Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2020:1390

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
07-04-2020
Datum publicatie
14-04-2020
Zaaknummer
UTR - 18 _ 3416
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Zaak over indirecte planschade waarbij de agrarische bestemming is vervangen door de bestemming Wonen. Het bestreden besluit is onbevoegd in mandaat genomen. Het college heeft dit besluit inmiddels bekrachtigd. Toch laat de rechtbank de rechtsgevolgen daarvan niet in stand, omdat het college is uitgegaan van een onjuiste planvergelijking door daarbij niet de mogelijkheid om onder het oude planologische regime sleufsilo's te realiseren te betrekken. Het is niet aannemelijk dat die mogelijkheid met aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid is uitgesloten; de bewijslast ligt in deze zaak bij het college. Gelet op een efficiënte rechtspleging verdient het de voorkeur dat een eventuele hogerberoepsprocedure gelijktijdig kan worden gevoerd met een samenhangende zaak. De rechtbank past daarom niet de mogelijkheid van een bestuurlijke lus toe en draagt het college op een nieuw besluit te nemen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Zittingsplaats Utrecht

Bestuursrecht

zaaknummer: UTR 18/3416

uitspraak van de meervoudige kamer van 7 april 2020 in de zaak tussen

[eiseres] B.V., te [vestigingsplaats] , eiseres

(gemachtigde: mr. A. Daan),

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Stichtse Vecht (het college), verweerder

(gemachtigde: A.F.J.M. Emmelot).

Als derde-partijen hebben aan het geding deelgenomen:

[derde-partij 1] , te [woonplaats] ,

(gemachtigde: mr. R. Hoeneveld)

en

[derde-partij 2] , te [woonplaats] .

Inleiding

1. Eiseres heeft bij de gemeente Stichtse Vecht een verzoek ingediend om de bestemming van het perceel [straatnaam] [nummeraanduiding 1] in [plaatsnaam] (het plangebied) te wijzigen. In het plangebied was een fruitteeltbedrijf met boomgaard gevestigd. Eiseres heeft het verzoek gedaan vanwege het voornemen om er woningen te bouwen.

2. Op 29 september 2015 is voor het plangebied een nieuw bestemmingsplan – het bestemmingsplan ‘Zwanenburg’ – vastgesteld. Op grond van dit bestemmingsplan is de bestemming van het plangebied gewijzigd van ‘Agrarisch’ met de functieaanduidingen ‘fruitteelt’ en ‘bedrijfswoning’ naar de bestemmingen ‘Wonen’, ‘Tuin’ en ‘Verkeer-Verblijfsgebied’. Dit nieuwe bestemmingsplan staat inmiddels in rechte vast en eiseres heeft in het plangebied 14 grondgebonden woningen gebouwd.

3. Het college en eiseres hebben een planschadeovereenkomst gesloten. Op grond van deze overeenkomst is eiseres verplicht om aan het college het totale bedrag te compenseren dat het als tegemoetkoming vergoedt aan omwonenden van het plangebied die schade lijden als gevolg van de vaststelling van het nieuwe bestemmingsplan.

De procedure

4. De eigenaren van de woningen aan de [straatnaam] [nummeraanduiding 2] , [nummeraanduiding 3] , [nummeraanduiding 4] , [nummeraanduiding 5] en [nummeraanduiding 6] in [plaatsnaam] (de woningen) hebben – elk afzonderlijk – een aanvraag ingediend voor een tegemoetkoming in de planschade die zij lijden als gevolg van de inwerkingtreding van het bestemmingsplan ‘Zwanenburg’. Het college heeft de Stichting Adviesbureau Onroerende Zaken (SAOZ) aangewezen om advies uit te brengen over deze aanvragen. SAOZ heeft de bevindingen en conclusies per aanvraag neergelegd in vijf planschade-adviezen (de planschade-adviezen). Op 28 augustus 2017 en 2 november 2017 heeft het college in overeenstemming met deze planschade-adviezen besloten om aan de eigenaren van de woningen een tegemoetkoming in planschade toe te kennen (de primaire besluiten). Eiseres heeft bezwaar ingediend tegen de primaire besluiten. In het besluit van 31 juli 2018 (het eerste bestreden besluit) heeft het college onder verbetering van de motivering de primaire besluiten in stand gelaten. Eiseres heeft tegen dit besluit beroep ingesteld. De derde-partijen die aan het geding deelnemen zijn de eigenaren van de woningen aan de [straatnaam] [nummeraanduiding 3] en [nummeraanduiding 6] .

