Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2020:1605

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
23-03-2020
Datum publicatie
24-04-2020
Zaaknummer
UTR 19/2970
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Verweerder heeft de aanvraag voor bijstand voor kosten van bewindvoering afgewezen. Rechtbank is het met eiser eens dat verweerder ten onrechte geen rekening heeft gehouden met het loonbeslag. Beroep gegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Zittingsplaats Amersfoort

Bestuursrecht

zaaknummer: UTR 19/2970

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 23 maart 2020 in de zaak tussen

[bewindvoerder] , handelend onder de naam [naam] ,

gevestigd te [woonplaats]

in hoedanigheid van bewindvoerder van:

[eiser] , te [woonplaats] , eiser

(gemachtigde: mr. M.R.A. Rutten),

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Soest, verweerder

(gemachtigde: M.H.M. van den Brink – Hilhorst).

Inleiding

1. Eiser is met ingang van 30 augustus 2017 onder bewind gesteld. Sinds 30 april 2018 is hij

in dienst bij Singel Personele Diensten en ontvangt hij wekelijks € 308,08 inclusief loonbeslag. De belastingdienst heeft op 20 juli 2018 de beslagvrije voet vastgesteld op € 1.335,- per maand, dat komt neer op € 308,08 per week.

2. Namens eiser is op 23 januari 2019 een aanvraag bij verweerder ingediend voor

bijzondere bijstand voor de kosten van bewindvoering vanaf januari 2019.

3. In het besluit van 1 mei 2019 (het primaire besluit), heeft verweerder de aanvraag van

eiser afgewezen. Als reden heeft verweerder hiervoor gegeven dat het inkomen van eiser hoog genoeg is om zelf in de kosten van bewindvoering te kunnen voorzien. Daarbij heeft verweerder het inkomen van eiser zonder loonbeslag als uitgangspunt genomen.

4. Eiser is het hier niet mee eens en heeft bezwaar gemaakt. In het besluit van 9 juli 2019

(het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard. Dit betekent dat de afwijzing van de aanvraag in stand blijft. Voor de uitleg hierbij heeft verweerder verwezen naar het advies van de Commissie Bezwaarschriften Sociaal Domein gemeente Soest van 8 juli 2019.

5. Eiser is het hier niet mee eens en heeft beroep ingesteld.

6. Het beroep is op 10 februari 2020 op zitting behandeld. Eiser heeft zich laten

vertegenwoordigen door zijn gemachtigde, vergezeld door zijn bewindvoerder [bewindvoerder] . Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

De beoordeling van het beroep

7. Tussen partijen is niet in geschil dat de kosten waarvoor eiser bijzondere bijstand heeft

aangevraagd zich voordoen, dat deze kosten noodzakelijk zijn en dat zij voortvloeien uit individuele bijzondere omstandigheden. Het geschil beperkt zich dus tot de vraag of eiser voldoende draagkracht heeft om de kosten zelf te kunnen voldoen. Met andere woorden: heeft verweerder bij het bepalen van de draagkracht van eiser terecht zijn inkomen zonder loonbeslag als uitgangspunt genomen?

8. Verweerder heeft de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep (CRvB) van

14 februari 20171 gevolgd. In deze uitspraak is – kort gezegd – geoordeeld dat voor de berekening van de draagkracht in het kader van bijzondere bijstand geen rekening wordt gehouden met een executoriaal beslag, omdat anders indirect bijzondere bijstand wordt verstrekt voor schulden. Op de zitting heeft verweerder toegelicht dat ook als hij een berekening maakt waarbij rekening wordt gehouden met een andere uitspraak van de CRvB2, de conclusie nog steeds zou zijn dat eiser de kosten van bewindvoering zelf kan voldoen. Bij die berekening heeft verweerder naar het gemiddelde inkomen over de eerste drie maanden van 2019 gekeken, welke vervolgens weer het uitgangspunt is geworden voor het hele jaar.

9. Eiser voert aan dat verweerder de uitspraak van de CRvB van 14 februari 2017 ten

onrechte heeft gevolgd. Volgens eiser is met deze uitspraak niet bedoeld af te wijken van de vaste rechtspraak van de CRvB, zoals verwoord in de uitspraak van 28 maart 2006. Volgens de vaste lijn in de rechtspraak kan over het inkomen, voor zover daarop executoriaal beslag is gelegd, niet worden gezegd dat de betrokkene daarover beschikt of redelijkerwijs kan beschikken. Verweerder heeft dit volgens eiser ten onrechte niet onderkend. Op de zitting is namens eiser nog gewezen op het beleid zoals dat is vastgelegd in de Nadere regels bijzondere bijstand 2017. Het uitgangspunt is dat de draagkracht wordt vastgesteld vanaf de eerste dag van de maand waarin de aanvraag voor bijzondere bijstand wordt ingediend en dat er geen aanleiding is voor een berekening van gemiddelden.

