Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2020:1607

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
31-03-2020
Datum publicatie
24-04-2020
Zaaknummer
UTR 19/3069
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Opschorting, intrekking en terugvordering bijstand. Bezorging van besluit per fietskoerier. Verzending is aannemelijk omdat eiser handelingen heeft verricht waaruit moet worden afgeleid dat hij het besluit moet hebben ontvangen. Beroep ongegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Zittingsplaats Utrecht

Bestuursrecht

zaaknummer: UTR 19/3069

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 31 maart 2020 in de zaak tussen

[eiser] , te [woonplaats] , eiser

(gemachtigde: mr. J.H.F. de Jong),

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Utrecht, verweerder

(gemachtigde: C. van den Bergh).

Procesverloop

Bij besluit van 22 februari 2019 (het primaire besluit I) heeft verweerder eisers recht op bijstand op grond van de Participatiewet (Pw) met ingang van 19 februari 2019 opgeschort.

Bij besluit van 7 maart 2019 (het primaire besluit II) heeft verweerder eisers recht op bijstand met ingang van 19 februari 2019 ingetrokken. Ook heeft verweerder € 248,54 van eiser teruggevorderd in verband te veel ontvangen bijstand over de periode 19 februari tot en met 28 februari 2019. Verweerder meldt tot slot dat eiser ook nog € 413,81 van een oudere schuld bij verweerder heeft openstaan.

Bij besluit van 1 juli 2019 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser tegen de opschorting van de bijstand niet-ontvankelijk verklaard. Eisers bezwaren tegen de intrekking en terugvordering heeft verweerder ongegrond verklaard. Het bezwaar van eiser tegen de terugvordering van de oude schuld heeft verweerder niet-ontvankelijk verklaard.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 7 januari 2020. Eiser is, met bericht van verhindering, niet verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. De rechtbank gaat uit van de volgende feiten.

1.1

Aan eiser zijn in het verleden eerder uitkeringen op grond van de Wet Investeren in

Jongeren en bijstand op grond van de Pw toegekend. Met ingang van 1 oktober 2017 is aan eiser voor het laatst bijstand toegekend naar de norm van een alleenstaande.

1.2

Op 6 februari 2019 is eiser gebeld door de werkmatcher voor de vacature van bijrijder. Eiser heeft telefonisch verklaard dat hij dit werk niet kan doen in verband met medische klachten en dat hij geen verdere hulp wil hebben van de gemeente.

1.3

Met de brief van 12 februari 2019 is eiser uitgenodigd voor een gesprek op

19 februari 2019. In deze brief staat dat eiser de gelegenheid krijgt om uit te leggen waarom hij niet voorgesteld wilde worden voor de vacature van bijrijder. Eiser zal in het gesprek verder de gelegenheid krijgen om zijn persoonlijke omstandigheden naar voren te brengen. Ook is aan eiser verzocht om de in de brief genoemde gegevens mee te nemen naar het gesprek. Eiser is er in de brief op gewezen dat als hij niet komt en niets van zich laat horen de bijstand dan zal worden opgeschort. Eiser is zonder bericht niet verschenen.

1.4

Vervolgens heeft verweerder het primaire besluit I genomen. In deze brief is eiser opnieuw uitgenodigd voor een gesprek, dit keer op 27 februari 2019. Eiser is opnieuw meegedeeld dat hij tijdens het gesprek een verklaring dient te geven waarom hij niet voorgesteld wil worden voor de vacature van bijrijder. Ook is hem verzocht om de brief van 22 februari 2019 mee te nemen naar het gesprek en een verklaring te geven waarom hij niet is verschenen op de afspraak van 19 februari 2019. Tevens is eiser verzocht om de gegevens mee te nemen waar in de brief van 12 februari 2019 ook al om is verzocht. Hij is er op gewezen dat als hij de afspraak niet tijdig afzegt of niet komt opdagen de uitkering dan stop gezet wordt met ingang van 19 februari 2019. Eiser is zonder bericht niet op het gesprek van 27 februari 2019 verschenen.

1.5

Vervolgens heeft eiser het primaire besluit II genomen en daarna het bestreden besluit.