5. Het college heeft op 6 mei 2019 een verweerschrift ingediend. In dit verweerschrift neemt het een ander standpunt in dan in het besluit van 31 juli 2018. Omdat dit gewijzigde standpunt gevolgen kon hebben voor de hoogte van de tegemoetkoming in planschade waar de vijf aanvragers recht op hebben, heeft de rechtbank het beroep aangehouden om het college in de gelegenheid te stellen om de aanvragers over dit gewijzigde standpunt te informeren. Het college heeft op 9 juli 2019 het besluit op bezwaar van 31 juli 2018 gewijzigd (het tweede bestreden besluit) in die zin dat hij nu voor alle tegemoetkomingen in planschade een normaal maatschappelijk risico van 5% van de waarde van de woningen direct voor het ontstaan van de schade hanteert. De toegekende planschadevergoedingen zijn door het tweede bestreden besluit verlaagd. Aan het tweede bestreden besluit ligt een (aanvullend) nader advies van SAOZ van 28 juni 2019 ten grondslag.

6. Het beroep van eiseres heeft van rechtswege mede betrekking op het tweede bestreden besluit.

7. De zaak is behandeld op de zitting van 31 januari 2020. Namens eiseres was hierbij [A] aanwezig, bijgestaan door de gemachtigde en vergezeld door mr. [B] (planschadeadviseur). Ook de gemachtigde van het college, vergezeld door mr. [C] , en derde-partij [derde-partij 1] , bijgestaan door zijn gemachtigde, waren aanwezig. Derde-partij [derde-partij 2] is niet verschenen.

8. De zaak is gelijktijdig, maar niet gevoegd, behandeld met het beroep van derde-partij [derde-partij 1] tegen het tweede bestreden besluit, zaaknummer UTR 19/3157. Dat beroep gaat over de vraag welk deel van de planschade die [derde-partij 1] lijdt binnen het normale maatschappelijke risico valt en daarom voor zijn eigen rekening komt. De omvang van de schade is in die zaak niet aan de orde. Eiseres neemt aan die zaak deel als derde-partij.

9. Op 11 februari 2020 heeft het college de bestreden besluiten bekrachtigd. Ook op dit besluit heeft het beroep van eiseres van rechtswege mede betrekking.

Overwegingen

Bestreden besluiten onbevoegd genomen

10. De primaire besluiten zijn door het college genomen in zijn collegevergadering. Dit heeft tot gevolg dat de heroverweging in bezwaar ook door het college moet worden gemaakt. Het besluit op bezwaar mag – gelet op de in artikel 7:11, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) voorgeschreven heroverweging – dan niet in mandaat door een ambtenaar worden genomen.1 Het eerste bestreden besluit en het tweede bestreden besluit zijn echter wel door een ambtenaar, en dus onbevoegd, genomen. Zoals al staat vermeld onder het kopje ‘De procedure’ heeft het college op 11 februari 2020 beide besluiten bekrachtigd. Het is vaste rechtspraak van de Afdeling dat een bekrachtiging achteraf een bevoegdheidsgebrek als hier aan de orde niet ongedaan maakt. De rechtbank vindt dat het bevoegdheidsgebrek ook niet gepasseerd kan worden met artikel 6:22 van de Awb, omdat van het college een actie (bekrachtiging) vereist was. Dat betekent dat het beroep gegrond is.

11. Met het oog op een efficiënte geschilbeslechting zal de rechtbank het beroep inhoudelijk beoordelen en daarna ingaan op de gevolgen van het bevoegdheidsgebrek.

Inhoudelijk toetsingskader

12. Het college kent op aanvraag een tegemoetkoming toe in de schade die de aanvrager lijdt of zal lijden door het in werking treden van een nieuw bestemmingsplan, voor zover de schade redelijkerwijs niet voor rekening van de aanvrager behoort te blijven en de tegemoetkoming niet voldoende anderszins is verzekerd2. Hiertoe moet het nieuwe bestemmingsplan worden vergeleken met het oude bestemmingsplan. Daarbij is niet de feitelijke situatie van belang, maar wat maximaal op grond van het oude bestemmingsplan kon worden gerealiseerd, ongeacht of dit ook daadwerkelijk is gerealiseerd. Alleen als realisering van de maximale mogelijkheden met aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid kan worden uitgesloten, kan aanleiding bestaan om van dit uitgangspunt af te wijken3.

