Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2020:1512

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
16-04-2020
Datum publicatie
17-04-2020
Zaaknummer
C16/477525/FA RK 19-1616
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Beschikking
Inhoudsindicatie

Inkomsten van onder bewind staand vermogen tellen mee voor de draagkracht van de alimentatieplichtige.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
PFR-Updates.nl 2020-0106
ERF-Updates.nl 2020-0099
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Familierecht

locatie Utrecht

zaaknummer: C/16/477525 / FA RK 19-1616

Beschikking van 16 april 2020

in de zaak van:

[de vrouw] ,

wonende te [woonplaats] ,

hierna te noemen de vrouw,

advocaat mr. M. Koudstaal,

tegen

[de man] ,

wonende te [woonplaats] ,

hierna te noemen de man,

advocaat mr. M.M. van Maanen.

1 Verloop van de procedure

1.1.

De rechtbank heeft eerder beschikkingen gegeven tussen partijen op 28 mei 2019 en 9 augustus 2019. In de laatste beschikking is de echtscheiding tussen partijen uitgesproken, de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken vastgesteld en het verzoek tot het vaststellen van de hoofdverblijfplaats afgewezen. De behandeling van de overige verzoeken is aangehouden.

1.2.

De rechtbank heeft daarna de volgende stukken ontvangen:

- het aanvullende verzoekschrift van de vrouw van 14 februari 2020, met bijlagen

52 t/m 79;

  • -

    de brief van de man van 17 februari 2020, met bijlagen 38 t/m 54;

  • -

    de brief van de man van 18 februari 2020, met bijlagen 17 en 39;

  • -

    de brief van de vrouw van 25 februari 2020, met bijlage 80.

1.3.

De verzoeken zijn verder behandeld op de zitting van 27 februari 2020. Hierbij waren partijen met hun advocaten aanwezig. De advocaten van partijen hebben op de zitting pleitnotities voorgedragen en overgelegd. De vrouw heeft daarnaast een inventarisatie processtukken overgelegd.

1.4.

Nadien heeft de rechtbank een brief van de vrouw van 11 maart 2020 ontvangen met betrekking tot de afgifte inboedelgoederen en een brief van 31 maart 2020 van de man over ditzelfde onderwerp.


2. Waar gaat het over?

2.1.

Partijen zijn gescheiden op [2019] .

2.2.

Het minderjarige kind van partijen is:

- [minderjarige], geboren op [2015] te [geboorteplaats] .

2.3.

De zorg- en opvoedingstaken met betrekking tot [minderjarige] zijn in de beschikking van 9 augustus 2019 tussen partijen gelijkelijk verdeeld.

2.4.

Voor het huwelijk hebben partijen huwelijkse voorwaarden laten opmaken. Daarin hebben zij (onder meer) afgesproken dat door het huwelijk geen gemeenschap van goederen zal ontstaan (artikel 1 van de huwelijkse voorwaarden, HV). Verder is in de huwelijkse voorwaarden een regeling opgenomen met betrekking tot vergoedingsrechten, de verdeling van de kosten van de huishouding, aansprakelijkheid voor de schulden en een regeling betreffende het bewijsvermoeden van eigendom van roerende zaken.

2.5.

De man is eigenaar van de woning in [woonplaats] aan de [adres] waar partijen gezamenlijk hebben gewoond.

2.6.

Partijen willen dat de rechtbank een beslissing geeft over de financiële gevolgen van de echtscheiding, zoals de kinder- en partneralimentatie, de afwikkeling van de huwelijkse voorwaarden en de afgifte van diverse goederen. De rechtbank zal hierna per onderwerp verder ingaan op de verzoeken van partijen en hun standpunten daarbij.

2.7.

Het verzoek van de man met betrekking tot afgifte van de Volvo aan hem heeft hij op de zitting ingetrokken, zodat hier niet meer op hoeft te worden beslist.

3 De beoordeling

Kinderalimentatie

3.1.

Beide partijen hebben verzocht om een bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [minderjarige] vast te stellen voor de andere ouder. Voor het berekenen van de kinderalimentatie is het van belang bij welke ouder [minderjarige] staat ingeschreven, omdat er in beginsel van uit gegaan wordt dat de ouder bij wie het kind staat ingeschreven de zogenoemde verblijfsoverstijgende kosten (zoals schoolgeld, kleding en contributies voor sport) voldoet. Bij beschikking van 9 augustus 2019 heeft de rechtbank in verband met de destijds nog niet-gelijke zorgregeling, geen aanleiding gezien om de inschrijving van [minderjarige] in de Basisregistratie Personen bij de man te wijzigen naar de vrouw. Gesteld noch gebleken is dat partijen nadien in onderling overleg afspraken hebben gemaakt over de inschrijving van [minderjarige] . Op basis van de huidige verdeling van de zorgtaken ziet de rechtbank opnieuw geen aanleiding om deze inschrijving te wijzigen. De vrouw heeft hiertoe onvoldoende gesteld. Dit betekent dat de rechtbank er vanuit gaat dat de man alle verblijfsoverstijgende kosten van [minderjarige] voldoet.

Behoefte

3.2.

Bij de berekening van de kinderalimentatie wordt eerst gekeken naar wat de kosten van een kind zijn. Dat wordt ook wel de ‘behoefte’ van het kind genoemd. De rechtbank berekent de behoefte van [minderjarige] op een bedrag van € 960,- per maand in 2018. Geïndexeerd naar 2020 is dat € 1.001,- per maand. De rechtbank heeft dat als volgt berekend.

3.2.1.

