Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2020:1601

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
24-04-2020
Datum publicatie
01-05-2020
Zaaknummer
NL19.14692
Rechtsgebieden
Verbintenissenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Schenkingen door curatoren niet rechtsgeldig vernietigd. Geen misbruik van omstandigheden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
ERF-Updates.nl 2020-0109
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

_

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Civiel recht Zittingsplaats Utrecht

zaaknummer: NL19.14692

Vonnis van 24 april 2020

in de zaak van

  1. [eiser sub 1] ,

    wonende te de [woonplaats 1] ,

  2. [eiseres sub 2] ,

    wonende te [woonplaats 2] ,

eisers van de vordering,

verweerders op de tegenvordering,

hierna samen te noemen: de curatoren,

advocaat mr. J.W. Damstra,

tegen

1. [verweerder sub 1] ,

wonende te [woonplaats 3] ,

2. [verweerder sub 2],

wonende te [woonplaats 4] ,

verweerders op de vordering,

eisers van de tegenvordering,

hierna te noemen: [verweerder sub 1] en [verweerder sub 2] ,

advocaat mr. H.G. Wubbeling.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de procesinleiding

  • -

    het verweerschrift met een tegenvordering

  • -

    het verweerschrift op de tegenvordering

  • -

    de akte overlegging producties van 19 december 2019 van de curatoren

  • -

    de akte van [verweerder sub 1] en [verweerder sub 2] van 2 januari 2020

  • -

    de akte van de curatoren van 30 januari 2020

1.2.

De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 19 december 2019.

1.3.

Ten slotte is vonnis bepaald.

_

2 Waar gaat deze zaak over?

2.1.

Deze zaak gaat over de heer [A] , geboren op [geboortedatum] 1928 (hierna: [A] ). Nadat de mondelinge behandeling had plaatsgevonden, en nadat was bepaald dat vonnis zou worden gewezen, ontving de rechtbank een bericht van de advocaat van de curatoren dat [A] was overleden.

2.2.

Tot 8 februari 2018 woonde [A] zelfstandig in zijn woning in [woonplaats 5] . Op die dag heeft [A] een TIA gehad. Hij is toen gevallen en daarna een periode in het ziekenhuis opgenomen geweest, en vervolgens in een verpleeghuis. [A] was niet gehuwd en had geen kinderen. Begin 2015 is een beginnende vorm van de ziekte van Alzheimer bij hem vastgesteld.

2.3.

Bij beschikking van 3 mei 2018 is [A] onder curatele gesteld en zijn een neef en een nicht van [A] door de kantonrechter benoemd tot curatoren.

2.4.

[verweerder sub 1] en [verweerder sub 2] waren sinds de jaren 80 bevriend met [A] . Zij hielpen hem met “klusjes” in en rondom het huis. Vanaf de jaren 90 zijn zij [A] hiermee steeds meer gaan helpen en vanaf 2014 werd deze hulp nog structureler, omdat [A] zelf steeds minder kon. [verweerder sub 1] en [verweerder sub 2] hielpen met (groot) onderhoud van zijn huis, maar ook met boodschappen doen, vervoer naar het ziekenhuis voor behandelingen van [A] , het bereiden van maaltijden enzovoort. Daarnaast had [A] hulp in de huishouding van de thuiszorg.

2.5.

Tussen de curatoren en de overige nichten en neven van [A] enerzijds en [verweerder sub 1] en [verweerder sub 2] anderzijds, bestond geen goede verstandhouding.

2.6.

[verweerder sub 1] en [verweerder sub 2] waren sinds 16 juni 2015, tot aan de aanstelling van de curatoren, gevolmachtigd tot de bankrekening van [A] . In juli 2015 heeft [A] een testament laten opstellen en [verweerder sub 1] en [verweerder sub 2] tot enige erfgenamen en executeurs testamentair benoemd. De daarbij betrokken notaris heeft een arts laten onderzoeken of [A] in staat was om zijn wil voldoende te bepalen en de reikwijdte van zijn beslissing ten aanzien van het testament te overzien. De desbetreffende arts heeft vastgesteld dat dit het geval was.

2.7.

Eén van de nichten van [A] heeft in juni 2015 een melding gedaan bij [naam instelling] , omdat zij dacht dat [A] door [verweerder sub 1] en [verweerder sub 2] was beïnvloed om zijn vermogen aan hen na te laten en dat vast te laten leggen in een testament. [naam instelling] heeft geprobeerd met [A] in contact te komen, maar dat is niet gelukt.

2.8.

