Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2020:1465

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
01-04-2020
Datum publicatie
21-04-2020
Zaaknummer
C/16/489504 / HA ZA 19-92
Rechtsgebieden
Ondernemingsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Rechtsgeldige benoemingsbesluiten bestuurders van een stichting.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RN 2020/64
OR-Updates.nl 2020-0176
JIN 2020/99 met annotatie van Bieman, I. den, Kuilen, E.A. van de
JONDR 2020/601
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Civiel recht

handelskamer

locatie Utrecht

zaaknummer / rolnummer: C/16/489504 / HA ZA 19-92

Vonnis van 1 april 2020

in de zaak van

1. de stichting

[eiser sub 1] ,

gevestigd te [woonplaats ] ,

2. [eiser sub 2],

wonende te [woonplaats ] ,

eisers in conventie,

verweerders in reconventie,

eisers in het incident,

advocaat mr. J. de Koning Gans te Utrecht,

tegen

1 [gedaagde 1] ,

wonende te [woonplaats ] ,

2. [gedaagde 2],

wonende te [woonplaats ] ,

3. [gedaagde 3],

wonende te [woonplaats ] ,

gedaagden in conventie,

eisers in reconventie,

verweerders in het incident,

advocaat mr. M.M. van Til te Amsterdam.

Eisers zullen hierna de Stichting en [eiser sub 2] genoemd worden. Gedaagden zullen gezamenlijk [gedaagden c.s.] worden genoemd en ieder afzonderlijk [gedaagde 1] , [gedaagde 2] en [gedaagde 3] . Voor de leesbaarheid wordt ‘ [gedaagden c.s.] ’ als meervoud beschouwd.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding, tevens houdende vordering tot voorlopige voorziening ex artikel 223 Rv

  • -

    de akte van de Stichting en [eiser sub 2] van 6 november 2019

  • -

    de conclusie van antwoord in incident

  • -

    de akte van de Stichting en [eiser sub 2] van 20 november 2019

  • -

    de rolbeslissing van 20 december 2019 dat de vorderingen tot voorlopige voorzieningen en de hoofdzaak gezamenlijk op één zitting worden behandeld

  • -

    de akte van [gedaagden c.s.] van 11 december 2019

  • -

    de conclusie van antwoord tevens houdende eis in reconventie

  • -

    de conclusie van antwoord in reconventie tevens houdende akte overlegging producties

  • -

    de aanvullende producties 32 en 33 van de Stichting en [eiser sub 2]

  • -

    de aanvullende producties eens 26 tot en met 42 van [gedaagden c.s.]

  • -

    de e-mails van de advocaat van [gedaagden c.s.] van 4 en 5 maart 2020 over een aantal verklaringen die door [gedaagden c.s.] als productie 12 zijn overgelegd

  • -

    de aantekeningen van de zitting van 11 maart 2020.

1.2.

Ten slotte is bepaald dat vonnis wordt gewezen.

2 Waar gaat het om?

2.1.

De Stichting richt zich op de Surinaams-Hindoestaanse gemeenschap in Utrecht en omgeving en organiseert allerlei activiteiten. De Stichting is opgericht op 26 mei 2010. Vanaf die datum bestond het bestuur van de Stichting uit voorzitter [eiser sub 2] , secretaris mevrouw [A] (hierna: [A] ) en penningmeester de heer [B] (hierna: [B] ). Een belangrijk orgaan binnen de Stichting is het zogenoemde kernteam dat het bestuur adviseert (hierna: het kernteam).

2.2.

Op 18 december 2015 heeft de Stichting voor € 449.000 een perceel grond met een gebouw gekocht aan de [adres] in [woonplaats ] (hierna: het pand). Het pand is op 30 december 2015 aan de Stichting geleverd. De koopsom werd gedeeltelijk gefinancierd met leningen van [eiser sub 2] (€ 300.000), de echtgenote van [eiser sub 2] (€ 25.940) en [gedaagde 2] (€ 70.000). Zij kregen alle drie gezamenlijk een recht van hypotheek op het pand. Na een verbouwing heeft de Stichting het pand in 2017 in gebruik genomen. In het pand, genaamd [naam] , worden onder andere tempeldiensten gehouden. In 2019 is de lening van [gedaagde 2] afgelost.

2.3.

Deze procedure draait om de vraag wie (nog) bestuurder is van de Stichting. [gedaagde 1] staat sinds 2012 in het handelsregister van de Kamer van Koophandel geregistreerd als bestuurder van de Stichting en [gedaagde 2] sinds eind 2015. Allebei hebben zij samen met [eiser sub 2] diverse belangrijke beslissingen genomen die de Stichting aangaan. Tot in de loop van 2019 is [eiser sub 2] ervan uitgegaan dat [gedaagde 1] en [gedaagde 2] bestuurders van de Stichting waren. [eiser sub 2] is daarover van mening veranderd nadat hij in conflict is geraakt met [gedaagde 1] en [gedaagde 2] (zie 2.4). [eiser sub 2] stelt zich nu op het standpunt dat [gedaagde 1] en [gedaagde 2] , en als gevolg daarvan ook [gedaagde 3] , nooit rechtsgeldig tot bestuurders zijn benoemd. Volgens [gedaagden c.s.] zijn zij wel bestuurders van de Stichting en is [eiser sub 2] geen bestuurder meer sinds hij is ontslagen (zie 2.4).