13. Bij de beoordeling van een verzoek om tegemoetkoming in planschade als gevolg van planologische ontwikkelingen op gronden van derden – zoals hier het geval is – moet worden uitgegaan van de voor de aanvrager meest ongunstige invulling van de planologische mogelijkheden van die gronden.

14. Volgens vaste rechtspraak mag het college uitgaan van het advies van de door hem benoemde onafhankelijke en onpartijdige adviseur – in dit geval SAOZ – als in dat advies op objectieve wijze verslag is gedaan van het verrichte onderzoek en daarin is aangegeven welke feiten en omstandigheden aan de conclusies ervan ten grondslag zijn gelegd en deze conclusies niet onbegrijpelijk zijn, tenzij door eiseres concrete aanknopingspunten voor twijfel aan de juistheid of volledigheid van het advies naar voren zijn gebracht.

Het geschil

15. Tussen partijen is niet in geschil dat de eigenaren van de woningen schade lijden als gevolg van het in werking treden van het nieuwe bestemmingsplan ‘Zwanenburg’. Ook verschillen partijen niet van mening over de waarde van de woningen direct na het ontstaan van deze schade.

16. Tussen eiseres en het college is na het tweede bestreden besluit ook niet meer in geding welk deel van de schade redelijkerwijs voor rekening van de eigenaren van de woningen blijft. Het college heeft de omvang van het normaal maatschappelijk risico in het tweede bestreden besluit vastgesteld op 5% van de waarde van de woningen direct voor het ontstaan van de schade. Uit de uitspraak van heden in de zaak van [derde-partij 1] (zaaknummer UTR 19/3157) volgt dat het college dit percentage in redelijkheid heeft mogen hanteren. De planschade van de eigenaren van de woningen die binnen dit normale maatschappelijke risico valt blijft voor hun rekening4.

17. Tussen eiseres en het college staat nog wel ter discussie wat de omvang van de planschade van de eigenaren van de woningen is. Eiseres voert aan dat SAOZ bij het maken van de planvergelijking niet juist heeft vastgesteld wat in het plangebied op grond van het oude bestemmingsplan planologisch maximaal kon worden gerealiseerd. Volgens eiseres zijn de planschade-adviezen onjuist, voor zover het gaat over de erfbebouwing die op de naburige percelen [straatnaam] [nummeraanduiding 4] en [nummeraanduiding 5] mogelijk was en nog steeds mogelijk is en de planologische mogelijkheid om op grond van het oude bestemmingsplan in het plangebied sleufsilo’s te bouwen. Als gevolg hiervan heeft SAOZ volgens eiseres de waarde van de woningen direct voor het ontstaan van de schade te hoog getaxeerd en is de planschade die de eigenaren van de woningen lijden daarom lager dan door het college in de bestreden besluiten is aangenomen.

18. Eiseres heeft op de zitting de beroepsgrond over de onjuistheid van de planvergelijking met betrekking tot de bebouwingsmogelijkheden in de bestemming ‘Verkeer – Verblijfsgebied’ tussen het plangebied en de woning aan de [straatnaam] [nummeraanduiding 2] ingetrokken. Deze beroepsgrond wordt daarom niet besproken.

Beoordeling van het geschil

Erfbebouwing op de naburige percelen [straatnaam] [nummeraanduiding 4] en [nummeraanduiding 5]

19. Op de percelen [straatnaam] [nummeraanduiding 4] en [nummeraanduiding 5] was ten tijde van het ontstaan van de schade het bestemmingsplan ‘ [plaatsnaam] -Dorp woongebied’ van toepassing. Op grond van dit bestemmingsplan mag op deze percelen erfbebouwing in de vorm van vrijstaande bijgebouwen met een maximale goot- en bouwhoogte van 3 meter en een totaal gezamenlijk oppervlak van 50 m2 per woonperceel worden gebouwd. Uitgaande van een maximale invulling van deze bebouwingsmogelijkheden kon het doorzicht vanuit de woningen naar het plangebied door erfbebouwing in de oude planologische situatie reeds worden beperkt.

