Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2020:1792

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
09-04-2020
Datum publicatie
07-05-2020
Zaaknummer
UTR 19/1216 en UTR 19/1228
Formele relaties
Tussenuitspraak: ECLI:NL:RBMNE:2019:6343
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

MK. Einduitspraak. Omgevingsvergunning voor kappen bomen (deels nieuw besluit na tussenuitspraak). Bomenverordening: maatschappelijk belang en alternatieven voldoende onderzocht en gemotiveerd. Afweging van belangen akkoord. Gebrek hersteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Zittingsplaats Utrecht

Bestuursrecht

zaaknummers: UTR 19/1216 en UTR 19/1228

uitspraak van de meervoudige kamer van 9 april 2020 in de zaken tussen

1. [eiser 1], te [woonplaats] , eiser 1,

(gemachtigde: mr. L. Brouwers),

2. [eiser 2], te [woonplaats] , eiser 2,

samen aangeduid als eisers

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Leusden, verweerder,

(gemachtigde: mr. G.J. Vooren).

Als derde-partij heeft aan het geding deelgenomen: [naam derde-partij] B.V., te [vestigingsplaats] .

Procesverloop

De rechtbank heeft op 1 oktober 2019 tussenuitspraak gedaan in deze zaak1. Voor het procesverloop tot dat moment verwijst de rechtbank naar die uitspraak.

In deze tussenuitspraak heeft de rechtbank verweerder in de gelegenheid gesteld om de geconstateerde gebreken in het bestreden besluit van 6 februari 2019 te herstellen. Eiser 1 is in de gelegenheid gesteld om zijn beroepsgrond, dat de kap van de bomen een aantasting van het rijksmonument oplevert, nader te onderbouwen.

Eiser 1 heeft in reactie op de tussenuitspraak laten weten zijn beroepsgrond dat de kap van de bomen een aantasting van het rijksmonument oplevert, in te trekken. Eiser 1 vraagt in zijn reactie aandacht voor twee aspecten die naar zijn mening in de tussenuitspraak nog niet aan de orde zijn gekomen.

Verweerder heeft op 29 oktober 2019 een nieuw besluit op de bezwaren van eisers genomen. In dit besluit heeft verweerder besloten de verleende omgevingsvergunning voor het kappen van zes bomen te herroepen, voor zover dat besluit ziet op boomnummer 5. Verder heeft verweerder een aanvullende motivering voor het verlenen van de omgevingsvergunning voor het kappen van de overige bomen overgelegd.

Eiser 1 heeft hierop een schriftelijke zienswijze gegeven. Eiser 2 heeft niet gereageerd.

De rechtbank heeft bepaald dat een nadere zitting achterwege blijft en het onderzoek op

5 februari 2020 gesloten.

Overwegingen

1. Deze uitspraak bouwt voort op de tussenuitspraak. De rechtbank blijft bij al wat zij in de tussenuitspraak heeft overwogen en beslist, tenzij hierna uitdrukkelijk anders wordt overwogen. Concreet betekent dit dat in deze einduitspraak alleen de verleende omgevingsvergunning voor het kappen van bomen aan bod komt.

De tussenuitspraak

2. De rechtbank heeft in haar tussenuitspraak bepaald dat verweerder de geconstateerde gebreken in de omgevingsvergunning voor de activiteit kappen uitsluitend kan herstellen door een nieuwe beslissing op de bezwaren nemen. In die beslissing moet expliciet worden overwogen dat het primaire besluit I wordt herroepen voor zover dat ziet op het kappen van boomnummer 5. Het geconstateerde motiveringsgebrek kan verweerder herstellen door:

- op kenbare wijze de alternatieven voor behoud van de beschermde houtopstand uitputtend

te onderzoeken en

- in de nieuwe beslissing op bezwaar aan de hand van dit onderzoek aanvullend te motiveren

of en zo ja welke alternatieven er zijn voor behoud van de resterende vijf bomen en wat de

haalbaarheid van die alternatieven is.

3. Verder heeft de rechtbank in haar tussenuitspraak eiser 1 in de gelegenheid gesteld om binnen een termijn van vier weken zijn beroepsgrond dat de kap van de bomen een aantasting van het rijksmonument oplevert nader te onderbouwen.