Het bestreden besluit

Ten aanzien van de opschorting

2.1

Met het bestreden besluit heeft verweerder het bezwaar tegen het primaire besluit I niet-ontvankelijk verklaard omdat het bezwaarschrift zonder goede reden niet binnen de daartoe gestelde termijn is ontvangen. Verweerder stelt zich op het standpunt dat het primaire besluit I op een juiste wijze aan eiser bekend is gemaakt. Het besluit is namelijk op 22 februari 2019 door de fietskoerier om 16.00 uur bij eiser in de brievenbus gestopt. De fietskoerier heeft hierover een verklaring afgelegd aan verweerder waardoor verweerder geen aanleiding heeft om aan te nemen dat het besluit niet juist zou zijn bezorgd.

Ten aanzien van de intrekking

2.2

Ten aanzien van de intrekking stelt verweerder zich op het standpunt dat hij op grond van artikel 54, vierde lid, van de Pw bevoegd was de bijstand in te trekken omdat het eiser te verwijten valt dat hij de gevraagde informatie niet heeft verstrekt, nadat de bijstand al om die reden was opgeschort. Verweerder wijst er op dat eiser op grond van artikel 17, tweede lid, van de Pw verplicht was om mee te werken aan het onderzoek naar de rechtmatigheid van de bijstand. Het valt eiser te verwijten dat hij zonder bericht van verhindering niet verschenen is op de afspraak van 27 februari 2019 terwijl hij er in de brief van 22 februari 2019 uitdrukkelijk op was gewezen dat, bij het zonder bericht niet verschijnen op de oproep, zijn bijstand zal worden stopgezet.

Het standpunt van eiser

3. Eiser voert ten aanzien van de opschorting aan dat hij de brief van 12 februari 2019 en het primaire besluit I nooit ontvangen heeft. De mededeling dat de fietskoerier dat hij de brief in de brievenbus heeft gestopt kan niet gelijkgesteld worden met aangetekende bezorging. Onder verwijzing naar de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep (CRvB) van 7 juni 20121 betwist eiser de deponering van de stukken in zijn brievenbus zodat het aan verweerder is om aannemelijk te maken dat het besluit daadwerkelijk bij eiser is bezorgd.

Ten aanzien van de intrekking voert eiser aan dat het hem niet kan worden verweten dat hij niet op de gevraagde afspraak is verschenen omdat hij het primaire besluit I pas heeft ontvangen met het dossier in het kader van de bezwaarprocedure tegen het primaire besluit II. De gegeven hersteltermijn was daarom illusoir.

Beoordeling door de rechtbank

Ten aanzien van de opschorting

4.1

Op grond van artikel 6:7 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) bedraagt de termijn voor het indienen van een bezwaarschrift zes weken. Op grond van artikel 6:8, eerste lid, van de Awb vangt de termijn aan met ingang van de dag na die waarop het besluit op de voorgeschreven wijze is bekendgemaakt. In artikel 3:41, eerste lid, van de Awb is bepaald dat de bekendmaking van besluiten die tot een of meer belanghebbenden zijn gericht, geschiedt door toezending of uitreiking aan hen. Artikel 6:9, eerste lid, van de Awb bepaalt dat een bezwaarschrift tijdig is ingediend indien het voor het einde van de termijn is ontvangen. Ingevolge artikel 6:11 van de Awb blijft ten aanzien van een na afloop van de termijn ingediend bezwaarschrift niet-ontvankelijkverklaring achterwege indien redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat de indiener in verzuim is geweest.

4.2

In geval van toezending van een besluit dient voor de vaststelling dat het besluit in werking is getreden, zowel de verzending als de aanbieding van de zending aan het juiste adres vast te staan dan wel door het bestuursorgaan voldoende aannemelijk te zijn gemaakt. Contra-indicaties kunnen meebrengen dat moet worden geoordeeld dat het besluit wel moet zijn ontvangen, waarmee – zonder nader bewijs – ook de verzending aannemelijk is. Het kan daarbij bijvoorbeeld gaan om gevallen waarin naar aanleiding van dat besluit handelingen zijn verricht of om informatie is gevraagd waaruit moet worden afgeleid dat het besluit wel moet zijn ontvangen2.

