Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2020:1728

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
10-03-2020
Datum publicatie
08-05-2020
Zaaknummer
498095
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Beschikking
Inhoudsindicatie

Machtiging tot verlenen van verplichte zorg. Artikel 6:4 van de Wet verplichte geestelijke gezondheidszorg (Wvggz). Ambulante verplichte zorg,

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Afdeling familierecht

Locatie Utrecht

Zaaknummer: C/16/498095 / FA RK 20-1444

Betrokkene nummer: [betrokkenenummer]

Machtiging tot verlenen van verplichte zorg

Beschikking van 10 maart 2020, naar aanleiding van het door de officier van justitie ingediende verzoek tot het verlenen van een zorgmachtiging als bedoeld in artikel 6:4 van de Wet verplichte geestelijke gezondheidszorg (Wvggz), ten aanzien van:

[betrokkene] ,

geboren op [1995] te [geboorteplaats] (Eritrea),

wonende aan de [adres] te [woonplaats] ,

hierna te noemen: de betrokkene,

advocaat: mr. N.A. Heidanus.

1 Procesverloop

1.1.

Bij verzoekschrift, ingekomen ter griffie op 26 februari 2020, heeft de officier van justitie verzocht om een zorgmachtiging. Het procesverloop blijkt uit het verzoekschrift.

Bij het verzoekschrift zijn de volgende bijlagen gevoegd:

- de medische verklaring d.d. 12 februari 2020;

- de zorgkaart inclusief bijlagen;

- het zorgplan inclusief bijlagen;

- de bevindingen van de geneesheer directeur;

- de gegevens over eerder afgegeven machtigingen ingevolge de Wet BOPZ.

1.2.

De mondelinge behandeling van het verzoek heeft plaatsgevonden op 10 maart 2020,

in het gebouw van de rechtbank.

1.3.

Daarbij heeft de rechtbank de volgende personen gehoord:

- de betrokkene,

- de advocaat,

- de heer [A] , van Altrecht.

Verder was een begeleider van het Leger des Heils aanwezig.

1.4.

De officier van justitie heeft van tevoren laten weten dat hij niet voornemens is bij de

mondelinge behandeling te verschijnen.

2 Beoordeling

2.1.

In het verzoekschrift is, op grond van het zorgplan en het advies van de geneesheer-directeur, verzocht om aan betrokkene de volgende vormen van verplichte zorg als bedoeld in artikel 3:2 Wvggz te mogen verlenen. Het gaat dan om:

  • -

    toedienen van vocht, voeding en medicatie, alsmede het verrichten van medische controles of andere medische handelingen en therapeutische maatregelen, ter behandeling van een psychotische stoornis, dan wel vanwege die stoornis, ter behandeling van een somatische aandoening;

  • -

    opnemen in een accommodatie.

In het verzoek van de officier van justitie is toegelicht dat betrokkene op dit moment verblijft bij [instelling], waar goede supervisie is. Als de klachten en/of het risico toeneemt, dan is opname in een psychiatrische instelling noodzakelijk. Medicatie wordt onder toezicht gegeven, er zijn regelmatig bloedcontroles en ander medische controles om inname te controleren en bijwerkingen te monitoren.

2.2.

De advocaat stelt zich op het standpunt dat het verzoek moet worden afgewezen. Hij vindt het in strijd met het Europese recht om op deze wijze (met name door nu ‘opname’ in de zorgmachtiging op te nemen) vooruit te lopen op de situatie waarin het niet goed met betrokkene gaat. Er zou in die situatie een nieuwe beoordeling door een onafhankelijk arts moeten worden gedaan, en dan op basis daarvan moeten worden gehandeld. Betrokkene vindt zelf een zorgmachtiging niet nodig, hij wil langer blijven bij [instelling] en is blij met de zorg die hij daar krijgt maar wil dat dat zijn eigen keuze is. De advocaat heeft nog toegevoegd dat betrokkene nu enkele maanden daar verblijft zonder machtiging en dat het goed gaat.

De case manager heeft toegelicht dat de behandeling bestaat uit het innemen van medicatie in tabletvorm onder toezicht van de begeleiders van de woonvoorziening. Het is niet de bedoeling om in de woonvoorziening dwangmedicatie toe te dienen, dat zou niet veilig zijn. Het vragen van verplichte zorg in de vorm van ‘opname’ is bedoeld om betrokkene op te kunnen nemen als hij zijn medicatie niet neemt, en dan zo kort als mogelijk en nodig is om te voorkomen dat het nog slechter met hem zal gaan.

2.3.

Uit de overgelegde stukken en het behandelde ter zitting is gebleken dat betrokkene lijdt aan een psychische stoornis, in de vorm van schizofreniespectrum- en andere psychotische stoornissen en middelen gerelateerde en verslavingsstoornissen.

2.4.

Deze stoornis leidt bij betrokkene tot ernstig nadeel, gelegen in het bestaan van of het aanzienlijk risico op levensgevaar, ernstige financiële schade, ernstige verwaarlozing, maatschappelijke teloorgang, bedreiging van de veiligheid van betrokkene al dan niet doordat hij onder invloed van een ander raakt, de situatie dat betrokkene met hinderlijk gedrag agressie van een ander oproept en de situatie dat de algemene veiligheid van personen of goederen in gevaar is.