Om te kijken wat een kind kost, maakt de rechtbank gebruik van tabellen die door het Nibud (Nederlands Instituut voor Budgetvoorlichting) zijn ontwikkeld. Daarbij wordt gekeken naar wat de ouders te besteden hadden toen zij nog bij elkaar waren. Dit betekent dat zowel gekeken moet worden naar wat het inkomen tijdens de laatste jaren van het huwelijk is geweest, als naar het uitgavenpatroon in dezelfde periode, om daaruit te kunnen afleiden in welke welstand partijen hebben geleefd.

3.2.2.

De rechtbank constateert dat partijen niet ver uit elkaar liggen wat betreft de hoogte van de behoefte van [minderjarige] . De vrouw stelt dat van het hoogste tabelbedrag in 2018 moet worden uitgegaan, zijnde een inkomen van minimaal € 6.000,- netto per maand. De man stelt dat het inkomen € 5.664,- netto per maand bedroeg. De rechtbank zal de vrouw volgen en acht het aannemelijk dat het gezin ook kon beschikken over het verschil van € 467,- per maand aan inkomen gelet op het volgende.

3.2.3.

Partijen zijn het eens dat het inkomen van de vrouw minimaal € 1.675,- netto per maand bedroeg. Ook zijn zij het eens dat de man een inkomen uit arbeid van € 2.358,- netto per maand heeft en hij daarnaast maandelijks een extra bedrag van € 1.500,- netto kon pinnen van de bankrekening op naam van mevrouw [tante] (tante [tante] ). Gezamenlijk is dit een inkomen van € 5.533,- netto per maand.

3.2.4.

De rechtbank is daarnaast van oordeel dat bij het bepalen van het inkomen van partijen ten tijde van het huwelijk ook rekening moet worden gehouden met de privé onttrekkingen uit de onderneming van de man. Het klopt, zoals door de man is gesteld, dat hij in 2018 in zijn onderneming geen privé onttrekkingen heeft gedaan. Het ondernemingsvermogen was in dat jaar nihil omdat al het vermogen er al uit was gehaald en er niets meer te onttrekken viel. Verder kwam er in 2018 niets meer binnen in de onderneming omdat de onderneming slapende was. In 2017 heeft de man nog echter in totaal een bedrag van € 69.303,- bruto onttrokken uit zijn onderneming. Zoals in 3.2.1. al is vermeld moet voor het bepalen van de behoefte niet alleen gekeken worden naar het laatste jaar (2018), maar ook naar de jaren daarvoor, nu die mede bepalend zijn voor de welstand waarin [minderjarige] , heeft kunnen leven.

3.2.5.

De rechtbank is daarbij ook van oordeel dat het luxe leven, zoals door de man erkend in zijn verweerschrift onder randnummer 21, bepalend is voor het berekenen van de behoefte. Partijen leefden in een luxueuze woning met een zeer kostbare inboedel. Op deze woning rust slechts een in verhouding geringe hypothecaire geldlening van € 220.000,-. De man beschikt daarnaast over verschillende Jaguars en enkele boten. Daarbij heeft de vrouw onweersproken gesteld dat partijen tijdens het huwelijk verschillende arbeidskrachten in dienst hadden voor onder meer de tuin en verzorging van [minderjarige] . Ook dit is medebepalend voor de welstand ten tijde van het huwelijk. Gelet op het voorgaande is het exact berekenen van het netto besteedbaar gezinsinkomen van partijen lastig, maar de rechtbank acht het zeer aannemelijk dat dit tenminste hoger lag dan een bedrag van € 6.000,- per maand. De rechtbank zal daarom de vrouw volgen in haar standpunt en voor de kinderalimentatie uitgaan van een netto gezinsinkomen van tenminste € 6.000,- per maand. Vervolgens heeft de rechtbank in de tabellen van het Nibud gekeken welke behoefte past bij dit inkomen en komt dan uit bij een behoefte van thans € 1001,- per maand.

Draagkracht

3.3.

Bij de berekening van de kinderalimentatie moet vervolgens worden gekeken naar wat ieder van de ouders kan betalen. Dat wordt ook wel de ‘draagkracht’ van de ouders genoemd.

Draagkracht van de vrouw

3.4.

De draagkracht van de vrouw berekent de rechtbank op € 500,- per maand. De rechtbank zal uitleggen hoe zij aan dat bedrag is gekomen.

3.4.1.

Voor het bepalen van de draagkracht van een ouder wordt allereerst gekeken naar het inkomen van die ouder. De vrouw heeft een salarisspecificatie van januari 2020 overgelegd, waaruit volgt dat zij op dit moment € 2.660,40 bruto per maand verdient. Gedurende het huwelijk werkte de vrouw twee dagen per week. Sinds de verbreking van het huwelijk heeft zij dit uitgebreid naar drie dagen per week. De rechtbank is met de man van oordeel dat zij dit op termijn kan uitbreiden naar vier dagen per week en daarmee haar inkomen kan vergroten. Zolang de man echter zelf maar 20 uur per week werkt, vindt de rechtbank dat hij dit nu nog niet van de vrouw kan verlangen, te meer nu de vrouw de helft van de zorg- en opvoedingstaken van [minderjarige] heeft en daarbij in beslag wordt genomen door de zeer moeizame samenwerking met de man over de verdeling van deze zorgregeling. Tijdens de zitting is gebleken dat Veilig Thuis inmiddels ook bij het gezin is betrokken en de Raad voor de Kinderbescherming overweegt een voorlopige ondertoezichtstelling te verzoeken aan deze rechtbank. Deze omstandigheden beperken de vrouw om haar verdiencapaciteit te vergroten. De rechtbank zal daarom uitgaan van haar huidige inkomen van € 2.260,40 bruto per maand. Gelet op dit inkomen, rekening houdend met een vakantietoeslag, ingehouden pensioenpremie en de van toepassing zijnde heffingskortingen berekent de rechtbank het netto besteedbaar inkomen van de vrouw op € 2.413,- (berekening I).

