Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2020:1616

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
20-04-2020
Datum publicatie
29-04-2020
Zaaknummer
UTR 19/3842
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Beroep tegen afwijzing canta (Wmo). Beroep ongegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Zittingsplaats Utrecht

Bestuursrecht

zaaknummer: UTR 19/3842

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 20 april 2020 in de zaak tussen

[eiser] , te [woonplaats] , eiser

(gemachtigde: mr. E.J. Joosten),

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Utrecht, verweerder

(gemachtigde: mr. M.B.G. Hofstee).

Procesverloop

In het besluit van 21 februari 2019 (het primaire besluit) heeft verweerder geweigerd om eiser op grond van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 (Wmo 2015) in aanmerking te brengen voor een maatwerkvoorziening voor vervoer in de vorm van een gesloten buitenwagen (Canta).

In het besluit van 22 augustus 2019 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 17 februari 2020. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. Eiser, geboren op [geboortedatum] 1959, lijdt aan diverse medische aandoeningen, waaronder een progressieve longaandoening in een matig tot ernstig stadium. In de nacht gebruikt hij een apneumasker en is verder bekend met ernstige hartfalen, fors overgewicht, een gewrichtsaandoening waar geen behandeling meer bij mogelijk is en een stofallergie.

1.1

Eiser woont met zijn echtgenote en zoon in een eengezinswoning. Hij is in het bezit van

een pas voor de regiotaxi, een gehandicaptenparkeerkaart, een scootmobiel en een auto. Eerder heeft hij op grond van de Wmo een Canta gehad, maar deze heeft hij destijds vanwege zijn postuur ingeruild voor een scootmobiel.

2. Verweerder heeft zijn weigering in het primaire besluit om eiser een Canta toe te kennen gehandhaafd in het bestreden besluit. Voor dit standpunt baseert verweerder zich op een medisch advies van indicatieadviseur [A] van [naam organisatie] van 15 februari 2019.

Op 1 augustus 2019 heeft arts Indicatie & Advies, [B] ( [B] ) van [naam organisatie] een aanvullend advies (hierna: het aanvullend medisch advies) uitgebracht. Bij dit advies zijn de door eiser in bezwaar overgelegde stukken beoordeeld. Het betreft:

- een brief van cardioloog, dr. [C] van 20 maart 2019;

- een brief van de longarts, Dr. [D] van 18 april 2019, en
- brieven van de huisarts van 11 april 2018, 12 juni 2019 en 2 juli 2019.
[B] heeft geconcludeerd dat er medisch gezien onvoldoende aanleiding is voor het verstrekken van een Canta aan eiser, omdat hij gebruik kan maken van toereikende voorliggende individuele Wmo-vervoersvoorzieningen.

3. Eiser verwijst in beroep naar de brief van dr. [C] , cardioloog van 20 maart 2019. Volgens eiser blijkt daaruit de noodzaak voor een Canta, in het bijzonder voor de korte afstanden in de winter. Eiser stelt dat verweerder en/of de medisch adviseur ten onrechte geen waarde heeft gehecht aan deze brief. Ook betwist hij dat hij zelf een auto kan besturen en dat hij de scootmobiel kan gebruiken. Daarbij wijst eiser op zijn rugproblemen en de ernstige pijnklachten die daaruit voortvloeien. Ter onderbouwing van zijn standpunt verwijst eiser in beroep naar:
a) een brief van [D] (longarts) van 28 oktober 2019;

b) een brief van [E] (anesthesioloog-pijnspecialist) van 8 januari 2020.

Ter zitting voert eiser aan dat er in [naam wijk] onvoldoende gehandicapten-parkeerplaatsen zijn, zodat zijn auto en de gehandicaptenparkeerkaart onvoldoende compensatie bieden. Hetzelfde geldt voor de regiotaxi, aangezien deze niet altijd op tijd komt en hij daarin ook geen scootmobiel kan vervoeren. Daar komt bij dat hij de scootmobiel ook niet meer durft te gebruiken.

4. Volgens vaste rechtspraak van de Centrale Raad van Beroep (CRvB)1 dient het bestuursorgaan dat met besluitvorming is belast, in de eerste plaats ervoor zorg te dragen dat een zorgvuldig onderzoek wordt ingesteld naar de feiten en omstandigheden die voor het te nemen besluit de grondslag vormen. Indien voor het vaststellen van die feiten mede gebruik wordt gemaakt van deskundigheid waarover het bestuursorgaan zelf niet beschikt, kan het zich laten adviseren door daartoe in te schakelen deskundigen. Het ligt dan op de weg van het bestuursorgaan dat van het advies gebruik maakt, zich ervan te vergewissen dat dit advies voldoet aan de eisen die uit een oogpunt van zorgvuldigheid aan de besluitvorming zelf moeten worden gesteld.

