Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2020:1670

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
07-04-2020
Datum publicatie
01-05-2020
Zaaknummer
AWB - 19 _ 2248 en 19_2242
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Beroepen ongegrond. Herziening en terugvordering WIA en TW. Onderzoek schending inlichtingplicht zorgvuldig. Geen dringende redenen om van herziening/terugvordering af te zien. Verweerder heeft waarschuwing mogen opleggen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Zittingsplaats Utrecht

Bestuursrecht

zaaknummers: UTR 19/2248 en 19/2242

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 7 april 2020 in de zaak tussen

[eiser] , te [woonplaats] , eiser

(gemachtigde: mr. K. van de Peppel),

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (het Uwv), verweerder

(gemachtigde: V.F.M. Verdouw).

Procesverloop

19/2248 (herziening/terugvordering)

Bij besluit van 21 november 2018 (het primaire besluit 1) heeft het Uwv de uitkering van eiser op grond van Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) over de periode van 1 juni 2015 tot en met 31 december 2017 herzien omdat eiser inkomsten uit werkzaamheden niet heeft gemeld. Hij heeft volgens het Uwv ten onrechte een bruto bedrag van € 436,52, exclusief vakantiegeld, aan WIA-uitkering ontvangen en moet volgens het Uwv dit bedrag terugbetalen.

Bij besluit van 22 november 2018 (het primaire besluit 2) heeft het Uwv daarnaast de toeslag van eiser over de periode van 15 juni 2015 tot en met 17 december 2017 herzien. Eiser heeft volgens het Uwv over deze periode ten onrechte een bruto bedrag van € 1.279,55, exclusief vakantiegeld, aan toeslag ontvangen en moet ook dit bedrag terugbetalen.

Bij besluit van 24 april 2019 (het bestreden besluit 1) heeft het Uwv het bezwaar van eiser tegen de primaire besluiten 1 en 2 ongegrond verklaard. Volgens het Uwv moeten de primaire besluiten 1 en 2 gehandhaafd worden.

19/2242 (waarschuwing)

Bij besluit van 21 november 2018 (het primaire besluit 3) heeft het Uwv een waarschuwing aan eiser opgelegd omdat hij zich niet aan de informatieplicht heeft gehouden. Eiser heeft volgens het Uwv niet doorgegeven dat hij in de periode van 15 juni 2015 tot en met

17 december 2017 voor particulieren en via [bedrijfsnaam 1] voor meerdere bedrijven heeft gewerkt. Als eiser de informatieplicht binnen twee jaar opnieuw overtreedt, legt het Uwv hem een boete op.

Bij besluit van 24 april 2019 (het bestreden besluit 2) heeft het Uwv het bezwaar van eiser tegen dit primaire besluit ongegrond verklaard. De opgelegde waarschuwing blijft dus in stand.

19/2248 en 19/2242

Eiser heeft tegen beide bestreden besluiten beroep ingesteld.

Het Uwv heeft in beide zaken een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 14 januari 2020. De zaken met zaaknummers 19/2248 en 19/2242 zijn gelijktijdig behandeld. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

Feiten

1.1.

De rechtbank gaat uit van de volgende feiten.

Herziening/terugvordering

1.2.

Eiser ontvangt vanaf 31 juli 2012 een WIA-uitkering. Vanaf 31 maart 2014 ontvangt hij daarnaast een toeslag. Op 11 juni 2018 heeft [A] , eigenaar van het bedrijf [bedrijfsnaam 1] , bij het Uwv een fraudemelding over eiser gedaan. Naar aanleiding van deze fraudemelding heeft handhavingsdeskundige [B] , werkzaam bij de afdeling handhaving van het Uwv, onderzoek naar eiser verricht. De resultaten van dit onderzoek staan in het rapport van 27 september 2018. Vervolgens heeft het Uwv de primaire besluiten 1 en 2 genomen. Na bezwaar van eiser heeft het Uwv bij het bestreden besluit 1 de primaire besluiten 1 en 2 in stand gelaten.

Per 1 februari 2019 heeft eiser met het Uwv een betalingsregeling getroffen van € 25,- per maand.

Waarschuwing

1.3.

