Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2020:1401

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
17-02-2020
Datum publicatie
25-02-2021
Zaaknummer
UTR 18/2179 en 18/2059
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Einduitspraak. Verweerder heeft gebrek hersteld door terugvordering opnieuw vast te stellen. Beroepen ongegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Zittingsplaats Utrecht

Bestuursrecht

zaaknummers: UTR 18/2179 en UTR 18/2059

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 17 februari 2020 in de zaak tussen

[eiseres] , te [woonplaats] , eiseres, en [eiser], te [woonplaats] , eiser, samen te noemen eisers

(gemachtigde: mr. M. Krabben-Tmim),

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Rhenen, verweerder

(gemachtigde: N.V. Volchenko).

Procesverloop

Voor het procesverloop tot de tussenuitspraak van 13 september 2019 (de tussenuitspraak) verwijst de rechtbank naar die tussenuitspraak.

Bij de tussenuitspraak heeft de rechtbank verweerder in de gelegenheid gesteld om binnen zes weken na verzending van de tussenuitspraak, met inachtneming van de overwegingen en aanwijzingen in die uitspraak, de geconstateerde gebreken in de bestreden besluiten van 8 mei 2018 te herstellen.

Om de gebreken te herstellen heeft verweerder de bestreden besluiten gewijzigd met het nieuwe besluit van 21 oktober 2019. Hierin heeft verweerder nieuwe berekeningen gemaakt van de (mede-)terug te vorderen bedragen van zowel eiseres als eiser.

Eisers hebben op 19 november 2019 hun zienswijzen gegeven.

De rechtbank heeft vervolgens bepaald dat een nadere zitting achterwege blijft en heeft het onderzoek gesloten.

Overwegingen

1. Deze uitspraak bouwt voort op de tussenuitspraak. De rechtbank blijft bij al wat zij in de tussenuitspraak heeft overwogen en beslist, tenzij hierna uitdrukkelijk anders wordt overwogen. Het staat de rechtbank niet vrij om terug te komen van zonder voorbehoud gegeven oordelen in de tussenuitspraak. Dit is alleen anders in zeer uitzonderlijke gevallen1.

2. In haar tussenuitspraak heeft de rechtbank, kort gezegd, overwogen dat verweerder niet gerechtigd was om de volledige kosten van bijstand over de periode 7 juni 2014 tot en met 18 september 2016 van eiseres terug te vorderen. Verweerder had dit bedrag moeten beperken tot wat eiseres te veel heeft ontvangen, te weten de bijstand naar de alleenstaande norm minus de helft van de bijstand naar de gehuwden norm. Hetzelfde werd overwogen ten aanzien van de medeterugvordering van eiser. Ten aanzien van de door eiser ontvangen bijstand die mede van eiseres werd teruggevorderd, heeft de rechtbank overwogen dat verweerder de gezamenlijke huishouding over de periode 1 november 2012 tot 7 juni 2014 niet nader heeft onderbouwd. Omdat dit wel door eiseres werd betwist, kon verweerder niet volstaan met verwijzing naar het besluit van 2 augustus 2017 waarmee de bijstand van eiser over deze periode werd teruggevorderd. De rechtbank heeft verweerder in de tussenuitspraak in de gelegenheid gesteld de gebreken in de bestreden besluiten van 8 mei 2018 te herstellen.

3. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder de in de tussenuitspraak geconstateerde gebreken met het nieuwe besluit van 21 oktober 2019 hersteld. Het besluit van 21 oktober 2019 moet worden aangemerkt als een wijziging van de bestreden besluiten van 8 mei 2018 voor zover die besluiten zien op:

- de terugvordering van eiseres van € 43.539,74 en de medeterugvordering

van eiseres van € 52.052,61. Deze terugvorderingen zijn gewijzigd in € 28.089,70 respectievelijk € 10.580,21. Ten aanzien van de periode 1 november 2012 tot 7 juni 2014 stelt verweerder zich in het nieuwe besluit op het standpunt dat hij onvoldoende kunnen onderbouwen dat in die periode sprake was van een gezamenlijke huishouding.

- de medeterugvordering van eiser van € 43.539,74. Deze terugvordering

is gewijzigd in € 28.089,70.

