Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2020:159

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
07-01-2020
Datum publicatie
03-02-2020
Zaaknummer
UTR 19/2691
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Mondelinge uitspraak
Proces-verbaal
Inhoudsindicatie

Proces-verbaal van mondelinge uitspraak Wabo. Omgevingsvergunning voor het omzetten van de bestaande kantoorfunctie van de [naam derde-partij] en de aanbouw naar een woonfunctie voor beide gebouwen. Activiteiten bouwen, kappen, afwijken van het bestemmingsplan en wijzigen monument hebben geen gevolgen van enige betekenis voor eisers. Beroep niet-ontvankelijk.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Zittingsplaats Utrecht

Bestuursrecht

zaaknummer: UTR 19/2681

proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de enkelvoudige kamer van

7 januari 2020 in de zaak tussen

[eiser/eiseres 1] en [eiser/eiseres 2] , uit [woonplaats] , eisers,

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Baarn, verweerder

(gemachtigden: mr. E.C. Jonkman en E. Nelissen).

Als derde-partij heeft aan het geding deelgenomen: [naam derde-partij] (hierna: vergunninghouder),

(gemachtigde: mr. W. van Galen).

Inleiding

[naam derde-partij] ligt aan de [straatnaam 1] [nummeraanduiding 1] in [woonplaats] , is gebouwd rond 1905 en in 1912

verbouwd. De villa is in 1999 geregistreerd als rijksmonument. Tegen de achterzijde van de

villa is in 1991 een aanbouw gebouwd die buiten de monumentenbescherming valt.

Eisers wonen op het adres [straatnaam 1] [nummeraanduiding 2] in [woonplaats] . Hun woning staat op de hoek van de

[straatnaam 2] en de [straatnaam 1] en is eveneens een rijksmonument.

Vergunninghouder heeft op 22 februari 2018 bij het college een aanvraag ingediend voor

het omzetten van de bestaande kantoorfunctie van de villa en de aanbouw naar een

woonfunctie voor beide gebouwen. De villa wordt intern verbouwd tot zes appartementen

en in de aanbouw worden negen appartementen gerealiseerd. Aan de buitenzijde van de villa

wordt een aantal wijzigingen aangebracht en aan de gevel van de aanbouw worden balkons

aangebracht. De tussenvleugel tussen de villa en de aanbouw wordt gesloopt en er worden

drie bomen gekapt en één boom verplaatst.

Eisers hebben een zienswijze ingediend omdat ze het niet eens zijn met de voorgenomen

vergunningverlening. Het college heeft in deze zienswijze geen reden gezien om de

omgevingsvergunning niet te verlenen. Vervolgens heeft het college met het besluit van

5 juni 2019 de omgevingsvergunning aan vergunninghouder verleend.

Eisers hebben tegen dit besluit beroep ingesteld. Het college heeft een verweerschrift

ingediend. Vergunninghouder heeft ook gereageerd op het beroepschrift van eisers.

Het onderzoek op de zitting heeft plaatsgevonden op 7 januari 2020. Eisers zijn verschenen. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigden. Vergunninghouder heeft zich laten vertegenwoordigen door [A] en [B] , bijgestaan door hun gemachtigde.

Na afloop van de zitting heeft de rechtbank onmiddellijk uitspraak gedaan.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep niet-ontvankelijk.

Overwegingen

1. Eisers zijn het niet eens met de plannen voor [naam derde-partij] . Zij vinden dat deze wijzigingen hun woonomgeving en woongenot verstoren. Ook zijn zij van mening dat het college financiële belangen van vergunninghouder ten onrechte zwaarder laat wegen dan het monumentale karakter van de villa en de omgeving ervan.

2. Voordat de rechtbank de omgevingsvergunning, aan de hand van de beroepsgronden van eisers, inhoudelijk kan beoordelen, moet de rechtbank eerst kijken hoe eisers door die omgevingsvergunning worden geraakt in hun belangen. Alleen belanghebbenden kunnen namelijk beroep instellen tegen een besluit.1 Om belanghebbende te zijn moet iemands belang rechtstreeks betrokken zijn bij dat besluit.2