6.1

Indien het advies van de externe adviseur op een zorgvuldige manier tot stand is gekomen, geen tegenstrijdigheden bevat en voldoende inzichtelijk is gemotiveerd, mag het bestuursorgaan zijn besluitvorming daar op baseren. Dit is eveneens volgens vaste rechtspraak van de CRvB.2 Het advies en de daarop gebaseerde besluiten zijn in beroep wel aanvechtbaar. Het is echter aan een eisende partij om aan te voeren (en zo nodig aannemelijk te maken) dat het advies niet aan de genoemde eisen voldoen of dat de medische beoordeling onjuist is. Dit kunnen ook niet medisch geschoolden doen, maar voor het aannemelijk maken dat een medische beoordeling onjuist is, is in beginsel een rapportage van een arts noodzakelijk.

Brief cardioloog van 20 maart 2019

5. In de brief van de cardioloog van 20 maart 2019 staat, voor zover hier relevant, het volgende vermeld:

“(…). Gezien zijn pulmonale en cardiale status is gesloten vervoer met name voor korte

afstanden met name in de winter noodzakelijk. ik wil de aanvraag voor een Canta daarom

van harte ondersteunen. (…)”

Aanvullend advies

6. Uit pagina 2 van het aanvullend medisch advies blijkt dat [B] deze brief van de cardioloog in het advies heeft betrokken, evenals de brief van de longarts van 18 april 2019 en de brieven van de huisarts die eiser tijdens het spreekuur heeft overgelegd (zie onder 2.). [B] heeft daarbij vermeld dat de longarts, de cardioloog en de huisarts alle drie de aanvraag van eiser voor een Canta ondersteunen (pagina 3). Daarna heeft [B] de medische situatie/problematiek van eiser in kaart gebracht, een probleemanalyse opgesteld en vermeld dat de ontvangen medische informatie de problematiek van eiser bevestigt. [B] heeft vervolgens geconcludeerd dat eiser – medisch gezien – geen Canta nodig heeft. Volgens [B] kan eiser gebruik kan maken van de aanwezige vervoersvoorzieningen. Daarbij is het volgende vermeld:

“(…). Cliënt wordt in staat geacht met de actueel aanwezige vervoersvoorzieningen, zowel regulier (de eigen auto) als vanuit de Wmo (CVV en scootmobiel) in zijn vervoersbehoefte te voorzien. Cliënt kan bij goed weer de scootmobiel gebruiken voor het overbruggen van de korte en middellange afstanden, voor de langere afstanden en bij slecht weer kan hij, al dan niet met de scootmobiel, gebruik maken van het CVV of hij kan gebruik maken van de eigen auto waarin hij de scootmobiel niet kan meenemen maar waarmee hij gezien de aanwezige GPK in het algemeen wel dichtbij zijn bestemming kan parkeren en dan naar binnen kan lopen. Cliënt wordt in staat geacht om zich op de weersomstandigheden te kleden maar bij zeer koud en vochtig weer is niet onaannemelijk dat dit onvoldoende is om bij langere ritten op de scootmobiel volledig een oplossing te bieden. De combinatie met het CVV biedt hiervoor medisch gezien afdoende een oplossing. Cliënt kan zich dan bovendien op ziin bestemming met de scootmobiel verplaatsen en hoeft niet te lopen, hetgeen hij wel zou moeten wanneer hij met een Canta of met de eigen auto ergens naartoe zou gaan. (…).”

Standpunt verweerder over de in beroep overgelegde medische stukken

7. Over de stukken genoemd in 5. onder (a) en (b) heeft verweerder bij brief van 11 februari 2020 aangevoerd dat deze niet tot een ander standpunt leiden, omdat daar geen nieuwe medische informatie uit naar voren komt. Volgens verweerder blijkt uit de brief van de longarts van 28 oktober 2019 alleen dat gesloten vervoer noodzakelijk is, maar niet dat een Canta noodzakelijk is. De noodzaak voor een Canta blijkt volgens verweerder ook niet uit voornoemde brief van de anesthesioloog-pijnspecialist van 8 januari 2020.

8. Ter zitting heeft eiser aangevoerd dat het bestreden besluit onzorgvuldig tot stand is gekomen. Daarbij stelt eiser dat de brieven van zijn huisarts (zoals in 2. genoemd) niet in het dossier zijn opgenomen en ook niet kenbaar in het aanvullend advies van [naam organisatie] zijn meegenomen.