20. Eiseres wijst erop dat SAOZ pas voor het eerst bij het opstellen van het aanvullend nader advies van 28 juni 2019 in de planvergelijking rekening heeft gehouden met deze bestaande planologische mogelijkheid van erfbebouwing op de percelen [straatnaam] [nummeraanduiding 4] en [nummeraanduiding 5] . Volgens eiseres had SAOZ dit vervolgens moeten vertalen in een mindere mate van planologische verslechtering bij de factor uitzicht en vervolgens in een ten opzichte van het eerste bestreden besluit gewijzigde schadebegroting. Dit heeft SAOZ niet gedaan.

21. Het college heeft op de zitting toegelicht en de rechtbank stelt ook vast dat SAOZ alleen in het planschade-advies over het perceel [straatnaam] [nummeraanduiding 3] bij het aspect uitzicht inzichtelijk rekening heeft gehouden met de planologische mogelijkheid van bijgebouwen en overkappingen op naburige percelen. Deze planologische mogelijkheid van erfbebouwing ontbreekt bij de planvergelijking in de andere planschade-adviezen. Naar het oordeel van de rechtbank heeft het college, door die adviezen aan het eerste bestreden besluit ten grondslag te leggen, dit besluit in zoverre onvoldoende zorgvuldig voorbereid en niet voorzien van een deugdelijke motivering. De beroepsgrond slaagt.

22. De rechtbank beoordeelt vervolgens of dit gebrek in het tweede bestreden besluit nog steeds bestaat. In het aanvullend nader advies van SAOZ van 28 juni 2019 dat door het college ten grondslag is gelegd aan het tweede bestreden besluit, licht SAOZ dit punt wel verder toe. SAOZ schrijft in dit advies dat ook als zij rekening houdt met de bestaande planologische mogelijkheid van bijgebouwen met een hoogte van 3 meter op tussenliggende percelen, de planwijziging nog steeds een nadelig effect heeft op het uitzicht van de aanvragers. De woningen in het plangebied zijn 7 meter hoger dan de bijgebouwen die planologisch op de tussenliggende percelen zijn toegestaan en steken daar dus boven uit. In ieder geval vanuit de verdieping van de woningen, maar ook vanaf de begane grond is de nieuwbouw dus wel degelijk zichtbaar, ook als rekening wordt gehouden met de mogelijkheid van bijgebouwen op de tussenliggende percelen. Daarom is de nieuwbouw volgens SAOZ aan te merken als een verslechtering van het uitzicht.

23. De rechtbank kan deze uitleg van SAOZ volgen. De rechtbank is van oordeel dat SAOZ in redelijkheid heeft kunnen concluderen dat als zij de bebouwingsmogelijkheden op de tussenliggende percelen bij de boordeling van de planschade betrekt, dit niet van invloed is op de uitkomst van de planvergelijking zoals deze is opgenomen in de planschadeadviezen. Dat de planschadeadviseur van eiseres hier anders over denkt, maakt niet dat de rechtbank twijfelt aan de juistheid van het advies van SAOZ. De rechtbank vindt dat het college met het aanvullend nader advies van SAOZ van 28 juni 2019 bij het aspect uitzicht voldoende inzichtelijk rekening heeft gehouden met de maximale invulling van de planologische bebouwingsmogelijkheid van erfbebouwing op de percelen [straatnaam] [nummeraanduiding 4] en [nummeraanduiding 5] . De beroepsgrond slaagt niet, voor zover zij is gericht tegen het tweede bestreden besluit.

Sleufsilo’s

24. Eiseres voert aan dat als wordt uitgegaan van een maximale, voor de aanvragers meest nadelige, invulling van het plangebied onder het oude bestemmingsplan, de aanvragers tot op de perceelgrens konden worden geconfronteerd met bouwwerken geen gebouw zijnde met een hoogte van maximaal 2,50 meter. Dit kunnen bijvoorbeeld sleufsilo’s waarin kuilgras wordt opgeslagen zijn. Ook mochten op het perceel (eventueel in een sleufsilo) het gehele jaar balen in folie verpakt kuilgras worden opgeslagen. Voor opslag van in folie verpakt kuilgras gelden er geen afstandseisen tot de woningen. Eiseres verwijst ter onderbouwing van haar standpunt naar een uitspraak van de Afdeling van 17 augustus 20165. In de rechtspraak van de Afdeling wordt een stapelmogelijkheid van 6 meter voor kuilgras voor mogelijk gehouden. Het college heeft deze bebouwingsmogelijkheid volgens eiseres ten onrechte niet meegenomen in de planologische vergelijking.