Ten aanzien van de bestreden besluiten van 8 mei 2018

4. De beroepen van eisers hebben, gelet op het bepaalde in artikel 6:19, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), van rechtswege mede betrekking op het nieuwe besluit van 21 oktober 2019. Het nieuwe besluit wijzigt de bestreden besluiten van 8 mei 2018 voor zover die zien op de terugvordering en medeterugvordering van eiseres en de medeterugvordering van eiser. Gesteld noch gebleken is dat eisers belang hebben bij een inhoudelijke beoordeling van de bestreden besluiten van 8 mei 2018 voor zover die zien op de terugvordering en medeterugvordering van eiseres en de medeterugvordering van eiser. Voor zover de beroepen daartegen zijn gericht zal de rechtbank die beroepen daarom niet-ontvankelijk verklaren.

Ten aanzien van het nieuwe besluit van 21 oktober 2019

5.1

Tegen het nieuwe besluit van 21 oktober 2019 voeren eisers aan dat zij nooit hebben samengewoond en dat er ten onrechte bedragen worden teruggevorderd. Tegen de berekening van de (mede-)terugvorderingen hebben eisers geen gronden aangevoerd.

5.2

De rechtbank stelt vast dat eisers hiermee hebben herhaald wat zhij al eerder in deze procedure naar voren hebben gebracht. Over het samenwonen heeft de rechtbank in de tussenuitspraak al geoordeeld. De rechtbank ziet geen aanleiding om terug te komen van
haar oordeel in de tussenuitspraak over het samenwonen en de daaruit voortvloeiende

(mede-)terugvorderingen.

6. De beroepen voor zover gericht tegen het nieuwe besluit van 21 oktober 2019 zijn ongegrond.

Proceskostenvergoeding

7.1

Omdat verweerder naar aanleiding van de tussenuitspraak de bestreden besluiten van 8 mei 2018, voor zover die zien op de (mede-)terugvorderingen, heeft gewijzigd, ziet de rechtbank aanleiding om verweerder op grond van artikel 8:75 van de Awb te veroordelen in de proceskosten die eisers in verband met hun beroepen redelijkerwijs hebben gemaakt. Het bedrag van de kosten van de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand wordt daarbij vastgesteld overeenkomstig het tarief, als bedoeld in artikel 2, eerste lid, onder a, van het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb). De rechtbank kent voor de verrichte proceshandelingen twee en een halve punt toe met elk een waarde van € 525,- per punt voor de indiening van de beroepschriften, het verschijnen ter zitting en de schriftelijke zienswijze na de tussenuitspraak. Het gewicht van de zaak wordt, gelet op de aard en de inhoud van het geschil, bepaald op gemiddeld (wegingsfactor 1). Het te vergoeden bedrag voor verleende rechtsbijstand bedraagt derhalve per persoon 2,5 x € 525,- x 1 = € 1.312,50. De rechtbank beschouwt onderhavige zaken echter als samenhangende zaken in de zin van artikel 3 van het Bpb en begroot de kosten die eiseres en eiser elk redelijkerwijs hebben moeten maken op de helft van dat bedrag, derhalve op € 656,25.

7.2

De rechtbank bepaalt dat verweerder het door eisers betaalde griffierecht dient te vergoeden.

Beslissing

De rechtbank:

In de zaak UTR 18/2179:

  • -

    verklaart het beroep tegen de intrekking van de bijstand met ingang van 7 juni 2014 en
    de beëindiging van de bijstand met ingang van 18 juli 2017 ongegrond;

  • -

    verklaart het beroep voor zover gericht tegen het bestreden besluit van 8 mei 2018 ten
    aanzien van de terugvordering en de medeterugvordering niet-ontvankelijk;

  • -

    verklaart het beroep voor zover gericht tegen het nieuwe besluit van 21 oktober 2019
    ten aanzien van terugvordering en de medeterugvordering ongegrond;

  • -

    veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van € 656,25;

  • -

    draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 46,- aan eiseres te vergoeden;
    In de zaak UTR 18/2059:

  • -

    verklaart het beroep voor zover gericht tegen het bestreden besluit van 8 mei 2018 ten
    aanzien van de medeterugvordering niet-ontvankelijk;

  • -

    verklaart het beroep voor zover gericht tegen het nieuwe besluit van 21 oktober 2019 ten
    aanzien van de medeterugvordering ongegrond;

  • -

    veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 656,25;

  • -

    draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 46,- aan eiser te vergoeden.

Deze uitspraak is gedaan door mr. G.P. Loman, rechter, in aanwezigheid van mr. T. van Ekris, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 17 februari 2020.

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak en de tussenuitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending van deze uitspraak hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep.

1 Zie bijvoorbeeld de uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (ABRvS) van 24 augustus 2011, ECLI:NL:RVS:2011:BR5704 en 15 augustus 2012, ECLI:NL:RVS:2012:BX4694.