Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2020:1589

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
30-03-2020
Datum publicatie
24-04-2020
Zaaknummer
UTR 19/2337
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Wabo. Kruimelregeling. Verweerder heeft de omgevingsvergunning voor het plaatsen van een warmtepomp in redelijkheid kunnen verlenen. Verweerder heeft middels een geluidsrapport onderbouwd dat warmtepomp niet in strijd is met goede ruimtelijke ordening.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
OGR-Updates.nl 2020-0109
Omgevingsvergunning in de praktijk 2020/8257
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Zittingsplaats Utrecht

Bestuursrecht

zaaknummer: UTR 19/2337

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 30 maart 2020 in de zaak tussen

[eiser] en [eiseres] , uit [woonplaats] , eisers

(gemachtigde: W. Koster)

en

het college van burgermeester en wethouders van de gemeente Amersfoort, verweerder

(gemachtigde: mr. B. Eising).

Als derde-partij heeft aan het geding deelgenomen: [naam derde-partij], uit [woonplaats] , vergunninghouder.

Procesverloop

In het besluit van 13 juni 2018 (het primaire besluit) heeft verweerder aan [naam derde-partij] , vergunninghouder, een omgevingsvergunning verleend voor het plaatsen van een warmtepomp op het perceel [adres] in [woonplaats] .

In het besluit van 29 april 2019 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eisers ongegrond verklaard.

Eisers hebben vervolgens beroep ingesteld. Verweerder heeft geen verweerschrift ingediend.

Vergunninghouder heeft een reactie ingediend.

De zaak is behandeld op de zitting van 13 februari 2020. Eisers zijn verschenen, bijgestaan door hun gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde, vergezeld door [A] , geluidsdeskundige. Vergunninghouder is verschenen, vergezeld door zijn echtgenote en [B] , bouwbegeleider bij de bouw van zijn woning.

Overwegingen

Inleiding

1. Op 24 april 2018 heeft vergunninghouder een aanvraag voor een omgevingsvergunning gedaan voor het plaatsen van een buitenunit (warmtepomp) op het erf van zijn nieuwbouwwoning aan [adres] in [woonplaats] . Hierna heeft verweerder de besluiten genomen die onder ‘Procesverloop’ staan vermeld.

2. Ter plaatse van het perceel geldt het bestemmingsplan “Woon-werkzone [.] ” (het bestemmingsplan). Volgens het bestemmingsplan heeft het perceel de bestemming ‘Wonen’.

3. Verweerder heeft de omgevingsvergunning verleend onder toepassing van de bevoegdheid om af te wijken van het bestemmingsplan op grond van de zogenoemde kruimelregeling. De warmtepomp is namelijk 40 cm hoger dan planologisch is toegestaan. Verweerder heeft bij het verlenen van de omgevingsvergunning onder andere de voorwaarde gesteld dat het maximale geluidsniveau 35 dB(A), gemeten als invallend geluid op de gevel van buurwoningen, mag zijn. Verweerder heeft zich bij het bestreden besluit mede gebaseerd op een geluidsmeting van 5 december 2018, uitgevoerd door [A] , waaruit blijkt dat het geluidsniveau van 35 dB(A) niet wordt gehaald.

Wet- en regelgeving

4.1

Op grond van artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder a en c, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) is het, voor zover hier van belang, verboden zonder omgevingsvergunning een project uit te voeren, voor zover dat geheel of gedeeltelijk bestaat uit het bouwen van een bouwwerk en gebruiken van gronden of bouwwerken in strijd met een bestemmingsplan.

4.2

Op grond van artikel 2.12, eerste lid, aanhef en onder a, onder 2°, van de Wabo kan, voor zover de aanvraag betrekking heeft op een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder c, de omgevingsvergunning slechts worden verleend indien de activiteit niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening en een bij algemene maatregel van bestuur aangewezen gevallen betreft. Deze algemene maatregel van bestuur is het Besluit omgevingsrecht (Bor).

4.3

Artikel 4 van Bijlage II bij het Bor (ook wel ‘de kruimelregeling’ genoemd) bepaalt, voor zover hier van belang, dat voor verlening van een omgevingsvergunning voor een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder c, van de Wabo waarbij met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, onder a, onder 2°, van de Wabo van het bestemmingsplan wordt afgeweken, in aanmerking komt:

3. een bouwwerk, geen gebouw zijnde, of een gedeelte van een dergelijk bouwwerk, mits wordt voldaan aan de volgende eisen:

a. niet hoger dan 10 m, en

b. de oppervlakte niet meer dan 50 m².