25. Het college stelt zich met overneming van het aanvullend nader advies van SAOZ van 28 juni 2019 inmiddels op het standpunt dat binnen de bestemming ‘Agrarisch’ de bouw van sleufsilo’s inderdaad tot de mogelijkheden behoort, maar dat de invulling van het plangebied met een behoorlijk areaal aan en een grote hoogte van sleufsilo’s gelet op de beperkte oppervlakte van het plangebied en de ligging daarvan midden in een woonwijk slechts een theoretische mogelijkheid is. De realisering daarvan is volgens het college met een aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid uit te sluiten.

26. Uit het voorgaande blijkt dat binnen de bestemming ‘Agrarisch’ de bouw van sleufsilo’s in het plangebied mogelijk was. Deze bouwmogelijkheid is door SAOZ niet meegenomen in de planologische vergelijking in de planschadeadviezen die ten grondslag lagen aan het eerste bestreden besluit. Naar het oordeel van de rechtbank heeft het college, door dit advies aan het eerste bestreden besluit ten grondslag te leggen, dit besluit onvoldoende zorgvuldig voorbereid en niet voorzien van een deugdelijke motivering. De beroepsgrond slaagt in zoverre.

27. De rechtbank moet in het licht van wat partijen daarover naar voren hebben gebracht vervolgens beoordelen of het aannemelijk is dat realisatie van sleufsilo’s onder het oude planologische regime met aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid was uitgesloten. Daarbij stelt de rechtbank voorop dat het in dit geval aan het college (en daarmee in dit geval aan SAOZ) is om daartoe de relevante feiten en omstandigheden te stellen: het college beroept zich immers op de uitzondering om niet uit te gaan van de maximale planologische mogelijkheden. Deze zaak wijkt daarmee af van de zaak die aan de orde was in de uitspraak van de Afdeling van 28 september 2016 (Achtkarspelen)6, waarnaar SAOZ verwijst. In die zaak beriep het bestuursorgaan zich op het níet bestaan van een met aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid van de maximale realisatie van het planologisch regime, terwijl de appellant in die zaak onderbouwd had gesteld dat die uitzondering zich wel voordeed. Onder die omstandigheden vond de Afdeling dat het bestuursorgaan aannemelijk moest maken dat de door appellant voorgestane maximale invulling slechts een theoretische mogelijkheid was. Die situatie doet zich hier niet voor. In het advies van SAOZ wordt de bewijslast in deze zaak dan ook ten onrechte omgedraaid, door te overwegen dat er geen vergelijkbare gevallen bekend zijn waarbij de door eiseres voorgestane invulling van het plangebied met sleufsilo’s daadwerkelijk gerealiseerd is en dat het aan eiseres en haar adviseur is om aannemelijk te maken dat de realisatie van een fors areaal aan (hoge) sleufsilo’s hier niet slechts een theoretische mogelijkheid is.

28. De rechtbank is van oordeel dat op basis van het advies van SAOZ van 28 juni 2019 onvoldoende aannemelijk is dat realisatie van sleufsilo’s onder het oude planologische regime met aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid was uitgesloten. In het advies wordt verwezen naar de ligging van het perceel middenin een woonwijk en de beperkte oppervlakte, waardoor de door eiseres geschetste invulling slechts een theoretische mogelijkheid zou zijn. In het licht van de met een adviesrapport onderbouwde stelling van eiseres dat sleufsilo’s op het perceel wel tot de maximale mogelijkheden behoren is die enkele overweging naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende om een beroep te kunnen doen op de uitzondering om niet van de maximale planologische mogelijkheden uit te gaan. Het lag op de weg van het college om in meer concrete mate te onderbouwen dat realisatie van sleufsilo’s op deze locatie, met deze omvang slechts theoretisch is. Een aspect dat bij die onderbouwing een rol kan spelen, maar dat nu niet in de besluitvorming is betrokken, is bijvoorbeeld de wijze waarop sleufsilo’s in een reguliere agrarische bedrijfsvoering een rol spelen, afgezet tegen het oppervlaktegebruik van een bedrijf. De feitelijke omstandigheden in de hiervoor genoemde uitspraak van de Afdeling inzake Achtkarspelen en in de uitspraak van 13 juni 2018 (Haaksbergen)7 zijn verder te casuïstisch van aard om in dit geval, zoals het college voorstaat, uit af te kunnen leiden dat hier niet van de maximale planologische mogelijkheden moet worden uitgegaan. De conclusie is dan ook dat het advies van 28 juni 2019 op dit punt niet toereikend is en dat het college, door dit advies aan het tweede bestreden besluit ten grondslag te leggen, dat besluit evenzeer onvoldoende zorgvuldig heeft voorbereid en niet heeft voorzien van een deugdelijke motivering. De beroepsgrond slaagt ook in zoverre.

