Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2020:1713

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
24-04-2020
Datum publicatie
06-05-2020
Zaaknummer
UTR 19/2166
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Tussenuitspraak bestuurlijke lus
Inhoudsindicatie

Tussenuitspraak. Vertegenwoordigingsbevoegdheid verweerder. Legger oppervlaktewateren. Het waterschap heeft bij het vaststellen van de onderhoudsverplichtingen in de Legger de persoonlijke belangen van eisers niet kenbaar betrokken en afgewogen. Er is enkel een praktische afweging gemaakt, zonder dat rekening is gehouden met de voorgeschiedenis en met de afspraken die zijn gemaakt bij de ruilverkaveling in 2002. Bestuurlijke lus.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Zittingsplaats Utrecht

Bestuursrecht

zaaknummer: UTR 19/2166-T

tussenuitspraak van de meervoudige kamer van 24 april 2020 in de zaak tussen

1. [eiser 1], te [woonplaats] , eiser 1,

2. [eiser 2], te [woonplaats] , eiser 2,

samen aangeduid als eisers,

en

Het algemeen bestuur van het Hoogheemraadschap De Stichtse Rijnlanden, verweerder.

Inleiding

1. Eisers hebben een woning aan de [straatnaam] . Hun percelen worden aan de achterzijde begrensd door de [naam watergang] , een primaire watergang.

2. In 2012 heeft verweerder de Legger oppervlaktewateren 2012 (de Legger 2012) en de daarbij behorende leggerkaart vastgesteld. In de Legger 2012 is bepaald dat eisers als aangelanden, dat wil zeggen als eigenaar van de aangrenzende percelen, onderhoudsplichtig zijn voor het gewoon onderhoud van de kopse kanten bij de [naam watergang] , dus voor een gedeelte grenzend aan de kant van het water (het zogenoemde deel van het natte profiel). In de afgelopen jaren heeft het college van dijkgraaf en hoogheemraden van De Stichtse Rijnlanden verschillende keren handhavend opgetreden tegen eisers omdat zij hun onderhoudsverplichtingen niet waren nagekomen. De door eiser 1 ingestelde (hoger) beroepen tegen de handhavingsbesluiten slaagden niet. Bij de beoordeling van de rechtmatigheid van deze handhavingsbesluiten is van het bepaalde in de Legger 2012 uitgegaan, omdat eiser 1 hiertegen geen beroep had ingesteld.

3. In een besluit van 20 februari 2019 (het bestreden besluit) heeft verweerder de Legger oppervlaktewateren 2018 (de Legger 2018) vastgesteld. Dat besluit is voorbereid met een uniforme openbare voorbereidingsprocedure als bedoeld in afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), waarbij beide eisers een zienswijze tegen het ontwerp hebben ingediend. De Legger 2018 is op 1 mei 2019 in werking getreden.

4. In artikel 4, eerste lid, sub b, van de Legger 2018 worden eisers als aangelanden opnieuw aangewezen als onderhoudsplichtigen voor het gewoon onderhoud van een deel van het natte profiel van de watergang, dus van het eerste deel van het water (tot aan 40 centimeter diepte) van de [naam watergang] . Vanaf het diepere deel is het waterschap onderhoudsplichtig.

5. Eisers hebben beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Het beroep is behandeld op de zitting van 13 maart 2020. Eisers waren daarbij aanwezig. Namens verweerder zijn mr. [A] en gebiedsmanager [B] verschenen.

De vertegenwoordiging van verweerder

6. De rechtbank moet ambtshalve beoordelen of iemand bevoegd is om namens een ander in de beroepsprocedure op te treden. Over de vertegenwoordiging van verweerder overweegt de rechtbank in dit verband als volgt.

7. Op de zitting is gebleken dat de namens verweerder verschenen gemachtigden waren gemachtigd door het college van dijkgraaf en hoogheemraden (het dagelijks bestuur). Volgens de gemachtigden is het dagelijks bestuur bevoegd om namens het algemeen bestuur van het Hoogheemraadschap De Stichtse Rijnlanden (het algemeen bestuur) verweer te voeren en het algemeen bestuur te vertegenwoordigen op zittingen. De grondslag daarvoor zou zijn gelegen in artikel 86, derde lid, van de Waterschapswet en (de toelichting op) artikel 2 van de Delegatieregeling Hoogheemraadschap De Stichtse Rijnlanden 2014.

