Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2020:1502

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
08-04-2020
Datum publicatie
22-04-2020
Zaaknummer
8338924 UC EXPL 20-1287
Rechtsgebieden
Verbintenissenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Tussenuitspraak
Inhoudsindicatie

Zitting niet mogelijk vanwege corona-maatregelen; instructievonnis.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Civiel recht

kantonrechter

locatie Utrecht

zaaknummer: 8338924 UC EXPL 20-1287 nig/1449

Vonnis van 8 april 2020

in de zaak van

[eiseres] ,

wonend in [woonplaats 1] ,

verder ook te noemen [eiseres] ,

eisende partij,

gemachtigde: mr. N. Groen,

tegen:

[gedaagde] ,

wonend in [woonplaats 2] ,

verder ook te noemen [gedaagde] ,

gedaagde partij,

gemachtigde: mr. I.C. van Schip.

1 Wat is er aan de hand?

1.1.

[eiseres] en [gedaagde] hebben een relatie gehad. Zij zijn in 2017 gaan samenwonen, zonder samenlevingscontract. De relatie is verbroken in maart 2019. Zij hebben niet in goed overleg afspraken kunnen maken.

1.2.

[eiseres] vordert nu afgifte van bepaalde spullen en betaling van € 4.175, € 560 en (subsidiair) € 1.500.

1.3.

De zaak is aangebracht bij de handelskamer en op 19 februari 2020 verwezen naar de kantonrechter.

1.4.

Als gevolg van de corona-maatregelen is het op dit moment niet mogelijk een zitting te plannen. Om de zaak niet stil te laten liggen zal de kantonrechter hem schriftelijk bespreken. Partijen mogen daarop reageren. Daarna zal bekeken worden of de zaak schriftelijk kan worden afgedaan of dat er misschien tegen die tijd weer een zitting mogelijk is. In dat geval zal dat wel een kortere zitting kunnen zijn.

2 Wat vindt de kantonrechter ervan?

2.1.

Het gaat hier om vier dingen:

  • -

    bepaalde keukenspullen (pannen, blender, bestek en glazen);

  • -

    duikspullen;

  • -

    terugbetaling van € 560;

  • -

    betaling van de helft van de waarde van de auto.

Deze punten zullen één voor één besproken worden.

2.2.

Eén ding vooraf: [eiseres] vordert afgifte van de spullen op de lijst in productie 1, en subsidiair (dat wil zeggen: als het eerste wordt afgewezen) betaling van € 1.500 voor de duikspullen. Maar de spullen op lijst 1 zijn de keukenspullen. Het is een beetje onlogisch om, als zij de keukenspullen niet krijgt, vergoeding voor de duikspullen te vragen. Dat mag [eiseres] nog uitleggen.

2.3.

[eiseres] vordert afgifte van de keukenspullen. Daar heeft zij recht op, als die spullen inderdaad van haar zijn en als [gedaagde] ze inderdaad heeft. Dat ontkent hij. Die vordering zal zij dus beter moeten onderbouwen.

2.4.

Zij vordert een vergoeding voor de duikspullen. Ook daarvoor moet vaststaan dat de spullen van haar zijn; [gedaagde] erkent dat alleen voor het duikpak. Verder moet vaststaan dat hij ze heeft. Dat ontkent hij ook. Daarom zal zij ook dit beter moeten onderbouwen.

2.5.

Het bedrag van € 560 heeft [gedaagde] overgemaakt naar zijn eigen rekening; dat erkent hij. Volgens hem was het bestemd voor lasten van de gemeenschappelijke auto. Van die auto zegt hij echter zelf dat hij niet gemeenschappelijk was, en dat [eiseres] hem alleen mocht gebruiken. Dat laatste betekent niet per definitie dat zij moest meebetalen aan de lasten; dat hangt af van de afspraken die partijen daarover hadden. [gedaagde] zal dus beter moeten onderbouwen op grond waarvan hij dit bedrag mocht overmaken naar zijn eigen rekening.

2.6.

Overigens legt [eiseres] niet uit waarom zij recht zou hebben op het hele bedrag, in plaats van op de helft daarvan. Dat mag zij nog uitleggen.

2.7.

[gedaagde] noemt een aantal andere bedragen waaraan [eiseres] had moeten meebetalen, en die hij zou mogen verrekenen met de € 560. Daar mag [eiseres] nog op reageren. Daarna krijgt [gedaagde] de gelegenheid om beter te onderbouwen dat [eiseres] daar inderdaad aan moet meebetalen.

2.8.

Ten slotte de auto. Volgens [eiseres] was zij mede eigenaar van de auto. Volgens [gedaagde] heeft hij de auto in 2018 gekocht, waarbij hij zijn vorige auto heeft ingeruild; de auto is aan hem geleverd en staat op naam van zijn eenmanszaak. Partijen zijn het hier dus niet eens over de feiten. Dan geldt de hoofdregel van artikel 150 van het Wetboek van burgerlijke rechtsvordering: degene die bepaalde feiten stelt en die daaraan een recht wil ontlenen, is degene die het bewijs voor die feiten moet leveren. Hier is het [eiseres] die stelt dat de auto gemeenschappelijk eigendom is en die daarop een recht op betaling van de helft van de waarde wil baseren. Daarom is zij het die haar stelling moet bewijzen.

2.9.

De zaak zal nu vier weken worden aangehouden voor een schriftelijke reactie van [eiseres] . [gedaagde] mag daarop nog eens reageren. Daarna zal de kantonrechter bekijken hoe de zaak verder behandeld kan worden.

3 De beslissing

De kantonrechter:

bepaalt dat [eiseres] op de rolzitting van woensdag 29 april 2020 schriftelijk mag ingaan op de hierboven genoemde punten;

bepaalt dat [gedaagde] vervolgens de gelegenheid zal krijgen om daarop schriftelijk te reageren;

houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit vonnis is gewezen door mr. J.O. Zuurmond, kantonrechter, en is in het openbaar uitgesproken op 8 april 2020.