4.3

De rechtbank is van oordeel dat sprake is van de hiervoor genoemde contra-indicaties op grond waarvan moet worden geoordeeld dat eiser het primaire besluit I moet hebben ontvangen. In het dossier zit namelijk een mediationverslag van 16 augustus 2019. Hieruit blijkt dat eiser kennelijk in naar aanleiding van de uitnodiging op 27 februari 2019 telefonisch contact heeft opgenomen met verweerder en heeft meegedeeld dat hij die dag een BHV-cursus moest volgen. Ook blijkt uit het dossier dat eiser op 12 maart 2019 heeft gebeld met verweerder. In de notitie van dit gesprek staat dat eiser aangeeft dat hij een brief heeft ontvangen waarin staat dat hij moest verschijnen op het stadskantoor voor een afspraak. Eiser geeft aan dat in die brief staat dat hij meerdere brieven heeft gehad, maar dat hij alleen de laatste brief heeft ontvangen. Nadat verweerder herhaaldelijk heeft gevraagd waarom eiser niet is verschenen op de afspraak van 27 februari 2019 zoals vermeld in de tweede brief geeft eiser aan dat hij een BHV-cursus moest doen. Uit eisers mededelingen volgt dat eiser op 12 maart 2019 contact heeft gezocht met verweerder over de brief van 22 februari 2019. Het telefonisch contact op zowel 27 februari 2019 als 12 maart 2019 zijn handelingen van de kant van eiser waaruit moet worden afgeleid dat het primaire besluit I wel moet zijn ontvangen. Daarnaast is in het dossier ook een emailbericht van De Fietskoerier van 25 februari 2019 aanwezig. In deze email bevestigt [A] van De Fietskoerier de bezorging van het primaire besluit I op 22 februari 2019 om 16.00 uur.

4.4

De rechtbank is van oordeel dat verweerder op grond van voorstaande gegevens voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat het primaire besluit I op 22 februari 2019 bij eiser is bezorgd. Dat betekent dat het primaire besluit I op die dag op de voorgeschreven wijze aan eiser bekend is gemaakt en dat de bezwaartermijn toen is aangevangen. Niet in geschil is dat (gemachtigde van) eiser pas op 26 mei 2019 bezwaar heeft gemaakt tegen het primaire besluit I. Dit is te laat omdat de termijn liep tot en met 5 april 2019. Er zijn verder geen (andere) redenen aangevoerd op grond waarvan eiser niet kan worden verweten dat hij te laat bezwaar heeft gemaakt. De rechtbank concludeert daarom dat verweerder het bezwaar van eiser terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard. De beroepsgrond slaagt niet.

Ten aanzien van de intrekking

5. Het staat vast dat eiser niet op de afspraak van 27 februari 2019 is verschenen. Eiser voert aan dat hem daarvan geen verwijt kan worden gemaakt omdat hij het primaire besluit I niet heeft ontvangen en dus geen gebruik kon maken van de geboden hersteltermijn. Hiervoor onder 4.4 is al geoordeeld dat eiser het primaire besluit I wel moet hebben ontvangen, zodat hem een verwijt kan worden gemaakt dat hij niet op het gesprek van 27 februari 2019 is verschenen. Eiser heeft verzuimd om binnen de daartoe gestelde hersteltermijn de bij het opschortingsbesluit gevraagde gegevens en gevorderde bewijsstukken te verstrekken. Verweerder heeft dan ook in redelijkheid gebruik kunnen maken van zijn bevoegdheid3 om eisers recht op bijstand met ingang van de eerste dag waarover het recht was opschort, in te trekken. De beroepsgrond slaagt niet.

6. Er zijn geen inhoudelijke gronden aangevoerd tegen de terugvordering, zodat de rechtbank de terugvordering verder onbesproken zal laten.

7. Het beroep is ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. C. Karman, rechter, in aanwezigheid van mr. T. van Ekris, griffier. Deze uitspraak is gedaan op 31 maart 2020. Zodra het openbaar uitspreken weer mogelijk is, wordt deze uitspraak alsnog in het openbaar uitgesproken.

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep.

1 ECLI:NL:CRVB:2012:BW7796.

2 Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de CRvB van 14 februari 2018, ECLI:NL:CRVB:2018:537.

3 Als bedoelt in artikel 54, vierde lid, van de Pw.