8. In artikel 86, derde lid, van de Waterschapswet wordt aan het dagelijks bestuur de bevoegdheid toegekend om spoedshalve beroep in te stellen namens het algemeen bestuur, als op basis van een wettelijk voorschrift een recht van beroep toekomt aan het algemeen bestuur. Het doel van dat artikel is het veiligstellen van beroepstermijnen. Naar het oordeel van de rechtbank kan het voeren van verweer in beroepsprocedures tegen het algemeen bestuur van het Hoogheemraadschap De Stichtse Rijnlanden niet onder dat artikel geschaard worden.

9. In artikel 2 van de Delegatieregeling worden bevoegdheden met betrekking tot het voeren van rechtsgedingen door het algemeen bestuur gedelegeerd aan het dagelijks bestuur. In het derde lid wordt de volgende bevoegdheid vermeld: ‘De bevoegdheid tot het instellen van beroep, het maken van bezwaar alsmede het verzoeken om een voorlopige voorziening of om schorsing van het aangevochten besluit als bedoeld in artikel 86 derde lid Waterschapswet’. Bij de toelichting op artikel 2 wordt in het algemeen gesteld dat in dit artikel alle bevoegdheden voor het voeren van een rechtsgeding zijn gedelegeerd en dat het dagelijks bestuur de volle bevoegdheid krijgt om rechtsgedingen te voeren. In de toelichting op het derde lid staat dat daarin de bevoegdheid om beroep in te stellen geheel is gedelegeerd. Naar het oordeel van de rechtbank volgt uit de bewoordingen van (de toelichting op) artikel 2, derde lid, van de Delegatieregeling in samenhang gelezen met artikel 86, derde lid, van de Waterschapswet dat het gaat om de bevoegdheid om beroep in te stellen tegen besluiten van andere bestuursorganen. Niet blijkt hieruit dat ook de bevoegdheid om verweer te voeren in beroepszaken over de eigen besluiten wordt gedelegeerd aan het dagelijks bestuur.

10. De conclusie op zitting was dan ook dat niet gebleken is dat het dagelijks bestuur bevoegd is om namens verweerder verweer te voeren en verweerder op zitting te vertegenwoordigen. De rechtbank heeft echter geen aanleiding gezien om in dit geval hieraan consequenties te verbinden. De verschenen gemachtigden hebben namelijk verklaard dat zij werkzaam zijn bij verweerder en dat zij zich bevoegd achten om ook het woord te voeren namens verweerder.

De standpunten van partijen

11. Eisers zijn het niet eens met de onderhoudsverplichtingen die in de Legger 2018 aan hen zijn opgelegd. Eisers hebben gewezen op de afspraken die zij in 2002 met het waterschap hebben gemaakt. Zij hebben hiertoe een gedeelte van de notariële akte ruilverkaveling [.] van 8 november 2002 en een deel van een notitie over de uitgangspunten voor vaststelling van het begrenzingenplan voor de ruilverkaveling met bijbehorende staten en tekeningen overgelegd. Uit deze stukken volgt volgens eisers dat de eigendom, het beheer en het onderhoud van de [naam watergang] naar het waterschap is gegaan. De onderhoudsverplichtingen die nu op grond van de Legger 2018 worden opgelegd aan eisers als de aangelanden van de [naam watergang] zijn daarmee in strijd. Eisers vinden dat verweerder zich bij het opstellen van de Legger 2018 aan de in 2002 gemaakte afspraken moet houden.

12. Verweerder stelt zich in het verweerschrift op het standpunt dat de notariële akte waar eisers het over hebben een privaatrechtelijke aangelegenheid betreft. De verplichting tot onderhoud is op grond van het publiekrecht geregeld. Hierbij geldt geen verplichting dat alleen aan de juridische eigenaar een onderhoudsverplichting kan worden opgelegd. Volgens verweerder is het redelijk om de onderhoudsverplichtingen voor het deel van het natte profiel van de watergang aan eisers op te leggen. Volgens verweerder is het voor eisers relatief eenvoudig om de werkzaamheden uit te voeren. Eisers moeten tussenslootjes op het perceel toch al schoonhouden. Voor verweerder zou het onderhoud veel lastiger zijn.