2.4.

Het hiervoor genoemde conflict is ontstaan nadat [eiser sub 2] eind 2018 tegen [gedaagde 1] en [gedaagde 2] had gezegd dat zij zich te weinig voor de Stichting inzetten. Het conflict verergerde doordat [eiser sub 2] begin 2019 weigerde om delen van de boekhouding ter inzage te geven aan [gedaagde 1] en [gedaagde 2] , en laatstgenoemden tegen de zin van [eiser sub 2] op 6 februari 2019 hebben besloten dat [gedaagde 3] tot bestuurder van de Stichting moest worden benoemd. Nadat [gedaagden c.s.] in maart 2019 de echtgenote van [eiser sub 2] , die als vrijwilliger actief is voor de Stichting, op non-actief hadden gesteld, is het conflict nog verder geëscaleerd. [eiser sub 2] heeft op 15 mei 2019 [gedaagden c.s.] in het handelsregister van de Kamer van Koophandel uitgeschreven als bestuurders. [gedaagden c.s.] hebben hiertegen bezwaar gemaakt. Op 24 september 2019 heeft de Kamer van Koophandel hun bezwaar gegrond verklaard. Eind 2019, begin 2020 hebben partijen door middel van mediation geprobeerd hun geschil op te lossen, maar dat is niet gelukt. Op 3 februari 2020 hebben [gedaagden c.s.] [eiser sub 2] ontslagen als bestuurder van de Stichting. Volgens [eiser sub 2] is dit ontslag niet rechtsgeldig omdat [gedaagden c.s.] geen bestuurders zijn van de Stichting. Voor het geval [gedaagden c.s.] wel bestuurders van de Stichting zijn neemt [eiser sub 2] het standpunt in dat het ontslagbesluit vernietigbaar is wegens strijd met de redelijkheid en billijkheid (artikel 2:15 BW in combinatie met artikel 2:8 BW).

2.5.

[eiser sub 2] vordert in ‘het incident’ dat bij wijze van onmiddellijke voorzieningen, dus voor de duur van deze procedure (samengevat), a) het [gedaagden c.s.] wordt verboden om nog enige handeling te verrichten in hoedanigheid van vermeend bestuurder van de Stichting, om zich tegenover derden als bestuurder van de Stichting te presenteren, en om negatieve uitlatingen over de Stichting en/of [eiser sub 2] te doen, en b) [gedaagden c.s.] worden bevolen dat zij hun medewerking verlenen aan hun uitschrijving als bestuurder bij de Kamer van Koophandel. In de hoofdzaak vordert [eiser sub 2] (samengevat) a) dat voor recht wordt verklaard dat [gedaagden c.s.] geen deel uitmaken van het bestuur van de Stichting en dat [eiser sub 2] wel deel uitmaakt van het bestuur, b) dat het [gedaagden c.s.] wordt verboden om zich tegenover derden als bestuurder van de Stichting te presenteren en om negatieve uitlatingen te doen over de Stichting en/of [eiser sub 2] , en c) dat [gedaagden c.s.] worden veroordeeld om hun medewerking te verlenen aan hun uitschrijving als bestuurder bij de Kamer van Koophandel. Daarnaast wil [eiser sub 2] dat dwangsommen worden opgelegd voor het geval [gedaagden c.s.] deze veroordelingen overtreden. [eiser sub 2] heeft deze vorderingen ook namens de Stichting ingesteld.

2.6.

Volgens [gedaagden c.s.] moeten al deze vorderingen worden afgewezen. In reconventie hebben zij tegenvorderingen ingesteld. Samengevat vorderen zij a) dat voor recht wordt verklaard dat [eiser sub 2] geen deel uitmaakt van het bestuur van de Stichting, b) dat het [eiser sub 2] wordt verboden om zich tegenover derden als bestuurder van de Stichting uit te geven en/of te presenteren en om negatieve uitlatingen te doen over de Stichting en/of [gedaagde 1] en/of [gedaagde 2] en/of [gedaagde 3] ,
c) dat [eiser sub 2] wordt veroordeeld om zijn medewerking te verlenen aan zijn uitschrijving als bestuurder bij de Kamer van Koophandel, en d) dat [eiser sub 2] wordt veroordeeld om een aantal zaken, documenten en gegevens van de Stichting, te verstrekken aan [gedaagde 1] en/of [gedaagde 2] en/of [gedaagde 3] . Daarnaast willen [gedaagden c.s.] dat een dwangsom wordt opgelegd van € 5.000 per overtreding.

2.7.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

3 De beoordeling

in het incident en in conventie

3.1.

