Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2020:1594

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
22-04-2020
Datum publicatie
24-04-2020
Zaaknummer
C16/489276 HA ZA 19-83
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Omdat een mondelinge behandeling vanwege de Coronacrisis vooralsnog niet mogelijk is bespreekt de rechtbank de zaak schriftelijk met partijen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Civiel recht

Familiekamer

locatie Utrecht

zaaknummer / rolnummer: C/16/489276 / HA ZA 19-83

Vonnis van 22 april 2020

in de zaak van

[eiser] ,

wonende te [woonplaats] ,

eiser in conventie,

verweerder in voorwaardelijke reconventie,

advocaat mr. A.D. van Erp te Brielle,

tegen

[gedaagde] ,

wonende te [woonplaats] ,

gedaagde in conventie,

eiseres in voorwaardelijke reconventie,

advocaat mr. S.J. Hasselaar-Veltkamp te Alphen aan den Rijn.

Partijen zullen hierna de man en de vrouw genoemd worden.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding

  • -

    de conclusie van antwoord in conventie en van eis in voorwaardelijke reconventie

  • -

    de conclusie van antwoord in voorwaardelijke reconventie.

Vervolgens heeft de rolrechter de zaak aangehouden met het in het dictum van dit vonnis vermelde doel.

2 De coronacrisis

2.1.

Normaal gesproken zou de rechtbank na het antwoord in voorwaardelijke reconventie een mondelinge behandeling hebben gelast. Vanwege de Coronacrisis worden er in niet spoedeisende zaken echter vooralsnog geen zittingen gepland. Het is onduidelijk wanneer dit weer wel kan plaatsvinden. Om de zaak niet langer dan nodig is stil te laten liggen zal de rechtbank hem schriftelijk bespreken en daarbij enkele vragen aan partijen stellen. Als de rechtbank daarbij een oordeel uitspreekt is dat uiteraard een voorlopig oordeel. Partijen mogen daarop reageren. Daarna zal bekeken worden of de zaak schriftelijk kan worden afgedaan of dat er misschien dan weer een zitting mogelijk is. In dat geval zal dat wel een kortere zitting kunnen zijn.

3 De vaststaande feiten

3.1.

Partijen zijn op [1998] gehuwd, onder huwelijkse voorwaarden inhoudende koude uitsluiting. Het huwelijk is in 2015 duurzaam ontwricht, waarna partijen van echt zijn gescheiden.

3.2.

Partijen hebben de vermogensrechtelijke gevolgen van hun echtscheiding geregeld in een echtscheidingsconvenant, dat door hen op 20 januari 2016 is getekend. Daarin zijn zij onder meer overeengekomen dat de man aan de vrouw per maand € 2.250,- zal betalen aan partneralimentatie, dat zij hun gemeenschappelijke eigendommen, zoals de inboedel, met gesloten beurzen bij helften hebben gedeeld, dat de werking van de Wet Verevening Pensioenrechten bij Scheiding wordt uitgesloten en dat de man aan de vrouw ter compensatie van dit laatste een bedrag van € 64.000,- zal betalen. Het convenant bevat een kwijtingsbeding dat als volgt luidt:

Partijen verklaren hierbij de gevolgen van de echtscheiding conform de huwelijkse voorwaarden naar de maatstaven van redelijkheid en billijkheid te hebben geregeld en zij verklaren tevens, behoudens met betrekking tot de rechten en verplichtingen genoemd in dit convenant, niets meer van elkaar te vorderen te hebben en elkaar algehele en finale kwijting te verlenen.

4 Het geschil en de voorlopige bespreking daarvan

4.1.

Het geschil tussen partijen gaat over twee door de man bij Delta Lloyd Levensverzekeringen N.V. (thans Nationale Nederlanden) afgesloten levensverzekeringen. De man heeft deze verzekeringen voor of in 1990 afgesloten. Op 16 augustus 2001 zijn deze polissen premievrij gemaakt. Vanwege die premievrijmaking zijn aan de man twee nieuwe polisbladen toegezonden. Op die polisbladen staat de man vermeld als verzekeringnemer en als verzekerde en staat de vrouw als medeverzekeringnemer vermeld. De verzekeringen voorzien in een uitkering (van respectievelijk € 32.810,- en € 28.803,-) bij in leven zijn van de man op de einddatum van 16 augustus 2029 en in een uitkering bij overlijden van de man voor die datum.

4.2.

De man stelt dat hij nu over de polissen wil beschikken zoals het hem goeddunkt. De verzekeringsmaatschappij heeft de man echter laten weten dat de vrouw, omdat zij is aangemerkt als medeverzekeringnemer, daarvoor toestemming moet verlenen. De vrouw is echter niet bereid de daarvoor bestemde formulieren te ondertekenen, althans niet zonder financiële compensatie.

4.3.

De man vordert in deze procedure dat de vrouw wordt veroordeeld mee te werken aan de wijziging van de tenaamstelling en begunstiging van de beide polissen, in die zin dat enkel hij als verzekerde en begunstigde wordt aangemerkt.

