Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2020:1449

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
06-04-2020
Datum publicatie
15-04-2020
Zaaknummer
AWB - 19 _ 3865
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Beëindiging WIA-uitkering na herbeoordeling op verzoek werkgever. Beroepsgronden en de medische onderbouwing daarvan zijn deels herhaling van wat in bezwaar is aangevoerd. Geen reden om aan onderzoeken Uwv te twijfelen of om een deskundige te benoemen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Zittingsplaats Utrecht

Bestuursrecht

zaaknummer: UTR 19/3865

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 6 april 2020 in de zaak tussen

[eiser] uit [woonplaats] , eiser

(gemachtigde: mr. A.L.M. Vreeswijk),

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, verweerder

(gemachtigde: mr. E. Witte).

Als derde-partij heeft deelgenomen:

[derde-partij] B.V., h.o.d.n. [handelsnaam] , gevestigd in [naam locatie] , [derde-partij] ,

(gemachtigde: mr. L.J.Y. Hoeneveld-Mol).

Procesverloop

Bij besluit van 13 februari 2019 (het primaire besluit) heeft verweerder de arbeidsongeschiktheidsuitkering van eiser beëindigd per 14 april 2019.

Bij besluit van 16 augustus 2019 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

De rechtbank heeft bepaald dat kennisneming van stukken met medische gegevens niet wordt toegestaan aan de derde-partij, maar uitsluitend aan haar gemachtigde.

De zaak is behandeld op de zitting van 24 februari 2020. Eiser was aanwezig, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Derde-partij heeft laten weten niet aanwezig te zijn.

Overwegingen

1. Eiser heeft geen toestemming gegeven om gedingstukken die medische gegevens bevatten aan de derde-partij te verstrekken. De rechtbank zal de motivering van haar oordeel, voor zover nodig, daarom beperken om te voorkomen dat deze gegevens alsnog openbaar worden.

2. Eiser ontving vanaf 2013 een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA), op basis van volledige arbeidsongeschiktheid. Zijn oud-werkgever [derde-partij] heeft in 2018 aan verweerder gevraagd om het recht op eisers uitkering opnieuw te beoordelen. Dat heeft geleid tot de onder ‘Procesverloop’ genoemde besluitvorming.

3. Verweerder heeft eisers WIA-uitkering beëindigd, omdat hij tot de conclusie is gekomen dat eiser op 14 februari 2019 (de datum in geding) voor minder dan 35% arbeidsongeschikt moet worden geacht. Aan verweerders besluiten liggen rapporten van een arbeidsdeskundige en van een verzekeringsarts ten grondslag.

4. Verweerder mag zijn besluiten over arbeidsongeschiktheid in beginsel baseren op rapporten van verzekeringsartsen en arbeidsdeskundigen. Deze rapporten moeten dan wel aan een aantal voorwaarden voldoen: zij moeten op zorgvuldige wijze tot stand zijn gekomen, ze mogen geen tegenstrijdigheden bevatten en de conclusies moeten logisch voortvloeien uit de rapportages. Het is aan eiser om aannemelijk te maken dat de rapporten die over hem zijn opgesteld niet aan deze vereisten voldoen. De rechtbank oordeelt dat eiser hierin niet is geslaagd.

5. Verweerders arts [A] (onder supervisie van verzekeringsarts [B] ) heeft eiser gezien op het spreekuur, hem lichamelijk en psychisch onderzocht en zijn dossier bestudeerd. Zij heeft daarover een rapport geschreven en heeft een functionelemogelijkhedenlijst (FML) opgesteld. Op haar verzoek heeft niet-praktiserend medisch specialist [C] vervolgens een expertiserapport geschreven over bepaalde fysieke klachten van eiser. In een tweede rapport van [A] is zij ingegaan op de bevindingen van [C] en heeft zij de FML gewijzigd. In de tweede FML nam zij minder beperkingen op dan in de eerste FML. Op basis hiervan is het primaire besluit genomen. Verweerders verzekeringsarts bezwaar en beroep [D] heeft eiser gezien op de hoorzitting over zijn bezwaar, heeft hem lichamelijk en psychisch onderzoek en heeft eveneens het dossier bestudeerd. Hij heeft hierover een rapport geschreven en heeft de tweede FML van [A] aangepast, door weer meer beperkingen op te nemen. Op basis hiervan is het bestreden besluit genomen.

6. Volgens eiser is het in het licht van zijn medische voorgeschiedenis en eerdere beoordelingen onbegrijpelijk dat er niet ook nog een aantal andere specifieke fysieke beperkingen zijn aangenomen. Dat is volgens eiser een onzorgvuldigheid die ook zonder medische onderbouwing al duidelijk is. De rechtbank vindt echter dat de medische rapporten zorgvuldig tot stand zijn gekomen. Op basis van het verzoek van [derde-partij] moest verweerder voor de huidige datum in geding beoordelen wat eisers beperkingen waren. De beoordelingen waar eiser zich op beroept gaan over een andere datum en het is niet tegenstrijdig dat bepaalde beperkingen en een urenbeperking toen wel, en nu niet worden aangenomen. In de huidige rapporten wordt steeds inzichtelijk gemotiveerd waarom tot bepaalde conclusies wordt gekomen. In de eerste FML van [A] stonden meer beperkingen dan in de tweede. Het was misschien voor eiser duidelijker geweest als zij met het maken van de definitieve FML had gewacht totdat het rapport van [C] er lag. In haar tweede rapport onderbouwt [A] , aan de hand van het rapport van [C] , echter wel waarom zij uiteindelijk minder beperkingen aanneemt. Bovendien is een deel van de beperkingen door [D] alsnog weer toegevoegd aan de FML en ook dat is van een inzichtelijke motivering voorzien. Deze beroepsgrond slaagt niet.