3.4.2.

Vervolgens moet worden bekeken welk deel van dat inkomen kan worden gebruikt om bij te dragen in de kosten van [minderjarige] . Daarvoor maakt de rechtbank gebruik van de zogenoemde ‘draagkrachtformule’ die door de Expertgroep Alimentatie wordt aanbevolen. In die formule wordt ervan uitgegaan dat iemand 30% van zijn netto besteedbaar inkomen aan woonlasten mag uitgeven. Dat komt hier neer op € 724,- per maand. Daarnaast wordt rekening gehouden met een minimum bedrag aan overige vaste lasten van € 975,- per maand.

Van het netto besteedbaar inkomen van de vrouw blijft dan een bedrag van € 714,- over. Daarvan is volgens de aanbevelingen van de Expertgroep Alimentatie 70% beschikbaar voor kinderalimentatie. Dat komt neer op een bedrag van € 500,- per maand.

Draagkracht van de man

3.5.

De draagkracht van de man berekent de rechtbank op € 6.362,- per maand. De rechtbank zal uitleggen hoe zij aan dat bedrag is gekomen.

3.5.1.

Voor het bepalen van de draagkracht van een ouder wordt allereerst gekeken naar het inkomen van die ouder. Zoals hiervoor overwogen is niet in geschil dat de man een inkomen uit arbeid heeft van € 38.880,- bruto per jaar bij tante [tante] . Daarnaast beschikt de man over een zeer groot vermogen. Geschilpunt is of en in hoeverre dit vermogen moet worden meegenomen voor het bepalen van de draagkracht van de man.

3.5.2.

Naast de woning in [woonplaats] , die een WOZ-waarde heeft van € 1.493.000,-, is de man ook eigenaar van een aandelen en obligatieportefeuille met een waarde van bijna € 4.000.000,- in 2020. Het fictieve fiscale rendement hierover bedraagt ongeveer € 200.000,- per jaar. De rechtbank acht het aannemelijk dat het feitelijk rendement gemiddeld genomen ongeveer evenveel zal zijn. Bij dergelijke hoge vermogens is dit doorgaans het geval, omdat (een deel daarvan) met meer risico belegd pleegt te kunnen worden. Deze aanname is ook recentelijk gecodificeerd met de invoering van het schijventarief in box 3. Verder blijkt dat de aandelen- en obligatieportefeuille sinds de verkrijging daarvan aanzienlijk in waarde is gestegen, corresponderend met het fictieve fiscale rendement. De man heeft gesteld dat hij niet over dit vermogen kan beschikken, omdat het onder bewind is gesteld van zijn ouders. De rechtbank is van oordeel dat, ook al kan de man op dit moment nog niet feitelijk over dit vermogen beschikken, met het inkomen uit dit vermogen rekening moet worden gehouden bij het bepalen van zijn draagkracht. Van de man kan verlangd worden dat hij zich tot zijn ouders wendt om over de aanwas van het onder bewind gestelde vermogen of over een deel van dat vermogen te kunnen beschikken, om te kunnen voldoen aan zijn wettelijke onderhoudsverplichting. Indien de ouders van de man hieraan geen medewerking willen verlenen, kan de man zich tot de kantonrechter of de voorzieningenrechter wenden. Dit heeft de man in het verleden ook met succes gedaan voor de verplichte belastingaanslagen in box 3 over dit vermogen. De rechtbank heeft geen reden om aan te nemen dat dat dit keer niet succesvol zal zijn, omdat het ook hier gaat om het kunnen voldoen aan een wettelijke verplichting. De man heeft gesteld dat het doel van het bewind is het kapitaal in de familie van de man te behouden. Hij heeft verder gesteld dat het onder bewind gestelde vermogen moet worden gezien als een voorschot op zijn erfenis en dat de daarmee gemoeide schenking destijds in België nog belastingvrij kon worden gedaan. De rechtbank heeft geen reden daaraan te twijfelen, maar dit levert geen grond op anders te oordelen. Het is duidelijk dat de schenking destijds in het kader van estate planning, mede teneinde toekomstige erfbelasting te ontwijken, aan de man is gedaan. Het opzetten van een dergelijke constructie mag dan fiscale voordelen hebben, in sommige situaties kan dat ook nadelig uitpakken. Het gevolg van de schenking is dat de betreffende aandelen- en obligatieportefeuille van het vermogen van zijn ouders is overgegaan tot dat van de man. Ook de aanwas van die portefeuille komt bovenop zijn vermogen. Net als de belastingdienst weegt de alimentatierechter die vermogensaanwas dus mee. De rechtbank is bovendien van oordeel dat het voldoen aan een onderhoudsplicht voor een minderjarige maar ook voor een gewezen echtgenoot zwaarder weegt, ook in moreel opzicht, dan het behoud van het familievermogen. Dit betekent dat de rechtbank gaat rekenen met een netto inkomen uit vermogen van (€ 200.000 -/- 60.000 aan verschuldigde belasting =) € 140.000,- per jaar. Mocht het de man niet lukken dit vrij te maken dan kan hij ook nog het vermogen dat hij in de woning heeft zitten vrijmaken door de woning te verkopen en kleiner te gaan wonen.

3.5.3.

De rechtbank zal geen rekening houden met een winst uit onderneming nu de man zijn werkzaamheden in deze onderneming heeft gestaakt. Evenmin zal de rechtbank rekening houden met de extra pinopname van de bankpas van tante [tante] . De man heeft voldoende aannemelijk gemaakt met de brief van tante [tante] dat hij niet meer over deze bankpas kan beschikken, in ieder geval niet zolang partijen procederen over te betalen alimentatie.

3.5.4.

Gelet op voornoemd inkomen uit arbeid en vermogen en rekening houdend met de van toepassing zijnde heffingskortingen, berekent de rechtbank het netto besteedbaar inkomen van de man op € 14.375,- (berekening II).

3.5.5.

Vervolgens moet worden bekeken welk deel van dat inkomen kan worden gebruikt om bij te dragen in de kosten van [minderjarige] . Daarvoor maakt de rechtbank gebruik van de zogenoemde ‘draagkrachtformule’ die door de Expertgroep Alimentatie wordt aanbevolen. In die formule wordt ervan uitgegaan dat iemand 30% van zijn netto besteedbaar inkomen aan woonlasten mag uitgeven. Dat komt hier neer op € 4.312,- per maand. Daarnaast wordt rekening gehouden met een minimum bedrag aan overige vaste lasten van € 975,- per maand. Van het netto besteedbaar inkomen van de man blijft dan een bedrag van € 9.088,- over. Daarvan is volgens de aanbevelingen van de Expertgroep Alimentatie 70% beschikbaar voor kinderalimentatie. Dat komt neer op een bedrag van € 6.362,- per maand.

Draagkrachtvergelijking

3.6.

Als de ouders samen genoeg draagkracht hebben om alle kosten van hun kind te voldoen, dan moet de rechter berekenen wie welk deel van de kosten moet dragen. Dat wordt ook wel de ‘draagkrachtvergelijking’ genoemd.

3.6.1.

Zoals hiervoor is berekend, heeft de man een draagkracht van € 6.362,- per maand en de vrouw een draagkracht van € 500,- per maand. Samen hebben ze dus een draagkracht van € 6.862,- per maand. Dit is genoeg om alle kosten van [minderjarige] te betalen, die namelijk € 1.001,- per maand zijn. Na vergelijking van ieders draagkracht betekent dit dat de man een deel van € 928,- per maand moet dragen en de vrouw een deel van € 73,- per maand.

Zorgkorting

3.7.

Tot slot krijgt normaal gesproken de ouder die kinderalimentatie moet betalen een korting op die alimentatie, omdat die ouder al een deel van de kosten betaalt op het moment dat het kind bij hem/haar verblijft. Dit wordt ook wel de ‘zorgkorting’ genoemd.

3.7.1.

Ingevolge het Tremarapport van de Expertgroep Alimentatienormen kan een zorgkorting worden gehanteerd van maximaal 35% van de totale kosten van een kind. Ook indien een ouder de helft van de tijd de zorg draagt voor een kind, dient hiervoor maximaal een zorgkorting van € 35% gerekend te worden. Er wordt dan van uitgegaan dat de kosten die deze ouder maakt voor het kind (bijv. voor eten) in de tijd dat het kind bij deze ouder verblijft, 35% van de totale kosten van het kind beslaan. De verblijfskosten bij de andere ouder, waar het kind ook de helft van de tijd verblijft, bedragen eveneens 35% van de kosten van het kind. Het totale bedrag dat de ouders uitgeven aan de verblijfskosten beslaat derhalve 70% van de kosten van dit kind. De resterende 30% van de kosten van een kind wordt geacht te worden besteed aan de verblijfsoverstijgende kosten, waaronder bijvoorbeeld is begrepen schoolgeld en contributie voor sport. Zoals in rechtsoverweging 3.1 is overwogen gaat de rechtbank er van uit dat de man deze kosten voldoet.

3.7.2.

Aangezien daarnaast 35% van de kosten van [minderjarige] voor rekening van de man komen wegens het verblijf van [minderjarige] bij de man, voldoet de man in de praktijk 65% van de totale kosten van [minderjarige] , zijnde € 651,-. De vrouw voldoet alleen de verblijfskosten ter hoogte van 35% van de totale kosten van [minderjarige] , zijnde € 350,- per maand. Gelet op de draagkrachtvergelijking behoeft de vrouw slechts met € 73,- per maand bij te dragen in de kosten van [minderjarige] . Dit betekent dat zij een bedrag van € 277,- meer aan kosten maakt dan zij op grond van de draagkrachtvergelijking zou hoeven te maken. De man dient daarnaast op basis van de draagkrachtvergelijking met een bedrag van € 928,- bij te dragen, maar zijn kosten zijn slechts € 651,-. Dit verschil (928 -/- 651=) van € 277,- is wat de vrouw te veel aan kosten maakt. Het is dan ook redelijk dat de man dit bedrag aan haar betaalt. Dit betekent dat de man een bijdrage van € 277,- per maand aan kinderalimentatie aan de vrouw moet betalen.

Vooruitbetaling

3.8.

De rechtbank zal bepalen dat de man de kinderalimentatie steeds vóór de eerste van de maand moet betalen. Het gaat namelijk om een bijdrage in de kosten die in die maand gemaakt zullen gaan worden en dan zou het te laat zijn als de alimentatie pas aan het eind van de maand wordt betaald.

Partneralimentatie

3.9.

De vrouw wil dat de man aan haar een bedrag aan partneralimentatie van € 5.546,- netto per maand gaat betalen. De man is het daar niet mee eens en zegt dat hij dat bedrag niet kan betalen.

3.10.

