Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2020:1487

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
09-04-2020
Datum publicatie
20-04-2020
Zaaknummer
UTR 19/3302
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Verzoek gegevenswissing e-mailbericht uit 2013. Op gegevensverwerking is WBP van toepassing en op verzoek AVG. Gegevensverwerking was rechtmatig, want nodig voor publieke taak, namelijk de uitvoering van de Wob. Beroep ongegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Zittingsplaats Utrecht

Bestuursrecht

zaaknummer: UTR 19/3302


uitspraak van 9 april 2020 van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser] te [woonplaats] , eiser

(gemachtigde: mr. N.G.A. Voorbach),

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Utrecht, verweerder

(gemachtigde: mr. A. Braxhoven).

Procesverloop

Bij besluit van 7 maart 2019 (het primaire besluit) heeft verweerder het verzoek van eiser om gegevenswissing en schadevergoeding kennelijk niet-ontvankelijk verklaard.

Bij besluit van 24 juli 2019 (het bestreden besluit I) heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit I beroep ingesteld.

Bij besluit van 9 december 2019 (het bestreden besluit II) heeft verweerder het bestreden besluit I gewijzigd omdat het bezwaar daarin ten onrechte niet inhoudelijk in behandeling was genomen en het bezwaar van eiser in zoverre gegrond verklaard.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 12 maart 2020. Eiser heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

Het bestreden besluit I

1. In het bestreden besluit I heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard omdat het verzoek van eiser volgens verweerder terecht kennelijk niet-ontvankelijk was verklaard. In het bestreden besluit II heeft verweerder het bestreden besluit I vervangen en alsnog inhoudelijk het verzoek en bezwaar beoordeeld. Op grond van artikel 6:19 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) heeft het beroep van rechtswege ook betrekking op het bestreden besluit II.

2. Omdat het bestreden besluit I is vervangen door het bestreden besluit II en niet is gebleken dat eiser nog belang heeft bij een inhoudelijke beoordeling van het bestreden besluit I, zal de rechtbank het beroep gericht tegen het bestreden besluit I niet-ontvankelijk verklaren.

Verzoek

3. Eiser heeft op grond van artikel 17 van de Algemene verordening gegevensverwerking (AVG) verweerder verzocht om zijn persoonsgegevens te verwijderen. Er is hem gebleken van gegevensverwerking door middel van publicatie op het VNG Forum en door middel van doorzending van zijn persoonsgegevens per e-mail aan andere bestuursorganen. Deze gegevensverwerkingen zijn onrechtmatig geweest. Daarom verzoekt eiser ook om schadevergoeding op grond van artikel 82 van de AVG.

4. Verweerder heeft in het bestreden besluit II aangegeven dat eiser zijn verzoek om verwijdering van gegevensverwerking op het VNG Forum, moet richten tot de VNG zelf. Voor wat betreft het doorzenden van persoonsgegevens per e-mail, erkent verweerder dat de heer [A] op 20 augustus 2013 een e-mailbericht heeft gestuurd naar andere gemeenten over eiser (e-mailbericht). Dit e-mailbericht is al verwijderd. Verder stelt verweerder zich op het standpunt dat de gegevensverwerking in het e-mailbericht rechtmatig is geweest. Het

e-mailbericht is gestuurd in het kader van uitvoering van de Wet openbaarheid van bestuur (Wob), wat een publiekrechtelijke taak is. De uitwisseling van persoonsgegevens diende er toe om te voorkomen dat de Wob misbruikt werd voor het innen van dwangsommen. Deze verwerking was daarom noodzakelijk en in overeenstemming met de beginselen van proportionaliteit en subsidiariteit. Er is geen reden om schadevergoeding toe te kennen. Volgens verweerder moet het verzoek om schadevergoeding worden ingediend bij de burgerlijke rechter.

Procesbelang

5. Ter zitting is gebleken dat het beroep van eiser alleen nog ziet op het e-mailbericht van verweerder. Verweerder heeft geen gegevens verwerkt op het VNG Forum. Niet is betwist dat verweerder het e-mailbericht al heeft verwijderd. Het belang van eiser is volgens hem gelegen in een schadevergoeding omdat verweerder met het e-mailbericht onrechtmatig zijn persoonsgegevens zou hebben verwerkt. Daardoor heeft eiser geen controle meer over zijn eigen persoonsgegevens. De rechtbank neemt aan dat er een belang is gelegen in de rechtmatigheidsbeoordeling van de gegevensverwerking met het oog op eventuele schadevergoeding en neemt daarom aan dat eiser belang heeft bij de beoordeling van zijn beroep.