[verweerder sub 1] en [verweerder sub 2] deden verschillende betalingen namens [A] . In deze procedure wijzen de curatoren op een aantal pinbetalingen voor benzinekosten, van in totaal € 4.110,83. Daarnaast hebben [verweerder sub 1] en [verweerder sub 2] de volgende bedragen vanaf de bankrekening van [A] naar zichzelf overgemaakt.

aan [verweerder sub 1] :

7 februari 2018 overboeking

€ 10.000,00

20 oktober 2017 overboeking

€ 7.500,00

25 oktober 2017 overboeking

€ 7.500,00

9 augustus 2017 overboeking

€ 500,00

26 juli 2017 overboeking

€ 1.000,00

Totaal

€ 26.500,00

aan [verweerder sub 2]

7 februari 2018 overboeking

€ 10.000,00

25 oktober 2017 overboeking

€ 5.000,00

20 oktober 2017

€ 5.000,00

Totaal

€ 20.000,00

3 Wat zeggen partijen hierover?

3.1.

De curatoren stellen (en dat heeft hun advocaat tijdens de mondelinge behandeling nog bevestigd) dat [A] de hiervoor weergegeven bedragen aan [verweerder sub 1] en [verweerder sub 2] heeft geschonken. De curatoren menen dat deze schenkingen onder misbruik van omstandigheden hebben plaatsgevonden en vorderen een verklaring voor recht dat dit het geval is. De curatoren hebben de schenkingen op 27 maart 2019 vernietigd. Zij vorderen ook dat de hiervoor genoemde bedragen worden terugbetaald.

3.2.

[verweerder sub 1] en [verweerder sub 2] hebben volgens de curatoren misbruik gemaakt van de kwetsbare positie waarin [A] verkeerde. De curatoren hebben in dit verband naar voren gebracht dat [verweerder sub 1] en [verweerder sub 2] [A] van de buitenwereld hebben geïsoleerd en hem volledig onder hun invloed hebben gebracht. Dat blijkt onder meer uit het feit dat [naam instelling] geen contact met [A] kon krijgen. Omdat [A] volledig afhankelijk was van [verweerder sub 1] en [verweerder sub 2] , was hij niet in staat om zijn wil vrijelijk te bepalen. De curatoren hebben een geluidsopname gemaakt van gesprekken die zij met [A] hebben gevoerd nadat hij in februari 2018 was opgenomen. Daaruit blijkt volgens de curatoren dat [A] bang was voor [verweerder sub 1] en [verweerder sub 2] .

3.3.

Volgens de curatoren moeten [verweerder sub 1] en [verweerder sub 2] ook het bedrag van € 4.110,80 terugbetalen, dat is gepind voor benzinekosten. Omdat [A] zelf geen auto had, waren deze betalingen volgens hen onrechtmatig althans hebben deze onverschuldigd plaatsgevonden.

3.4.

[verweerder sub 1] en [verweerder sub 2] hebben tijdens de mondelinge behandeling verklaard dat zij zich aanvankelijk niet prettig voelden bij de schenkingen, en dat als deze omvangrijker waren geweest ze [A] hadden tegengehouden. Ze hebben de schenkingen echter toch geaccepteerd omdat [A] daar volgens hen op stond, er plezier aan beleefde om de schenkingen bij leven te doen en de omvang van de schenkingen beperkt was ten opzichte van de erfenis die nog zou volgen. Daarnaast zagen [verweerder sub 1] en [verweerder sub 2] de schenkingen als een vorm van compensatie voor hun inspanningen voor [A] . Zij hebben er tot slot op gewezen dat [A] door de

_

schenkingen niet is benadeeld. Hij zou zijn vermogen bij leven nooit hebben kunnen “opeten” en bovendien had hij [verweerder sub 1] en [verweerder sub 2] als erfgenamen benoemd.

3.5.

[verweerder sub 1] en [verweerder sub 2] hebben op hun beurt een verklaring voor recht gevorderd dat [A] , dan wel zijn wettelijke vertegenwoordigers, ten aanzien van de uitgaven die zijn gedaan in de periode dat [verweerder sub 1] en [verweerder sub 2] een bankvolmacht van [A] hadden, geen rechten meer tegenover hen kunnen doen gelden.

4 De beoordeling van dit geschil

De vordering

Vooraf

4.1.

Op 5 april 2019 hebben de curatoren toestemming gekregen van de kantonrechter om [verweerder sub 1] en [verweerder sub 2] te dagvaarden, zodat zij bevoegd zijn deze procedure namens [A] te voeren.

4.2.

Zoals hiervoor vermeld, heeft de advocaat van de curatoren de rechtbank bericht dat [A] is overleden. Dat betekent dat de curatele van rechtswege is opgehouden te bestaan. Op grond van artikel 225 lid 4 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering wordt deze procedure echter niet geschorst en wordt vonnis gewezen. Voordat [A] overleed en de curatele daardoor was opgehouden te bestaan, was de dag waarop het vonnis zou worden uitgesproken namelijk al bepaald.

Misbruik van omstandigheden

4.3.

Een rechtshandeling is vernietigbaar als deze door misbruik van omstandigheden tot stand is gekomen (artikel 3:44 lid 4 van het Burgerlijk Wetboek, hierna: BW).

4.4.

Iemand maakt misbruik van omstandigheden wanneer hij of zij bevordert dat een andere persoon een rechtshandeling verricht (in dit geval: een schenking doet) terwijl hij of zij weet of moet begrijpen dat die andere persoon dat onder invloed van bijzondere omstandigheden doet (zoals afhankelijkheid of abnormale geestestoestand) en vanwege deze bekendheid met die bijzondere omstandigheden van medewerking aan de rechtshandeling had moeten afzien.

4.5.

Als er een schenking heeft plaatsgevonden, geldt nog een bijzondere bepaling. In artikel 7:176 BW is geregeld dat indien de schenker ( [A] , maar in dit geval de curatoren als zijn vertegenwoordigers) feiten stelt (stellen) waaruit volgt dat de schenking door misbruik van omstandigheden tot stand is gekomen, de bewijslast van het tegendeel op de begiftigde rust. Dit is alleen anders als er van de schenking een notariële akte is opgemaakt of als deze verdeling van de bewijslast in de gegeven omstandigheden in strijd met de eisen van redelijkheid en billijkheid zou zijn.

_

4.6.

Het genoemde artikel gaat dus over de verdeling van de bewijslast. Maar, en dat blijkt ook uit het artikel, het is wel eerst aan de schenker (in dit geval: de curatoren) om voldoende over het bestaan van de bijzondere omstandigheden, het causaal verband (tussen de bijzondere omstandigheden en de schenking) en het misbruik te stellen.

4.7.

De curatoren hebben erop gewezen dat [A] van de hulp van [verweerder sub 1] en [verweerder sub 2] afhankelijk was. [verweerder sub 1] en [verweerder sub 2] hebben dat betwist. Zij hebben aangevoerd dat zij zelf al op relatief hoge leeftijd zijn en dat hun zorg voor [A] dus plotseling kon wegvallen. [A] had ook dagelijkse ondersteuning van de thuiszorg en ook de huisarts en de praktijkondersteuner van de huisarts hielden een oogje in het zeil. Als [A] de zorg anders had willen organiseren, had hij dat volgens [verweerder sub 1] en [verweerder sub 2] kunnen doen. Dat wilde [A] echter niet, want hij wilde graag thuis blijven wonen, aldus [verweerder sub 1] en [verweerder sub 2] . Dat laatste was, zo begrijpt de rechtbank de stellingen van [verweerder sub 1] en [verweerder sub 2] , alleen mogelijk als [A] door [verweerder sub 1] en [verweerder sub 2] zou worden verzorgd. Hiermee is een zekere afhankelijkheid van [verweerder sub 1] en [verweerder sub 2] (en dus een bijzondere omstandigheid als bedoeld in artikel 3:44 BW) wel gegeven. Of er ten tijde van de schenkingen sprake was van een abnormale geestestoestand kan daarom in het midden blijven.

4.8.

Niet alleen moet er om een rechtshandeling te kunnen vernietigen, sprake zijn geweest van bijzondere omstandigheden (in dit geval de afhankelijkheid), ook moet vaststaan dat van deze omstandigheden door iemand anders (vaak de wederpartij) misbruik is gemaakt. Dat is het geval als deze persoon (de “misbruiker”) weet heeft van de bijzondere omstandigheden (de afhankelijkheid), en daarnaast weet of had moeten weten dat de “misbruikte” bij handelen in alle vrijheid de rechtshandeling (de schenkingen) niet zou hebben verricht. Hiermee in het verlengde ligt het vereiste dat er een causaal verband bestaat tussen deze afhankelijkheid en de schenkingen.

4.9.

De curatoren hebben hierover echter niets gesteld. Niet in de procesinleiding en ook niet tijdens de mondelinge behandeling. Dat [A] de bedragen heeft geschonken omdat hij voor het ontvangen van zorg in zijn eigen woning van [verweerder sub 1] en [verweerder sub 2] afhankelijk was, blijkt ook niet uit de geluidsopname van de gesprekken die de curatoren met [A] hebben gevoerd (en waarvan [verweerder sub 1] en [verweerder sub 2] een schriftelijke uitwerking hebben overgelegd). De curatoren hebben overigens ook niets gesteld over een causaal verband tussen de schenkingen en een abnormale geestesgesteldheid (veroorzaakt door de ziekte van Alzheimer). [verweerder sub 1] en [verweerder sub 2] , daarentegen, hebben het bestaan van causaal verband betwist. Ook als [A] voor het ontvangen van zorg in zijn eigen woning niet afhankelijk van [verweerder sub 1] en [verweerder sub 2] zou zijn geweest, had hij de schenkingen volgens hen aan hen gedaan. Zij hebben er zoals vermeld op gewezen dat [A] hen in zijn testament als erfgenamen had benoemd. Dat [A] hun tijdens zijn leven al wat geld wilde schenken, was in dit licht volgens hen niet opmerkelijk. Het was immers in lijn met wat er na het overlijden van [A] zou gebeuren: zijn vermogen zou aan [verweerder sub 1] en [verweerder sub 2] toekomen.

4.10.

De curatoren hebben tijdens de zitting verklaard dat zij ook van plan zijn het in de zomer van 2015 opgestelde testament te laten vernietigen. In deze procedure hebben zij een dergelijke vordering niet ingesteld.

De rechtbank moet het daarom doen met dit testament. Dat wat [verweerder sub 1] en [verweerder sub 2] over het ontbreken van causaal verband tussen de afhankelijkheid en de schenkingen hebben gesteld, snijdt daarom hout.

4.11.

Dat laatste zou mogelijk anders zijn als er sterke aanwijzingen zouden bestaan dat het testament nietig of vernietigbaar is. Deze aanwijzingen kunnen in dat wat de curatoren hebben gesteld echter niet worden gevonden. Zoals in 2.6. vermeld, heeft de bij het testament betrokken notaris een arts gevraagd om te onderzoeken of [A] zijn wil voldoende kon bepalen en of hij de reikwijdte van zijn beslissing over zijn nalatenschap kon overzien. De ingeschakelde arts heeft toen vastgesteld dat dit het geval was. De rechtbank gaat er daarom van uit dat de inhoud van het testament overeenkwam met de wil van [A] . De curatoren hebben ook niet, althans niet concreet genoeg, gesteld dat dit anders was. Wel hebben zij gesteld dat het testament onder druk van [verweerder sub 1] en [verweerder sub 2] is opgemaakt. Voor zover zij daarmee bedoelen dat [verweerder sub 1] en [verweerder sub 2] misbruik hebben gemaakt van de afhankelijke positie waarin [A] zich volgens hen (ook) toen (al) bevond, geldt dat een testament niet kan worden vernietigd op de grond dat misbruik is gemaakt van omstandigheden. Dat is bepaald in artikel 4:43 BW. Een testament kan op grond van hetzelfde artikel wel worden vernietigd als wordt vastgesteld dat sprake is geweest van een specifiek soort dwaling, van bedreiging of van bedrog. In deze procedure hebben de curatoren niet gesteld, althans volstrekt niet concreet genoeg, dat [A] bij het laten opmaken van zijn testament door [verweerder sub 1] en [verweerder sub 2] is bedreigd, bedrogen of dat [A] daarbij heeft gedwaald omdat hij een onjuiste beweegreden had.

4.12.

Niet alleen is er niets gesteld over het causale verband tussen de afhankelijkheid en de schenkingen (en is over het ontbreken van dit causale verband juist veel door [verweerder sub 1] en [verweerder sub 2] gezegd), er ontbreekt ook nog iets anders in het betoog van de curatoren. Hoewel in het eerder genoemde artikel 3:44 lid 4 BW (dat gaat over misbruik van omstandigheden) niet expliciet als eis wordt gesteld dat de persoon die de rechtshandeling verrichtte door deze rechtshandeling is benadeeld, wordt wel aangenomen dat misbruik van omstandigheden niet goed denkbaar is als er geen sprake is van enig nadeel voor het “slachtoffer”. Dit ligt ook al besloten in de term misbruik. En tegenover dit nadeel zal vaak een voordeel staan voor de persoon die de rechtshandeling bevordert. [verweerder sub 1] en [verweerder sub 2] hebben erop gewezen dat dit nadeel voor [A] ontbrak: hij had zijn vermogen tijdens leven niet kunnen “opeten” en [verweerder sub 1] en [verweerder sub 2] waren daarnaast zijn erfgenamen. De curatoren hebben hiertegen vervolgens niets ingebracht.

4.13.