Bij de bepaling van een bedrag aan partneralimentatie moet de rechtbank eerst kijken naar wat de vrouw nodig heeft voor haar levensonderhoud, mede gelet op de welstand die partijen tijdens het huwelijk hadden (de zogenoemde ‘huwelijksgerelateerde behoefte’). Vervolgens moet de rechtbank beoordelen in hoeverre de vrouw redelijkerwijs zelf in die behoefte kan voorzien (de zogenoemde ‘behoeftigheid’). Tot slot moet worden bekeken wat de man daarvan kan betalen (de zogenoemde ‘draagkracht’).

Huwelijksgerelateerde behoefte

3.11.

Partijen verschillen van mening over de hoogte van de huwelijksgerelateerde behoefte. De rechtbank constateert dat de man ter zitting aansluit bij de zogenaamde Hof-norm, zodat partijen het hierover eens zijn. Voor de toepassing van deze norm dient de rechtbank te bepalen wat het netto-gezinsinkomen van partijen was ten tijde van het huwelijk.

3.12.

Door de vrouw is ter onderbouwing van haar behoefte gesteld dat niet alleen gekeken moet worden naar het gezamenlijke gezinsinkomen ten tijde van het huwelijk, maar ook naar het uitgavenpatroon van partijen in die periode. Zij stelt daartoe dat rekening moet worden gehouden met het inkomen van de man uit arbeid en vermogen, winst uit onderneming in 2017 en de extra opnames van de pinpas van tante [tante] . De vrouw heeft daarbij diverse overzichten overgelegd waaruit het uitgavenpatroon van partijen van minimaal € 12.000,- netto per maand zou blijken. De man betwist het voorgaande met uitzondering van zijn inkomen uit arbeid en de pinpasopname van € 1.500,- per maand. Hij stelt dat het gezinsinkomen in totaal

€ 5.664,- netto per maand bedroeg.

3.13.

De rechtbank is met de vrouw van oordeel dat voor het bepalen van de behoefte van de vrouw niet alleen gekeken moet worden naar het inkomen wat partijen op papier verdienden, maar ook naar het uitgavenpatroon, omdat dit een indicatie geeft wat partijen feitelijk aan geld ter beschikking hadden. Gelet op het luxe leven waarin partijen leefden, zoals hiervoor in 3.2.5 is benoemd, is de rechtbank van oordeel dat het door de vrouw genoemde inkomen meer aansluit bij de werkelijkheid dan het inkomen dat de man heeft genoemd. Bij gebrek aan exacte cijfers zal de rechtbank daarom in redelijkheid het gezinsinkomen vaststellen op een bedrag van € 10.000,- netto per maand. De kosten van [minderjarige] in 2018 van € 960,- moeten hier van af worden getrokken, omdat partijen dat deel van het gezinsinkomen niet voor hun eigen uitgaven konden gebruiken. Dan bleef er voor hun eigen uitgaven dus een bedrag van € 9.040,- over. Volgens de Hof-norm bedraagt de huwelijksgerelateerde behoefte dan 60% van dat bedrag, waarbij rekening is gehouden met het feit dat het leven voor een alleenstaande duurder is dan voor samenwoners. De huwelijksgerelateerde behoefte van de vrouw komt dan dus uit op € 5.424,- netto per maand.

Aanvullende behoefte (behoeftigheid)

3.14.

Zoals vermeld in rechtsoverweging 3.4.1. is het netto besteedbaar inkomen van de vrouw berekend op € 2.413,- per maand. Dit is lager dan haar huwelijksgerelateerde behoefte, zodat zij daar niet zelf in kan voorzien en een bijdrage nodig heeft van de man. Zoals al bij de kinderalimentatie is overwogen gaat de rechtbank voorbij aan het standpunt van de man dat de vrouw op dit moment haar verdiencapaciteit dient te vergroten.

Rekening houdend met de te betalen belasting en de bijdrage voor de zorgverzekeringswet (ZVW) becijfert de rechtbank – onder verwijzing naar de bijgevoegde berekening (berekening III) – dat de vrouw behoefte heeft aan een aanvullende bijdrage van de man van € 5.781,- bruto per maand om volledig in de huwelijksgerelateerde behoefte te kunnen voorzien.

Draagkracht van de man

3.15.

Om te kijken welke bijdrage de man kan leveren, moet de rechtbank eerst kijken naar het inkomen van de man. De rechtbank houdt rekening met dezelfde uitgangspunten als bij het berekenen van het inkomen van de man bij de kinderalimentatie. Onder verwijzing naar berekening II berekent de rechtbank het netto besteedbaar inkomen van de man voor de partneralimentatie op € 14.349,- per maand.

3.16.

Van dat inkomen moet de man vervolgens zijn vaste lasten voldoen. De rechtbank zal hierna per last ingaan op de standpunten van partijen.

3.16.1.

De rechtbank houdt allereerst rekening met een bedrag ter hoogte van de bijstandsnorm voor een alleenstaande, te weten € 1.052,- per maand. Van dit bedrag wordt de man geacht onder meer zijn boodschappen en kosten van gas, water en elektriciteit te betalen.

3.16.2.

Wat de woonlasten betreft, houdt de rechtbank rekening met een hypotheeklast van € 422,- per maand, het hoge eigenwoningforfait, de wet Hillen en € 95,- per maand aan overige eigenaarslasten. De rechtbank zal zoals gebruikelijk is bij alimentatieberekeningen een bedrag ter hoogte van de gemiddelde basishuur van € 230,- per maand in mindering brengen op zijn woonlast. In de bijstandsnorm van € 1.052,- per maand zit namelijk al een bedrag aan woonlasten van € 230,- per maand inbegrepen en anders zou er sprake zijn van een dubbeltelling van woonlasten.

3.16.3.