De rechtbank is van oordeel dat [gedaagden c.s.] rechtsgeldig zijn benoemd tot bestuurders van de Stichting en dat [eiser sub 2] geen bestuurder meer is van de Stichting. Zijn vorderingen zullen daarom worden afgewezen. Dit wordt hierna toegelicht. De dagvaarding in deze zaak is uitgebracht op 11 oktober 2019. [eiser sub 2] heeft daarbij namens de Stichting vorderingen ingesteld, ervan uitgaande dat hij toen de enige bestuurder van de Stichting was. Uit het voorgaande blijkt dat dit onjuist is. Alleen het voltallige bestuur is bevoegd om de Stichting in gerechtelijke procedures te vertegenwoordigen, en dat is niet gebeurd. De Stichting is daarom niet-ontvankelijk, zodat ook haar vorderingen zullen worden afgewezen. Op grond hiervan wordt hierna alleen nog maar gesproken over [eiser sub 2] als eiser (tenzij anders aangegeven).

Het toetsingskader

3.2.

De benoeming van bestuurders bij een stichting moet worden geregeld in haar statuten (artikel 2:286 lid 4, c BW). Dat is in dit geval ook gebeurd. In artikel 4 lid 2 van de statuten van de Stichting (hierna: de statuten) is bepaald dat bestuurders worden benoemd door het bestuur. Een benoeming van een bestuurder is dus een besluit van het bestuur. In artikel 7 van de statuten is over het nemen van besluiten door het bestuur het volgende bepaald:

  • -

    Het bestuur kan in een vergadering alleen besluiten nemen indien de meerderheid van de in functie zijnde bestuurders aanwezig of vertegenwoordigd is (lid 1).

  • -

    Als voldaan is aan de door de statuten gegeven voorschriften voor het oproepen en houden van vergaderingen, kunnen in vergadering besluiten worden genomen door de volstrekte meerderheid van het bestuur (lid 1 en lid 2 in combinatie met lid 4).

  • -

    Als niet voldaan is aan de door de statuten gegeven voorschriften voor het oproepen en houden van vergaderingen, kunnen in vergadering besluiten worden genomen met algemene stemmen (lid 2).

  • -

    Buiten vergadering kan het bestuur met algemene stemmen besluiten nemen. Van een aldus genomen besluit wordt door de secretaris een relaas opgemaakt, dat na medeondertekening door de voorzitter als notulen wordt bewaard (lid 3).

3.3.

Hieronder wordt eerst ingegaan op [gedaagde 1] en [gedaagde 2] en daarna op [gedaagde 3] .

De benoemingen van [gedaagde 1] en [gedaagde 2]

3.4.

Zowel voor [gedaagde 1] als voor [gedaagde 2] geldt dat niet in een bestuursvergadering is besloten tot hun benoeming en dat er geen schriftelijk vastgelegde benoemingbesluiten zijn. De statuten eisen dat echter ook niet. Weliswaar is in beide gevallen niet voldaan aan de voorwaarde in artikel 7 lid 3 van de statuten, dat van een besluit buiten vergadering door de secretaris een relaas wordt opgemaakt, dat na medeondertekening door de voorzitter als notulen wordt bewaard, maar deze eis is geen voorwaarde voor de totstandkoming van een besluit. Het niet naleven van die eis maakt het besluit alleen maar vernietigbaar, maar een eventueel beroep op vernietiging is al lang geleden verjaard. Zie artikel 2:15 lid 5 BW. [eiser sub 2] heeft overigens geen beroep op vernietiging gedaan wegens het niet voldaan zijn van de eis van vastlegging in de notulen.

3.5.

Omdat over hun benoemingen niets schriftelijk is vastgelegd, is voor de beantwoording van de vraag of [gedaagde 1] en [gedaagde 2] tot bestuurders zijn benoemd het volgende van belang. Het uitgangspunt is dat een benoemingsbesluit vormvrij tot stand komt (artikel 3:59 BW in combinatie met artikel 3:37 lid 1 BW). Een benoemingsbesluit kan stilzwijgend worden genomen, dat wil zeggen dat een uitdrukkelijke stemming of een schriftelijke vastlegging niet vereist is. Een benoemingsbesluit kan besloten liggen in een andere verklaring, en ook een gedraging kan een benoemingsbesluit impliceren. Er moeten feiten en omstandigheden zijn die duidelijk wijzen op een benoemingsbesluit.

De komst van [gedaagde 1]

3.6.

[B] , die sinds de oprichting van de Stichting penningmeester was, is op 22 augustus 2010 als bestuurder afgetreden. Op 1 augustus 2011 is hij opgevolgd door de heer [C] . Op 31 december 2011 is de heer [C] als bestuurder afgetreden. Op 24 juni 2012 heeft het kernteam (zie 2.1) besloten dat [gedaagde 1] , die lid was van het kernteam, bestuurder (penningmeester) van de Stichting moest worden. Partijen verschillen erover van mening of [A] toen nog bestuurder van de Stichting was. Er zijn aanwijzingen dat [A] in oktober 2011 is gestopt met haar werkzaamheden als bestuurder van de Stichting. Een schriftelijk besluit over haar ontslag is er echter niet. Zij is pas met ingang van

7 december 2012 bij de Kamer van Koophandel uitgeschreven als bestuurder. En in een schriftelijke verklaring van [A] staat dat zij tot die datum actief was als bestuurder. Omdat het voor de uitkomst van deze procedure niet uitmaakt gaat de rechtbank er hierna (veronderstellenderwijs) vanuit dat [A] tot

7 december 2012 bestuurder van de Stichting is geweest.

3.7.

