Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2020:1793

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
23-04-2020
Datum publicatie
12-05-2020
Zaaknummer
UTR 18/4939
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Wabo. Omgevingsvergunning voor uitrit tbv electrische auto. Weigeringsgronden APV. Maatvoering parkeerplaatsen. De rechtbank is van oordeel dat er 1 openbare parkeerplaats verloren gaat. Zelf voorziend weigert de rechtbank alsnog de aanvraag.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Zittingsplaats Utrecht

Bestuursrecht

zaaknummer: UTR 18/4939

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 23 april 2020 in de zaak tussen

[eiser/eiseres 1] , [eiseres 2] , [eiser/eiseres 3] , [eiser/eiseres 4] , [eiser/eiseres 5] en

[eiser/eiseres 6] , wonende in [woonplaats] ,

eisers

(gemachtigde: [eiser/eiseres 1] ),

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Gooise Meren (hierna: het college), verweerder

(gemachtigde: mr. A.M. van Kordelaar).

Als derde-partij heeft aan het geding deelgenomen: [naam derde-partij] (hierna: vergunninghouder), wonende in [woonplaats] .

Procesverloop

Vergunninghouder heeft het pand aan de [straatnaam] [nummer 1] in [plaatsnaam] gekocht. Dit pand heeft een reguliere toegang en een toegang (dubbele deuren) tot het (voormalige) pakhuis. In dit pakhuis wil vergunninghouder graag haar elektrische Birò stadsautootje parkeren en opladen. Daarom heeft zij op 11 december 2017 bij het college een aanvraag om een omgevingsvergunning ingediend voor het mogen realiseren van een uitrit naar de straat vanaf deze deur.

Op 15 mei 2018 heeft het college de gevraagde omgevingsvergunning verleend. Het realiseren van de uitrit komt erop neer dat de toerit naar het pakhuis vrijgehouden wordt door het aanbrengen van een wit kruis op het wegdek of met paaltjes. De stoeprand wordt niet aangepast omdat vergunninghouder gebruik zal maken van verplaatsbare oprijdblokken.

Eisers hebben bezwaar gemaakt tegen de vergunning omdat door de uitrit tenminste één openbare parkeerplaats verloren gaat. Bij het bestaande gebrek aan parkeerplaatsen zal dat volgens eisers een zeer ongewenste precedentwerking hebben.

Naar aanleiding van dit bezwaar heeft de Commissie voor de bezwaarschriften (de Commissie) een advies uitgebracht. In dit advies heeft de Commissie geconcludeerd dat de omgevingsvergunning terecht is verleend. Volgens de commissie gaat geen parkeerplaats verloren. Volgens de CROW-norm bedraagt de afmeting van één parkeerplaats zes meter. De parkeerstrook is 34 meter en de uitrit is minder dan twee meter. Zowel voor als na de realisering van de uitrit kunnen er op de strook dus vijf auto’s worden geparkeerd.

In het besluit van 13 november 2018 (het bestreden besluit) heeft het college het advies van de Commissie overgenomen. Verweerder heeft het bezwaar van eisers ongegrond verklaard.

Eisers zijn het niet eens met het bestreden besluit en daarom hebben zij beroep ingesteld. Het

college heeft een verweerschrift ingediend waarop eisers hebben gereageerd.

Het beroep is behandeld op de zitting van 23 juli 2019. Namens eisers was hun gemachtigde

aanwezig. Namens het college was eveneens de gemachtigde aanwezig. Vergunninghouder

was ook aanwezig.

De rechtbank heeft aan het eind van de zitting het onderzoek geschorst om het college in de gelegenheid te stellen de feitelijke situatie in beeld te brengen en zijn berekening van het aantal parkeerplaatsen nader te onderbouwen.1

Het college heeft in zijn brief van 21 augustus 2019 de maatvoering van de parkeerplaatsen, het resultaat van de uitgevoerde meting op 15 augustus 2019 en zijn berekeningen aan de rechtbank toegezonden. In plaats van de CROW-norm van 6 meter voor een parkeerplaats, gaat het college nu uit van 5,5 meter voor een ingesloten parkeerplaats en 5 meter voor een niet-ingesloten parkeerplaats, dus voor de parkeerplaatsen op een hoek en naast een uitrit.

Eisers hebben in hun brief van 10 oktober 2019 gereageerd. Eisers hebben laten weten het niet eens te zijn met de gehanteerde maat van 5 meter, omdat er geen rekening is gehouden met de obstakels op/in het wegdek ter hoogte van de uitrit en de hoek.