Verder houdt de rechtbank rekening met een bedrag aan premie voor de ziektekostenverzekering van € 125,- per maand. De rechtbank brengt een bedrag van € 33,- per maand in mindering op de ziektekosten van de man. In de bijstandsnorm zit namelijk al dat bedrag aan ziektekosten begrepen en anders zou er een dubbeltelling van ziektekosten plaatsvinden.

3.16.4.

De rechtbank houdt geen rekening met de kosten van verzekering van de eveneens onder bewind staande inboedelgoederen die de man heeft ontvangen van zijn ouders. De onderhoudsverplichting van de man jegens zijn gewezen echtgenoot weegt zwaarder dan deze verzekering. Bovendien zit in de bijstandsnorm al een bedrag aan inboedelverzekering inbegrepen. Voor de inboedelgoederen van tante [tante] geldt dat zij zelf draagplichtig is voor de stukken die haar eigendom zijn, ook al heeft zij die in bruikleen gegeven aan de man.

3.16.5.

Met de door de man opgevoerde schulden aan tante [tante] wordt evenmin rekening gehouden, nu uit de stukken blijkt dat in de familie van de man de traditie bestaat dat dergelijke schulden door middel van schenkingen worden verevend.

3.17.

Uitgaande van het hiervoor genoemde inkomen en de hiervoor genoemde lasten en rekening houdend met het feitelijke aandeel van de man in de kosten van [minderjarige] als hiervoor becijferd op (651 + 277 =) € 928,-, berekent de rechtbank de draagkracht van de man op een bedrag van € 7.381,- bruto per maand. De rechtbank verwijst daarvoor naar de berekening die bij deze beschikking is gevoegd (berekening II).

3.18.

Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, is de rechtbank van oordeel dat de man geacht kan worden volledig in de behoefte van de vrouw te voorzien. De rechtbank zal dan ook bepalen dat de man met een bedrag van € 5.781,- bruto per maand dient bij te dragen in de kosten van levensonderhoud van de vrouw.

Vergoedingsrecht van de vrouw

3.19.

De vrouw stelt dat zij uit privé vermogen een bedrag van € 14.352,16 heeft geïnvesteerd in de woning van de man. Daarnaast heeft zij in totaal een bedrag van € 83.993,32 aan de man geleend. De vrouw verzoekt de rechtbank te bepalen dat de man verschuldigd is deze bedragen aan haar terug te betalen, alsmede haar aandeel in de waardevermeerdering van de woning.

- Investering in de woning
Op de zitting heeft de man erkend dat de vrouw op 28 juni 2015 een bedrag van € 14.352,16 heeft geïnvesteerd in zijn woning, waardoor zij op grond van artikel 7 HV een nominaal repriserecht heeft. De rechtbank zal het verzoek van de vrouw ter zake daarom toewijzen. Het verzoek van de vrouw ten aanzien van de waardevermeerdering in de woning zal de rechtbank afwijzen, omdat uit de huwelijksvoorwaarden uitdrukkelijk blijkt dat het om een nominaal vergoedingsrecht gaat, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf het ontstaan van de vordering. De vrouw heeft de wettelijke rente niet uitdrukkelijk gevorderd, maar de rechtbank acht die toch toewijsbaar, nu die rente beschouwd kan worden als vervanging van het wel gevorderde aandeel in de waardevermeerdering. De wettelijke rente is gaan lopen vanaf het moment van ontstaan van de vordering, zijnde 28 juni 2015. De rechtbank acht het redelijk om uit te gaan van de samengestelde rente nu de huwelijkse voorwaarden hierover niets vermelden.

- Lening aan de man
De rechtbank stelt vast dat het verzoek van de vrouw met betrekking tot de lening aan de man valt onder artikel 827 lid 1 sub f van Rechtsvordering. De rechtbank kan een dergelijke nevenvoorziening slechts treffen in deze echtscheidingsprocedure indien sprake is van voldoende samenhang met het verzoek tot echtscheiding en niet te verwachten is dat de behandeling daarvan tot onnodige vertraging van het geding zal leiden. De rechtbank is van oordeel dat hiervan sprake is, in tegenstelling tot de man. Tussen partijen staat vast dat de vrouw de man op verschillende momenten geldbedragen heeft geleend, deels ook voor de aankoop van goederen. Op die bedragen zijn op verschillende momenten bedragen verrekend, zodat het voor de rechtbank moeilijk is, zoals dat ook voor partijen was, om te reconstrueren wat uiteindelijk de hoogte is van het door de man aan de vrouw verschuldigde bedrag. Ter zitting is vast komen te staan dat partijen de hoogte van het geleende bedrag op 13 november 2018, met het oog op het naderend einde van hun huwelijk, na berekeningen, schriftelijk hebben vastgesteld op een bedrag van € 78.758,50. De man heeft aanvankelijk ontkend dat het zijn handtekening was onder de door de vrouw als productie 66 overgelegde verklaring van 13 november 2018. Op de zitting heeft hij echter erkend dat de handtekening van hem is, zij het dat hij nu stelt dat hij deze onder druk van de vrouw heeft geplaatst. Mede gelet op de tegenstrijdigheid in de verklaringen van de man, acht de rechtbank ontoelaatbare druk niet aannemelijk. Die blijkt ook nergens uit, anders dan dat de man dit beweert. De rechtbank zal dus het op de verklaring genoemde bedrag van € 78.758,50 als uitgangspunt nemen.

3.22.