Toetsingskader

6. Eiser heeft aangevoerd dat de rechtmatigheidsvraag moet worden beoordeeld op basis van de AVG. Het overgangsrecht ziet alleen op bepaalde gevallen. Hoewel de gegevensverwerking plaatsvond toen de Wet bescherming persoonsgegevens (Wpb) geldig was, is de AVG op 25 mei 2018 in gegaan en moet op basis van het ex nunc beginsel worden getoetst aan de AVG. Eiser verwijst hiervoor naar verschillende uitspraken.1

7. De rechtbank stelt vast dat op 25 mei 2018 de AVG in werking is getreden en onmiddellijke werking heeft. De AVG is ook van toepassing op de rechtsgevolgen van feiten die zich vóór de inwerkingtreding voordeden. De vraag of de gegevensverwerking in 2013 rechtmatig is, moet echter worden beoordeeld op basis van de Wpb, omdat deze wet van toepassing was op het moment dat die gegevensverwerking heeft plaatsgevonden. De onmiddellijke werking van de AVG betekent niet dat ook feiten die vóór de inwerkingtreding van de AVG hebben plaatsgevonden op grond van de AVG beoordeeld moeten worden. Als het gaat om rechtsgevolgen van die feiten ná de inwerkingtreding van de AVG, zoals het recht op wissing van persoonsgegevens of het recht op schadevergoeding, is de AVG van toepassing. In de uitspraken waarnaar eiser heeft verwezen, ziet de rechtbank geen ontkrachting van dit uitgangspunt. De rechtbank zal daarom op basis van de Wbp beoordelen of de gegevensverwerking in het e-mailbericht rechtmatig is geweest.

Noodzakelijkheid

8. Eiser voert aan dat de gegevensverwerking niet noodzakelijk was en dat het aan verweerder is om aan te tonen dat er gegronde aanwijzingen bestonden voor misbruik van de Wob. Verder zijn de bevindingen van verweerder niet aan hem voorgelegd. Het had op de weg van verweerder gelegen om hem te vragen bij hoeveel bestuursorganen hij zijn Wob-verzoek had ingediend.

9. De rechtbank stelt voorop dat het verwerken van persoonsgegevens op grond van de Wbp alleen mag op basis van een van de in artikel 8 van de Wbp opgesomde verwerkingsgrondslagen. Persoonsgegevens mogen op grond van artikel 7 van de Wbp alleen voor welbepaalde, uitdrukkelijk omschreven en gerechtvaardigde doeleinden worden verzameld.

10. De rechtbank overweegt dat de uitvoering van de Wob een publiekrechtelijke taak is van verweerder. Voor het goed functioneren van de Wob is van belang dat onderzoek naar misbruik van de Wob voor het innen van dwangsommen wordt gedaan en dat eventueel misbruik wordt vastgesteld. Verweerder heeft op zitting toegelicht dat in 2013 veel Wob-verzoeken werden ingediend en dat het nodig was om het e-mailbericht te sturen om te verifiëren of er sprake was van misbruik van de Wob. Verder heeft verweerder onbestreden toegelicht dat eiser meerdere Wob-verzoeken heeft ingediend bij verschillende gemeenten. Overigens is in dit kader niet van belang dat in het e-mailbericht staat dat eiser geen bezwaar heeft ingediend bij verweerder. De gegevensverwerking kan ook op grond van artikel 8, onder e, van de Wbp, van belang zijn voor het bestuursorgaan waaraan de gegevens worden verstrekt. De rechtbank is van oordeel dat verweerder voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat de gegevensverwerking met het e-mailbericht noodzakelijk was.

Proportionaliteit en subsidiariteit

11. Verder voert eiser aan dat verweerder ten onrechte niet heeft onderzocht of het mogelijk was om het doel te bereiken van de gegevensverwerking zonder daarbij persoonsgegevens te verstrekken, of dit te beperken tot het minimum. Verweerder had kunnen volstaan met verwerking van uitsluitend een pseudoniem of de woonplaats van eiser. Daarnaast had verweerder aan eiser kunnen vragen bij hoeveel bestuursorganen hij een Wob-verzoek had ingediend.

12. De rechtbank is van oordeel dat de gegevensverwerking in het e-mailbericht ook voldoet aan de eisen van proportionaliteit en subsidiariteit. Met de verwerking van minder of geen gegevens was het voor verweerder niet mogelijk om een goede invulling te geven aan zijn publieke taak en daarover helder te communiceren. Daarnaast wilde verweerder in het kader van het goed vervullen van de publieke taak een dossier opbouwen voor het constateren van eventueel misbruik van de Wob, daarom hoefde verweerder niet eerst contact op te nemen met eiser voordat verweerder het e-mailbericht heeft gestuurd.

Gegevensverwerking rechtmatig

13. Omdat de gegevensverwerking van de naam en woonplaats van eiser in het

e-mailbericht noodzakelijk was en voldoet aan de beginselen van proportionaliteit en subsidiariteit, is de gegevensverwerking rechtmatig. Reeds hierom komt de rechtbank niet toe aan de beoordeling van het, ter zitting toegelichte, verzoek om schadevergoeding.

14. Het beroep is ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:

  • -

    verklaart het beroep gericht tegen het bestreden besluit I niet-ontvankelijk;

  • -

    verklaart het beroep gericht tegen bestreden besluit II ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan op 9 april 2020 door mr. L.A. Banga, rechter, in aanwezigheid van

mr. A. Wilpstra-Foppen, griffier. Als gevolg van maatregelen rondom het coronavirus is deze uitspraak niet uitgesproken op een openbare uitsprakenzitting. Zodra het openbaar uitspreken weer mogelijk is, wordt deze uitspraak alsnog in het openbaar uitgesproken.

griffier

rechter

Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

1 Uitspraak van het Hof Den Haag van 16 april 2019, (ECLI:NL:GHDHA:2019:1472), uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (ABRvS) van 6 juni 2018 (ECLI:NL:RVS:2018:1877) en uitspraak van de rechtbank Noord-Nederland van 23 april 2019 (ECLI:NL:RBNNE:2019:3761).