Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2020:1365

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
12-03-2020
Datum publicatie
10-04-2020
Zaaknummer
UTR 19/3012
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Ongegrond beroep van een jonggehandicapte tegen de vaststelling van het maatmaninkomen naar aanleiding van een maatmanwissel. Aanvangssalaris vs. feitelijke inkomsten als zelfstandige.

6 Schattingsbesluit arbeidsongeschiktheidswetten

Samenvatting:

De rechtbank heeft uitspraak gedaan op het beroep van een jonggehandicapte tegen de vaststelling van het maatmaninkomen voor het bepalen van de hoogte van de Wajong-uitkering. Eiseres heeft na het behalen van haar masterdiploma verweerder gevraagd om een maatmanwissel toe te passen. Zij is kort daarvoor ook begonnen als zelfstandige en vindt dat verweerder bij het bepalen van het maatmaninkomen moet uitgaan van haar feitelijke inkomsten als zelfstandige. Verweerder heeft het maatmaninkomen vastgesteld op basis van het aanvangssalaris dat hoort bij het beroep waarvoor eiseres een opleiding heeft gevolgd, omdat het maatmaninkomen niet op een adequate manier kan worden vastgesteld op basis van de feitelijke inkomsten als zelfstandige. De rechtbank kan dit volgen. Er is ook geen sprake van een ander uitzonderlijk geval. Verweerder heeft terecht functies gebruikt die alleen uitgaan van het door eiseres behaalde diploma. De overige behaalde competenties spelen geen rol, omdat deze niet het resultaat zijn van een opleiding van enige duur en zwaarte. Terecht geen rekening gehouden met een specifieke cao, aangezien deze slechts een van vele cao’s is waar eiseres onder zou kunnen vallen. Het beroep is ongegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Zittingsplaats Utrecht

Bestuursrecht

zaaknummer: UTR 19/3012

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 12 maart 2020 in de zaak tussen

[eiseres] , te [woonplaats] , eiseres

(gemachtigde: mr. R. de Kamper),

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, verweerder

(gemachtigde: mr. C.W.P. van den Berg)

Procesverloop

Met het besluit van 5 april 2019 (het primaire besluit) heeft verweerder aan eiseres meegedeeld dat zij in aanmerking komt voor een maatmanwissel.

Met het besluit van 28 juni 2019 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard.

Eiseres heeft vervolgens beroep ingesteld. Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 30 januari 2020. Eiseres is niet verschenen, maar heeft zich laten vertegenwoordigen door haar moeder en haar gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

Wat is aan deze procedure voorafgegaan?

1. Eiseres heeft sinds 2006 recht op een uitkering op grond van de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten (Wajong). Op 7 juni 2018 heeft zij verweerder verzocht om een maatmanwissel toe te passen, omdat zij haar masterdiploma pedagogische wetenschappen orthopedagoog heeft behaald. Daarbij heeft zij vermeld dat zij aan de slag is gegaan als zelfstandig gedragswetenschapper en dat zij een aantal uren per week orthopedagogische werkzaamheden in de gehandicaptenzorg verricht. Verweerder is aan dit verzoek tegemoetgekomen. Het maatmaninkomen is vervolgens door de primaire arbeidsdeskundige is vastgesteld op € 18,14 per uur. De arbeidsdeskundige in bezwaar heeft in de gronden van eiseres geen aanleiding gezien om van het oordeel van de primaire arbeidsdeskundige af te wijken.

2. Het maatmaninkomen van een Wajong-gerechtigde kan worden verhoogd tot minimaal anderhalf keer het bedrag dat voor hem als wettelijk minimumloon geldt, als de Wajong-gerechtigde tijdens zijn arbeidsongeschiktheid en uiterlijk op de dag dat hij de leeftijd van 30 jaar bereikt een diploma behaalt van een beroepsgerichte opleiding die opleidt voor een beroep waarvan het aanvangssalaris ten minste gelijk is aan anderhalf keer het bedrag dat voor hem als wettelijk minimumloon geldt. Dit volgt uit artikel 6, vierde lid, onder b, van het Schattingsbesluit arbeidsongeschiktheidswetten (Schattingsbesluit). Uit vaste rechtspraak van de Centrale Raad van Beroep (CRvB) volgt dat dit een hardheidsclausule is, die het in uitzonderlijke gevallen mogelijk maakt om het maatmaninkomen van een jonggehandicapte op een hoger bedrag dan het wettelijke minimumloon vast te stellen.1

Waar zijn partijen het niet over eens?

3. Tussen partijen is niet in geschil dat eiseres recht heeft op een maatmanwissel vanwege het behalen van haar masterdiploma. Partijen zijn verdeeld over de hoogte van het maatmaninkomen en over de vraag op basis waarvan de hoogte moet worden vastgesteld.

Waar moet het maatmaninkomen op worden gebaseerd?