De man stelt vervolgens dat hij een bedrag van € 6.483,- en een bedrag van € 2.241,50 op deze lening heeft afgelost. De vrouw heeft dit betwist onder verwijzing naar haar overzicht overgelegd als productie 66. De rechtbank is van oordeel dat de vrouw voldoende heeft aangetoond dat voornoemde bedragen al zijn verdisconteerd in het saldo van € 78.758,-. De man stelt ook niet dat hij na de bovengenoemde vaststellingsovereenkomst nog aflossingen heeft gedaan. Dit volgt ook niet impliciet uit zijn stellingen. De man heeft daarnaast gesteld dat hij twee horloges aan de vrouw heeft gegeven ter waarde van in totaal € 4.135,- die als aflossing op de lening moeten worden gezien. Ook dit heeft de vrouw betwist en komt de rechtbank bovendien vreemd voor. Door de man is verder geen bewijs aangeboden van zijn stelling dat hij de vrouw twee horloges ter aflossing heeft gegeven, zodat de rechtbank geen reden ziet hem tot bewijslevering toe te laten. Hiermee is in deze procedure de afgifte van de twee horloges aan de vrouw, ter aflossing op de schuld, niet vast komen te staan. De rechtbank zal daar daarom geen rekening mee houden en de vordering van de vrouw ter hoogte van € 78.758,50 toewijzen. De rechtbank zal de vordering van de vrouw voor het overige afwijzen, nu partijen de hoogte van de geldlening met de akte van 13 november 2018, die het karakter heeft van een vaststellingovereenkomst, hebben vastgesteld op een bedrag van € 78.758,50. Ook al zou de hoofdsom meer hebben bedragen, staat het de vrouw om die reden niet meer vrij om dit meerdere van de man te vorderen. Voor zover het geld aan de man is geleend voor de aankoop van goederen kunnen de daarvoor ter beschikking gestelde bedragen worden aangemerkt als de betaling door de vrouw van een schuld van de man, namelijk de aan een derde verschuldigde koopsom. Strikt genomen betreft de lening dus, in ieder geval ten dele, een vergoedingsrecht waarop wettelijke rente verschuldigd is op het moment van het ontstaan daarvan conform het bepaalde in artikel 7 van de huwelijkse voorwaarden. Dit is echter niet door de vrouw gevorderd, ook niet in andere bewoordingen en bovendien niet te berekenen, zodat de rechtbank alleen de hoofdsom zal toewijzen.

Vorderingen van de man
3.23. De man stelt een vordering op de vrouw te hebben van in totaal € 16.362,47. Deze vordering bestaat onder meer uit de door de vrouw ontvangen kinderopvangtoeslag over de jaren 2016 tot en met 2019. De man vindt dat die opvangtoeslag hem toekomt omdat hij de kinderopvangkosten van de afgelopen jaren heeft voldaan. Verder bestaat de vordering uit diverse kosten gekoppeld aan de Volvo die de man heeft betaald, maar waarvoor de man de vrouw draagplichtig acht omdat zij in zijn Volvo reed. Tot slot bestaat de vordering uit een post van € 3000,- waarbij de man de woorden “Restitutie vakantie” heeft geplaatst.

3.24.

De rechtbank is van oordeel dat de kosten van de kinderopvang ten tijde van het huwelijk tot en met december 2019 (zijnde de datum echtscheiding) kunnen worden gezien als kosten van de huishouding. In de huwelijksvoorwaarden is daarover bepaald dat, voor zover het inkomen uit arbeid van partijen daarvoor niet toereikend is, wat hier dus het geval lijkt te zijn, deze kosten ten laste komen van ieders vermogen naar evenredigheid van de stand daarvan per 1 januari van het desbetreffende kalenderjaar. Omdat de man hier veruit de meest vermogende partij is dienen de kosten van de huishouding, waaronder de kinderopvangkosten, dus ten laste van zijn vermogen te komen. Uiteraard dient de compensatie die voor de kinderopvang wordt ontvangen daarop in mindering te strekken. De vrouw heeft echter onweersproken gesteld dat zij de kinderopvangtoeslag heeft aangewend voor overige kosten van de gezamenlijke huishouding en dit komt de rechtbank gezien het bestedingspatroon van partijen niet onaannemelijk voor. Die overige kosten dienen ook ten laste van het vermogen van de man te komen. Naar het oordeel van de rechtbank is met dit verweer dus niet vast komen staan, dat de vrouw met de ontvangst van de kinderopvangtoeslag ten koste van de man ongerechtvaardigd is verrijkt, zoals door de man is gesteld. De vrouw heeft verder onweersproken gesteld dat zij de kinderopvangtoeslag heeft ontvangen tot aan het moment dat [minderjarige] naar school is gegaan, dus slechts tot begin maart 2019. Dit ligt slechts enkele maanden na de verbreking van de samenwoning en dus ook enkele maanden na het einde van de gezamenlijke huishouding. Indien en voor zover de vrouw de toeslagen toch na maart 2019 heeft ontvangen, heeft de Belastingdienst een vordering tot terugbetaling op de vrouw en is zij ook uit hoofde daarvan niet verrijkt. Voor de tussen liggende periode, dus na de verbreking van de samenwoning en maart 2019 geldt dat de vrouw tegenover het ontvangen van de toeslag daadwerkelijk kosten had voor [minderjarige] en er op dat moment nog geen voorlopige voorzieningen liepen. Van ongerechtvaardigde verrijking is ook over die periode dus een sprake. Niet is gebleken dat de vordering van de man gebaseerd kan worden op een andere rechtsgrond. Gelet op het voorgaande zal de rechtbank het verzoek van de man ter zake afwijzen.

3.25.