Niet gebleken is dat [A] van het besluit van het kernteam, dat [gedaagde 1] bestuurder werd, op de hoogte is gebracht in de periode waarin zij (tot

7 december 2012) nog bestuurder was, laat staan dat zij daarover met [eiser sub 2] overleg heeft gevoerd. Volgens [eiser sub 2] heeft hij haar van de benoeming van [gedaagde 1] door het kernteam pas in december 2012, bij haar aftreden als bestuurder, op de hoogte gebracht. En [gedaagde 1] heeft tijdens de zitting verklaard dat hij niet weet of [A] wist dat hij penningmeester was geworden. Hij heeft haar na oktober 2011 nooit meer gezien en in de periode van 24 juni 2012 tot 7 december 2012 hebben geen bestuursvergaderingen plaatsgevonden.

3.8.

Gelet op het voorgaande gaat de rechtbank ervan uit dat er tot 7 december 2012 geen bestuursbesluit is genomen over de benoeming van [gedaagde 1] tot bestuurder van de Stichting. Dat is er daarna wel gekomen, in de vorm van een stilzwijgend door [eiser sub 2] genomen besluit. [eiser sub 2] was na 7 december 2012 het enige bestuurslid van de Stichting en kon daarom bestuursbesluiten nemen. Het exacte moment van het besluit tot benoeming van [gedaagde 1] is niet vast te stellen, maar in de eerste plaats is van belang de verklaring van [eiser sub 2] tijdens de zitting, dat hij het besluit van het kernteam, inhoudend dat [gedaagde 1] tot bestuurder van de Stichting werd benoemd, heeft geaccepteerd. Die aanvaarding gold ook nog nadat [A] was afgetreden. Dat blijkt ook uit de omstandigheid dat [eiser sub 2] op

21 juli 2012 samen met [gedaagde 1] naar de Kamer van Koophandel is gegaan om [gedaagde 1] in het handelsregister in te schrijven als bestuurder van de Stichting, en dat die inschrijving na het vertrek van [A] is gehandhaafd. Daarnaast zijn er diverse andere gedragingen van [eiser sub 2] aan te wijzen waaruit volgt dat zijn wil er na 7 december 2012 steeds op gericht is geweest dat [gedaagde 1] bestuurder van de Stichting was (en bleef). Deze gedragingen vallen voor een belangrijk deel samen met de komst van [gedaagde 2] in het bestuur van de Stichting, en met allerlei bestuursbesluiten en andere feiten van na 7 december 2012. Deze worden hieronder besproken.

De komst van [gedaagde 2]

3.9.

In december 2015 heeft de Stichting het pand gekocht. Hierna heeft [eiser sub 2] [gedaagde 2] gevraagd of hij, met een hypotheek op het pand, geld aan de Stichting wilde lenen om de koop gedeeltelijk te financieren. [gedaagde 2] heeft toen met dat verzoek ingestemd. De door de Stichting ingeschakelde notaris stelde kort daarna vast (mogelijk na raadpleging van het handelsregister) dat de Stichting maar twee bestuurders had, namelijk [eiser sub 2] en [gedaagde 1] , en dat de statuten voorschrijven dat de Stichting drie bestuurders moet hebben. De notaris heeft er toen op aangedrongen dat het bestuur van de Stichting een derde bestuurder benoemde. Vervolgens heeft [eiser sub 2] [gedaagde 2] gevraagd of hij tot het bestuur van de Stichting wilde toetreden als secretaris. Nadat [gedaagde 2] hierop bevestigend had geantwoord, zijn [eiser sub 2] en [gedaagde 2] samen op 15 december 2015 naar de Kamer van Koophandel gegaan en hebben zij [gedaagde 2] ingeschreven als bestuurder van de Stichting, met 15 december 2015 als datum van infunctietreding. Kort voor of na deze inschrijving heeft [eiser sub 2] aan [gedaagde 1] verteld dat hij ( [eiser sub 2] ) [gedaagde 2] had gevraagd om bestuurslid te worden en dat hierna [gedaagde 2] die vraag met ‘ja’ had beantwoord. Tijdens de zitting heeft [gedaagde 1] verklaard dat hij dat goed vond. Het kan niet anders dan dat [gedaagde 1] die instemming aan [eiser sub 2] heeft laten blijken. Door dit overleg tussen [eiser sub 2] en [gedaagde 1] is buiten vergadering door de enige twee bestuurders van de Stichting het besluit genomen tot de benoeming van [gedaagde 2] als bestuurder.

Andere feiten en omstandigheden rondom [gedaagde 1] en [gedaagde 2]

3.10.

Ook de volgende feiten en omstandigheden wijzen erop dat [gedaagde 1] en [gedaagde 2] bestuurders zijn van de Stichting:

  • -

    Een door [eiser sub 2] , [gedaagde 1] en [gedaagde 2] ondertekend document van
    30 december 2015, met de kop ‘bestuursbesluit’. Hierin staat dat [eiser sub 2] , [gedaagde 1] en [gedaagde 2] , handelend ‘als bestuurders van de Stichting, en als zodanig vormend het voltallige bestuur van [eiser sub 1] ’ besluiten tot 1) de aankoop en verkrijging van het pand voor € 449.000, 2) het aangaan van een geldlening van € 477.965,35, en 3) verlening en bezwaring met hypothecaire zekerheid van het pand van de onder 2) genoemde geldlening.

