Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2020:1786

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
25-03-2020
Datum publicatie
06-05-2020
Zaaknummer
UTR - 19 _ 4846
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Intrekking uitwonendenbeurs, verweerder mocht zich baseren op de verklaringen van buurtbewoners en heeft aannemelijk gemaakt dat eiser ten tijde van de huiscontrole niet op het BRP adres woonde.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Zittingsplaats Utrecht

Bestuursrecht

zaaknummer: UTR 19/4846

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 25 maart 2020 in de zaak tussen

[eiser] , te [woonplaats] , eiser

(gemachtigde: mr. A. Simicevic),

en

de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, Dienst Uitvoering Onderwijs, verweerder

(gemachtigde: mr. B.C. Rots).

Procesverloop

Bij besluit van 18 juni 2019 (het primaire besluit) heeft verweerder de uitwonendenbeurs van eiser ingetrokken.

Bij besluit van 1 oktober 2019 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 6 februari 2020. Eiser is, met bericht van verhindering, niet verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Inleiding

1. Eiser staat sinds 9 november 2018 in de basisregistratie personen (BRP) ingeschreven op het adres [adres] te [woonplaats] . Verweerder heeft onderzoek verricht in de vorm van een huiscontrole om te toetsen of eiser op dit adres woont. Naar aanleiding van dit onderzoek heeft verweerder de uitwonendenbeurs ingetrokken en de teveel betaalde studiefinanciering teruggevorderd. De rechtbank zal beoordelen of dit besluit van verweerder juist is.

2. Verweerder heeft aan het bestreden besluit ten grondslag gelegd dat een rapport is opgemaakt van het onderzoek en hieruit is gebleken dat eiser niet op het BRP-adres woont. Daarom is de uitwonendenbeurs vanaf december 2018 herzien. Er is volgens verweerder geen reden om aan de afgelegde verklaringen van de buren te twijfelen. Eiser heeft geen bewijs overgelegd waaruit onomstotelijk blijkt dat hij wel op het BRP-adres woont.

3. Eiser heeft aangevoerd dat hij wel woont op het adres [adres] te [woonplaats] en dus uitwonend is. Hij vindt dat het onderzoek door verweerder heel onzorgvuldig is verricht. De huisbezoeken hebben overdag plaatsgevonden toen hij naar school was en zijn broer en diens vrouw werkten. De formulieren van het huisbezoek zijn onjuist ingevuld en niet gebleken is dat de identiteit van de naaste bewoners door de inspecteurs is gecontroleerd. Eiser heeft geen goed contact met de buren, dat is reden om aan de verklaringen te twijfelen. Een van de controleurs was zzp-er en is ingeschakeld door een privaat bedrijf, mogelijk is er daarom sprake van onrechtmatig verkregen bewijs. Verder kan niet worden gevolgd waarom de overgelegde huurovereenkomst en kwitanties niet als objectief bewijs kunnen worden gezien, terwijl verweerder dit zelf heeft geadviseerd.

Mocht verweerder zijn besluit baseren op de rapportage huisbezoek?

4. In opdracht van verweerder hebben twee controleurs onderzoek gedaan naar de woonsituatie van eiser. Daartoe hebben zij op 9 mei 2019, 23 mei 2019 en 28 mei 2019 geprobeerd om een huisbezoek af te leggen op het BRP-adres om te controleren of eiser op dat adres woonde. Na aanbellen werd steeds niet opengedaan. Op 23 mei 2019 hebben de controleurs een buurtonderzoek verricht, er is aangebeld bij vijf huizen. Daarbij hebben zij schriftelijke verklaringen opgenomen van de bewoners van de adressen [adres] en [adres] te [woonplaats] . Van de bevindingen van het onderzoek is een rapport opgemaakt. De door de bewoners van de adressen ondertekende verklaringen zijn als bijlagen bij het rapport gevoegd.