Het Uwv heeft eerder onderzoek gedaan naar het verrichten van werkzaamheden door eiser. In een rapport hierover van 17 januari 2018 heeft inspecteur [C] geconcludeerd dat eiser vanaf 29 augustus 2017 tot omstreeks eind november 2019 als chauffeur heeft gereden voor zijn (voormalige) buurman, [A] , naar (mogelijke) opdrachtgevers. Dit onderzoek heeft op 26 februari 2018 geleid tot het opleggen van een waarschuwing aan eiser.

1.4.

Bij brief van 16 oktober 2018 heeft het Uwv aan eiser meegedeeld van plan te zijn om hem een waarschuwing op te leggen omdat hij in de periode van 15 juni 2015 tot en met

17 december 2017 via [bedrijfsnaam 1] heeft gewerkt bij verschillende bedrijven. In deze brief staat vermeld dat de eerdere waarschuwing van 26 februari 2018 komt te vervallen, omdat er nieuwe feiten aan het licht zijn gekomen. Vervolgens heeft het Uwv bij het primaire besluit de (nieuwe) waarschuwing voor het niet doorgeven van werkzaamheden via [bedrijfsnaam 1] opgelegd. Bij het bestreden besluit 2 is deze waarschuwing gehandhaafd.

Inhoud bestreden besluiten

2.1.

Het Uwv heeft aan de bestreden besluiten het volgende ten grondslag gelegd.

Herziening/terugvordering

2.2.

Aan het bestreden besluit 1 heeft verweerder ten grondslag gelegd dat het recht van eiser op een WIA-uitkering over de periode van 1 juni 2015 tot en met 31 december 2017 moet worden herzien, omdat eiser zich niet aan de inlichtingenverplichting heeft gehouden. Eiser heeft niet doorgegeven dat hij in die periode werkzaamheden verrichtte. De inkomsten hebben invloed op zijn uitkering in de maanden december 2016, januari 2017 en februari van 2017. Over deze drie maanden kreeg eiser te veel WIA-uitkering. Dit bedrag wordt van hem teruggevorderd. Ook hebben de werkzaamheden invloed op het recht van eiser op toeslag over de maanden juni 2015, januari 2016 tot en met november 2016. De over deze maanden ten onrechte ontvangen toeslag wordt eveneens teruggevorderd.

2.3.

De werkzaamheden die eiser heeft verricht, zijn volgens het Uwv werkzaamheden die eiser in het economisch verkeer in rekening kan brengen. Bij de berekening van de terugvordering is het Uwv uitgegaan van de verklaringen van getuigen en eiser zelf. Eiser had zich moeten realiseren dat zijn bezigheden invloed op zijn recht op WIA-uitkering en toeslag zouden hebben. Het Uwv ziet geen dringende reden om de terug te vorderen bedragen te verlagen of om van terugvordering af te zien. Er is geen sprake van een zeer ernstige of uitzonderlijke situatie op grond waarvan eiser de bedragen niet zou hoeven terugbetalen. Zijn financiële situatie valt hier niet onder.

Waarschuwing

2.4.

Het Uwv heeft zich bij het bestreden besluit 2 op het standpunt gesteld dat eiser ten onrechte een WIA-uitkering en toeslag heeft ontvangen door niet te voldoen aan de inlichtingenplicht. Het Uwv had een boete moeten opleggen voor overtreding van de inlichtingenplicht. Dit is om onduidelijke redenen niet gebeurd. Alsnog een boete opleggen is niet mogelijk, omdat het indienen van bezwaar niet tot nadeel van de indiener mag leiden. Daarom blijft de opgelegde waarschuwing in stand.

Ten aanzien van de herziening/terugvordering – UTR 19/2248

Beoordelingskader: hoe toetst de rechtbank

3. Het gaat hier om een besluit tot herziening met terugwerkende kracht en terugvordering. In vaste rechtspraak1 van de Centrale Raad van Beroep (de CRvB), de hoogste bestuursrechter in zulke zaken, is bepaald dat dit een belastend besluit is. Dit heeft tot gevolg dat het Uwv met feiten aannemelijk moet maken dat aan de wettelijke voorwaarden voor herziening en terugvordering is voldaan. De bewijslast rust dus eerst op verweerder. Als verweerder hieraan heeft voldaan, verschuift de bewijslast naar eiser. Het is dan aan eiser om met tegenbewijs de onjuistheid van de bevindingen van verweerder aannemelijk te maken. Dit tegenbewijs moet bestaan uit objectieve en verifieerbare gegevens.

