Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2020:158

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
09-01-2020
Datum publicatie
03-02-2020
Zaaknummer
UTR 19/1296 en UTR 19/1513
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

EK Wabo. Weigering omgevingsvergunning voor wijziging twee panden naar kamerbewoning. Negatief stedenbouwkundig advies. Beroepen ongegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Zittingsplaats Utrecht

Bestuursrecht

zaaknummers: UTR 19/1296 en UTR 19/1513

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 9 januari 2020 in de zaken tussen

[eiseres] B.V., te [vestigingsplaats] , eiseres

(gemachtigde: mr. H.A. Samuels Brusse-van der Linden),

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Utrecht, verweerder

(gemachtigde: mr. M.A. Braxhoven).

Procesverloop

Eiseres heeft twee aanvragen om een omgevingsvergunning bij verweerder ingediend. De

eerste aanvraag ziet op haar wens om het pand aan de [straatnaam 1] [nummeraanduiding 1] in [plaatsnaam]

te verbouwen van een winkel naar wonen/kamerverhuur. De tweede aanvraag ziet op haar

wens om het pand aan de [straatnaam 2] [nummeraanduiding 2] in [plaatsnaam] te verbouwen van een bedrijfsfunctie

naar wonen/kamerverhuur

Verweerder heeft in zijn besluit van 11 juli 2018 geweigerd een omgevingsvergunning te verlenen voor het pand aan de [straatnaam 1] . In zijn besluit van 16 oktober 2018 heeft verweerder ook geweigerd een omgevingsvergunning te verlenen voor het pand aan de [straatnaam 2] .

Eiseres heeft tegen beide besluiten bezwaar gemaakt.

In zijn besluit van 15 februari 2019 heeft verweerder het bezwaar over het pand aan de [straatnaam 1] ongegrond verklaard en in zijn besluit van 8 maart 2019 heeft hij het bezwaar over het pand aan de [straatnaam 2] ongegrond verklaard. Eiseres beschikt daardoor dus nog steeds niet over de gevraagde omgevingsvergunningen.

Eiseres heeft tegen beide besluiten (hierna: de bestreden besluiten) beroep ingesteld.

Procedurenummer UTR 19/1296 gaat over het pand aan de [straatnaam 1] en

UTR 19/1513 gaat over het pand aan de [straatnaam 2] .

De zaken zijn samen behandeld op de zitting van 23 september 2019. Namens eiseres was haar gemachtigde bij deze zitting aanwezig, vergezeld van [A] , [B] en

[C] . Namens verweerder was zijn gemachtigde aanwezig bij de zitting.

Overwegingen

1. Eiseres is eigenaresse van beide panden. De begane grond van het pand aan de [straatnaam 1] was in gebruik als winkel en kantoor en staat nu leeg. De 1e en 2e verdieping worden gebruikt voor bewoning in de vorm van kamerverhuur. Eiseres wil de begane grond graag geschikt maken voor kamerverhuur. Het pand aan de [straatnaam 2] heeft één bouwlaag (de begane grond) die in gebruik was als bedrijfsruimte. Eiseres wil de begane grond van dit pand verbouwen tot zes (studenten)kamers.

2. Eiseres en verweerder zijn het erover eens dat beide bouwplannen in strijd zijn met het geldende bestemmingsplan. Voor het pand aan de [straatnaam 1] is dat de Beheersverordening [.] en voor het pand aan de [straatnaam 2] het bestemmingsplan Lombok e.o..

3. Verweerder is van mening dat er met de bouwplannen geen aanvaardbaar woon- en leefklimaat wordt gerealiseerd en verwijst hiervoor naar de negatieve stedenbouwkundige adviezen van 13 februari 2019 ( [straatnaam 1] ) en 5 maart 2019 ( [straatnaam 2] ). Daarom is verweerder niet bereid om met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, eerste lid, aanhef en onder a, onder 2º, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) omgevingsvergunningen te verlenen voor de bouwplannen.

Strijd met artikel 7:9 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb)

4. Eiseres wijst erop dat zij de stedenbouwkundige adviezen van 13 februari 2019 ( [straatnaam 1] ) en 5 maart 2019 ( [straatnaam 2] ) tegelijk met de bestreden besluiten heeft ontvangen. Zij heeft in de bezwaarfase dus geen gelegenheid gekregen hierop te reageren, wat in strijd is met het recht van hoor en wederhoor. De opmerkingen over het dakterras en de fietsenstalling in het advies over de [straatnaam 2] zijn voor eisers nieuw en zij hebben hier ten onrechte niet op kunnen reageren.

5. Verweerders gemachtigde heeft tijdens de zitting verklaard dat het gebruikelijk is dat de adviezen worden gemaild aan een gemachtigde of eiser, zodat zij daarop kunnen reageren. Die reactie neemt verweerder dan mee in de beslissing op bezwaar die hij moet nemen. Waarom dat in deze zaken niet is gebeurd, heeft de gemachtigde niet kunnen ontdekken. De gemachtigde ziet echter geen aanleiding om hier consequenties aan te verbinden omdat de adviezen niet nieuw zijn maar slechts een aanvulling en omdat eisers in beroep hebben kunnen reageren op de adviezen.

6. Wanneer na het horen aan het bestuursorgaan feiten of omstandigheden bekend worden die voor de op het bezwaar te nemen beslissing van aanmerkelijk belang kunnen zijn, dan wordt dit aan belanghebbenden meegedeeld en worden zij in de gelegenheid gesteld daarover te worden gehoord.1

7. De rechtbank is van oordeel dat beide stedenbouwkundige adviezen voortbouwen op de eerder in de procedures uitgebrachte adviezen en daarop een nadere toelichting vormen. Volgens vaste rechtspraak vormt de uitwerking van een eerder advies geen nieuw feit als bedoeld in artikel 7:9 van de Awb.2 De opmerkingen over het dakterras en de fietsenstalling ziet de rechtbank als ondergeschikt, wat verweerder heeft bevestigd tijdens de zitting. Beide punten vormen bovendien voor verweerder geen doorslaggevende reden om de vergunning te weigeren. Deze grond slaagt niet.

Wijze van toetsing

8. De beslissing om wel of niet af te wijken van het bestemmingsplan is een zogenoemde discretionaire bevoegdheid van verweerder, die de rechtbank slechts terughoudend kan toetsen. Dat betekent dat de rechtbank toetst of verweerder, bij afweging van alle betrokken belangen, in deze twee gevallen in redelijkheid heeft kunnen besluiten geen gebruik te maken van deze bevoegdheid.

Stedenbouwkundige adviezen

9. Eiseres kan zich niet vinden in de negatieve stedenbouwkundige adviezen en zij wijst daarvoor op de argumenten die haar architect naar voren heeft gebracht. Het beleid van de gemeente om woningen met een tuintje te eisen, zoals staat vermeld in de adviezen, is niet kenbaar gemaakt en kan daarom volgens haar niet tot een weigering leiden. Eiseres wijst er verder op dat de bouwplannen voldoen aan de eis van daglichttoetreding uit het Bouwbesluit. In dat geval mag een stedenbouwkundig advies niet zo ver gaan dat het hebben van of grenzen aan een tuin verplicht wordt gesteld.

10. Verweerder ziet geen aanleiding om zich niet te baseren op de stedenbouwkundige adviezen. De adviezen gaan in op de gewenste stedenbouwkundige opzet van nieuwe situaties, waarbij sprake is van een herontwikkeling naar wonen. Het kenbaar maken van beleid is volgens verweerder niet een absolute vereiste. Over het Bouwbesluit merkt verweerder op dat bij een stedenbouwkundige toets verder mag worden gekeken dan alleen naar de daglichttoetreding.

11. De rechtbank is van oordeel dat verweerder zich heeft mogen baseren op de stedenbouwkundige adviezen. De bouwplannen zijn voorgelegd aan de afdeling stedenbouw en de negatieve beoordeling is nader toegelicht in beroep. Dat de architect van eiseres van mening is dat juist in zijn plannen bij de appartementen meer geprofiteerd kan worden van daglicht dan in het geval een tuin moet worden gerealiseerd, betekent niet dat het stedenbouwkundig advies niet door de beugel kan. Een stedenbouwkundige toets richt zich immers op niet alleen het bouwplan maar ook op de woon- en leefomgeving. Dat betekent dus ook dat het argument van eiseres over het voldoen aan het Bouwbesluit wat betreft daglichttoetreding niet slaagt. Het criterium van een goede ruimtelijke ordening (waaronder ook stedenbouwkundige aspecten vallen) ziet op meer dan alleen het voldoen aan technische eisen uit het Bouwbesluit. Dat bij herontwikkeling wordt gestreefd naar een woonsituatie die aansluit bij de bestaande stedenbouwkundige opzet voor een woonfunctie is vanuit stedenbouwkundig opzicht acceptabel. In het advies is voldoende toegelicht dat het bij een transformatie wenselijk is dat er een bruikbare buitenruimte is en daarnaast dat hoofdgebouwen aan de straatzijde worden gesitueerd en tuinen en erven daarachter. De rechtbank acht dit een redelijk uitgangspunt. Dat, zoals eiseres stelt, dit beleid niet kenbaar is gemaakt, betekent niet dat verweerder zich niet op dit uitgangspunt heeft mogen baseren. Verweerder moet immers beoordelen of de bouwplannen al dan niet in strijd zijn met een goede ruimtelijke ordening. Dat is in dit geval in de stedenbouwkundige beoordeling ook gedaan. Daaraan hoeft niet een kenbaar beleid ten grondslag te liggen. Deze beroepsgronden van eiseres slagen niet.