Omdat de rechtbank niet kan vaststellen dat [verweerder sub 1] en [verweerder sub 2] bij de schenkingen misbruik hebben gemaakt van omstandigheden, hebben de curatoren deze schenkingen niet rechtsgeldig vernietigd.

4.14.

De rechtbank zal de vordering van de curatoren, voor zover deze betrekking heeft op de schenkingen, gezien het voorgaande afwijzen.

Onrechtmatige of onverschuldigde betalingen

4.15.

Zoals vermeld, vorderen de curatoren ook dat [verweerder sub 1] en [verweerder sub 2] worden veroordeeld tot betaling van een bedrag van € 4.110,83 ten aanzien van door hen gemaakte benzinekosten. Volgens de curatoren hebben [verweerder sub 1] en [verweerder sub 2] in dit verband onrechtmatig gehandeld, en als dit niet wordt gevolgd hebben de betalingen van de rekening van [A] onverschuldigd plaatsgevonden. Het enige wat zij in dit verband hebben gesteld is dat [A] zelf niet over een auto beschikte. [verweerder sub 1] en [verweerder sub 2] hebben hierop verklaard dat [A] weliswaar zelf geen auto had, maar dat er voor hem wel benzinekosten zijn gemaakt. Zij hebben naar voren gebracht dat zij [A] met hun eigen auto veel hebben vervoerd (naar het ziekenhuis of als zij uitstapjes met hem deden), en dat zij met hun auto ook vaak boodschappen voor hem deden. In het licht hiervan hebben de curatoren hun stelling dat [verweerder sub 1] en [verweerder sub 2] onrechtmatig hebben gehandeld onvoldoende onderbouwd.

Hetzelfde geldt voor hun stelling dat de betalingen van de benzinekosten onverschuldigd hebben plaatsgevonden (waarmee zij deze betalingen kennelijk beschouwen als betalingen aan [verweerder sub 1] en [verweerder sub 2] ). Ook dit deel van de vordering zal daarom worden afgewezen.

Proceskosten

4.16.

Omdat de curatoren in het ongelijk zijn gesteld, zullen zij de proceskosten van [verweerder sub 1] en [verweerder sub 2] moeten vergoeden. Deze worden begroot op:

griffierecht € 914,00

salaris advocaat € 2.685,00 (2,5 x 1.074,00)

totaal € 3.599,00

Als de curatoren dit bedrag niet binnen twee weken na dit vonnis voldoen, zullen zij hierover de wettelijke rente moeten vergoeden en zullen zij ook de nakosten moeten voldoen.

De tegenvordering

4.17.

[verweerder sub 1] en [verweerder sub 2] vorderen zoals vermeld dat de rechtbank voor recht verklaart dat de curatoren geen rechten meer kunnen doen gelden ten aanzien van de uitgaven die zijn gedaan in de periode dat [verweerder sub 1] en [verweerder sub 2] een bankvolmacht van [A] hadden. Deze vordering is te ruim geformuleerd en daardoor onvoldoende bepaald. De vordering zal daarom worden afgewezen.

4.18.

Omdat [verweerder sub 1] en [verweerder sub 2] wat betreft hun tegenvordering in het ongelijk zijn gesteld, zullen zij worden veroordeeld in de kosten. Deze worden begroot op:

begroot op € 543,00 (1 x € 543,00).

5 De beslissing

De rechtbank

op de vordering:

5.1.

wijst de vordering af;

5.2.

veroordeelt de curatoren in de proceskosten, aan de kant van [verweerder sub 1] en [verweerder sub 2] tot vandaag begroot op € 3.599,00, te vermeerderen met de wettelijke rente, te voldoen binnen 14 dagen na de datum van dit vonnis, bij gebreke waarvan voormeld bedrag wordt vermeerderd met de wettelijke rente met ingang van de vijftiende dag na de datum van dit vonnis tot de dag van volledige betaling

5.3.

veroordeelt de curatoren in de nakosten, begroot op € 157,00 aan salaris advocaat, als niet binnen veertien dagen na aanschrijving aan dit vonnis is voldaan, en € 82,00 aan salaris advocaat en de explootkosten van betekening van dit vonnis, als er vervolgens betekening heeft plaatsgevonden;

5.4.

verklaart de beslissingen in 5.2. en 5.3. uitvoerbaar bij voorraad;

op de tegenvordering:

5.5.

wijst de vordering af;

5.6.

veroordeelt [verweerder sub 1] en [verweerder sub 2] in de proceskosten, aan de kant van de curatoren tot vandaag begroot op € 543,00.

Dit vonnis is gewezen door mr. A.F. Hermans en in het openbaar uitgesproken op 24 april 2020.