Het college heeft in zijn brief van 18 december 2019 nogmaals een toelichting heeft gegeven. Vergunninghouder heeft niet gereageerd.

Nadat partijen daartoe in de gelegenheid zijn gesteld, hebben zij niet verzocht om een nadere zitting. Op 21 februari 2020 heeft de rechtbank het onderzoek gesloten.

Overwegingen

1. In deze zaak draait het om de vraag of verweerder de door vergunninghouder gevraagde omgevingsvergunning voor het mogen realiseren van de inrit terecht heeft verleend.

Het wettelijk kader

2. Het wettelijk kader is opgenomen in een bijlage die deel uitmaakt van de uitspraak.

Wijze van toetsing

3. In artikel 2:12, tweede lid, van de Algemene Plaatselijke Verordening (APV) van de gemeente Gooise Meren is een limitatieve opsomming opgenomen van de gronden waarop een omgevingsvergunning voor het maken van een uitweg geweigerd wordt. Een uitwegvergunning mag dus alleen op basis van deze gronden worden geweigerd. Van afweging van bij de besluitvorming betrokken belangen als bedoeld in artikel 3:4, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht, is geen sprake. Dat betekent ook dat als die weigeringsgronden zich níet voordoen, het college de omgevingsvergunning móet verlenen.

Het geschil

4.1

Tussen partijen is in geschil of de weigeringsgrond van artikel 2:12, tweede lid, aanhef en sub b, zich voordoet, dus de vraag of de uitweg zonder noodzaak ten koste gaat van een openbare parkeerplaats.

4.2

Eisers stellen van wel en vinden dat het college de omgevingsvergunning daarom had moeten weigeren. De parkeerdruk in [.] is namelijk al heel hoog, waardoor deze parkeerplaats volgens hun niet kan worden gemist. Vergunninghouder heeft slechts een privébelang en dat kan volgens eisers niet zwaarder wegen dan het algemeen belang.

Het college stelt zich op het standpunt dat er geen openbare parkeerplaats verloren gaat. Volgens verweerder moest hij de omgevingsvergunning wel verlenen, omdat er geen weigeringsgronden als bedoeld in artikel 2:12, de tweede lid, van de APV zijn.

4.3

De rechtbank zal dus moeten beoordelen of de weigeringsgrond van artikel 2:12, tweede lid, aanhef en sub b van de APV zich voordoet. Zij zal hiervoor eerst de vraag beantwoorden of een openbare parkeerplaats verloren gaat. Daarbij zal de rechtbank stilstaan bij de parkeersituatie zonder en met uitrit. Als geoordeeld wordt dat een openbare parkeerplaats verloren gaat, zal de rechtbank stilstaan bij de vraag of er een noodzaak voor de uitweg bestaat. Als geoordeeld wordt dat de weigeringsgrond aan de orde is, dan had het college, gelet op rechtsoverweging 3, de gevraagde omgevingsvergunning moeten weigeren.

Parkeersituatie zonder en met uitrit

5. Het college heeft de parkeersituatie zonder en met uitrit weergegeven in een overzicht. Eisers hebben op het overzicht “situatie met uitrit [straatnaam] [nummer 1] ” gereageerd. De rechtbank zal daarom ook dit overzicht met een indeling in secties als uitgangspunt bij haar beoordeling nemen. Dit overzicht is hieronder opgenomen:

6. Het college en eisers zijn het er over eens dat de totale lengte van hoek tot hoek 43,5 meter is. Zij zijn het er ook over eens dat daarvan 33,5 meter overblijft voor het parkeren van auto’s, omdat, gelet op artikel 24, eerste lid, van het Reglement Verkeersregels en Verkeerstekens 1990 (RVV 1990), binnen de eerste 5 meter vanaf een hoek niet geparkeerd mag worden. Eisers kunnen het college op zich ook volgen in de maatvoering van een parkeerplaats: 5,5 meter voor een ingesloten parkeerplaats en 5 meter voor een niet-ingesloten parkeerplaats. Tot slot vinden zowel het college als eisers dat er in de situatie zonder uitrit zes auto’s geparkeerd kunnen worden.

Standpunten over de verschillende secties

7.1

In de situatie met uitrit kunnen eisers het college volgen in zijn conclusies over de secties 1, 2, 3 en 5. Over de parkeermogelijkheden voor sectie 4 verschillen zij van mening met het college.