  • -

    De notariële akte van levering van het pand van 30 december 2015, waarin de notaris heeft vermeld dat [eiser sub 2] , [gedaagde 1] en [gedaagde 2] gezamenlijk handelend als bestuurders van de Stichting die onroerende zaak hebben gekocht voor € 449.000.

  • -

    De notariële akte houdende geldlening en hypotheek van 30 december 2015. Daarin staat dat [eiser sub 2] , [gedaagde 2] en [gedaagde 1] als bestuurders van de Stichting namens de Stichting erkennen dat de Stichting geldleningen heeft ontvangen van [gedaagde 2] (€ 70.000), van [eiser sub 2] (€ 300.000) en van de echtgenote van [eiser sub 2] (€ 25.940), en dat de Stichting aan de hiervoor genoemde drie personen een recht van hypotheek verleent op het pand.

  • -

    De notulen van diverse bestuursvergaderingen van de Stichting in 2017, waarin [eiser sub 2] is vermeld als voorzitter, [gedaagde 2] als secretaris en [gedaagde 1] als penningmeester. Die notulen zijn steeds door hen alle drie ondertekend.

  • -

    Verschillende schriftelijke overeenkomsten van geldlening tussen de Stichting en diverse personen, gesloten in 2016 en 2017. In deze overeenkomsten van geldlening, die namens de Stichting zijn ondertekend door [eiser sub 2] , [gedaagde 1] en [gedaagde 2] , staat dat de Stichting hierbij vertegenwoordigd wordt door [eiser sub 2] , [gedaagde 1] en [gedaagde 2] .

  • -

    Een e-mail van [eiser sub 2] van 5 juli 2019, met de vermelding van zijn hoedanigheid van voorzitter van de Stichting, aan [gedaagde 1] en [gedaagde 2] , met als bijlage een factuur van Essent voor de levering van elektriciteit en gas aan de Stichting over de periode 18 juni 2018 tot en met 13 juni 2019. De datum van deze e-mail ligt na het moment waarop [eiser sub 2] aan de Kamer van Koophandel had bericht dat [gedaagde 1] en [gedaagde 2] moesten worden uitgeschreven als bestuurders, en voordat de Kamer van Koophandel hun bezwaar daartegen gegrond heeft verklaard. In deze e-mail eist [eiser sub 2] van [gedaagde 1] en [gedaagde 2] dat zij ieder een derde van het totale factuurbedrag betalen, met als toelichting onder meer: ‘De verbruikskosten zijn ontstaan gedurende de periode dat jullie bestuurslid van [eiser sub 1] zijn geweest.’

De benoeming van [gedaagde 3]

3.11.

[gedaagde 3] is, in ieder geval op 9 december 2019, rechtsgeldig benoemd tot bestuurder van de Stichting. Dit wordt hierna toegelicht.

3.12.

Op 4 februari 2019 hebben [gedaagde 1] en [gedaagde 2] een bestuursvergadering uitgeroepen, met de mededeling dat tijdens die vergadering het bestuur van de Stichting met twee bestuursleden zou worden uitgebreid. [eiser sub 2] is voor die vergadering, die heeft plaatsgevonden op 6 februari 2019, uitgenodigd maar is daar niet verschenen. Tijdens die vergadering hebben [gedaagde 1] en [gedaagde 2] namens het bestuur van de Stichting (want met een tweederde meerderheid, zie 3.2) [gedaagde 3] en de heer [D] benoemd tot bestuursleden van de Stichting. [eiser sub 2] heeft daartegen bezwaar gemaakt. Als gevolg daarvan heeft [D] zijn benoeming niet aanvaard en heeft [gedaagde 3] op 26 mei 2019 door middel van een brief ontslag genomen als bestuurder van de Stichting. [gedaagde 1] en [gedaagde 2] hebben er daarna bij [gedaagde 3] op aangedrongen toch weer bestuurder van de Stichting te worden en daarna is zij weer samen met [gedaagde 1] en [gedaagde 2] aan het werk gegaan voor de Stichting. [eiser sub 2] heeft [gedaagde 3] echter nooit erkend als bestuurder van de Stichting. Daarom hebben [gedaagde 1] en [gedaagde 2] een bestuursvergadering uitgeroepen die op 9 december 2019 heeft plaatsgevonden. Hoewel [eiser sub 2] tijdig en op de juiste manier voor die vergadering is opgeroepen, was hij daarbij niet aanwezig. [gedaagde 1] en [gedaagde 2] hebben tijdens die vergadering namens de Stichting (want met een tweederde meerderheid) [gedaagde 3] benoemd tot bestuurder van de Stichting, voor zover zij dat niet al was.

Het ontslag van [eiser sub 2]

3.13.

[eiser sub 2] is rechtsgeldig ontslagen als bestuurder van de Stichting. Dit wordt als volgt toegelicht.

3.14.