3. De rechtbank heeft voor het bepalen van de belanghebbendheid gekeken naar de criteria die in de rechtspraak zijn ontwikkeld.3 De vraag of degene die beroep heeft ingesteld belanghebbende is, moet per aangevraagde activiteit in de zin van de artikelen 2.1 en 2.2 van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht bepaald worden. Uitgangspunt is dat degene die rechtstreeks feitelijke gevolgen ondervindt van een activiteit in beginsel belanghebbende is. Het moet dan wel gaan om gevolgen van enige betekenis. Als de gevolgen op zich wel zijn vast te stellen, maar slechts heel gering zijn, dan ontbreekt een persoonlijk belang bij het besluit. Om te bepalen of het besluit met deze activiteiten gevolgen van enige betekenis heeft, moet worden gekeken naar de factoren afstand, zicht, ruimtelijke uitstraling en milieugevolgen (zoals geur, geluid, licht, trilling, emissie, risico), waarbij die factoren ook in onderlinge samenhang kunnen worden bekeken. Ook de aard, intensiteit en frequentie van de feitelijke gevolgen kunnen van belang zijn.

Bouwen en kappen

4. Voor het bouwen en kappen stelt de rechtbank vast dat geen sprake is van aangrenzende percelen. In dat geval geldt dat de afstand tussen beide percelen gering moet zijn om belanghebbendheid aan te nemen. Het zichtcriterium vormt daarvoor een hulpmiddel. De afstand van de woning van eisers tot het bouwperceel is ongeveer 40 meter en de afstand tot aan de villa is ongeveer 80 meter. Hoewel dit een korte afstand is, stelt de rechtbank ook vast dat er tussen de percelen een weg ligt, een andere woning en begroeiing. Als er al zicht is vanuit de woning van eisers op de bebouwing aan de [straatnaam 1] [nummeraanduiding 1] dan is dat zeer beperkt. Anders dan waar eisers van uitgaan, moet er namelijk zicht bestaan vanuit hun woning en niet vanaf hun terras of een andere plek op hun perceel. Op de inmiddels gekapte bomen hebben eisers geen zicht.

Wijzigen monument

5. Voor de wijzigingen aan het rijksmonument heeft de rechtbank gekeken naar de ruimtelijke uitstraling ervan. De rechtbank stelt vast dat de aanpassingen aan de villa qua uitstraling zeer beperkt zijn, want de wijzigingen vinden bijna geheel aan de binnenkant plaats. De wijzigingen aan de buitenkant zien op de gevel aan de achterzijde van de villa en dat is de van de woning van eisers afgekeerde kant.

Afwijken van het bestemmingsplan

6.Voor het afwijken van het bestemmingsplan heeft de rechtbank de ruimtelijke effecten op het verkeer en de leefomgeving beoordeeld. Hoewel op dit moment sprake is van leegstand, is een kantoorfunctie toegestaan en voor beide gebouwen nog steeds denkbaar. Voor de eventuele toename van het verkeer moet dan gekeken worden naar het verschil tussen een mogelijke kantoorfunctie en deze woonfunctie met appartementen. Uitgaan van de theoretische situatie dat beide gebouwen als kantoor worden gebruikt, kan niet worden gezegd dat het verkeer zal toenemen op het moment dat sprake is van 16 appartementen. De rechtbank begrijpt dat eisers zich bezorgd maken om hun leefomgeving, maar dat is meer een buurtbelang en geen eigen persoonlijk belang.

Conclusie

7. De rechtbank komt tot de conclusie dat de omgevingsvergunning geen gevolgen van enige betekenis heeft voor eisers. Dat betekent dat eisers geen belanghebbenden zijn. Hun beroep is daarom niet-ontvankelijk. De rechtbank komt niet meer toe aan een inhoudelijk oordeel over de omgevingsvergunning en deze vergunning blijft dus in stand. Er is geen aanleiding de proceskosten die eisers hebben gemaakt, door het college te laten vergoeden.

8. Op de zitting heeft de rechtbank partijen gewezen op de mogelijkheid van hoger beroep als zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Dit kan op de manier zoals onderaan dit proces-verbaal staat omschreven.

Deze uitspraak is gedaan door mr. K. de Meulder, rechter, in aanwezigheid van mr. M.H.L. Debets, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 7 januari 2020.

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending van het proces-verbaal daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

1 Artikel 8:1 van de Awb.

2 Artikel 1:2 van de Awb.

3 Uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (ABRvS) van 28 maart 2018 (ECLI:NL:RVS:2018:1066).