7.2

Sectie 4 is volgens de berekening van het college 15,25 meter (in de latere reactie van het college bijgesteld naar 15,30 meter). Voor het parkeren geldt dat de middelste auto op een ingesloten plaats staat en dat daarvoor dus 5,5 meter nodig is. Omdat de eerste en derde plek niet-ingesloten plekken zijn, is daarvoor 10 meter nodig (2 maal 5 meter). Dat betekent dat in sectie 4 een tekort van 25 centimeter (in de latere reactie bijgesteld naar 20 centimeter) voor het parkeren bestaat. Het college vindt dit te gering om te concluderen dat er geen ruimte is voor drie auto’s en er dus een parkeerplaats zou vervallen. Bovendien is er volgens het college voor de uitrit niet meer dan de breedte van de deuren nodig en dat is minder dan 1,7 meter.

7.3

Eisers zijn van mening dat er in sectie 4 maximaal twee auto’s geparkeerd kunnen worden. Zij wijzen erop dat het volgens de omgevingsvergunning mogelijk is om paaltjes aan te brengen om de uitrit vrij te houden. In dat geval zijn er in sectie 4 dus twee plekken van 5,5 meter nodig en één van 5 meter. Die ruimte is er duidelijk niet. Daarnaast wijzen eisers erop dat in sectie 5 een boom zal worden geplant waardoor het maar de vraag is of er geen drie plekken van 5,5 meter nodig zijn. De conclusie is dan ook dat er in totaal vijf auto’s kunnen worden geparkeerd in plaats van de eerdere zes auto’s. Er gaat dus wel degelijk één parkeerplaats verloren.

Gaat er een openbare parkeerplaats verloren?

8.1

De rechtbank geeft eisers gelijk dat een openbare parkeerplaats verloren gaat en zal hieronder uitleggen waarom.

8.2

Het college heeft in de eerdere besluitvorming, conform de CROW-richtlijn, een maatvoering van 6 meter voor een parkeerplaats toegepast. Het college gaat inmiddels uit van de volgende maatvoering van een parkeerplaats: 5,5 meter voor een ingesloten parkeerplaats en 5 meter voor een niet-ingesloten parkeerplaats. Gelet op deze maatvoering stelt het college vast dat er in sectie 4 te weinig ruimte is voor drie parkeerplaatsen. Naar het oordeel van de rechtbank kan de conclusie dan niet anders luiden dan dat er een parkeerplaats verloren gaat. Hieraan kan worden toegevoegd dat de maatvoering van 5,5 meter en 5 meter al een afwijking is van de eerder door het college gehanteerde CROW-normen. Dat het college daar nóg een afwijking aan toevoegt, hoe klein dan ook, vindt de rechtbank niet aanvaardbaar.

8.3

Wat het college over de praktijk heeft aangevoerd, maakt het oordeel niet anders. Volgens het college volgt uit de praktijk dat er voldoende ruimte is in sectie 4 omdat er tijdens de meting drie auto’s geparkeerd stonden waarbij het parkeerverbod tot aan de hoek werd gerespecteerd, de deuren van nummer [nummer 1] vrij bleven en de middelste auto voldoende ruimte had om weg te rijden. De omgevingsvergunning die het college heeft verleend, ziet echter op een uitweg van 1,7 meter en maakt het ook mogelijk dat de vergunninghouder paaltjes plaatst, zoals eisers terecht hebben opgemerkt. Of er onder die omstandigheden nog steeds drie auto’s geparkeerd kunnen worden, heeft verweerder niet inzichtelijk gemaakt. Maar ook in het geval nog steeds ruimte is voor drie auto’s, acht de rechtbank het niet aanvaardbaar om af te wijken van de door verweerder gehanteerde objectieve maatvoering voor een parkeerplaats.

8.4

De rechtbank concludeert dan ook dat een openbare parkeerplaats verloren gaat.

Is er een noodzaak voor de uitweg?

9. Vervolgens is de vraag aan de orde of de uitweg zonder noodzaak ten koste gaat van een openbare parkeerplaats. Ter zitting is gebleken dat hierover geen discussie tussen partijen bestaat. Eisers hebben hierover aangevoerd dat vergunninghouder slechts een privébelang heeft, waarvan de noodzaak niet is aangetoond. De gemachtigde van het college heeft tijdens de zitting verklaard daarmee in te stemmen. Het college is dus van mening dat, indien vastgesteld wordt dat een openbare parkeerplaats verloren gaat, de noodzaak voor de uitweg niet is aangetoond en er daarmee dus sprake is van de weigeringsgrond van artikel 2.12, tweede lid, onder b, van de APV.

Conclusie

10. Gelet op het voorgaande doet zich de weigeringsgrond voor van artikel 2.12, tweede lid, onder b, van de APV. Dit betekent dat het college de omgevingsvergunning had moeten weigeren.