In artikel 8 aanhef en onder d van de statuten is bepaald dat een bestuurder zijn functie beëindigt (‘defungeert’) door ontslag dat hem wordt verleend door de meerderheid van de overige bestuurders. Wat betreft [eiser sub 2] is dit gebeurd tijdens een bestuursvergadering van 3 februari 2020. De gang van zaken was als volgt. Op 17 januari 2020 heeft [gedaagde 2] de andere leden van het bestuur van de Stichting, onder wie [eiser sub 2] , per e-mail en aangetekende post opgeroepen voor een bestuursvergadering op maandag 3 februari 2020, met als onderwerp het ontslag van [eiser sub 2] . Alle bestuurders van de Stichting, met uitzondering van [eiser sub 2] , zijn op die vergadering verschenen en zij hebben toen als bestuur van de Stichting het besluit tot ontslag van [eiser sub 2] genomen. Dit besluit is tijdens die vergadering schriftelijk vastgelegd en ondertekend door de aanwezige driekwart meerderheid van het bestuur, namelijk door [gedaagde 1] , [gedaagde 2] en [gedaagde 3] . Dat dit besluit toen is genomen blijkt ook uit de notulen van die bestuursvergadering. Ook die notulen zijn ondertekend door [gedaagde 1] , [gedaagde 2] en [gedaagde 3] .

3.15.

[eiser sub 2] doet een beroep op de vernietigbaarheid van dit besluit wegens strijd met de redelijkheid en billijkheid, maar dit slaagt niet. De enige reden die hij hiervoor aanvoert, namelijk dat hij zijn zienswijze op het voorgenomen ontslag niet heeft kunnen geven, is onjuist. Hij was namelijk op tijd op de hoogte gesteld van het voorgenomen besluit tot zijn ontslag, en hij is voor de desbetreffende bestuursvergadering uitgenodigd. Die uitnodiging heeft hem ook bereikt.

Tussenconclusie

3.16.

De conclusie van het voorgaande is dat de vorderingen van [eiser sub 2] worden afgewezen. Dit geldt zowel voor de gevorderde voorlopige voorzieningen in het incident als voor de vorderingen in de hoofdzaak.

Proceskosten in het incident

3.17.

[eiser sub 2] zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van [gedaagden c.s.] worden begroot op € 543,00 voor het salaris van hun advocaat (1 punt x het tarief € 543).

Proceskosten in conventie

3.18.

De redelijkheid en billijkheid brengen mee dat de proceskosten van [gedaagden c.s.] niet (gedeeltelijk) ten laste van de Stichting worden gebracht (zie 3.1). [eiser sub 2] zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van [gedaagden c.s.] worden begroot op:

- griffierecht 297,00

- salaris advocaat 1.086,00 (2punten × tarief € 543,00)

Totaal € 1.383,00

3.19.

De door [gedaagden c.s.] gevorderde wettelijke rente over de proceskosten, de nakosten en de wettelijke rente over de nakosten zullen worden toegewezen op de manier zoals is bepaald onder ‘4. De beslissing’.

in reconventie

De vorderingen van [gedaagden c.s.]

3.20.

De oordelen van de rechtbank in het incident en in conventie gelden ook in reconventie. Daarom kan de gevorderde verklaring voor recht, dat [eiser sub 2] geen deel uitmaakt van het bestuur van de Stichting, worden toegewezen. Aan die verklaring voor recht zal de rechtbank voor de duidelijkheid de datum toevoegen vanaf wanneer [eiser sub 2] geen bestuurder meer is (3 februari 2020).

3.21.

[eiser sub 2] heeft tijdens de zitting verklaard dat hij zich niet zal neerleggen bij de eventuele beslissing van de rechtbank, inhoudend dat [gedaagden c.s.] bestuurders van de Stichting zijn en hij niet. Daarom heeft [gedaagden c.s.] voldoende belang bij een verbod voor [eiser sub 2] om zich tegenover derden als bestuurder van de Stichting uit te geven en/of te presenteren, op straffe van een dwangsom. Die vordering zal daarom worden toegewezen. Dat geldt niet voor de vordering om [eiser sub 2] te verbieden om negatieve uitlatingen te doen over de Stichting en/of [gedaagde 1] en/of [gedaagde 2] en/of [gedaagde 3] . De rechtbank heeft op dit moment geen aanleiding om aan te nemen dat [eiser sub 2] dat gaat doen.

3.22.

De vordering om [eiser sub 2] te veroordelen om medewerking te verlenen aan zijn uitschrijving als bestuurder van de Stichting bij de Kamer van Koophandel wordt afgewezen. Het bestuur van de Stichting kan dit namelijk doen zonder medewerking van [eiser sub 2] , eventueel met overlegging van een kopie van dit vonnis aan de Kamer van Koophandel.

3.23.

Omdat de Stichting daar belang bij heeft is de vordering om [eiser sub 2] te veroordelen om bepaalde zaken, documenten en gegevens te verstrekken voor een groot deel toewijsbaar, en wel zoals is vermeld onder ‘4. De beslissing’. Voor zover onderdelen van die vordering worden afgewezen of slechts gedeeltelijk worden toegewezen, geldt dat de rechtbank deze te onbepaald vindt. Dat wil zeggen a) te vaag/te algemeen, waardoor die zaken niet eenvoudig zijn aan te wijzen, of
b) dat [gedaagden c.s.] onvoldoende aanknopingspunten hebben gegeven om eenvoudig vast te stellen wie eigenaar/rechthebbende is ( [eiser sub 2] of de Stichting). Dit kan leiden tot onduidelijkheid en tot executieproblemen, waaronder geschillen over het verschuldigd zijn door [eiser sub 2] van dwangsommen. Het voorgaande geldt voor de volgende zaken, documenten en gegevens:

  • -

    Alle notariële akten die betrekking hebben op de Stichting.