Beoordeling van de beroepsgronden

Hierna zal de rechtbank de beroepsgronden van eiser beoordelen, die - kort gezegd - zien op de zorgvuldigheid van het door het Uwv verrichte onderzoek, de schending van de inlichtingenverplichting, de omvang van de verrichte werkzaamheden en het bestaan van dringende redenen om af te zien van herziening en terugvordering.

Zorgvuldigheid van het onderzoek naar de schending van de inlichtingenverplichting

4. Eiser voert aan dat het onderzoek onzorgvuldig is verricht omdat het Uwv klakkeloos is afgegaan op de verklaring die [A] heeft afgelegd, terwijl die verklaring niet betrouwbaar is. [A] was zijn buurman. Eerst gingen ze vriendschappelijk met elkaar om en ging eiser daarom wel mee naar bouwplaatsen. Nadat eiser had gezegd dat hij niet meer mee ging, begon [A] hem lastig te vallen en te bedreigen. Volgens eiser is hij met [A] mee geweest naar verschillende bouwplaatsen, maar heeft hij daar alleen geholpen met hand- en spandiensten zoals koffie halen en met een stoffer en blik iets opvegen. Het moet volgens hem gezien worden als een vriendendienst. De werkzaamheden zijn niet loonwaardig. Hij kon de werkzaamheden ook niet verrichten, gelet op zijn medische beperkingen. Eiser heeft niet voor [bedrijfsnaam 1] / [A] gewerkt, aldus zijn verklaring op de zitting.

5. Volgens vaste rechtspraak van de CRvB komt bij de vraag of er sprake is van arbeid die in het economische verkeer wordt verricht, betekenis toe aan de aard van de activiteiten en de omgeving waarbinnen die activiteiten worden verricht.2

6.1.

[A] heeft tegenover het Uwv op 9 augustus 2018 verklaard dat eiser onder meer werkzaamheden heeft verricht op de volgende locaties:

  • -

    in de badkamer op het adres [adres 1] in [plaatsnaam 1] (bij mevrouw [D] );

  • -

    in de badkamer en de keuken op het adres [adres 2] in [plaatsnaam 1] (bij een vriendin van de dochter van [A] );

  • -

    op het adres [adres 3] in [plaatsnaam 2] (bij de dochter van [A] );

  • -

    in de badkamer op de camping bij [A] ;

  • -

    in de keuken en de badkamer op het adres [adres 4] in [plaatsnaam 3] (bij de zoon van [A] );

  • -

    op een bouwplaats in [plaatsnaam 4] in week 43, 45, 46 en 47 van 2017;

  • -

    slijpwerk op een bouwplaats in [plaatsnaam 5] in week 44 van 2017.

6.2.

Eiser heeft op de zitting erkend dat hij heeft gewerkt in de badkamer en de keuken van [adres 2] in [plaatsnaam 1] . Hij heeft ook verklaard een badkamer te hebben aangelegd op het adres [adres 1] in [plaatsnaam 1] . Hij heeft voor deze klus een bedrag van € 400,- à € 500,- van mevrouw [D] gekregen. Op de zitting heeft hij erkend dat hij dit aan het Uwv had moeten melden. Eiser heeft op de zitting ook verklaard dat hij met [A] is meegereden naar diverse bouwplaatsen in [plaatsnaam 4] en [plaatsnaam 5] .

Tegenover het Uwv heeft eiser, anders dan op de zitting, op 10 en 28 augustus 2018 ook verklaard over andere werkzaamheden die hij heeft verricht. Zo heeft hij verklaard dat hij op het adres [adres 3] in [plaatsnaam 2] een toilet heeft betegeld en een laminaatvloer heeft gelegd. Begin 2017 heeft hij op de camping bij [A] een badkamer betegeld en sanitair afgemonteerd. Hij heeft daar 2,5 dag gewerkt. Op het adres [adres 4] te [plaatsnaam 3] heeft eiser in de keuken gewerkt en de vloer van het toilet betegeld. Verder heeft eiser verklaard dat hij in week 45 van 2017 met [A] is mee geweest naar de bouw in [plaatsnaam 4] . Ten slotte heeft eiser bij het Uwv verklaard dat hij in [plaatsnaam 5] in opdracht van

[A] op een parkeerdek een betonvloer heeft geslepen. Hij was daar 4 à 5 uur per dag aan het werk.