5. De rechtbank is van oordeel dat de bevindingen van het verrichte huisbezoek rechtmatig zijn verkregen. Het rapport is opgemaakt door twee bevoegde inspecteurs, waarvan een van de inspecteurs in dienst is van verweerder. Verweerder heeft ter zitting toegelicht dat de andere inspecteur, de heer [A] , eigenaar is van een privaat bedrijf en bevoegd is tot het verrichten van deze onderzoeken. Verweerder heeft daarbij verwezen naar een uitspraak van de Centrale Raad van Beroep (CRvB)1. De rechtbank is van oordeel dat er gegeven deze toelichting geen reden is om aan de bevoegdheid van de inspecteurs te twijfelen, zodat hiervan zal worden uitgegaan.

6. De rechtbank stelt vast dat er drie huisbezoeken zijn geweest, die allemaal overdag hebben plaatsgevonden. In de rapportage staat dat na aanbellen de deur niet werd geopend. Het feit dat dit overdag is gebeurd en er op die tijdstippen niemand in de woning aanwezig was, maakt het rapport niet onzorgvuldig. Van belang is de vraag of verweerder met de gegevens die zijn verzameld voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat eiser niet op het adres woont.

Ook het feit dat het veld onder het tweede huisbezoek leeg is gebleven, zegt naar het oordeel van de rechtbank niets over de bevindingen van dat huisbezoek of de zorgvuldigheid van het onderzoek of de rapportage. Duidelijk wordt uit de rapportage dat alle verzamelde informatie op het formulier onder ‘verslag huisbezoek 1’ vermeld staat. Daarbij zijn steeds datum, onderzoek en bevindingen inzichtelijk gemaakt. In deze door eiser genoemde punten ziet de rechtbank onvoldoende grond voor de conclusie dat het onderzoek onzorgvuldig is geweest.

7. Dat niet het identiteitsbewijs van de buurtbewoners is gecontroleerd, maakt het onderzoek evenmin onzorgvuldig. De rechtbank is van oordeel dat in de rapportage voldoende duidelijk is omschreven waar de getuigen zijn aangetroffen en vanuit welke kennis zij verklaren, waarbij zij een handtekening hebben geplaatst onder hun verklaring. Daarbij komt dat verweerder ter voorbereiding op de zitting de BRP heeft gecontroleerd en heeft geverifieerd of de daarin opgenomen namen van de bewoners en de duur van bewoning overeenkomen met de namen van de getuigen en de door hen gegeven verklaringen.

8. De rechtbank is gelet op het vorenstaande van oordeel dat het rapport zorgvuldig tot stand gekomen is en verweerder zich daarom op het rapport mocht baseren.

Heeft verweerder voldoende aannemelijk gemaakt dat eiser niet op zijn BRP-adres woonde?

9. Op grond van de artikelen 7.1 en 7.4 van de Wet Studiefinanciering (Wsf) kan verweerder een beschikking waarbij studiefinanciering is toegekend herzien en een teveel betaald bedrag terugvorderen. Aanleiding voor herziening kan, zoals verweerder in dit geval stelt, zijn gelegen in het feit dat is gebleken dat eiser niet woont op het adres waarop hij staat ingeschreven en daarom niet als uitwonend wordt aangemerkt (artikel 1.5, eerste lid, van de Wsf).

10. De rechtbank stelt voorop dat de intrekking van de uitwonendenbeurs een voor eiser belastend besluit is. Eiser wordt door het besluit benadeeld. Daarom worden er hoge eisen gesteld aan verweerder. De bewijslast voor de stelling dat eiser niet woont op het adres waarop hij staat ingeschreven, rust dan ook op verweerder en niet op eiser. Verweerder moet als eerste onderzoek doen naar de feiten. Als verweerder feiten presenteert op grond waarvan het aannemelijk is dat eiser niet woont op het adres waarop hij in de BRP stond ingeschreven, dan is het aan eiser om met bewijs te komen dat hij wel op dit adres woont of heeft gewoond.