  • -

    De gebruikersnamen en wachtwoorden van de verdere social media-accounts van de Stichting.

  • -

    De niet nader aangeduide onderdelen die voor specifieke diensten in [naam] worden gebruikt, behalve de twee houten schommelwiegen.

  • -

    Schalen/borden (Tharia) met bijbehorende bekers (Lota), voor zover dit er meer zijn dan 20.

  • -

    De volledige inventaris van de winkel van de Stichting, bestaande uit boeken, wierook, kleding, lappen stof, beelden, sieraden en alle overige pudja (offerdienst) benodigdheden.

  • -

    Alle microfoons en bijbehorende kabels.

  • -

    Alle goudkleurige tempel/Mandir belklokken.

  • -

    Twee laptops.

  • -

    Drie stofzuigers.

  • -

    Alle verdere inventaris en eigendommen van de Stichting waar [gedaagden c.s.] geen volledig zicht op hebben.

  • -

    Alle gebruikersovereenkomsten.

  • -

    De NAW-gegevens van de vrijwilligers, de donateurs en de priesters van de Stichting.

3.24.

Voor de notariële akten geldt ook dat [gedaagden c.s.] niet hebben gesteld dat er naast de notariële akten die zij in deze procedure hebben overgelegd, nog andere akten moeten zijn waarvan zij geen exemplaar hebben.

3.25.

Wat betreft de zaken/documenten/gegevens die te onbepaald zijn geldt overigens niet dat [eiser sub 2] die niet moet afgeven, voor zover de Stichting daarvan eigenaar of de rechthebbende is. Die afgifteplicht kan echter bij de huidige stand van zaken niet juridisch worden afgedwongen.

3.26.

De rechtbank is zich ervan bewust dat ook ‘de complete boekhouding’ en ‘de financiële administratie van de winkel’ van de Stichting vaag zijn. Toch wijst de rechtbank die vorderingen op die manier toe. [eiser sub 2] en zijn echtgenote hebben namelijk vanaf 2011 de boekhouding van de Stichting gedaan (met hulp van derden), en het is niet gebleken dat [eiser sub 2] ooit aan [gedaagden c.s.] duidelijk heeft gemaakt uit welke onderdelen de boekhouding en de administratie allemaal bestaan.

3.27.

[gedaagden c.s.] hebben gevorderd dat [eiser sub 2] wordt veroordeeld om binnen twee werkdagen na betekening van het vonnis de in 4.5 genoemde zaken en gegevens te verstrekken. Dat vindt de rechtbank een te korte termijn. De rechtbank vindt een week na betekening van het vonnis wel redelijk.

3.28.

[gedaagden c.s.] hebben gevorderd dat de rechtbank [eiser sub 2] veroordeelt tot betaling van een dwangsom van € 5.000 per overtreding. De rechtbank volgt [gedaagden c.s.] hierin wat betreft de boekhouding van de Stichting, die cruciaal is voor het adequaat besturen van de Stichting. Voor de overige veroordelingen vindt de rechtbank een dwangsom van € 1.000 per overtreding redelijk.

Proceskosten in reconventie

3.29.

[eiser sub 2] zal als de grotendeels in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van [gedaagden c.s.] worden begroot op € 543,00 voor het salaris van hun advocaat (2,0 punten × factor 0,5 × tarief € 543,00).

3.30.

De door [gedaagden c.s.] gevorderde wettelijke rente over de proceskosten, de nakosten en de wettelijke rente over de nakosten zullen worden toegewezen op de manier zoals is bepaald onder ‘4. De beslissing’.

Enkele opmerkingen ten overvloede

3.31.

Uit het voorgaande blijkt dat het doel van dit vonnis is om juridische vragen te beantwoorden, en dat het niet gaat over de vraag of de ene dan wel de andere partij (beter) in staat moet worden geacht om de Stichting te besturen. Vast staat dat de Stichting veel aan [eiser sub 2] te danken heeft. [eiser sub 2] heeft het initiatief genomen voor de oprichting van de Stichting en het is duidelijk dat [eiser sub 2] binnen de Stichting altijd de kar heeft getrokken. Hij heeft veruit het grootste bedrag aan de Stichting geleend om haar in staat te stellen het pand te kopen. Daarnaast heeft hij veel activiteiten binnen de Stichting ontplooid en heeft hij namens de Stichting alle contacten met derden, zoals bijvoorbeeld de gemeente, onderhouden. Op basis van de stukken en de verklaringen van [gedaagde 1] en [gedaagde 2] tijdens de zitting kan ook worden aangenomen dat [eiser sub 2] veel meer inspanningen voor de Stichting heeft verricht dan [gedaagde 1] en [gedaagde 2] . Vast staat echter ook dat ook [gedaagde 1] en [gedaagde 2] de Stichting een warm hart toedragen. Daarnaast bevat het dossier aanwijzingen dat [eiser sub 2] als bestuurder van de Stichting te solistisch heeft gehandeld en zich dat te laat heeft gerealiseerd.