13. Verweerder heeft op de zitting erkend dat bij de ruilverkaveling in 2002 naast de eigendom ook het onderhoud van de [naam watergang] aan verweerder is toegewezen. Dit volgt volgens verweerder uit het (niet in deze procedure overgelegde) begrenzingenplan. De compensatie van de betrokken eigenaren was gelegen in de algehele ruilverkaveling met betere afwatering en verbeterde bruikbaarheid. Verweerder heeft op de zitting toegelicht dat ervoor is gekozen om in de Legger 2018 een uitzondering te maken op de in 2002 gemaakte afspraken over het onderhoud van de [naam watergang] . Het gewoon onderhoud van een deel van het natte profiel van de [naam watergang] is op grond van artikel 4, onder 1, onder b, van de Legger 2018 aan de aangelanden, zoals eisers, opgelegd. Volgens verweerder is het gewoon onderhoud van dit gedeelte door de aangelanden vanuit praktisch oogpunt gemakkelijker uit te voeren en is dat voor de aangelanden ook de beste optie. Voor verweerder zou het onderhoud veel lastiger zijn. Het onderhoud moet dan met een tractor met maaier vanaf de kant gedaan worden. Daarvoor moet dan over het land van eisers een pad aangelegd worden waarover gereden kan worden, wat nadeliger is voor eisers. Verweerder schat dat de kosten voor het gewoon onderhoud langs de [naam watergang] voor eisers circa 0,50 tot € 1,00 per strekkende meter zullen zijn. Met eiser 2 heeft verweerder afgesproken dat eiser 2 maar één keer per twee jaar onderhoud moet plegen. Met eiser 1 zijn op tot heden geen afspraken over het onderhoud gemaakt.

14. Eisers hebben op de zitting er nog op gewezen dat er voor het overgaan van de eigendom naar het waterschap in 2002 voor eisers geen financiële compensatie is geweest. De onderhoudsverplichtingen die nu op grond van de Legger 2018 worden opgelegd aan eisers als aangelanden van de [naam watergang] vinden eisers niet eerlijk. Zij hebben het eigendom van dit gedeelte op grond van de gemaakte afspraken niet meer. Volgens eisers kan de Legger 2018 de in 2002 gemaakte afspraken niet ‘overrulen’. Verweerder moet als eigenaar het onderhoud van de gehele watergang daarom zelf doen. Volgens eisers kan dat ook gemakkelijk vanaf het water, met een maaiboot met zijmessen.

De beoordeling door de rechtbank

15. De rechtbank is van oordeel dat uit het bestreden besluit en de onderliggende stukken niet blijkt dat verweerder de persoonlijke belangen van eisers heeft betrokken bij de belangenafweging en welk gewicht verweerder in zijn afweging aan die belangen heeft toegekend. Gelet hierop is het bestreden besluit op dit punt niet voorzien van een voldoende deugdelijk gemotiveerde belangenafweging en schiet de voorbereiding op het punt van de zorgvuldigheid tekort. De rechtbank licht dit oordeel als volgt toe.

16. Verweerder heeft enkel een praktische afweging gemaakt, zonder daarbij kenbaar de voorgeschiedenis te betrekken. Eisers hebben in hun zienswijze gewezen op de notariële akte van de ruilverkaveling. Verweerder heeft in het inspraakrapport als reactie gegeven dat er geen afspraken zijn vastgelegd over het onderhoud van watergangen. Op de zitting heeft verweerder echter niet betwist dat in het begrenzingenplan het onderhoud aan het waterschap is toegewezen. Met de in de Legger 2018 aan eisers opgelegde onderhoudsverplichtingen voor een gedeelte van het natte profiel van de watergang gaat verweerder daar tegenin. Het was aan verweerder om te motiveren waarom hij in de belangen van eisers geen aanleiding ziet om het onderhoud anders te regelen. Deze motivering ontbreekt. Met de gegeven toelichting over de praktische keuze is onvoldoende gemotiveerd waarom dit praktische belang van verweerder zwaarder moet wegen dan de belangen van eisers. Ook blijkt niet kenbaar dat verweerder de optie van onderhoud vanaf het water met een maaiboot met zijmessen heeft overwogen.

17. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder het bestreden besluit dan ook genomen in strijd met artikel 3:2 en 3:46 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).

Hoe nu verder?

18. Op grond van artikel 8:51a, eerste lid, en artikel 8:80a van de Awb kan de rechtbank verweerder in een tussenuitspraak in de gelegenheid stellen om een gebrek in het bestreden besluit te herstellen. De rechtbank ziet daar aanleiding voor. In verband met de coronacrisis en de daarmee samenhangende maatregelen bepaalt de rechtbank de termijn waarbinnen verweerder het gebrek kan herstellen op tien weken na verzending van deze tussenuitspraak.

19. Verweerder kan het gebrek herstellen met een aanvullende onderbouwing van de belangenafweging, of voor zover nodig met een gewijzigd of nieuw besluit. De rechtbank bepaalt in dit geval dat afdeling 3.4 van de Awb bij de voorbereiding van een gewijzigd of nieuw besluit niet opnieuw hoeft te worden toegepast (artikel 8:72, vierde lid, onder a van de Awb). Wel dient verweerder een eventueel gewijzigd of nieuw besluit op de wettelijk voorgeschreven wijze bekend te maken en mede te delen. Verweerder moet dus de rechtbank en eisers de aanvullende onderbouwing meedelen, dan wel het gewijzigde of nieuwe besluit op de wettelijk voorgeschreven wijze bekendmaken en dit aan de rechtbank meedelen.

19. Verweerder moet op grond van artikel 8:51b, eerste lid, van de Awb én om onnodige vertraging te voorkomen zo spoedig mogelijk, maar uiterlijk binnen twee weken, meedelen aan de rechtbank of hij gebruik maakt van de gelegenheid het gebrek te herstellen. Als verweerder gebruik maakt van die gelegenheid, zal de rechtbank eisers in de gelegenheid stellen binnen vier weken te reageren op de herstelpoging van verweerder. In beginsel, ook in de situatie dat verweerder de hersteltermijn ongebruikt laat verstrijken, zal de rechtbank zonder tweede zitting uitspraak doen op het beroep.

21. De rechtbank houdt iedere verdere beslissing aan tot de einduitspraak op het beroep. Dat laatste betekent ook dat zij over de proceskosten en het griffierecht nu nog geen beslissing neemt.

22. De rechtbank gaat ervan uit dat verweerder tot aan de einduitspraak niet handhavend zal optreden richting eisers met betrekking tot de onderhoudsverplichtingen uit de Legger.

Beslissing

De rechtbank:

- draagt verweerder op binnen twee weken na verzending van deze tussenuitspraak aan de rechtbank mee te delen of hij gebruik maakt van de gelegenheid het gebrek te herstellen;

- stelt verweerder in de gelegenheid om binnen tien weken na verzending van deze tussenuitspraak het gebrek te herstellen met inachtneming van de overwegingen en aanwijzingen in deze tussenuitspraak;

- houdt iedere verdere beslissing aan.

Deze uitspraak is op 24 april 2020 gedaan door mr. N.M.H. van Ek, voorzitter, en mr. R.C. Moed en mr. A.R. Klijn, leden, in aanwezigheid van mr. M. van der Knijff, griffier.

Als gevolg van maatregelen rondom het Corona virus is deze uitspraak niet uitgesproken op een openbare uitsprakenzitting. Zodra het openbaar uitspreken weer mogelijk is, wordt deze uitspraak, voor zover nodig, alsnog in het openbaar uitgesproken.

De griffier is verhinderd deze

uitspraak te ondertekenen.

griffier voorzitter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Nog geen hoger beroep mogelijk

Tegen deze tussenuitspraak staat nog geen hoger beroep open. Tegen deze tussenuitspraak kan hoger beroep worden ingesteld tegelijkertijd met hoger beroep tegen de (eventuele) einduitspraak in deze zaak.