11. De rechtbank stelt vast dat driemaal is geprobeerd een huisbezoek af te leggen. Er is aangebeld, maar er werd niet open gedaan. De controleurs hebben verder een buurtonderzoek verricht, waarbij twee buurtbewoners zijn bevraagd die een verklaring hebben afgelegd. Het betreft een bewoner van de woning direct naast het adres waarop eiser is ingeschreven en een bewoner van huisnummer [nummer] . Beide getuigen hebben verklaard dat er, behalve een jong stel, verder niemand op het BRP adres woont. De rechtbank is van oordeel dat de verklaringen die zijn afgelegd door de buurtbewoners geen aanleiding geven tot twijfel. Het zijn concrete en stellige verklaringen, beide bewoners wonen er geruime tijd (19 jaar) en geven onafhankelijk van elkaar verklaringen die met elkaar overeenkomen. Ze hebben beiden gezien dat de bewoners overdag niet thuis zijn en verklaren ook allebei dat ze nooit een student of iemand anders op het adres hebben gezien. Dat niet inzichtelijk is gemaakt welke vragen zijn gesteld, is onvoldoende om aan de weergave of inhoud van de verklaringen te twijfelen. Weliswaar heeft eiser aangevoerd dat er reden is om aan de inhoud van de verklaringen te twijfelen omdat hij ruzie heeft met de buren, maar de rechtbank volgt deze stelling in dit geval niet, omdat deze te weinig concreet is. Ook de stelling van eiser dat hij zijn buren nooit ziet, maakt niet dat er reden is om aan de verklaringen te twijfelen.

12. Verweerder heeft zich gelet op het voorgaande mogen baseren op de verklaringen en daarmee aannemelijk gemaakt dat eiser ten tijde van de controle niet op zijn BRP adres woonde.

13. Nu verweerder met deze informatie reeds voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat eiser niet op het BRP adres woont, was er ook geen noodzaak om, na het bezoek van 28 mei 2019, op een tijdstip terug te komen waarop de bewoners wel aanwezig waren. Daarbij wordt in aanmerking genomen dat om een woonsituatie vast te stellen het niet altijd noodzakelijk is om een huisbezoek af te leggen, een buurtonderzoek kan onder omstandigheden volstaan. De rechtbank vindt steun voor dit oordeel in uitspraken van de CRvB en wijst bij wijze van voorbeeld op de uitspraken van 17 augustus 2016 en 19 februari 20202.

Heeft eiser onomstotelijk bewijs geleverd van het tegendeel?

14. Het in artikel 9.9 van de Wsf neergelegde wettelijk vermoeden brengt dan mee dat eiser ook wordt geacht daar niet te hebben gewoond in de periode daaraan voorafgaand. Gelet op de bewijslastverdeling zoals die voortvloeit uit de wet en de rechtspraak van de CRvB moet eiser het onomstotelijke bewijs leveren dat dit wettelijk vermoeden in zijn geval onjuist is.3 Er worden bewijsmiddelen verlangd die zodanig overtuigend zijn, dat zij, ook als zij in onderlinge samenhang worden bezien, de conclusie rechtvaardigen dat de studerende in (een deel van) de periode voorafgaande aan de controle wel op het BRP-adres moet hebben gewoond.

15. Eiser heeft in bezwaar toegelicht waarom hij en de andere bewoners op de tijdstippen van de huisbezoeken niet thuis waren. Verder is een verklaring van de verhuurder, [verhuurder] , overgelegd, samen met een huurovereenkomst en bonnetjes. In beroep heeft eiser nieuwe bewijsstukken overgelegd. Het nieuwe bewijs bestaat uit foto’s van de kamer, een rooster van school, verklaringen van de verhuurders en van kennissen en een aantal poststukken gericht aan eiser op het BRP-adres.