De reactie van eiser 1

4. Bij brief van 22 oktober 2019 heeft eiser 1 laten weten dat hij de beroepsgrond dat de kap van de bomen een aantasting van het rijksmonument oplevert intrekt, zodat de rechtbank deze grond verder niet meer hoeft te bespreken. In zijn brief heeft eiser 1 verder voor twee aspecten aandacht gevraagd die volgens hem in de tussenuitspraak nog niet aan de orde zijn geweest. Als eerste wijst hij erop dat de [naam perceel] in het bestemmingsplan als natuurbestemming is opgenomen. Het is dan ook van belang dat de natuurwaarden worden beschermd. Als tweede aspect noemt hij dat nader onderzoek door verweerder naar alternatieven nooit kan leiden tot het in stand laten van de omgevingsvergunning voor het kappen van bomen, omdat er geen sprake is van een maatschappelijk belang.

5. Deze door eiser 1 ingebrachte aspecten betreffen beroepsgronden die hij al eerder tegen het bestreden besluit van 6 februari 2019 had kunnen aanvoeren. Eiser 1 kan, binnen de grenzen van het geschil, zoals dat na de tussenuitspraak wordt gevoerd, alleen (nieuwe) beroepsgronden aanvoeren met betrekking tot de inhoud van het nieuwe besluit op bezwaar van 29 oktober 2019. De door eiser 1 genoemde beroepsgronden geven geen aanleiding om van dit beginsel af te wijken. Dit betekent dat eiser 1 te laat is met het opwerpen van deze beroepsgronden. De rechtbank zal deze beroepsgronden daarom niet meenemen in haar beoordeling van het nieuwe besluit van verweerder.

Het nieuwe besluit van verweerder van 29 oktober 2019

6. In het nieuwe besluit van 29 oktober 2019 heeft verweerder het eerdere besluit van 6 februari 2019 aangepast. Dit betekent dat de beroepen van eisers op grond van artikel 6:19 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) ook betrekking hebben op dit nieuwe besluit. In dit nieuwe besluit heeft verweerder het primaire besluit 1 herroepen voor zover dat ziet op het kappen van boomnummer 5. Verweerder heeft verder een onderzoek uitgevoerd naar alternatieven voor behoud van de beschermde houtopstand en aanvullend gemotiveerd of en zo ja welke alternatieven er zijn voor behoud van de resterende vijf bomen en wat de haalbaarheid van die alternatieven is.

Gronden van eisers tegen het nieuwe besluit

7. Eiser 1 blijft bij zijn standpunt dat de omgevingsvergunning voor het kappen van de bomen in strijd met de Bomenverordening is verleend. Het onderzoek dat verweerder heeft uitgevoerd naar alternatieven voor behoud van de beschermde houtopstand is volgens eiser 1 onvoldoende. Zo heeft verweerder ten onrechte alleen naar een alternatieve uitvoering van de werkzaamheden gekeken. De daarbij onderzochte alternatieven berusten bovendien op verkeerde informatie en veronderstellingen. Eiser 1 wijst in dit verband op de gewijzigde verkeerssituatie en het type te gebruiken kranen. Verder betekent de onherroepelijkheid van het bestemmingsplan volgens eiser 1 niet dat een bouwplan dat daarbinnen past, óók automatisch voldoet aan de criteria uit de Bomenverordening. Het oordeel van de vakspecialist [A] vindt eiser 1 niet onderbouwd. Tot slot merkt eiser 1 op dat, mocht er al sprake zijn van een uitputtend onderzoek, het bouwplan geen maatschappelijke of duurzame individuele waarde vertegenwoordigt waarvoor het belang van duurzaam behoud van de beschermde houtopstand moet wijken.

Eiser 2 heeft geen aanvullende gronden ingediend tegen dit nieuwe besluit.

Beoordeling van de aanvullende gronden

8. Eiser 1 heeft laten weten zich te kunnen vinden in het alsnog niet verlenen van een omgevingsvergunning voor het kappen van boomnummer 5. Ter beoordeling staat dan ook de vraag of de omgevingsvergunning voor de overige bomen op het perceel [naam perceel] langs het [naam project] in [woonplaats] , te weten de bomen met boomnummers 1, 6, 13, 17 en 39 in redelijkheid is verleend.

9. Op grond van artikel 4 van de Bomenverordening kan het bevoegd gezag de ontheffing om te vellen weigeren dan wel onder voorschriften verlenen. Het tweede lid, aanhef en onder d, van dit artikel bepaalt dat een ontheffing voor het vellen van een beschermde houtopstand, mits alternatieven voor behoud uitputtend zijn onderzocht, slechts bij uitzondering kan worden verleend, indien sprake is van een boom uit bomenstructuur of van een boom uit bosperceel op de [naam perceel] , en een maatschappelijk belang of een duurzaam individueel belang opweegt tegen duurzaam behoud van de beschermde houtopstand. In Module D van het Bomenplan 2012-2021 van de gemeente Leusden staat het beleid voor de beoordeling van aanvragen om een omgevingsvergunning voor kappen en de verlening van de ontheffing op grond van de Bomenverordening.