Wenselijkheid tuinen

12. Eiseres voert aan dat verweerders wens om bij herontwikkeling tuinen te realiseren niet haalbaar is en ook niet overeenstemt met de bestaande situatie in de omgeving van beide bouwplannen. Volgens de landelijke regeling mogen, onder voorwaarden, op het achtererf vergunningvrije bouwwerken worden opgericht zodat het om die reden ook onbegrijpelijk is dat eiseres bebouwing op beide achtererven zou moeten slopen. Volgens eiseres is verder geen sprake van een nieuwe situatie en/of een herontwikkeling omdat de bebouwing al aanwezig is.

13. Volgens verweerder is wel degelijk sprake van een nieuwe situatie nu de functie van de bebouwing op de begane grond in beide gevallen wijzigt in een woonfunctie. Dat vergunningvrije bijgebouwen wellicht hetzelfde beeld opleveren als de bestaande bebouwing, maakt niet dat daarmee de bestaande bebouwing aan de achterzijde van de percelen kan worden gezien als ondergeschikt aan het hoofdgebouw. De verplaatsing van de woonfunctie naar de achterkant van de tuinen vindt verweerder niet wenselijk. Hetzelfde geldt voor de scheiding van de woonfuncties op de percelen.

14. De rechtbank is met verweerder van oordeel dat in beide gevallen sprake is van een nieuwe situatie en/of herontwikkeling. Voor het aannemen van een nieuwe situatie is niet nodig dat er nieuwbouw plaatsvindt. Ook op het moment dat zoals hier de functie van de begane grond wijzigt, is duidelijk dat de bestaande situatie niet wordt voortgezet. Tijdens de zitting is met partijen aan de hand van de luchtfoto’s vastgesteld dat beide locaties inderdaad geen stedenbouwkundig beeld van hoofdgebouwen met tuinen laten zien. Bij deze besluiten gaat het echter om de vraag waaraan volgens verweerder nieuwe ontwikkelingen in stedenbouwkundig opzicht zouden moeten voldoen. Voor de functie wonen op de begane grond geven de stedenbouwkundige adviezen een duidelijke toekomstvisie weer. En zoals hiervoor reeds geoordeeld, ziet de rechtbank geen aanleiding die adviezen onzorgvuldig of onjuist te achten. De stelling van eiseres dat de bestaande bebouwing in de achtertuin te vergelijken is met de mogelijkheden voor vergunningvrije bouwwerken op diezelfde plek, volgt de rechtbank niet. Bij vergunningvrije bouwwerken gaat het immers om bijgebouwen en niet zoals hier om gebouwen met de hoofdfunctie wonen. Dat het wellicht om bouwwerken gaat met dezelfde afmetingen, maakt niet dat verweerder ze daarom ook moet accepteren terwijl ze een woonfunctie hebben. Deze beroepsgronden slagen dus niet.

Gelijkheidsbeginsel

15. Eiseres doet een beroep op het gelijkheidsbeginsel omdat verweerder bij een bouwplan voor [straatnaam 3] [nummeraanduiding 3] wél is afgeweken van het negatieve stedenbouwkundige advies.

16. Verweerder stelt zich op het standpunt dat geen sprake is van gelijke gevallen omdat [straatnaam 3] [nummeraanduiding 3] een heel ander pand is en ook in een heel ander gebied ligt. Verweerder wijst ook naar het stedenbouwkundig advies op dit punt.

17. De rechtbank stelt vast dat in het stedenbouwkundige advies wordt opgemerkt dat de situaties niet vergelijkbaar zijn. [straatnaam 3] [nummeraanduiding 3] ligt in een andere wijk en heeft een bouwblok met een ruim open binnenterrein. Aan de achterzijde is er, anders dan bij de percelen van eiseres, een tuin over de volle breedte. De rechtbank volgt deze uitleg en is dan ook van oordeel dat geen sprake is van een gelijk geval. De beroepsgrond slaagt niet.

Conclusie

18. De rechtbank komt tot de conclusie dat de beroepsgronden tegen de weigeringsbesluiten niet slagen. De beroepen zijn daarom ongegrond. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.  

Beslissing

De rechtbank verklaart de beroepen ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. E.M. van der Linde, rechter, in aanwezigheid van

mr. M.H.L. Debets, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op

9 januari 2020.

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

1 artikel 7:9 van de Awb

2 bijvoorbeeld de uitspraak van de ABRvS van 6 februari 2008, ECLI:NL:RVS:2008:BC3620