2.5.

Om de crisissituatie en het ernstig nadeel af te wenden, de fysieke gezondheid van betrokkene te stabiliseren en de geestelijke gezondheid van betrokkene dusdanig te herstellen zodat hij zijn autonomie zoveel mogelijk herwint, heeft betrokkene zorg nodig.

2.6.

Uit de stukken en de mondelinge behandeling is naar voren gekomen dat de betrokkene zoveel mogelijk ambulant zal worden behandeld, zodat ‘het toedienen van medicatie’ ook opgevat moet worden als een vorm van ambulante verplichte zorg. De rechtbank heeft in haar uitspraak van 17 februari 2020 (ECLI:NL:RBMNE:2020:739) uiteengezet dat een verzoek om ambulant verplichte zorg dient te voldoen aan de veiligheidseisen van artikel 2:2 van het Besluit verplichte geestelijke gezondheidszorg. Nu daarover in de stukken geen informatie te vinden is, kan ‘toedienen van medicatie’ dus niet als vorm van ambulant verplichte zorg worden verleend.

2.7.

De rechtbank begrijpt uit de opstelling van betrokkene dat hij zich wil richten naar de afspraken in het zorgplan en vrijwillig in contact wil blijven met de (woon)begeleiding en onder hun toezicht zijn medicatie wil innemen. Uit de stukken en wat er is besproken tijdens de mondelinge behandeling is gebleken dat betrokkene geen ziektebesef en ziekte-inzicht heeft en dat – in combinatie met het chronische karakter van zijn aandoening – hij een juridisch kader nodig heeft om zich aan de afspraken te kunnen houden. Om die reden is dan verplichte zorg nodig. De rechtbank zal daarom de zorgmachtiging verlenen voor de situatie dat betrokkene zich niet aan de afspraken in het zorgplan houdt, en dan in een accommodatie zal worden opgenomen. Anders dan de advocaat, acht de rechtbank dat niet in strijd met de wet of het recht. Uit de toelichting ter zitting is naar voren gekomen dat niet in de woning van betrokkene tot het onder dwang toedienen van medicatie overgegaan zal worden. Een zorgmachtiging (met daarin ook opname als vorm van verplichte zorg) bij iemand die zoveel als mogelijk ambulant behandeld wordt en waar verplichte zorg uitsluitend zal worden toegepast als die ambulante behandeling het ernstig nadeel niet langer kan wegnemen, voldoet naar het oordeel van de rechtbank aan het uitgangspunt van de wet dat verplichte zorg en opname ultimum remedium moeten zijn.

2.8.

Er zijn in dit geval geen minder bezwarende alternatieven die hetzelfde beoogde effect hebben. Op deze manier is de verplichte zorg een ultimum remedium.

2.9.

De voorgestelde verplichte zorg is evenredig en naar verwachting effectief. Uit de stukken blijkt verder dat bij het bepalen van de juiste zorg rekening is gehouden met de voorwaarden die noodzakelijk zijn om deelname van betrokkene aan het maatschappelijk leven te bevorderen, alsmede met de veiligheid van betrokkene.

2.10.

De door de geneesheer-directeur toegevoegde vormen van verplichte zorg zijn niet in het verzoek van de officier van justitie overgenomen, zodat de rechtbank daar geen beslissing op hoeft te nemen.

2.11.

De rechtbank merkt verder op dat bij de ten uitvoerlegging van deze zorgmachtiging artikel 8:9, lid 1, Wvggz van toepassing is. Door deze waarborg in de wet is naar het oordeel van de rechtbank en anders dan de advocaat meent, geen sprake van strijd met wet of recht.

2.12.

Gelet op het voorgaande is naar het oordeel van de rechtbank voldaan aan de criteria voor en de doelen van verplichte zorg als bedoeld in de Wvggz. De zorgmachtiging met de gevraagde vormen van verplichte zorg zal worden verleend voor de (verzochte) duur van zes maanden, en geldt aldus tot en met 10 september 2020.

3 Beslissing

De rechtbank:

verleent een zorgmachtiging ten aanzien van [betrokkene], geboren op [1995] te [geboorteplaats] (Eritrea), voor de volgende vormen van verplichte zorg:

  • -

    toedienen van vocht, voeding en medicatie, alsmede het verrichten van medische controles of andere medische handelingen en therapeutische maatregelen, ter behandeling van een psychotische stoornis, dan wel vanwege die stoornis, ter behandeling van een somatische aandoening;

  • -

    opnemen in een accommodatie;

uitsluitend voor de situatie dat het ernstig nadeel niet overeenkomstig het zorgplan ambulant kan worden afgewend;

bepaalt dat deze machtiging geldt tot en met 10 september 2020.

Deze beschikking is gegeven door mr. V.M.M. van Amstel, rechter, in het bijzijn van

mr. Z.E.W. Fuchs als griffier, en schriftelijk uitgewerkt en ondertekend op 10 april 2020.

Tegen deze beschikking staat het rechtsmiddel van cassatie open.