6.3.

[A] heeft verder tegenover het Uwv verklaard dat eiser via [bedrijfsnaam 1] voor diverse bedrijven heeft gewerkt. Eiser verrichtte hierbij de volgende werkzaamheden: betonreparatie, beton injecteren en cement pompen. Deze verklaring van

[A] vindt steun in verklaringen van diverse opdrachtgevers van [bedrijfsnaam 1] . Zo heeft [E] van [bedrijfsnaam 2] BV ( [bedrijfsnaam 2] ) verklaard dat [bedrijfsnaam 1] een opdracht voor [bedrijfsnaam 2] uitvoerde en dat eiser in het kader hiervan werk heeft verricht voor [bedrijfsnaam 1] . Dit was in week 38 van 2016. Eiser heeft 8 uur per dag gewerkt. Zijn werkzaamheden bestonden uit injectie werkzaamheden. Verder heeft ook [F] van [bedrijfsnaam 3] verklaard dat eiser voor [bedrijfsnaam 1] heeft gewerkt. Eiser heeft vloeren en wanden geïnjecteerd. Volgens

[F] zal dit in 2016 zijn geweest.

6.4.

Verder vindt de verklaring van [A] bevestiging in de foto’s die achter zijn gespreksverslag zijn gevoegd. De rechtbank heeft op de zitting die foto’s voorgehouden waarop een persoon te zien is die werkzaamheden zoals het leggen van planken verricht. Eiser heeft tegenover het Uwv en op de zitting verklaard zichzelf op deze foto’s te herkennen als de persoon die aan het werk is.

6.5.

De rechtbank oordeelt dat verweerder met voorgaande onderzoeksbevindingen aannemelijk heeft gemaakt dat eiser in de periode van 15 juni 2015 tot en met

17 december 2017 werkzaamheden voor/via [bedrijfsnaam 1] en verschillende particulieren heeft verricht, die moeten worden aangemerkt als activiteiten die in het economisch verkeer op geld waardeerbaar zijn.

6.6.

De rechtbank acht de stelling van eiser dat hij alleen met [A] mee naar bouwplaatsen is gegaan voor het verrichten van hand- en spandiensten niet aannemelijk, gelet op de verklaring van [A] die door verschillende getuigen en ook door eiser zelf wordt ondersteund. De rechtbank ziet niet in waarom eiser niet aan zijn eigen verklaringen bij het Uwv kan worden gehouden. Uit al deze onderzoeksbevindingen van het Uwv volgt dat eiser in 2015, 2016 en 2017 werkzaamheden heeft verricht en inkomsten heeft genoten. Eiser heeft de volgende werkzaamheden verricht voor diverse particulieren en bedrijven: betonreparaties, beton injecteren, cement pompen, keukens installeren en betegelen, badkamers betegelen, een laminaatvloer leggen, een toilet installeren/betegelen en een goot aanleggen. Gelet hierop en gelet op wat in rechtsoverweging 5 is overwogen, acht de rechtbank aannemelijk dat sprake was van werkzaamheden die gelet op de aard en omvang daarvan verder gingen dan het verlenen van een vriendendienst en alleen het assisteren bij werkzaamheden, zoals eiser stelt. Volgens vaste rechtspraak van de CRvB3 is het verrichten van op geld waardeerbare activiteiten een omstandigheid die voor het recht op uitkering van belang kan zijn, ongeacht de intentie waarmee die werkzaamheden worden verricht en ongeacht of uit die werkzaamheden daadwerkelijk inkomsten worden genoten. Dat eiser stelt dat hij uit vriendschap [A] heeft geholpen, maakt dan ook niet dat het niet van invloed had kunnen zijn op zijn recht op uitkering. Eiser had het Uwv daarom over deze werkzaamheden moeten inlichten. De beroepsgrond slaagt niet.

6.7.