Conclusie

29. De conclusie van het voorgaande is dat aan de bestreden besluiten twee gebreken kleven. In de eerste plaats zijn de bestreden besluiten aanvankelijk onbevoegd gemandateerd genomen door een ambtenaar. Daarnaast is in de besluitvorming de planologische mogelijkheid onder het oude bestemmingsplan om sleufsilo’s in het plangebied te bouwen in eerste instantie ten onrechte niet meegenomen en is die mogelijkheid vervolgens onvoldoende onderbouwd terzijde geschoven als zijnde puur theoretisch. De bestreden besluiten worden vernietigd wegens strijd met de artikelen 3:2, 7:11, eerste lid, en

7:12, eerste lid, van de Awb.

Hoe nu verder?

30. De rechtbank heeft de taak het geschil zoveel mogelijk definitief te beslechten. Op de zitting heeft eiseres aan de rechtbank in dit kader gevraagd om zelf in de zaak te voorzien en daarbij voor het bepalen van de waarde van de woningen direct voor het ontstaan van de schade gebruik te maken van de taxatie van de door haar ingeschakelde planschadeadviseur, zoals opgenomen in zijn rapport van 18 september 2018. Dit kan de rechtbank niet doen. Het is immers niet op voorhand uit te sluiten dat het college zijn standpunt over de met aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid uitgesloten mogelijkheid van realisatie van sleufsilo’s alsnog deugdelijk kan en wenst te onderbouwen. Daarnaast heeft de planschadeadviseur van eiseres bij de taxatie in het genoemde rapport voor het aspect uitzicht de planologische mogelijkheid van erfbebouwing op de percelen [straatnaam] [nummeraanduiding 4] en [nummeraanduiding 5] op een andere wijze gewogen dan het college. Deze taxatie kan ook om die reden niet zonder meer worden overgenomen.

31. De rechtbank ziet af van de mogelijkheid om het college via een tussenuitspraak in de gelegenheid te stellen om het gebrek in de bestreden besluiten te (laten) herstellen. Tegen het tweede bestreden besluit is ook beroep ingesteld door derde-partij [derde-partij 1] . De rechtbank doet tegelijkertijd met deze uitspraak ook uitspraak in dat beroep. In dat beroep gaat het – zoals onder het kopje ‘De procedure’ al staat vermeld – over de vraag welk deel van de planschade die [derde-partij 1] lijdt binnen het normale maatschappelijke risico valt en daarom voor zijn eigen rekening komt. De hoogte van de tegemoetkoming in planschade die het college aan aanvragers moet vergoeden wordt bepaald door de omvang van de schade, waarvan het gedeelte van de schade die binnen het normale maatschappelijke risico valt wordt afgetrokken. De aspecten uit beide beroepen gezamenlijk bepalen dus uiteindelijk de hoogte van de tegemoetkoming in planschade die aan de aanvragers zal worden toegekend. Gelet op deze samenhang tussen de twee beroepen verdient het gelet op een efficiënte rechtspleging de voorkeur dat eventuele hogerberoepsprocedures van alle partijen gelijktijdig kunnen worden gevoerd. Tegen een tussenuitspraak kan nog geen hoger beroep worden ingesteld. Dit kan pas bij een einduitspraak. Daarom doet de rechtbank in dit beroep geen tussenuitspraak.

32. Het college zal een nieuw besluit moeten nemen met inachtneming van deze uitspraak. Daarin moet het college nader motiveren waarom hij vindt dat sleufsilo’s op het perceel niet tot de maximale planologische mogelijkheden behoren en daarbij betrekken wat de rechtbank in overweging 28 heeft overwogen. Op de andere geconstateerde gebreken (het niet betrekken van de planologische mogelijkheid van erfbebouwing in het eerste bestreden besluit en het bevoegdheidsgebrek) hoeft het college niet in te gaan in het nieuwe besluit. De planologische mogelijkheden van erfbebouwing zijn immers wel betrokken in het advies van SAOZ van 28 juni 2019. Dat kan het college dus overnemen in het nieuwe besluit. Verder zijn de onbevoegd genomen bestreden besluiten bekrachtigd. Het college moet er uiteraard wel voor zorgen dat het nieuwe besluit bevoegd wordt genomen. De rechtbank stelt een termijn van 12 weken voor het nemen van een nieuw besluit.

