiest, en toe te lichten hoe de exploitatie van de [naam] is georganiseerd. Ook dient verweerder voor zowel de vrijstelling exploitatievergunning als de DHW-vergunning te beoordelen of de vergunninghouder, respectievelijk [derde-belanghebbende] B.V. of de Stichting, voldoet aan de bijbehorende vereisten. Indien ook de vrijstelling exploitatievergunning aan [derde-belanghebbende] B.V. dient te worden verstrekt, dan zal ten behoeve van [derde-belanghebbende] B.V. een aanvraag moeten worden gedaan onder intrekking van de aanvraag door de Stichting.

18. Het beroep is gegrond en de rechtbank vernietigt het bestreden besluit.

19. Verweerder zal een nieuw besluit moeten nemen met inachtneming van deze uitspraak. De rechtbank stelt hiervoor een termijn van 3 maanden.

20. Omdat de rechtbank het beroep gegrond verklaart, bepaalt de rechtbank dat verweerder aan eiser het door hem betaalde griffierecht vergoedt.

21. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.063,38 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 525,- en een wegingsfactor 1). Ook de door eiser gevraagde reiskosten van € 13,38 komen voor vergoeding in aanmerking.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit;

- draagt verweerder op binnen 3 maanden na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op het bezwaar met inachtneming van deze uitspraak;

- draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 174,- aan eiser te vergoeden;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 1.063,38.

Deze uitspraak is gedaan op 4 mei 2020 door mr. M.E.J. Sprakel, rechter, in aanwezigheid van mr. S. Westerhof, griffier. Als gevolg van maatregelen rondom het Coronavirus is deze uitspraak niet uitgesproken op een openbare uitsprakenzitting. Zodra het openbaar uitspreken weer mogelijk is, wordt deze uitspraak, voor zover nodig, alsnog in het openbaar uitgesproken.

De griffier is niet in de gelegenheid

deze uitspraak mede te ondertekenen

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

1 Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de hoogste bestuursrechter in dit soort zaken, de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, ECLI:NL:RVS:2004:AR7570, r.o. 2.2.

2 Dit volgt uit artikel 6:19 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).

3 In artikel 1, eerste lid, van de Drank en horecawet wordt toegelicht wie als leidinggevende moet worden gezien.

4 Dit moet door de vergunninghouder schriftelijk worden bevestigd, zie artikel 8, vierde lid, van de DHW.

5 In artikel 29 van de DHW staat wat er in de vergunning moet worden opgenomen. Gelet op het tweede lid van dit artikel moet bij de vergunning een bijlage zitten waarop de leidinggevenden zijn vermeld. Ten aanzien van een leidinggevende die geen bemoeienis hebben met de bedrijfsvoering of exploitatie maakt de burgemeester daaromtrent een aantekening.

6 Artikel 2:28 van de APV Utrechtse Heuvelrug 2016, eerste, tweede en vijfde lid.

7 Verweerder heeft daarom in strijd gehandeld met het bepaalde in art. 3:2 en 7:12 van de Awb.