De rechtbank vindt ook dat het onderzoek naar de schending van de inlichtingenverplichting zorgvuldig is verricht en niet uitsluitend is gebaseerd op de verklaring van [A] . Op 11 juni 2018 is een schriftelijke melding door [A] van verdenking van fraude binnengekomen. Deze melding is voor het Uwv aanleiding geweest om nader onderzoek te laten verrichten. De handhavingsdeskundige van het Uwv heeft de melder gesproken en heeft verder eiser en diverse getuigen gehoord. De getuigen hebben verklaard dat eiser vergoedingen ontving voor werkzaamheden die hij heeft verricht. In de gesprekken met eiser op 10 en 23 augustus 2018 heeft eiser erkend dat hij werkzaamheden heeft verricht en dat hij voor bepaalde werkzaamheden vergoedingen ontving. De beroepsgrond slaagt niet.

Tussenconclusie

7. Door geen melding te maken van de werkzaamheden voor/via [bedrijfsnaam 1] en voor diverse particulieren, heeft eiser zijn inlichtingenverplichtingen op grond van de

artikel 27, eerste lid, van de Wet WIA en artikel 12, eerste lid, van de TW geschonden. Het had eiser redelijkerwijs duidelijk moeten zijn dat deze werkzaamheden van invloed konden zijn op zijn recht op en de hoogte van zijn uitkering en toeslag.

Het Uwv was op grond van artikel 76, eerste lid, onder a, van de Wet WIA gehouden om de WIA-uitkering van eiser over de periode van 1 juni 2015 tot en met 31 december 2017 te herzien. Verder was het Uwv op grond van artikel 77, eerste lid, van de Wet WIA gehouden de te veel betaalde WIA-uitkering over deze periode terug te vorderen.

Het Uwv was op grond van artikel 11a, eerste lid, onder c, van de TW ook gehouden de toeslag van eiser over de periode van 15 juni 2015 tot en met 17 december 2017 te herzien en op grond van artikel 20, eerste lid, van de TW te veel betaalde toeslag over deze periode terug te vorderen.

Omvang van de werkzaamheden

8. Uit vaste rechtspraak van de CRvB volgt dat als eiser geen opgave heeft gedaan van zijn werkzaamheden en de gewerkte uren niet heeft geregistreerd, het aanvaardbaar is dat het Uwv een schatting maakt van de omvang van die werkzaamheden.4

9.1.

Voor de omvang van de werkzaamheden heeft het Uwv het overzicht dat

[A] heeft verstrekt, als uitgangspunt genomen. Door de ondersteunende bewijzen in het dossier, zoals de foto’s en de verklaringen van opdrachtnemers, heeft het Uwv in redelijkheid kunnen uitgaan van deze opgave van [A] van de werkzaamheden die door eiser zijn verricht. In het gegeven dat de data van de verklaringen van de getuigen niet geheel stroken met dit overzicht ziet de rechtbank geen aanleiding om eraan te twijfelen dat er werkzaamheden hebben plaatsgevonden van deze omvang. De enkele stelling van eiser dat hij door [A] is gebruikt om meer te kunnen declareren, is hiervoor onvoldoende. Daarbij komt dat het Uwv bepaalde werkzaamheden niet heeft meegenomen in de berekening, zoals de werkzaamheden die eiser bij [bedrijfsnaam 4] BV zou hebben uitgevoerd, omdat het Uww deze werkzaamheden onvoldoende onderbouwd vond. Het Uwv heeft de gegevens van [A] dus niet zonder meer overgenomen.

9.2.

Het Uwv heeft in beroep nogmaals het overzicht overgelegd dat het Uwv als bijlage bij het bestreden besluit van 24 april 2019 had gevoegd. Op dit overzicht staan de berekeningen van de terug te vorderen WIA-uitkering en toeslag. Het Uwv heeft op de zitting toegelicht hoe deze berekeningen zijn gemaakt. De bedragen aan WIA-uitkering en toeslag op het overzicht zijn uitgesmeerd over de kalenderjaren omdat eiser op wisselende basis inkomsten heeft genoten.

9.3.

Eiser heeft geen ondubbelzinnige, concrete en verifieerbare inkomensgegevens overgelegd, waaruit zou kunnen blijken dat de schatting door het Uwv van de omvang van de werkzaamheden onjuist is. De rechtbank ziet dan ook geen aanleiding om af te wijken van de door het Uwv gemaakte schatting. De beroepsgrond slaagt niet.

Dringende redenen om van herziening en terugvordering af te zien

10.1.