10. De rechtbank geeft eiser gelijk. De rechtbank oordeelt dat verweerder zich bij het bepalen van de draagkracht niet kon baseren op de uitspraak van de CRvB van 14 februari 2017. Uit die uitspraak blijkt namelijk niet dat daarmee is bedoeld af te wijken van de vaste lijn van de CRvB, zoals verwoord in de uitspraak van 28 maart 2006. De uitspraak van 14 februari 2017 betreft een uitspraak door een enkelvoudige kamer, waarin niet wordt gemotiveerd waarom anders wordt geoordeeld dan de vaste lijn is en ook niet wordt aangegeven dat die vaste lijn daarmee niet meer geldt. Dat betekent dat aan de uitspraak van 14 februari 2017 niet de betekenis kan worden toegekend die verweerder daaraan toegekend wil zien. Daarnaast oordeelt de rechtbank dat niet is komen vast te staan dat eiser ook voldoende draagkracht heeft om zelf in de kosten van bewindvoering te kunnen voorzien als wel rekening wordt gehouden met de vaste lijn van de CRvB, zoals verwoord in de uitspraak van 28 maart 2006. Verweerder heeft op de zitting een heel andere berekening toegelicht dan de berekening zoal vermeld in het dossier. Uit de email van 6 juni 2019 van verweerder aan bewindvoerder [bewindvoerder] blijkt dat op basis van de loonstroken (betaling per week) een berekening is gemaakt van de inkomsten per maand. Een onderbouwing voor een berekening waarbij gekeken wordt naar het gemiddelde inkomen in drie maanden die vervolgens bepalend is voor het hele jaar, ontbreekt en verweerder heeft de berekening op de zitting niet inzichtelijk gemaakt.

11. Uitgaande van de vaste lijn in de rechtspraak, zoals verwoord in voornoemde uitspraak van de CRvB van 28 maart 2006, kan over het deel van het inkomen van eiser, waarop loonbeslag is gelegd, niet worden gezegd dat eiser daarover beschikt of redelijkerwijs kan beschikken. Dat heeft verweerder bij de bepaling van de draagkracht van eiser ten onrechte niet onderkend. Dat betekent dat het bestreden besluit niet zorgvuldig is voorbereid en niet deugdelijk is gemotiveerd. Dit is in strijd met artikel 3:2 en 7:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht.

12. De rechtbank ziet geen aanleiding om een bestuurlijke lus toe te passen. De rechtbank

heeft in twee andere zaken van eiser eerder uitspraak gedaan over de berekening van de draagkracht in het kader van bijzondere bijstand. Dat waren de beroepen met zaaknummers UTR 19/2646 en UTR 19/3161. Verweerder heeft in die zaken op de zitting gemeld dat het geconstateerde gebrek niet wordt hersteld. Verweerder heeft hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak in deze beroepen en dat is nog in behandeling. Het bestreden besluit in dit beroep is van vóór de datum van de uitspraak betreffende de vorige beroepen. Die uitspraak is voor verweerder dus geen aanleiding geweest om in dit beroep een ander standpunt in te nemen. De rechtbank concludeert dan ook dat verweerder ook nu niet bereid zal zijn het geconstateerde gebrek te herstellen.

De conclusie

13. Het beroep is gegrond. De rechtbank vernietigt het bestreden besluit

en draagt verweerder op om een nieuw besluit te nemen met inachtneming van deze uitspraak. De rechtbank stelt hiervoor een termijn van zes weken. Deze termijn begint nadat de termijn om hoger beroep in te stellen ongebruikt is verstreken of, indien hoger beroep wordt ingesteld, nadat op het hoger beroep is beslist.

14. Omdat de rechtbank het beroep gegrond verklaart, bepaalt de rechtbank dat verweerder

aan eiser het door hem betaalde griffierecht van € 47,- vergoedt.

15. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze

kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.050,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 525,- en een wegingsfactor 1).

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit;

- draagt verweerder op binnen zes weken na het gezag van gewijsde krijgen van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op het bezwaar met inachtneming van deze uitspraak;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 1.050,-.

Deze uitspraak is gedaan door mr. S.G.M. Buys, rechter, in aanwezigheid van mr. T. van Ekris, griffier. Deze uitspraak is gedaan op 23 maart 2020. Zodra het openbaar uitspreken weer mogelijk is, wordt deze uitspraak alsnog in het openbaar uitgesproken.

de griffier is verhinderd deze rechter

uitspraak te ondertekenen

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep.

1 ECLI:NL:CRVB:501.

2 Te weten de uitspraak van 28 maart 2006, ECLI:NL:CRVB:2006:AV8374.