4. Eiseres stelt zich op het standpunt dat het maatmaninkomen moet worden gebaseerd op de inkomsten die zij heeft als zelfstandig orthopedagoog en niet op het aanvangssalaris van een orthopedagoog in loondienst. Daarvoor moet volgens haar aansluiting worden gezocht bij het uurtarief dat zij als zelfstandige hanteert, omdat dit bedrag hoger is dan het maatmaninkomen op basis van het aanvangssalaris voor orthopedagoog in loondienst. Het moet mogelijk zijn om bij een maatmanwissel meteen uit te gaan van de daadwerkelijke inkomsten. Volgens eiseres volgt uit artikel 6, vijfde lid, van het Schattingsbesluit dat als het maatmaninkomen kan worden berekend op grond van zowel het derde, als het vierde lid van dat artikel, moet worden uitgegaan van het lid dat leidt tot het hogere maatmaninkomen.

5. De rechtbank is van oordeel dat verweerder in het geval van eiseres terecht is uitgegaan van het aanvangssalaris dat hoort bij een orthopedagoog in loondienst en niet van het inkomen dat zij als zelfstandige in praktijk verdient. De arbeidsdeskundige bezwaar en beroep, F.J. Bakker, heeft in zijn rapport van 23 juni 2019 uitgelegd dat het maatmaninkomen, in het geval van een maatmanwissel, op twee manieren kan worden vastgesteld. De eerste mogelijkheid is dat het maatmaninkomen wordt vastgesteld aan de hand van het aanvangssalaris dat hoort bij het beroep waarvoor de betrokkene een opleiding heeft gevolgd. De tweede mogelijkheid is dat het maatmaninkomen wordt vastgesteld aan de hand van het salaris dat in praktijk door de betrokkene wordt verdiend, mits de betrokkene daadwerkelijk is gaan werken in het betreffende beroep. Ter zitting heeft verweerder toegelicht dat dit volgt uit het handboek van de arbeidsdeskundige. De primaire arbeidsdeskundige heeft in zijn rapport van 27 juni 2018 inzichtelijk gemaakt hoe hij zijn onderzoek heeft verricht en hoe hij tot zijn beoordeling is gekomen. Bakker heeft de juistheid van deze werkwijze in zijn rapport van 23 juni 2019 gemotiveerd bevestigd. Bakker heeft in zijn rapport verder toegelicht dat voor eiseres het maatmaninkomen terecht is vastgesteld op de eerste manier. Bakker ziet de tweede manier om het maatmaninkomen vast te stellen hier niet als mogelijkheid, omdat eiseres niet in loondienst werkt, maar als zelfstandige. Haar inkomen daaruit kan pas achteraf worden vastgesteld, waarbij volgens Bakker minimaal drie volledige boekjaren nodig zijn om tot een adequate bepaling van het maatmanloon en de maatmanomvang te komen. De redenen daarvoor zijn dat resultaten/omzet in de tijd sterk kunnen variëren, zelfstandigen over het algemeen meer uren werken dan declareren en sprake is van onkosten. Dit kan de rechtbank volgen. Het uurtarief dat eiseres als zelfstandige hanteert, kan daarom op dit moment niet leidend zijn voor het bepalen van het maatmanloon.

Is er sprake van een ander uitzonderlijk geval?

6. Eiseres voert verder aan dat het in uitzonderlijke gevallen kan voorkomen dat naast een voltooide opleiding tegelijkertijd een start als zelfstandige wordt gemaakt, waarbij het inkomen zich in positieve zin ontwikkelt. Ter onderbouwing van dit standpunt verwijst eiseres naar een uitspraak van 3 juli 2019 van de rechtbank Overijssel.2 Volgens eiseres valt zij onder deze uitzondering en moet verweerder uitgaan van de hogere verdiensten die zij als zelfstandige heeft.

7. De rechtbank volgt eiseres hierin niet en legt dat als volgt uit. Eiseres is uitkeringsgerechtigde in de zin van de Wajong en haar maatmaninkomen is op grond van artikel 6, derde lid, onder a, van het Schattingsbesluit in beginsel 108% van het wettelijk minimumloon. Alleen op grond van de hardheidsclausule van artikel 6, vierde lid, van het Schattingsbesluit kan een verhoging van het maatmaninkomen worden bewerkstelligd. Dat is in het geval van eiseres ook gebeurd. De verwijzing naar de uitzondering die is beschreven in de door eiseres genoemde uitspraak van 3 juli 2019 heeft naar het oordeel van de rechtbank geen betekenis voor de situatie van eiseres. De situatie die daar aan de orde is ziet op een verzekerde in de zin van Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen die vanuit een bepaalde functie gedeeltelijk arbeidsongeschikt is geworden en vervolgens een zodanige positieve ontwikkeling doormaakt qua inkomen dat hij naast zijn gedeeltelijke arbeidsongeschiktheidsuitkering verdient, dat het hogere inkomen als maatstaf moet worden gehanteerd. Daar is in het geval van eiseres geen sprake van. Hierom al slaagt deze beroepsgrond niet.