Met betrekking tot de kosten gekoppeld aan de Volvo overweegt de rechtbank dat nu de man onbetwist heeft gesteld dat de Volvo zijn eigendom is, niet valt in te zien waarom hij niet draagplichtig is voor de verzekering daarvan alsmede de wegenbelasting. De rechtbank acht de vrouw wel aansprakelijk voor de schade aan de auto ter hoogte van € 1.465,95 en de ontvangen boetes ter hoogte van in totaal € 79,-, omdat deze kosten zijn gemaakt toen de vrouw de auto nog in gebruik had, terwijl er geen sprake meer was van een gezamenlijke huishouding. Deze autokosten kunnen dus niet meer als kosten van de gezamenlijke huishouding worden aangemerkt, maar dienen voor rekening van de vrouw te komen omdat zij deze kosten heeft veroorzaakt. De rechtbank zal het verzoek van de man in zoverre toewijzen.

3.26.

Voor zover de vordering van de man bestaat uit de post “Restitutie vakantie” zal de rechtbank die vordering als onvoldoende onderbouwd afwijzen.

Ontslag aansprakelijkheid hypothecaire geldlening
3.27. De vrouw heeft de rechtbank verzocht de man te veroordelen de vrouw te doen ontslaan uit haar hoofdelijke aansprakelijkheid voor de hypothecaire geldleningen die de man is aangegaan ter financiering van de woning. De man heeft op de zitting toegezegd dat hij zo spoedig mogelijk hierover met de bank in overleg zal treden. Dit verzoek kan als onweersproken en op de wet gegrond worden toegewezen in die zin dat de rechtbank de man in de gelegenheid zal stellen om voor 9 juli 2020 het ontslag van de vrouw uit de hoofdelijke aansprakelijkheid van de hypothecaire geldlening te realiseren.

Afgifte van de goederen
3.28. Partijen hebben allebei verzocht om afgifte van diverse inboedelgoederen conform de door hen overgelegde overzichten. Op de zitting van 11 maart 2020 hebben zij afspraken gemaakt over aan wie welke inboedelgoederen toebehoren. Daarbij zijn zij overeengekomen dat zij in onderling overleg tot afgifte van de spullen zouden overgaan en de rechtbank nader berichten over de resterende geschilpunten. De vrouw heeft bij brief van 11 maart 2020 een nieuw overzicht overgelegd van de spullen die zij niet heeft ontvangen conform de afspraken op zitting. Zij verzoekt de rechtbank de man te veroordelen om de spullen genoemd op de lijst aan haar af te geven. De man heeft bij brief van 31 maart 2020 aan de rechtbank bericht dat hij naar aanleiding van de brief van de vrouw nogmaals heeft gezocht en enkele items die de vrouw terug wilde heeft gevonden en inmiddels ook aan haar heeft overgedragen. Hij stelt dat hij een aantal andere zaken op de lijst van de vrouw simpelweg niet (meer) in zijn bezit heeft. Verder heeft de man ook zelf een lijst gemaakt van goederen die hij nog niet van de vrouw heeft ontvangen. De rechtbank oordeelt naar aanleiding van deze lijsten als volgt. Ieder van partijen dient aan de andere partij die zaken over te dragen die eigendom zijn van de andere partij voor zover die (nog) in zijn of haar bezit zijn. In zoverre zal de rechtbank de vorderingen toewijzen.

Dwangsom
3.29. Partijen hebben over en weer dwangsommen gevorderd op de verzoeken met betrekking tot de afgifte van de goederen. De rechtbank ziet geen reden om de gevorderde dwangsommen toe te wijzen.

Proceskosten

3.30.

Partijen zijn gewezen echtgenoten. De rechtbank zal de proceskosten daarom compenseren in die zin dat elke partij de eigen kosten draagt.

4 Beslissing

De rechtbank:

4.1.

bepaalt dat de man met ingang van vandaag een bedrag van € 277,- per maand moet betalen aan de vrouw, als bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [minderjarige] , met de bepaling dat de man deze alimentatie steeds vóór de eerste van de maand moet betalen;

4.2.

bepaalt het bedrag dat de man aan de vrouw met ingang van vandaag zal verstrekken als bijdrage in de kosten van diens levensonderhoud nader op € 5.781,- per maand, telkens bij vooruitbetaling te voldoen;

4.3.

veroordeelt de man aan de vrouw te voldoen een bedrag van € 14.352,16, betreffende de investering in de woning, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 28 juni 2015 tot aan de dag der algehele voldoening.

4.4.

veroordeelt de man aan de vrouw te voldoen een bedrag van € 78.758,50 ter aflossing van een lening aan de man;

4.5.

veroordeelt de vrouw aan de man te voldoen een bedrag van € 1.544,95 als vergoeding van door haar gereden verkeersboetes en door haar gemaakte schade aan de Volvo;

4.6.

veroordeelt de man om voor 9 juli 2020 het ontslag van de vrouw uit de hoofdelijke aansprakelijkheid van de hypothecaire geldlening ter financiering van de woning te realiseren;

4.7.

veroordeelt ieder van partijen om aan de andere partij af te geven die zaken die eigendom zijn van de andere partij, voor zover hij of zij die goederen nog onder zicht heeft;

4.8.

verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

4.9.

bepaalt dat partijen allebei hun eigen proceskosten moeten betalen;

4.10.

wijst de verzoeken van partijen voor de rest af.

Deze beschikking is gegeven door mr. M.A.A.T. Engbers (kinder)rechter, in aanwezigheid van mr. D.A. van Rootselaar als griffier en in het openbaar uitgesproken op 16 april 2020.

Tegen deze beschikking kan - voor zover er definitief is beslist - door tussenkomst van een advocaat hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof te Arnhem-Leeuwarden. De verzoekende partij en verschenen belanghebbenden dienen het hoger beroep binnen de termijn van drie maanden na de dag van de uitspraak in te stellen. Andere belanghebbenden dienen het beroep in te stellen binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of nadat deze hun op andere wijze bekend is geworden.