16. Verweerder heeft ter zitting toegelicht waarom hij zich op het standpunt stelt dat er geen sprake is van onomstotelijk bewijs. De rechtbank volgt verweerder in zijn stelling dat het overgelegde bewijs onvoldoende gewicht toekomt en ruimte voor twijfel laat. Daarbij heeft verweerder terecht van belang gevonden dat de huurovereenkomst is aangegaan met eisers broer, dit is dan een minder objectief bewijsstuk dan wanneer een overeenkomst is gesloten met een woningbouwvereniging. Verder is onduidelijk wanneer de overeenkomst is opgemaakt en heeft verweerder terecht opgemerkt dat sprake is van contante betalingen; overschrijvingen per bank waren beter controleerbaar geweest. Ook de verklaringen van zijn broer en diens vrouw heeft verweerder als minder objectief mogen aanmerken. De verklaringen van kennissen zijn weliswaar objectiever, maar verweerder heeft deze onvoldoende concreet en gedetailleerd mogen vinden. Tot slot komen de foto’s en eisers schoolrooster niet het gewicht toe dat eiser daaraan toekent, onduidelijk is wanneer de foto’s zijn genomen en het rooster zegt niet iets over het bewonen van het BRP-adres. Dan blijft over een aantal poststukken. Zoals verweerder terecht heeft opgemerkt zijn bepaalde instanties gehouden het in de BRP opgenomen adres te gebruiken. Dit heeft verweerder, ook in samenhang met de andere stukken die wel enig gewicht toekomen, onvoldoende overtuigend mogen vinden.

17. Tot slot heeft eiser aangevoerd dat verweerder hem verkeerd heeft voorgelicht. Eiser heeft verweerder gevraagd welk bewijs geleverd moest worden en heeft dit gedaan, maar dit werd vervolgens vreemd genoeg niet voldoende gevonden.

18. De rechtbank is van oordeel dat verweerder in het bestreden besluit niet goed gemotiveerd heeft waarom geen sprake is van onomstotelijk tegenbewijs met de door eiser overgelegde stukken. In het bestreden besluit staat slechts vermeld “Omdat u geen bewijs heeft overgelegd waaruit onomstotelijk blijkt dat u in de periode voorafgaand aan de controle wel woonde op het BRP-adres, zie ik geen aanleiding om een andere beslissing te nemen”. Hiermee heeft verweerder niet kenbaar de in bezwaar overgelegde bewijsstukken bij de beoordeling betrokken en gewogen. Omdat aannemelijk is dat eiser niet is benadeeld door de ondeugdelijke motivering van het bestreden besluit op dit punt, passeert de rechtbank dit gebrek met toepassing van artikel 6:22 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).

Conclusie

19. Verweerder heeft aan de op hem rustende bewijslast voldaan en eiser heeft hier niet voldoende tegenover gesteld. Verweerder mocht de beurs van eiser dus herzien. Het beroep is ongegrond.

20. Vanwege de toepassing van artikel 6:22 van de Awb, bepaalt de rechtbank dat verweerder het door eiser betaalde griffierecht vergoedt.

21. De rechtbank veroordeelt verweerder daarom ook in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb) voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op

€ 525,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, met een waarde per punt van € 525,-, en een wegingsfactor 1).

Beslissing

De rechtbank:

  • -

    verklaart het beroep ongegrond;

  • -

    veroordeelt verweerder in de gemaakte proceskosten van eiser tot een bedrag van totaal € 525,-;

  • -

    draagt verweerder op het door eiser betaalde griffierecht van € 47,- aan eiser te vergoeden.

Deze uitspraak is gedaan door mr. V.E. van der Does, rechter, in aanwezigheid van mr. R.G. Kamphof, griffier. Deze uitspraak is gedaan op 25 maart 2020. Als gevolg van maatregelen rondom het coronavirus is deze uitspraak niet uitgesproken op een openbare uitsprakenzitting. Zodra het openbaar uitspreken weer mogelijk is, wordt deze uitspraak alsnog in het openbaar uitgesproken.

(de griffier is verhinderd

deze uitspraak te ondertekenen)

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep.

1 3 april 2019, ECLI:NL:CRVB:2019:1451

2 ECLI:NL:CRVB:2016:3230 en ECLI:NL:CRVB:2020:349.

3 Zie bij wijze van voorbeeld de uitspraak van 3 januari 2020, ECLI:NL:CRVB:2020:59.