Zijn de gebruikte functies wel geschikt?

8. Eiseres vindt dat de functies die zijn gebruikt om het maatmaninkomen te berekenen niet voldoende aansluiten op haar situatie. Zij wijst erop dat zij naast haar master orthopedagogiek ook een basisaantekening diagnostiek en een focusdiploma klinische psychologie heeft behaald. Daarnaast is zij ook ingeschreven bij de Stichting Kwaliteitsregister Jeugd en de Nederlandse vereniging van pedagogen en onderwijskundigen. Dit heeft volgens eiseres een meerwaarde omdat dit vaak wordt gevraagd in de gehandicaptenzorg. Eiseres werkt bovendien in de gehandicaptenzorg. Daarom moet verweerder volgens haar uitgaan van functies waarop de cao Gehandicaptenzorg van toepassing is en met een aanvangssalaris op het niveau van schaal 65. Bovendien moet verweerder rekening houden met de bij die cao horende voordelen. Ter onderbouwing van haar standpunt heeft eiseres een aantal vacatures ingebracht waarop deze cao van toepassing is.

9. Het is vaste rechtspraak dat voor toepassing van de hardheidsclausule van artikel 6, vierde lid, van het Schattingsbesluit alleen de nieuwe bekwaamheden die zijn verworven door het met succes volgen van een opleiding van enige duur en zwaarte van belang zijn. Verworven competenties door middel van een korte cursus of door werkervaring zijn hiervoor niet voldoende.3 De maatmanwissel van eiseres is gebaseerd op het behalen van haar masterdiploma orthopedagogiek. Zoals Bakker in zijn aanvullende rapport van 30 september 2019 heeft gemotiveerd, maken de door eiseres genoemde basisaantekening en focus diploma niet dat zij voor een ander beroep dan gedragswetenschapper is opgeleid. De rechtbank is van oordeel dat de arbeidsdeskundige het maatmaninkomen terecht alleen op het behalen van de masterdiploma heeft gebaseerd. Dat is de enige relevante ontwikkeling die van invloed is op de herberekening van het maatmaninkomen op grond van artikel 6, vierde lid, van het Schattingsbesluit, omdat dat het resultaat is van een opleiding van enige duur en zwaarte. Dat eiseres aantoonbaar ook andere competenties en registraties heeft verkregen, maakt nog niet dat deze relevant zijn bij het bepalen van het maatmaninkomen voor de Wajonguitkering.

10. Bakker heeft in zijn aanvullende rapport van 30 september 2019 uitgelegd dat de door eiseres ingebrachte vacatures niet geschikt zijn voor vaststellen van een gemiddeld aanvangssalaris van een orthopedagoog, omdat voor deze functies als eis of bij voorkeur minimaal relevante werkervaring (van enige duur) wordt gevraagd. Alleen hier al om kan volgens de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep niet worden gesproken over een aanvangssalaris, terwijl dat wel kon bij de door de primaire arbeidsdeskundige gehanteerde bronnen. De rechtbank kan dit volgen en is van oordeel dat de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep deze vacatures terecht niet bij zijn beoordeling heeft betrokken.

10.1.

Voor wat betreft haar stelling dat moet worden uitgegaan van de cao Gehandicaptenzorg en de daarbij behorende voordelen volgt de rechtbank eiseres niet. Daarvoor is van belang dat eiseres is opgeleid tot orthopedagoog en dat de cao Gehandicaptenzorg slechts één van vele cao’s is waar eiseres onder zou kunnen vallen. Zoals Bakker heeft gemotiveerd in onder meer zijn aanvullende rapport van 30 september 2019, kan niet worden uitgegaan van de cao gehandicaptenzorg, maar heeft de primaire arbeidsdeskundige terecht een gemiddeld aanvangssalaris van een gedragswetenschapper tot uitgangspunt genomen. Deze beroepsgronden slagen daarom niet.

Conclusie

11. De rechtbank concludeert dat verweerder voldoende gemotiveerd heeft toegelicht dat voor de vaststelling van het maatmaninkomen moet worden uitgegaan van het aanvangssalaris. Verweerder heeft het maatmaninkomen terecht op deze wijze vastgesteld. Het beroep is ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling is geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. Y.N.M. Rijlaarsdam, rechter, in aanwezigheid van B. Inci, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 12 maart 2020.

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep.

1 Zie bijvoorbeeld CRvB 10 oktober 2008, ECLI:NL:CRVB:2008:BG0957 en CRvB 25 april 2019, ECLI:NL:CRVB:2019:1431

2 Rb. Overijssel 3 juli 2019, ECLI:NL:RBOVE:2019:2238

3 Zie bijvoorbeeld CRvB 10 maart 2017, ECLI:NL:CRVB:2017:1104 en CRVB 29 april 2011, ECLI:NL:CRVB:2011:BQ3399