4.4

Op grond van artikel 13.2 van de planregels zijn de gronden uitsluitend bestemd voor gebouwen en andere werken die ten dienste staan van de bestemming. Op grond van artikel 13.2.3 van de planregels geldt voor het bouwen van overige andere bouwwerken een maximale bouwhoogte van 1 meter.

4.5

Op grond van artikel 4:6, eerste lid, van de algemene plaatselijke verordening van de gemeente Amersfoort (APV) is het verboden buiten een inrichting in de zin van de Wet milieubeheer of van het Besluit op een zodanige wijze toestellen of geluidsapparaten in werking te hebben of handelingen te verrichten dat voor een omwonende of voor de omgeving geluidhinder wordt veroorzaakt.

Het geschil

5. Eisers wonen naast vergunninghouder en zijn het om verschillende redenen niet eens met de plaatsing van de warmtepomp. Verweerder ziet in wat eisers hebben aangevoerd geen aanleiding om terug te komen op het verlenen van de omgevingsvergunning. Aan de hand van wat partijen naar voren hebben gebracht, moet de rechtbank beoordelen of verweerder de omgevingsvergunning in redelijkheid heeft kunnen verlenen.

Beoordeling van het geschil

6. De rechtbank stelt vast dat verweerder de omgevingsvergunning heeft verleend door gebruik te maken van zijn bevoegdheid op grond van artikel 2.12, eerste lid, aanhef en onder a, onder 2°, van de Wabo, in samenhang met de kruimelregeling. Bij een beslissing om al dan niet gebruik van deze bevoegdheid te maken, heeft verweerder beleidsruimte. De rechtbank kan de keuzes die verweerder heeft gemaakt bij het afwegen van de betrokken belangen daarom slechts terughoudend toetsen. De rechtbank moet wel vol toetsen of de belangenafweging op zorgvuldige wijze heeft plaatsgevonden en of deugdelijk is gemotiveerd waarom een bepaalde keuze is gemaakt.

Strijd met goede ruimtelijke ordening

7. Eisers voeren aan dat de verleende omgevingsvergunning in strijd is met de goede ruimtelijke ordening, omdat verweerder onvoldoende heeft gemotiveerd waarom de toegepaste geluidsnorm onevenredige geluidshinder voor omwonenden en de omgeving voorkomt, met name ook in de nachtelijke uren. Daarnaast heeft verweerder ook niet de juiste geluidsnorm toegepast. Verweerder zou voor deze norm moeten aansluiten bij de binnenkort in te voeren landelijke norm uit het Bouwbesluit van 35 dB(A) gemeten op de erfgrens in plaats van geluid gemeten als invallend geluid op de gevel. Dat op de erfgrens moet worden gemeten, sluit ook aan bij het bepaalde in artikel 4:6 van de APV.

8. Volgens verweerder is er geen sprake van onevenredige geluidshinder. Er bestaat echter (nog) geen landelijke geluidsnorm voor warmtepompen, waaraan dit getoetst kan worden. Verweerder sluit daarom aan bij het bepaalde in artikel 4:6 van de APV. Verweerder hanteert daarbij voor buitenunits zoals een warmtepomp een geluidsnorm van 35 dB(A) gemeten als invallend geluid op de gevel van buurwoningen. Deze geluidsnorm sluit aan bij de strengste (nachtelijke) geluidsnorm uit het Activiteitenbesluit. Aan de hand van het rapport van de geluidsdeskundige, [A] , van 5 december 2018 heeft verweerder onderbouwd dat het geluid van de warmtepomp in dit geval niet boven de gestelde norm uitkomt. Verweerder heeft op de zitting toegelicht dat de norm uit het Bouwbesluit nog niet in werking is getreden en dat het ook nog de vraag is of die norm daadwerkelijk zal worden ingevoerd. Verweerder heeft daarom geen reden gezien om nu al aan te sluiten bij die eventuele nieuwe geluidsnorm. Gelet op het voorgaande is de plaatsing van de warmtepomp volgens verweerder niet in strijd met een goede ruimtelijke ordening.

