Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2020:1520

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
17-04-2020
Datum publicatie
21-04-2020
Zaaknummer
19/3577
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Verzet
Inhoudsindicatie

verzet; ongegrond; geen besluit in zin van Awb

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Zittingsplaats Utrecht

Bestuursrecht

zaaknummer: UTR 19/3577-V

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 17 april 2020 op het verzet van

[opposante] , te [woonplaats] , opposante,

(gemachtigde: mr. D.D. Pietersz),

Procesverloop

Deze uitspraak gaat over het beroep dat opposante heeft ingediend tegen het besluit van het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Stichtse Vecht van 6 augustus 2019.

In de uitspraak van 6 februari 2020 heeft de rechtbank het beroep ongegrond verklaard. Opposante is tegen deze uitspraak in verzet gegaan en heeft niet gevraagd om op een zitting te worden gehoord.

Overwegingen

1. De rechtbank heeft in de uitspraak van 6 februari 2020 het beroep ongegrond verklaard, omdat de brief van 11 april 2019 van verweerder geen besluit is zoals bedoeld in de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Omdat de rechtbank geen twijfel had over de uitkomst van de zaak, heeft zij de uitspraak gedaan zonder eerst een zitting te houden. Dat mag op grond van artikel 8:54 van de Awb.

2. In deze zaak moet de rechtbank beoordelen of de rechtbank toen terecht heeft geoordeeld dat er geen twijfel over de uitkomst was en dat er dus geen zitting nodig was.

De rechtbank kijkt (nog) niet of opposante gelijk heeft met haar beroep. Dat gebeurt pas als de rechtbank van oordeel is dat de uitspraak van de rechtbank van 6 februari 2020 niet juist was.

3. Volgens opposante is de uitspraak van de rechtbank van 6 februari 2020 niet juist, omdat in de brief van 11 april 2019 van verweerder twee mededelingen zijn gedaan welke gericht zijn op rechtsgevolg, namelijk: de registratie in het Gemeentelijk Incidenten Registratiesysteem en het nemen van passende maatregelen als het doen van aangifte, het verhalen van schade en/of het opleggen van een pandverbod in geval van recidive. Wanneer opposante naar mening van verweerder opnieuw norm overschrijdend gedrag vertoont, zal zij geconfronteerd kunnen worden met bovenstaande acties. Hierdoor wordt opposante rechtstreeks in haar belangen geschaad.

3.1

Opposante stelt verder dat ze op geen enkele wijze invloed heeft op de Gemeentelijk Incidenten Registratiesysteem. Zij weet niet wat het gevolg is van een dergelijke registratie, onder welke omstandigheden en wanneer registratie wordt uitgevoerd. Ook is het voor opposante onduidelijk op welke wijze de registratie wordt bijgehouden en onder welke omstandigheden deze wordt verwijderd. Het is voor opposante onduidelijk of door deze registratie daadwerkelijk niets verandert in haar rechten, verplichtingen of bevoegdheden van haarzelf of iemand anders. Opposante weet niet hoelang deze registratie zal blijven duren en wat de consequenties hiervan zijn. Bijvoorbeeld wanneer opposante over een aantal jaar naar mening van verweerder grensoverschrijdend gedrag vertoont, welke consequenties dit dan heeft. Opposante gaat ervan uit dat in dat geval verweerder recidive aanwezig acht. Dit heeft wel degelijk consequenties voor opposante. Als opposante deze registratie niet ongedaan kan maken, blijft het onzeker wat er in de toekomst zal gebeuren.

3.2

De rechtbank is het niet met opposante eens. Een registratie in het Gemeentelijk Incidenten Registratiesysteem heeft geen rechtsgevolg en is dus geen besluit als bedoeld in artikel 1:3 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Met alleen de registratie in het Gemeentelijk Incidenten Registratiesysteem verandert er niets aan de rechtspositie van opposante. Dat gebeurt pas als verweerder daadwerkelijk overgaat tot het nemen van passende maatregelen als het doen van aangifte, het verhalen van schade en/of het opleggen van een pandverbod. Voor zover die passende maatregelen een publiekrechtelijke rechtshandeling zijn, zijn dat besluiten waartegen opposante in bezwaar en beroep kan gaan. Dat het onzeker is of bepaalde rechtsgevolgen voor opposante zullen intreden maakt dat niet anders. Bovendien heeft opposante het zelf in de hand of verweerder al dan niet passende maatregelen zal nemen. De verzetsgrond slaagt niet.