10. De rechtbank stelt voorop dat op grond van artikel 4 van de Bomenverordening het verlenen van de omgevingsvergunning voor het kappen van de bomen een bevoegdheid is die toekomt aan verweerder. Verweerder heeft daarbij beleidsruimte. De rechtbank dient het resultaat van de belangenafweging daarom terughoudend te toetsen. De combinatie van artikel 4 uit de Bomenverordening en Module D van het gemeentelijke Bomenplan 2012-2021 (toegepast als interne gedragslijn) leidt ertoe dat de rechtbank eerst zal beoordelen of de bouw van de woningen een maatschappelijk belang dient en verweerder de alternatieven voor behoud van de beschermde houtopstand uitputtend heeft onderzocht. Vervolgens zal de rechtbank de vraag beantwoorden of verweerder in redelijkheid de belangen bij het kappen van de bomen om woningbouw mogelijk te maken zwaarder heeft kunnen laten wegen dan het belang van eisers bij behoud van de beschermde bomen.

Maatschappelijk belang en alternatieven

11.1

Als bouw of aanleg op de plek van de beschermde houtopstand de reden tot de ontheffingsaanvraag is moet volgens de toelichting op artikel 4 van de Bomenverordening eerst duidelijk zijn in welke mate een maatschappelijk belang daarmee is gediend. Volgens Module D van het gemeentelijke Bomenplan 2012-2021 kan ontheffing voor het vellen van een beschermde boom worden afgegeven als sprake is van een belang dat zwaarder weegt dan het boombelang. Deze weging wordt vervolgens ingevuld aan de hand van de prioritering hoog-middel-laag, waarbij een aantal (niet uitputtende) voorbeelden is opgenomen. Een projectmatige uitbreiding of inbreiding van woongebieden heeft de prioritering hoog. Van zo’n bedoelde uitbreiding is hier ook sprake; de nieuwbouw van deze 11 eengezinswoningen vormt de laatste fase van het project [naam project] aan de rand van Leusden. Daarmee heeft verweerder naar het oordeel van de rechtbank inderdaad mogen uitgaan van de prioritering hoog en is door verweerder voldoende gemotiveerd dat met de realisatie van de bouw een maatschappelijk belang wordt gediend.

11.2

Volgens de toelichting op artikel 4 van de Bomenverordening moeten vervolgens, voorafgaand aan een eventuele ontheffing, de alternatieven voor (her)inrichting of aanpassing van de plannen voldoende onderzocht zijn en als onmogelijk of zeer onwenselijk zijn aangemerkt. Zoals de rechtbank in haar tussenuitspraak heeft overwogen, voorziet het bestemmingsplan Herziening [naam project] 2013 (het bestemmingsplan) in de bouw van een woonwijk met grondgebonden woningen. Met verweerder is de rechtbank van oordeel dat de reikwijdte van de Bomenverordening wordt ingeperkt door deze (bouw)mogelijkheid die het bestemmingsplan biedt. Bij de vaststelling van het bestemmingsplan heeft immers al een afweging van belangen plaatsgevonden. Daarmee is de wenselijkheid van de (her)inrichting van deze locatie al voldoende onderzocht. Dit betekent dat niet meer alle opties open liggen en dat de ruimte voor het onderzoeken van alternatieven minder groot is. Dat verweerder alleen heeft onderzocht welke alternatieven binnen het bestemmingsplan en daaronder begrepen (de uitvoering van) het bouwplan mogelijk zijn om de beschermde houtopstand te behouden, kan de rechtbank dan ook volgen. Volgens de rechtbank kan, gelet op de toelichting op artikel 4 van de Bomenverordening, verweerder met een zodanig onderzoek de alternatieven uitputtend hebben onderzocht. Of dit het geval is en of verweerder dit voldoende heeft gemotiveerd, zal de rechtbank hierna beoordelen. De gronden van eisers over het bestemmingsplan en het alleen kijken naar de uitvoering van de werkzaamheden slagen niet.