7. Eiser heeft in de bezwaarprocedure verweerders beoordeling van zijn fysieke klachten ook met medische stukken bestreden. Die stukken heeft hij bij de rechtbank opnieuw aangevoerd: het gaat om een brief van zijn behandelend medisch specialist [E] en een second opinion van medisch specialist [F] . Uit deze stukken volgt over de fysieke klachten een andere medische conclusie dan die van [C] in zijn expertiserapport. De rechtbank overweegt dat verzekeringsarts bezwaar en beroep [D] hierop gemotiveerd is ingegaan. Hij heeft geconstateerd dat door geen van de medisch specialisten wordt ontkend dat sprake is van de door eiser ervaren fysieke klachten, hoewel er wel verschil van mening bestaat over een daaraan te verbinden diagnose. [D] volgt vervolgens het oordeel van [F] in zijn second opinion en acht de door arts [A] gegeven beperkingen in haar eerste FML daarbij passend. Wel neemt [D] op één punt gemotiveerd een lichtere beperking aan. Hij onderbouwt waarom er op basis van de medische gegevens geen reden is voor het aannemen van een urenbeperking. De rechtbank constateert dat eiser in bezwaar dus grotendeels gelijk heeft gekregen, juist op basis van de overgelegde second opinion van [F] . Door in beroep opnieuw naar dezelfde stukken te verwijzen gaat hij daaraan voorbij. In het licht van de door [D] gegeven motivering, die wordt herhaald in zijn reactie op het beroepschrift, zijn deze stukken onvoldoende om de in bezwaar gegeven medische beoordeling te betwisten. Deze beroepsgrond slaagt ook niet.

8. Eiser is het ook niet eens met de beoordeling van zijn psychische klachten. Dat onderbouwt hij met een psychologisch onderzoeksrapport van zijn behandelaar, waarin een diagnose wordt gesteld. Ook hierop heeft [D] gereageerd. Hij heeft toegelicht dat eiser al jaren psychische klachten heeft, die in essentie niet gewijzigd zijn tot aan de datum in geding. Op het bestaan van die klachten is door eiser ook gewezen in tijdens de onderzoeken van [A] en [D] en er zijn beperkingen voor aangenomen in de FML. [D] wijst er vervolgens terecht op dat de vaststelling van de psychische diagnose door de behandelaar in oktober 2019 ruim zes maanden na de datum in geding ligt, zodat die diagnose niet zonder meer op de datum in geding kan worden aangenomen. Bij de onderzoeken door [A] en door [D] heeft eiser geen klachten gemeld die passen bij de nu gestelde diagnose. [D] wijst erop dat een dergelijk ziektebeeld ook jaren later nog kan ontstaan, terwijl eiser bovendien in juli 2019, na de datum in geding, nog opgenomen is geweest. De rechtbank volgt de door [D] gegeven conclusie dat het psychologisch onderzoeksrapport gelet hierop onvoldoende is om te onderbouwen dat er op de datum in geding te weinig beperkingen vanwege psychische klachten zijn aangenomen. Ook deze beroepsgrond slaagt niet.

9. De rechtbank wijst het verzoek van eiser om een arts als deskundige te benoemen af. Uit de hiervoor gegeven beoordeling blijkt dat de rechtbank niet twijfelt aan de beoordeling door verweerders artsen, terwijl eiser in staat is geweest om de betwisting van die beoordeling met medische stukken te onderbouwen. Voor het benoemen van een deskundige is daarom geen reden.

10. Op basis van deze medische beoordeling en de door [D] gemaakte FML heeft verweerders arbeidsdeskundige bezwaar en beroep een rapport geschreven. Zij heeft daarin inzichtelijk onderbouwd dat eiser met de aangenomen beperkingen in staat moet worden geacht om de in het rapport geduide functies te verrichten. De mate van arbeidsongeschiktheid is minder dan 35%, namelijk 6,4%. Eiser heeft daartegen niets aangevoerd en de rechtbank heeft ook geen reden om aan de conclusie uit dat rapport te twijfelen. Verweerder heeft de verzekeringsgeneeskundige en arbeidskundige rapporten aan het bestreden besluit ten grondslag mogen leggen en heeft eisers uitkering terecht geweigerd.

11. Het beroep is ongegrond. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan op 6 april 2020 door mr. K. de Meulder, rechter, in aanwezigheid van mr. M.H.A. Willems, griffier. Als gevolg van maatregelen rondom het Coronavirus is deze uitspraak niet uitgesproken op een openbare uitsprakenzitting. Zodra het openbaar uitspreken weer mogelijk is, wordt deze uitspraak alsnog in het openbaar uitgesproken.

de griffier is verhinderd om

de uitspraak te ondertekenen

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep.