Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2020:1653

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
28-04-2020
Datum publicatie
29-04-2020
Zaaknummer
UTR 19/5576
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Vergunning avondvierdaagse Leidsche Rijn. V hoeft de vergunning niet te toetsen aan het bestemmingsplan. V heeft ogv artikel 5.37, 2e lid, onder c, APV getoetst of het evenement zich verhoudt tot locatie Castellum Hoge Woerd. Beroep ongegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOM 2020/277
JGROND 2020/171 met annotatie van Loo, F.M.A. van der
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Zittingsplaats Utrecht

Bestuursrecht

zaaknummer: UTR 19/5576

uitspraak van 28 april 2020 van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

Stichting Bewonersbelang Castellum Hoge Woerd, te De Meern, eiseres

(gemachtigde: S. Schokker),

en

de burgemeester van de gemeente Utrecht, verweerder

(gemachtigde: mr. J. Hillenaar).

Als derde-partij heeft aan het geding deelgenomen: Stichting Gooise Wandelsport Bond, te Utrecht, gemachtigden: M. Bollema en A. Crince.

Procesverloop

Bij besluit van 6 juni 2019 (het primaire besluit) heeft verweerder een evenementenvergunning verleend aan de Stichting Gooise Wandelsport Bond voor de avondvierdaagse voor de periode 11 tot en met 14 juni 2019.

Bij besluit van 19 november 2019 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard.

Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 10 maart 2020. Eiseres heeft zich laten vertegenwoordigen door S. Schokker, [A] en [B] . Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde en [C] . Derde-partij heeft zich laten vertegenwoordigen door M. Bollema en A. Crince.

Overwegingen

Vergunning

1. Verweerder heeft de Stichting Gooise Wandelsport Bond een evenementenvergunning verleend voor het evenement de avondvierdaagse in Leidsche Rijn. De evenementenvergunning is verleend op grond van de Algemene Plaatselijke Verordening Utrecht 2010 (APV). Verweerder heeft het in de vergunning (onder andere) toegestaan dat er beperkt versterkt geluid op verschillende geluidniveaus mag worden geproduceerd.

Standpunten partijen

2. Eiseres voert aan dat het bestreden besluit onzorgvuldig tot stand is gekomen en onvoldoende is gemotiveerd. Eiseres stelt dat verweerder bij het verlenen van de evenementenvergunning de bezoekersaantallen en de hoogte van geluidniveaus aan de evenementenregeling in het bestemmingsplan Hoge Woerd, 1e herziening (bestemmingsplan) moet toetsen. Ook dient rekening te worden gehouden met het in het bestemmingsplan genoemde aantal toegestane evenementen. Artikel 5.37, tweede lid, onder c, van de APV biedt de mogelijkheid voor een toetsing van het evenement aan het bestemmingsplan op basis van het karakter van de locatie. Volgens eiseres verdraagt de avondvierdaagse zich niet met het karakter van de locatie van Castellum Hoge Woerd, gelegen middenin woonwijken, omdat het qua geluidsnormen en bezoekersaantallen in strijd is met het bestemmingsplan.

3. Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat hij een evenementenvergunning alleen hoeft te toetsen aan de APV. Hij kan een evenementenvergunning niet weigeren als het in strijd is met het bestemmingsplan. Er is sprake van twee verschillende toetsingskaders. Het bestemmingsplan ziet op aspecten van ruimtelijke ordening en de APV op aspecten van openbare orde. Ter zitting heeft verweerder nader toegelicht dat artikel 5.37, tweede lid, onder c, van de APV zo moet worden uitgelegd dat moet worden gekeken of het karakter van de locatie zich verhoudt tot het betreffende evenement. In dit geval verhoudt het karakter van de locatie van Castellum Hoge Woerd zich tot de avondvierdaagse.