4.4.

Voor de beoordeling van het geschil tussen partijen is doorslaggevend of de vrouw, ook zonder financiële compensatie, verplicht is mee te werken aan de wijziging van de tenaamstelling en begunstiging van de beide polissen. Daarvoor acht de rechtbank vooralsnog het antwoord van partijen op de volgende opmerkingen en vragen van belang.

4.5.

De verzekeringen zijn afgesloten door de man ver voor het huwelijk. De man stelt dat de premies zijn betaald uit zijn privévermogen. De vrouw heeft dit niet betwist, maar lijkt dit te erkennen. Zij stelt immers dat de premies allen zijn betaald voordat zij als medeverzekerde werd aangemerkt (punt 8 CvA). Dat moment ligt echter wel drie jaar na de sluiting van het huwelijk. Mag de rechtbank uit het vorenstaande afleiden dat de man ook na het huwelijk de premies heeft betaald totdat de verzekeringen premievrij werden gemaakt?

4.6.

De vrouw stelt onder meer dat aan haar dezelfde rechten en plichten toekomen op basis van de polis doordat zij als medeverzekeringnemer is aangemerkt. Zij lijkt hieraan ten grondslag te leggen dat de verzekeringen ook op haar leven zouden zijn gevestigd. Dit laatste lijkt de rechtbank vooralsnog onjuist. Dit volgt niet uit de polisbladen en evenmin uit de begripsomschrijvingen in artikel 1 van het polisaanhangsel, waarnaar de vrouw verwijst. Wellicht verwart de vrouw de begrippen medeverzekerde en medeverzekeringnemer.

Vooralsnog gaat de rechtbank er dan ook van uit dat de polis uitsluitend op het leven van de man is afgesloten en dat beiden begunstigden zijn, de man als enige begunstigde als hij nog in leven is op de einddatum en de vrouw uitsluitend voor het geval de man voordien overlijdt. Dat zou kort gezegd kunnen betekenen dat de vrouw, zolang de begunstiging niet is gewijzigd, de begunstigde is voor het risicodeel en de man de begunstigde voor het spaardeel. Ziet de rechtbank dit juist?

4.7.

Kan van de man worden verlangd dat hij de begunstiging voor het risicodeel ongewijzigd laat, ook nu het huwelijk is ontbonden? Waarop zou die verplichting gebaseerd kunnen zijn mede gegeven de overige financiële afspraken in het echtscheidingsconvenant, zoals de partneralimentatie en de afkoop van de pensioenverevening.

4.8.

De vrouw stelt dat partijen samen de bewuste keuze hebben gemaakt om de vrouw als medeverzekeringnemer op de polissen te laten vermelden. Wellicht kan de vrouw aangeven waaruit dit blijkt en wat partijen exact voor ogen stond op dat moment. Wat de rechtbank heel aannemelijk voorkomt is dat de man op een gegeven moment zijn echtgenote als begunstigde wilde aanmerken voor het geval hij voor de einddatum zou komen te overlijden. Maar mag daaruit ook worden afgeleid dat zij evenveel recht zou kunnen doen gelden op het opgebouwde kapitaal? Indien dit zo is, moet dit dan als een schenking worden aangemerkt of ontstaat er dan een vergoedingsrecht voor de man op grond van artikel 3 van de huwelijkse voorwaarden, zoals de man stelt?

4.9.

Als het een bewuste keuze van partijen is geweest een gezamenlijk vorderingsrecht te doen ontstaan op de verzekeringsmaatschappij op het opgebouwde kapitaal ook bij leven van de man, hoe verhoudt zich dat dan tot de bepaling in het convenant dat partijen hun gemeenschappelijke eigendommen hebben verdeeld? Hoe verhoudt zich dit tot het kwijtingsbeding? Hoe verhoudt zich dit tot het feit dat, hoe dan ook, uitsluitend de man de begunstigde is van het opgebouwde kapitaal als hij op de einddatum nog in leven is, terwijl de vrouw pas aanspraak kan maken op een uitkering als de man voordien overlijdt.

4.10.

Partijen mogen beiden reageren en ingaan op de hierboven genoemde vragen, opmerkingen en voorlopige oordelen van de rechtbank; de rechtbank zal de zaak daarvoor naar de rol verwijzen voor het nemen van een akte door beiden (allebei tegelijk). Zij mogen zich daarbij ook uitlaten over hoe zij de procedure willen voortzetten. Zij kunnen dan vonnis vragen of alsnog een mondelinge behandeling. Uiteraard mogen zij de tijd ook gebruiken om met elkaar in overleg te gaan en te proberen een regeling te treffen.

5 De beslissing

De rechtbank

in conventie en in voorwaardelijke reconventie

5.1.

bepaalt dat de zaak weer op de rol zal komen van 20 mei 2020 voor het nemen van een akte door beide partijen over hetgeen is vermeld onder 4.10,

5.2.

houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit vonnis is gewezen door mr. M.A.A.T. Engbers en in het openbaar uitgesproken op 22 april 2020.