11.3

De rechtbank volgt eiser 1 ook niet in zijn betoog dat verweerder is uitgegaan van verkeerde informatie en veronderstellingen. Verweerder heeft over de mogelijke alternatieven overleg gevoerd met de projectontwikkelaar, de bouwaannemer en onderaannemer en heeft zich laten adviseren door zijn bouwinspecteur en de vakspecialist [A] . In het gespreksverslag van 22 oktober 2019, de memo van 24 oktober 2019 en het e-mailbericht van 24 oktober 2019 wordt ingegaan op de (on)mogelijkheden op het gebied van plaatsing, type en grootte van de kranen die gebruikt worden bij het bouwproces. De rechtbank ziet geen reden om te twijfelen aan de conclusies van het gespreksverslag, waarbij ook een uitvoerder van de kraanspecialist aanwezig was, en aan de verklaring van de bouwinspecteur. Niet alleen de verkeerssituatie is bekeken, maar ook het hijsen en zwenken van de kraan boven openbare ruimte en privébezittingen, de veiligheid van bouwpersoneel en bewoners van de wijk en het vanaf een andere positie alsnog raken van bestaande bomen. De conclusie is dat de gekozen positie van de bouwkranen het minst impact op de verkeerssituatie heeft en de grootst mogelijke veiligheid voor het bouwpersoneel en bewoners uit de wijk. De rechtbank kan aan de hand van de overgelegde stukken daarbij, zoals eiser 1 zegt, nog niet vaststellen of men is uitgegaan van een foutieve verkeerssituatie. Maar ook in het geval dat men is uitgegaan van een foutieve verkeerssituatie, blijven de andere argumenten om niet voor een andere positie van de kranen te kiezen overeind. Dit argument van eiser 1 kan dus niet leiden tot het oordeel dat het nieuwe besluit van verweerder geen stand kan houden.

De verklaring van de vakspecialist [A] is weliswaar kort maar moet in samenhang worden gelezen met de eerdere inventarisatie door [naam advies- en ingenieursbureau] en de ecologische controle van 10 januari 2019. Het wordt onverantwoord geacht om de bomen te behouden, zeker gezien de vereiste veiligheid op de bouwplaats. Bij het alleen verwijderen van de takken is dusdanige schade te verwachten aan het wortelgestel dat de veiligheid van alle bomen in het geding komt en de overlevingskans van de bomen, waarop de kap ziet. Omdat eiser 1 geen tegenadvies heeft ingebracht, ziet de rechtbank geen aanleiding voor het oordeel dat verweerder het advies van de vakspecialist niet had mogen volgen. Ook deze beroepsgronden slagen niet.

11.4

De rechtbank komt tot de tussenconclusie dat verweerder terecht heeft geconcludeerd dat met de nieuwbouw van de 11 eengezinswoningen ter plaatse van de beschermde houtopstand een maatschappelijk belang met de realisatie is gediend. Verweerder heeft de alternatieven die binnen (de uitvoering van) het bouwplan mogelijk zijn om de beschermde houtopstand te behouden, alsnog uitputtend onderzocht en heeft dit voldoende gemotiveerd. Vervolgens is het de vraag of verweerder in redelijkheid de omgevingsvergunning voor het kappen van de bomen heeft verleend. Hiervoor moet op grond van artikel 4 van de Bomenverordening het maatschappelijk belang opwegen tegen duurzaam behoud van de beschermde houtopstand. De rechtbank zal dit hieronder beoordelen.

Weging van belangen

12. De rechtbank beantwoordt de vraag of verweerder in redelijkheid het maatschappelijk belang bij het kappen van de bomen om woningbouw mogelijk te maken zwaarder heeft kunnen laten wegen dan het belang van eisers bij behoud van de beschermde bomen bevestigend. Zoals hiervoor is overwogen, dient de realisatie van de woningen een maatschappelijk belang. Verweerder heeft voldoende onderbouwd dat er behoefte bestaat aan elf eengezinswoningen binnen de gemeente. De projectmanager heeft op zitting toegelicht dat het bouwplan van bescheiden omvang de laatste fase (fase 3B) van het project [naam project] aan de rand van Leusden vormt en hiermee vervolmaking van het deelgebied fase 3 vormt. De woningen zijn gelijk aan die van fase 3A. Het gaat om redelijk standaard eengezinswoningen, waarvan de verwachting is dat zij snel verkopen. Er bestaat dan ook geen aanleiding voor het oordeel dat verweerder er niet in redelijkheid van uit heeft kunnen gaan dat voldoende behoefte bestaat aan de met het plan mogelijk gemaakte eengezinswoningen. Verder geldt dat de te kappen bomen niet op het dijklichaam staan maar in de randzone. Omdat slechts een gering aantal bomen wordt gekapt, blijft een doorgaande bomenrij op de [naam perceel] gewaarborgd. Voor de te kappen bomen worden na realisatie van de bouw nieuwe bomen op de [naam perceel] aangeplant. Bij de soort- en locatiekeuze wordt gekeken naar de aanwezige ruimte, zodat de bomen op groeiplaatsen komen te staan waar ze op termijn uit kunnen groeien tot duurzame volwassen bomen. Tijdens de zitting heeft de gemachtigde van verweerder daaraan toegevoegd dat de nieuwe bomen zo dicht mogelijk bij de oude plekken worden geplant. Daarmee blijft de verbindingsstructuur door het gebied behouden. Onder deze omstandigheden heeft verweerder in redelijkheid het maatschappelijk belang van het voorzien in woningen zwaarder mogen laten wegen Ook deze beroepsgronden slagen niet.