Wat betekent dit voor de verleende omgevingsvergunning?

11. Het beroep van eisers is gegrond en de rechtbank vernietigt het bestreden besluit . De rechtbank stelt vast dat, gelet op het dwingendrechtelijke karakter van artikel 2.12, tweede lid, onder b, van de APV, met deze aanvraag als grondslag een omgevingsvergunning niet kan worden verleend. De rechtbank ziet daarom aanleiding om zelf in de zaak te voorzien door de verleende omgevingsvergunning te herroepen en te bepalen dat de gevraagde omgevingsvergunning alsnog wordt geweigerd. Deze uitspraak treedt in de plaats van het vernietigde bestreden besluit.

Proceskosten en griffierecht

12.1

Omdat de rechtbank het beroep gegrond verklaart, bepaalt de rechtbank dat het college aan eisers het door hun betaalde griffierecht vergoedt.

12.2

De rechtbank veroordeelt het college in de door eisers gemaakte proceskosten. Volgens het Besluit proceskosten bestuursrecht komen de reiskosten die de gemachtigde van eisers heeft gemaakt voor het bijwonen van de zitting voor vergoeding in aanmerking Dit leidt tot een vergoeding van € 13,48.

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit;

- herroept het primaire besluit van 15 mei 2018 en bepaalt dat de omgevingsvergunning

alsnog wordt geweigerd en dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde

bestreden besluit;

- draagt het college op het betaalde griffierecht van € 170,- aan eisers te vergoeden;

- veroordeelt het college in de proceskosten van eisers tot een bedrag van € 13,48.

Deze uitspraak is gedaan op 23 april 2020 door mr. N.M.H. van Ek, rechter, in aanwezigheid van mr. M.H.L. Debets, griffier. Als gevolg van maatregelen rondom het Coronavirus is deze uitspraak niet uitgesproken op een openbare uitsprakenzitting. Zodra het openbaar uitspreken weer mogelijk is, wordt deze uitspraak, voor zover nodig, alsnog in het openbaar uitgesproken.

griffier rechter

(verhinderd te tekenen)

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

BIJLAGE

Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo)

Artikel 2.2, eerste lid, onder e, van de Wabo bepaalt dat, voor zover ingevolge een gemeentelijke verordening een vergunning is vereist om een uitweg te maken of te veranderen, een zodanige bepaling geldt als een verbod om een project, voor zover dat geheel of gedeeltelijk uit die activiteiten bestaat, uit te voeren zonder omgevingsvergunning.

Artikel 2.18 van de Wabo bepaalt dat de omgevingsvergunning voor een aanvraag die betrekking heeft op een activiteit als bedoeld in art 2.2 van de Wabo, slechts wordt verleend of geweigerd op de gronden die zijn aangegeven in de betrokken verordening.

Algemene Plaatselijke Verordening (APV) van de gemeente Gooise Meren

Artikel 1:8 Weigeringsgronden

De vergunning of ontheffing kan door het bevoegd gezag of het bevoegde bestuursorgaan worden geweigerd in het belang van:

a. de openbare orde;

b. de openbare veiligheid;

c. de volksgezondheid;

d. de bescherming van het milieu;

e. ruimtelijke ordening.

Artikel 2:12 Maken, veranderen van een uitweg

1. Het is verboden zonder omgevingsvergunning van het college een uitweg te maken naar

de weg of verandering te brengen in een bestaande uitweg naar de weg.

2. In afwijking van het bepaalde in artikel 1:8 wordt de vergunning slechts geweigerd:

a. ter voorkoming van gevaar voor het verkeer op de weg;

b. indien de uitweg zonder noodzaak ten koste gaat van een openbare parkeerplaats;

c. indien door de uitweg het openbaar groen op onaanvaardbare wijze wordt aangetast;

d. indien er sprake is van een uitweg van een perceel dat al door een andere uitweg wordt

ontsloten, en de aanleg van deze tweede uitweg ten koste gaat van een openbare

parkeerplaats of het openbaar groen.

3. Het verbod in het eerste lid is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door

de Wet beheer Rijkswaterstaatswerken, de Waterschapskeur of de provinciale

wegenverordening.

Reglement Verkeersregels en Verkeerstekens 1990 (RVV 1990)

Artikel 24, eerste lid, onder a en b, bepaalt dat een bestuurder zijn voertuig niet mag parkeren bij een kruispunt op een afstand van minder dan vijf meter daarvan of voor een inrit of een uitrit.

1 Zie het verkort proces-verbaal van de zitting van 23 juli 2019