9.1

De rechtbank stelt voorop dat de vraag of er sprake is van strijd met een goede ruimtelijke ordening valt binnen de beleidsruimte die verweerder heeft. Deze ruimte vult verweerder in dit geval in door aansluiting te zoeken bij artikel 4:6 van de APV en bij de geluidsnorm van 40 dB(A), gecorrigeerd naar 35 dB(A) voor tonaal geluid, uit het Activiteitenbesluit. Dat mag verweerder in redelijkheid ook doen. Er is geen regel die verweerder verplicht om voor zijn beleid aan te sluiten bij een eventuele toekomstige norm in het Bouwbesluit. Evenmin is verweerder verplicht om het geluid op de erfgrens te meten, zoals eisers menen. Dat volgt in elk geval niet uit de enkele omstandigheid dat verweerder aansluiting zoekt bij artikel 4:6 van de APV, waarin sprake is van geluidhinder voor de omgeving. Ook de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 23 maart 2013, ECLI:NL:RVS:2013:BZ3951, waar eisers naar hebben verwezen, maken het oordeel van de rechtbank niet anders. In die zaak ging het over een handhavingskwestie tegen een overtreding van een APV. Het gaat daarbij om een ander toetsingskader dan in onderhavige zaak het geval is. In onderhavige zaak gaat het namelijk om aan de invulling die verweerder in het kader van zijn beleidsruimte geeft aan wat een goede ruimtelijke ordening is. Verweerder mag daarin zijn eigen keuzes maken.

9.2

Omdat verweerder zelf niet over de deskundigheid beschikt om het geluidsniveau van een warmtepomp te meten, mag verweerder zich bij zijn besluitvorming baseren op een geluidsrapport van een deskundige. Dat eisers de resultaten van de geluidsmeting door [A] betwisten door te wijzen op de resultaten van geluidsmetingen die door de fabrikant van de warmtepomp zijn gedaan, maakt dit niet anders. [A] heeft namelijk op de zitting toegelicht dat dergelijke fabrieksmetingen worden uitgevoerd onder de meeste ‘gunstige’ omstandigheden (zonder omgevingsgeluid e.d.) en dat die resultaten vrijwel nooit direct toepasbaar zijn voor veldmetingen. Er is daarom geen reden waarom verweerder niet van het rapport van [A] uit zou mogen gaan.

9.3

Aan de hand van het rapport van [A] heeft verweerder onderbouwd dat de geluidsnorm van 35 dB (A) uit het Activiteitenbesluit niet wordt overschreden. Verder heeft verweerder op de zitting toegelicht dat hij in zijn beoordeling van de geluidshinder heeft betrokken dat de warmtepomp over het algemeen ’s nachts minder vermogen zal produceren. Daarnaast is toegelicht dat de warmtepomp nooit op maximaal vermogen zal werken, omdat deze alleen gebruikt wordt voor de vloerverwarming en niet ook voor de centrale verwarming. Uit deze toelichtingen blijkt dat verweerder alle relevante omstandigheden betrokken heeft bij zijn onevenredigheidtoets. Die toelichting kan de rechtbank volgen. Daar moet mede bij betrokken worden dat een eventuele incidentele overschrijding van de geluidsnorm nog niet met zich meebrengt dat die overschrijding ook onevenredige hinder met zich meebrengt. Verweerder heeft dan ook in redelijkheid kunnen vaststellen dat door de plaatsing van de warmtepomp geen sprake is van strijd met een goede ruimtelijke ordening. Verder heeft verweerder inzichtelijk onderbouwd dat en op welke wijze hij met alle betrokken belangen, waaronder die van eisers, rekening heeft gehouden.

Conclusie

10. Gelet op het voorgaande heeft in redelijkheid de omgevingsvergunning voor het plaatsen van de warmtepomp met afwijking van het bestemmingsplan kunnen verlenen. Het beroep is daarom ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan op 30 maart 2020 door mr. R.C. Stijnen, rechter, in aanwezigheid van mr. P.J. Naus, griffier. Als gevolg van maatregelen rondom het Corona virus is deze uitspraak niet uitgesproken op een openbare uitsprakenzitting. Zodra het openbaar uitspreken weer mogelijk is, wordt deze uitspraak alsnog in het openbaar uitgesproken.

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Bent u het niet eens met deze uitspraak?

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden, hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Deze uitspraak is verzonden op de stempeldatum die hierboven staat.