13. De rechtbank is op grond van het voorgaande van oordeel dat het verlenen van de omgevingsvergunning voor het kappen van de bomen met boomnummers 1, 6, 13, 17 en 39 niet in strijd is met artikel 4 van de Bomenverordening. Verweerder heeft de omgevingsvergunning voor het kappen van deze bomen met boomnummers 1, 6, 13, 17 en 39 in redelijkheid kunnen verlenen.

Eindconclusie

14. De rechtbank vernietigt het bestreden besluit van 6 februari 2019, voor zover dat ziet op de verlening van een omgevingsvergunning voor het kappen van zes bomen. De rechtbank is verder van oordeel dat verweerder de in de tussenuitspraak geconstateerde gebreken met het nieuwe besluit van 29 oktober 2019 heeft hersteld en dat de door eiser 1 daartegen aangevoerde beroepsgronden niet slagen. De beroepen van eisers, voor zover gericht tegen het nieuwe besluit van 29 oktober 2019, dat ziet op de verlening van de omgevingsvergunning voor het kappen van de bomen, zijn ongegrond. Concreet betekent dit dat de verleende omgevingsvergunning voor de bouw van 11 eengezinswoningen en de verleende omgevingsvergunning voor het kappen van de bomen met boomnummers 1, 6, 13, 17 en 39 gehandhaafd blijven.

Griffierecht en proceskosten

15.1

Gelet op de in de tussenuitspraak geconstateerde gebreken in het bestreden besluit hebben eisers hiertegen dus terecht beroep ingesteld. Daarom ziet de rechtbank aanleiding verweerder te veroordelen in de proceskosten die eisers in verband met hun beroepen redelijkerwijs hebben gemaakt. Op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb) stelt de rechtbank de kosten voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand aan eiser 1 vast op € 1.312,50,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen op de zitting en 0,5 punt voor de schriftelijke zienswijze na de tussenuitspraak, met een waarde per punt van € 525,-, en wegingsfactor 1). Voor eiser 2 geldt dat er geen volgens het Bpb voor vergoeding in aanmerking komende proceskosten zijn.

15.2

De rechtbank bepaalt ook dat verweerder aan eisers het door hun betaalde griffierecht van € 174,- vergoedt.

Beslissing

De rechtbank:

  • -

    verklaart de beroepen voor zover gericht tegen het besluit van 6 februari 2019 gegrond;

  • -

    vernietigt het besluit van 6 februari 2019 voor zover dat ziet op de verlening van de omgevingsvergunning voor het kappen van zes bomen

  • -

    verklaart de beroepen voor zover gericht tegen het besluit van 29 oktober 2019 ongegrond;

  • -

    draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 174,- aan eiser 1 te vergoeden;

  • -

    draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 174,- aan eiser 2 te vergoeden;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser 1 tot een bedrag van € 1.312,50.

Deze uitspraak is op 9 april 2020 gedaan door mr. N.M.H. van Ek, voorzitter, en mr L.A.C. de Vaan en mr. M.C. Stoové, leden, in aanwezigheid van mr. M.H.L. Debets, griffier.

Als gevolg van maatregelen rondom het coronavirus is deze uitspraak niet uitgesproken op een openbare uitsprakenzitting. Zodra het openbaar uitspreken weer mogelijk is, wordt deze uitspraak alsnog in het openbaar uitgesproken.

(de griffier is verhinderd

deze uitspraak te tekenen)

griffier voorzitter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak en de tussenuitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending van deze uitspraak hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

1 ECLI:NL:RBMNE:2019:6343