Eiser voert aan dat zijn persoonlijke omstandigheden moeten worden aangemerkt als dringende reden om van herziening en terugvordering van de WIA-uitkering en de toeslag af te zien. Eiser neemt deel aan een schuldsaneringsregeling. Bij een negatieve uitkomst van deze zaak, zal sprake zijn van een nieuwe vordering van het Uwv. Na beëindiging van het schuldsaneringstraject zal eiser dan niet met een schone financiële lei kunnen starten.

10.2.

Uit vaste rechtspraak van de CRvB volgt dat dringende redenen slechts gelegen kunnen zijn in de onaanvaardbaarheid van de sociale of financiële gevolgen die voor eiser als gevolg van terugvordering van de WIA-uitkering en toeslag optreden.5 Het gaat dan om incidentele gevallen waarin iets bijzonders en uitzonderlijks aan de hand is en waarin een individuele afweging plaatsvindt van alle relevante omstandigheden. Eiser heeft niet aannemelijk gemaakt dat sprake is van dergelijke onaanvaardbare sociale of financiële consequenties als gevolg van de terugvorderingen. Eiser heeft op de zitting verklaard dat hij weer werkt en geld verdient bij de Provincie Utrecht bij de afdeling service en veiligheid. De stelling van eiser dat hij na afronding van het schuldsaneringstraject niet schuldenvrij zal zijn en daardoor niet met een schone lei kan beginnen, heeft hij niet onderbouwd schriftelijke stukken. Er zijn dus geen dringende redenen op grond waarvan het Uwv geheel of gedeeltelijk van herziening of terugvordering had moeten afzien. De beroepsgrond slaagt niet.

Eindconclusie

11. Uit voorgaande volgt dat het beroep dat ziet op de herziening en terugvordering niet slaagt. Het beroep is ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Ten aanzien van de waarschuwing – UTR 19/2242

12. Eiser stelt dat er geen reden voor het Uwv is om hem opnieuw een waarschuwing op te leggen omdat er op hem geen informatieverplichting rustte met betrekking tot [bedrijfsnaam 1] . Verder mocht eiser erop vertrouwen dat het Uwv geen verdere maatregelen zou nemen omdat het Uwv hem eerder een waarschuwing heeft opgelegd. Daarbij is volgens eiser sprake van dezelfde feiten en omstandigheden, namelijk het verrichten van hand- en spandiensten voor [bedrijfsnaam 1] .

13. De rechtbank ziet in wat eiser aanvoert geen reden waarom het Uwv aan eiser geen waarschuwing had mogen opleggen. Zoals de rechtbank hierboven heeft overwogen, heeft eiser zijn inlichtingenverplichting geschonden in verband met zijn inkomsten uit werkzaamheden voor/via [bedrijfsnaam 1] en diverse particulieren. De waarschuwing die het Uwv op 26 februari 2018 aan eiser heeft gegeven, zag op schending van de informatieplicht omdat eiser niet aan het Uwv had doorgegeven dat hij als chauffeur had gewerkt. Die waarschuwing had dus betrekking op een ander feitencomplex dan nu voorligt. Eiser heeft er daarom niet redelijkerwijs op mogen vertrouwen dat het Uwv hem geen verdere maatregelen zou opleggen voor het verrichten van andersoortige werkzaamheden.

14. Het beroep dat ziet op de waarschuwing is ongegrond. Voor een proceskosten-veroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart de beroepen ongegrond.

Deze uitspraak is op 7 april 2020 gedaan door mr. N.M.H. van Ek, rechter, in aanwezigheid van mr. J.M.T. Bouwman-Everhardus, griffier.

Als gevolg van maatregelen rondom het corona virus is deze uitspraak niet uitgesproken op een openbare uitsprakenzitting. Zodra het openbaar uitspreken weer mogelijk is, wordt deze uitspraak alsnog in het openbaar uitgesproken.

de griffier is verhinderd deze uitspraak rechter

te ondertekenen

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep.

1 Zie bijvoorbeeld de uitspraak van 18 oktober 2017 (ECLI:NL:CRVB:2017:3766).

2 Zie bijvoorbeeld de uitspraak van 13 februari 2019, ECLI:NL:CRVB:2019:474)

3 Vergelijk de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 6 juni 2017, ECLI:NL:CRVB:2017:2168.

4 Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de CRvB van 13 februari 2019, ECLI:NL:CRVB:2019:474

5 Zie bijvoorbeeld de uitspraak van 13 februari 2019, ECLI:NL:CRVB:2019:474