Beslissing rechtbank

9. De rechtbank oordeelt dat eiser met de eerst ter zitting aangevoerde beroepsgrond zoals vermeld onder 8. de omvang van het beroep uitbreidt en dat dit in strijd is met de procesorde. Dat het de gemachtigde van eiser pas vlak voor de zitting is opgevallen dat de brieven van de huisarts zich niet in het procesdossier bevinden, is onvoldoende voor een ander oordeel. Daaruit volgt namelijk niet dat eiser deze beroepsgrond niet eerder naar voren kon brengen. Dit betekent dat de rechtbank deze beroepsgrond niet inhoudelijk beoordeelt.

10. Ook is de rechtbank van oordeel dat het aanvullend advies van [naam organisatie] zorgvuldig tot stand is gekomen en dat er geen aanleiding is om aan de juistheid van die medische beoordeling te twijfelen. Zoals in 8. is overwogen heeft [B] de brief van de cardioloog van 20 maart 2019 bij zijn advies betrokken en gemotiveerd waarom er geen medische noodzaak is voor een Canta. Dat [B] aan de verklaring van de cardioloog niet de waarde hecht die eiser daaraan gehecht wenst te zien, betekent niet dat het advies onzorgvuldig tot stand is gekomen en ook niet dat de beperkingen van eiser daarin niet juist zijn vastgesteld.

11. Wat eiser verder in beroep aanvoert, leidt de rechtbank niet tot een ander oordeel. De rechtbank onderschrijft verweerders standpunt dat uit de brieven van de longarts en
de anesthesioloog-pijnspecialist van 28 oktober 2019 respectievelijk 8 januari 2020 niet blijkt van een noodzaak voor het toekennen van een Canta. De longarts verklaart alleen dat gesloten vervoer noodzakelijk is en de anesthesioloog beveelt een eigen vervoersmogelijkheid aan. Dit betekent niet dat aan eiser de door hem gevraagde maatwerkvoorziening zijnde een Canta moet worden toegekend. Eiser kan immers ook gebruik maken van gesloten vervoer op grond van de hem toegekende voorzieningen. Eiser heeft verder niet bestreden of weerlegd dat deze brieven geen nieuwe medische informatie bevatten en dat alle medische informatie ook al in de adviezen van [naam organisatie] is betrokken.

De rechtbank is van oordeel dat uit deze brieven ook niet blijkt dat eiser de scootmobiel - wegens medische redenen - niet kan gebruiken. Ook blijkt daaruit niet dat eiser geen auto kan besturen of dat hij geen gebruik kan maken van overig gesloten vervoer, zoals het Collectief Vraagafhankelijk Vervoer (CVV). Dat de auto van eiser – vanwege een ongeluk op de dag vóór de zitting – niet langer gebruikt kan worden, doet aan het voorgaande niet af. De stelling van eiser dat er in [naam wijk] onvoldoende gehandicaptenparkeerplaatsen zijn, heeft eiser niet onderbouwd, zodat de rechtbank daaraan voorbij gaat. De omstandigheid dat eiser op de regiotaxi moet wachten is ook onvoldoende voor het oordeel dat het CVV in combinatie met de scootmobiel onvoldoende compensatie biedt.3 Daarbij merkt de rechtbank op dat eiser niet heeft bestreden dat hij zijn scootmobiel wel in het CVV kan meenemen, zoals op pagina 3 van het aanvullend advies is vermeld.

12. De rechtbank concludeert dat verweerder zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat eiser op grond van medische en functionele beperkingen niet op een gesloten buitenwagen (Canta) is aangewezen en dat zijn beperkingen met het CVV in combinatie met de scootmobiel en een gehandicaptenparkeerkaart voldoende worden gecompenseerd.

13. Het beroep is ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.


Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. S.G.M. Buys, rechter, in aanwezigheid van
mr. L.Y. Wong, griffier. De beslissing is uitgesproken op 20 april 2020.Als gevolg van maatregelen rondom het coronavirus is deze uitspraak niet uitgesproken op een openbare uitsprakenzitting. Zodra het openbaar uitspreken weer mogelijk is, wordt de uitspraak alsnog in het openbaar uitgesproken.

de griffier is verhinderd

de uitspraak te ondertekenen

rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep.

1 Zie bijvoorbeeld de uitspraak van 19 januari 2010, ECLI:NL:CRVB:2010:BK9961.

2 Zie bijvoorbeeld de uitspraak van 9 december 2011, ECLI:NL:CRVB:2011:BU8290.

3 Zie de uitspraak van de CRVB van 7 februari 2014 (ECLI:NL:CRVB:2014:357).