4. Opposante heeft ook nog aangevoerd dat er geen sprake is geweest van norm overschrijdend gedrag. Verweerder heeft dit ten onrechte niet bij zijn oordeelsvorming betrokken en het besluit om opposante te registreren in het Gemeentelijk Incidenten Registratiesysteem kan daarom niet in stand blijven. De rechtbank heeft dit ten onrecht niet erkend in de uitspraak van 6 februari 2020, aldus opposante.

4.1

Ook hier is de rechtbank het niet mee eens. Aan de rechtbank lag het besluit op bezwaar van 6 augustus 2019 voor, waarin het bezwaar van opposante niet-ontvankelijk is verklaard. De rechtbank moest toetsen of dat besluit rechtmatig was en dat heeft de rechtbank ook gedaan. Of de registratie in het Gemeentelijk Incidenten Registratiesysteem rechtmatig was heeft de rechtbank dus terecht niet getoetst. Dat kan de rechtbank overigens ook niet toetsen, want zoals hiervoor overwogen is die registratie geen besluit. De verzetsgrond slaagt niet.

5. Tot slot voert opposante aan dat de uitspraak van de rechtbank van 6 februari 2020 geen uitspraak was als bedoeld in artikel 8:54 van de Awb, omdat in het dictum niet staat dat de rechtbank het beroep ‘kennelijk ongegrond’ verklaart, maar alleen ‘ongegrond’. Naar de rechtbank begrijpt vindt opposante dat de rechtbank daarom een verkeerde rechtsmiddelenclausule onder de uitspraak heeft gezet: in plaats van de mededeling dat opposante in verzet kan als zij het niet eens is met de uitspraak had daar moeten staan dat zij in hoger beroep kan.

5.1

Ook dit standpunt volgt de rechtbank niet. Zoals in rechtsoverweging één en zes van de uitspraak van 6 februari 2020 staat vermeld is het beroep kennelijk ongegrond als bedoeld in artikel 8:54 van de Awb. Deze uitspraak is dus wat betreft de inhoud een uitspraak als bedoeld in artikel 8:54 van de Awb en hiertegen staat enkel verzet bij een bestuursrechter van de rechtbank open. Dat het dictum vervolgens ‘ongegrond’ luidt is juist: in artikel 8:70 van de Awb staat een limitatieve opsomming van de verschillende beslissingen die de rechtbank op het beroep kan nemen. In artikel 8:70 van de Awb wordt als mogelijke beslissing ‘ongegrond’ genoemd, maar niet ‘kennelijk ongegrond’. Het is de rechtbank bovendien onduidelijk wat opposante met deze verzetsgrond wil bereiken. Als het al zo zou zijn dat in de uitspraak van 6 februari 2020 een onjuiste rechtsmiddelenclausule is vermeld, dan zou dit mogelijk een te laat ingesteld verzet verschoonbaar maken. Maar dat is hier niet aan de orde. Opposante heeft namelijk binnen de verzetstermijn een brief gestuurd aan de Centrale Raad van Beroep (CRvB). De CRvB heeft die brief vervolgens aan de rechtbank gestuurd, omdat volgens hem de rechtbank bevoegd is de zaak af te handelen. Het verzet van opposante is dus op tijd ingesteld. Verder blijkt hieruit dat ook de Centrale Raad van Beroep vindt dat tegen de uitspraak van 6 februari 2020 verzet, en geen hoger beroep open staat. De verzetsgrond slaagt niet.

6. Dit betekent dat het verzet ongegrond is en dat de uitspraak van de rechtbank

van 6 februari 2020 in stand blijft.

7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het verzet ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. R.C. Moed, rechter, in aanwezigheid van

O. Asafiati, griffier, op 17 april 2020. Als gevolg van maatregelen rondom het Coronavirus is deze uitspraak niet uitgesproken op een openbare uitsprakenzitting. Zodra het openbaar uitspreken weer mogelijk is, wordt deze uitspraak alsnog in het openbaar uitgesproken.

de griffier is verhinderd deze

uitspraak te ondertekenen

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Tegen deze uitspraak kunt u niet in hoger beroep.