4 De beslissing

De rechtbank

in het incident

4.1.

wijst de vorderingen af,

4.2.

veroordeelt [eiser sub 2] in de proceskosten, aan de zijde van [gedaagden c.s.] tot op heden begroot op € 543,

in conventie

4.3.

wijst de vorderingen af,

4.4.

veroordeelt [eiser sub 2] in de proceskosten, aan de zijde van [gedaagden c.s.] tot op heden begroot op € 1.383, te vermeerderen met de wettelijke rente (artikel 6:119 BW) over dit bedrag met ingang van de vijftiende dag na dit vonnis tot de dag van volledige betaling,

4.5.

verklaart 4.4 uitvoerbaar bij voorraad,

in reconventie

4.6.

verklaart voor recht dat [eiser sub 2] sinds 3 februari 2020 geen bestuurder meer is van de Stichting,

4.7.

verbiedt [eiser sub 2] om zich tegenover derden als bestuurder van de Stichting uit te geven en/of te presenteren,

4.8.

veroordeelt [eiser sub 2] om binnen een week na betekening van dit vonnis aan [gedaagde 1] of [gedaagde 2] of [gedaagde 3] , in hun hoedanigheid van bestuurders van de Stichting, te verstrekken:

  1. de sleutels van het pand ( [naam] )

  2. de complete boekhouding van de Stichting vanaf 1 januari 2011 tot de datum waarop die boekhouding wordt verstrekt

  3. de gebruikersnaam en het wachtwoord van de bankrekening(en) van de Stichting

  4. de gebruikersnaam en het wachtwoord van het e-mailadres [e-mailadres] .nl

  5. de gebruikersnamen en wachtwoorden van de website www.stichtingshriganesh.nl

  6. de gegevens voor het in- en uitschakelen van het alarm van het pand ( [naam] )

  7. de gegevens voor het in- en uitschakelen van de camera’s van het pand ( [naam] )

  8. de volgende zaken/stukken die eigendom zijn van de Stichting en die zich niet in het pand ( [naam] ) bevinden:

a) zes (6) alarmdruppels om het alarm in het pand ( [naam] ) aan en uit te kunnen zetten

b) twee houten schommelwiegen

c) 20 schalen/borden (Tharia) met bijbehorende bekers (Lota) voor gebruik tijdens de tempeldiensten

d) de financiële administratie van de winkel

e) een rode ordner van [gedaagde 2] met daarin alle huurovereenkomsten

f) het gouden boek met daarin de namen van de donateurs van de Stichting

g) de volgende twee muziekinstrumenten: een harmonium en een tabla dantaal

9. de telefoon van het bureau van de Stichting en het daarbij horende telefoonnummer

10. het rooster/de planning van de activiteiten van de Stichting voor 2020 en 2021

11. een overzicht van de periodieke donaties aan de Stichting en het incasso-overzicht van de donateurs van de Stichting

12. de toegangsgegevens en contracten met betrekking tot de nutsvoorzieningen (gas, water en elektra) van de Stichting.

4.9.

veroordeelt [eiser sub 2] om aan [gedaagde 1] of [gedaagde 2] of [gedaagde 3] , in hun hoedanigheid van bestuurders van de Stichting, een dwangsom te betalen van
€ 5.000 voor het geval hij niet voldoet aan de in 4.8 onder 2) vermelde veroordeling,

4.10.

veroordeelt [eiser sub 2] om aan [gedaagden c.s.] , in hun hoedanigheid van bestuurders van de Stichting, een dwangsom te betalen van € 1.000 per overtreding van de in 4.7 en 4.8 onder 1) en onder 3) tot en met 12) vermelde veroordelingen,

4.11.

veroordeelt [eiser sub 2] in de proceskosten, aan de zijde van [gedaagden c.s.] tot op heden begroot op € 543, te vermeerderen met de wettelijke rente (artikel 6:119 BW) als bedoeld in art. 6:119 BW over dit bedrag met ingang van de vijftiende dag na dit vonnis tot de dag van volledige betaling,

4.12.

verklaart 4.7 tot en met 4.11 uitvoerbaar bij voorraad,

in conventie en reconventie

4.13.

veroordeelt [eiser sub 2] in de kosten die zijn ontstaan na dit vonnis, begroot op:

  • -

    € 246 aan salaris advocaat, als niet binnen veertien dagen na aanschrijving aan dit vonnis is voldaan, te vermeerderen met de wettelijke rente (6:119 BW) met ingang van de vijftiende dag na die aanschrijving tot de dag van betaling, en

  • -

    € 82 aan salaris advocaat en de explootkosten van betekening van dit vonnis, als er vervolgens betekening heeft plaatsgevonden, te vermeerderen met de wettelijke rente (artikel 6:119 BW) met ingang van de vijftiende dag na de betekening van dit vonnis tot de dag van betaling,

4.14.

verklaart 4.13 uitvoerbaar bij voorraad,

in reconventie

4.15.

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. J.K.J. van den Boom en in het openbaar uitgesproken op 1 april 2020 door mr.1J.O. Zuurmond.

1 coll: 4204/JidK