Proceskosten

33. Omdat de rechtbank het beroep gegrond verklaart, bepaalt de rechtbank dat het college aan eiseres het door haar betaalde griffierecht vergoedt.

34. De rechtbank veroordeelt het college in de door eiseres gemaakte proceskosten. Voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand stelt de rechtbank deze op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht vast op € 1.050,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen op de zitting met een waarde per punt van

€ 525,- en een wegingsfactor 1).

35. Eiseres heeft daarnaast gevraagd om vergoeding van de kosten van de planschadeadviseur voor een bedrag van € 3.539,25 te vermeerderen met btw. De rechtbank acht het in de beroepsfase inroepen van de deskundigheid van een planschadeadviseur door eiseres redelijk. Eiseres heeft drie facturen overgelegd. Op de eerste factuur is alleen een totaalbedrag opgenomen, er is niet gespecificeerd hoeveel uren de planschadeadviseur aan de contra-expertise heeft besteed. Omdat een urenspecificatie ontbreekt, komen de kosten van deze factuur niet voor vergoeding in aanmerking. De kosten die de planschadeadviseur met de andere twee facturen declareert, te weten € 605,- en € 816,75, beiden inclusief btw, zijn wel voorzien van een urenspecificatie. Het gaat om 4 uur tegen een tarief van € 125,- per uur (exclusief btw) en 5 uur tegen een tarief van € 135,- per uur (exclusief btw). De rechtbank acht deze kosten redelijk. De bedragen van 4 x € 125,- en 5 x € 135,- komen voor vergoeding in aanmerking. Dat komt neer op € 1.175,-. Eiseres heeft gevraagd om een vergoeding van de kosten inclusief btw, maar daar ziet de rechtbank geen aanleiding toe. Artikel 15 van het Besluit tarieven in strafzaken 2003 brengt mee dat voor vergoeding in aanmerking komende kosten behoren te worden verhoogd met omzetbelasting naar het op grond van de bepalingen van de Wet op de omzetbelasting 1968 toepasselijke tarief. Gelet op de strekking van deze bepaling geldt dat alleen als de aan een belanghebbende in rekening gebrachte omzetbelasting op hem drukt en dus niet als hij die belasting als voorbelasting in aftrek kan brengen (zie in dit verband ook het arrest van de Hoge Raad van 13 juli 20128 ). De rechtbank gaat er van uit dat eiseres, een projectontwikkelaar, de btw als voorbelasting in aftrek kan brengen. Dat betekent dat het bedrag van € 1.175,- niet wordt verhoogd met btw.

36. De totale proceskosten waarin de rechtbank het college zal veroordelen bedragen daarom € 2.225,-.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt de bestreden besluiten;

- draagt het college op binnen 12 weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op het bezwaar met inachtneming van deze uitspraak;

- draagt het college op het betaalde griffierecht van € 338,- aan eiseres te vergoeden;

- veroordeelt het college in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van € 2.225,-.

Deze uitspraak is gedaan door mr. R.C. Moed, voorzitter, mr. K. de Meulder en

mr. E.C. Matiasen, leden, in aanwezigheid van mr. I.C. de Zeeuw-'t Lam, griffier, op

7 april 2020. Als gevolg van maatregelen rondom het Corona virus is deze uitspraak niet uitgesproken op een openbare uitsprakenzitting. Zodra het openbaar uitspreken weer mogelijk is, wordt deze uitspraak alsnog in het openbaar uitgesproken.

(de voorzitter is verhinderd

deze uitspraak te tekenen)

griffier voorzitter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

1 De rechtbank wijst bij wijze van voorbeeld naar de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) van 20 juli 2011, ECLI:NL:RVS:2011:BR2322.

2 Artikel 6.1 eerste lid, van de Wet ruimtelijke ordening (Wro).

3 De rechtbank verwijst bij wijze van voorbeeld naar de uitspraak van 28 september 2016, ECLI:NL:RVS:2016:2582.

4 Artikel 6.2, eerste lid, van de Wro.

5 ECLI:NL:RVS:2016:2239.

6 ECLI:NL:RVS:2016:2574.

7 ECLI:NL:RVS:2018:1929.

8 ECLI:NL:HR:2012:BX0904.