4. De rechtbank stelt vast dat eiseres beroep heeft ingesteld tegen de evenementenvergunning die is verleend voor de hele avondvierdaagse. Ter zitting is gebleken dat het beroep alleen ziet op wat er tijdens de avondvierdaagse gebeurt op en rondom het terrein van Castellum Hoge Woerd. Het gaat eiseres vooral om het afroepen van de groepen, het laten horen van al dan niet versterkte muziek en het aantal mensen dat op het evenement af gaat komen. De belangrijkste vraag die de rechtbank moet beantwoorden is of verweerder bij het verlenen van de evenementenvergunning ook moet toetsen aan het bestemmingsplan. Het bestemmingsplan voorziet in artikel 4.4 in specifieke gebruiksregels voor evenementen van Castellum Hoge Woerd in de wijk Leidsche Rijn.

Moest verweerder ook aan het bestemmingsplan toetsen?

5. De rechtbank stelt voorop dat de bevoegdheid van verweerder tot verlening van een evenementenvergunning een discretionaire bevoegdheid is, waarbij aan hem een grote mate van beleidsruimte toekomt. De rechtbank toetst daarom terughoudend of verweerder in redelijkheid een evenementenvergunning heeft kunnen verlenen.

6. Uit de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (ABRvS) van 1 juli 20151 volgt dat wanneer een evenementenvergunning in strijd is met een bestemmingsplan, het niet zonder meer betekent dat een evenementenvergunning moet worden geweigerd. Het bestemmingsplan ziet immers op aspecten van ruimtelijke ordening en de APV, waarop de evenementenvergunning in kwestie wordt afgegeven, op aspecten van openbare orde en veiligheid. Dat zijn twee verschillende toetsingskaders. De rechtbank is dan ook van oordeel dat verweerder zich niet ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat hij een aanvraag voor een evenementenvergunning niet hoeft te toetsen aan het bestemmingsplan.

7. In artikel 5.37, tweede lid, onder c, van de APV, staat dat een evenementenvergunning kan worden geweigerd als de aard van het evenement zich niet verdraagt met het karakter of de bestemming van de gevraagde locatie. Uit de toelichting bij artikel 5.37, tweede lid, onder c, van de APV volgt dat daarbij gedacht kan worden aan een plein in een stil hofje waar geen kermis plaats zou kunnen vinden, maar wel een ingetogen akoestisch miniconcert. Het artikel voorziet dus in de bevoegdheid tot weigering van een vergunning. Verweerder is op basis van dit artikel dus niet verplicht aan de inhoud van het bestemmingsplan te toetsen; hij kán alleen toetsen of een evenement zich verhoudt tot het karakter of de bestemming van de locatie. In dit geval heeft verweerder dit getoetst. Ter zitting heeft verweerder het verduidelijkt: de locatie van en rondom Castellum Hoge Woerd is (onder andere) bestemd voor evenementen en het heeft een open karakter. Het afroepen van de groepen en het spelen van versterkte muziek in en nabij de poorten van Castellum Hoge Woerd valt daarom niet onder de weigeringsgrond van artikel 5.37, tweede lid, onder c, van de APV. De rechtbank volgt deze redenering. Het is niet mogelijk voor verweerder om verder aan het bestemmingsplan te toetsen.

Conclusie

8. Omdat verweerder een aanvraag voor een evenementenvergunning niet kan toetsen aan het bestemmingsplan, hoeven de gronden van beroep die gaan over de strijdigheid van de evenementenvergunning met bepalingen in het bestemmingsplan niet besproken te worden. Er zijn geen gronden aangevoerd dat verweerder ten onrechte geen toepassing heeft gegeven aan de weigeringsgronden van de APV. De rechtbank is van oordeel dat verweerder in redelijkheid de evenementenvergunning heeft mogen verlenen.

9. Het beroep is ongegrond.

10. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan op 28 april 2020 door mr. M. Eversteijn, rechter, in aanwezigheid van mr. A. Wilpstra-Foppen, griffier. Als gevolg van maatregelen rondom het coronavirus is deze uitspraak niet uitgesproken op een openbare uitsprakenzitting. Zodra het openbaar uitspreken weer mogelijk is, wordt deze uitspraak, voor zover nodig, alsnog in het openbaar uitgesproken.

De griffier is verhinderd de uitspraak te De rechter is verhinderd de uitspraak te

ondertekenen. ondertekenen.

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

1 ECLI:NL:RVS:2015:2028.