Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2020:1343

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
23-03-2020
Datum publicatie
10-04-2020
Zaaknummer
AWB - 19 _ 2297
Rechtsgebieden
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Ongeschiktheidsontslag, verbeterkans.

Eiser is ontslagen omdat hij ongeschikt zou zijn voor zijn werk als politieagent. Hem wordt verweten dat hij een relatie met een collega niet heeft gemeld bij zijn leidinggevende, terwijl deze relatie en het verzwijgen ervan grote weerslag heeft gehad op het team waarin eiser werkte. Verder zou eiser geen correcte urenregistratie hebben bijgehouden. Verweerder concludeert dat het eiser ontbreekt aan voldoende zelfreflectie en integriteit en dat hij niet eerlijk, betrouwbaar en transparant is geweest.

De rechtbank oordeelt dat verweerder zich in de gegeven omstandigheden mocht baseren op de verklaringen van collega’s. Verweerder heeft terecht vastgesteld dat het verzwijgen van de relatie een grote weerslag heeft gehad op een deel van het team en een gevoel van onveiligheid heeft veroorzaakt. Verweerder heeft eiser voorts mogen tegenwerpen dat hij door het versturen van seksueel getint beeldmateriaal chantabel was en dat hij zijn collega heeft gechanteerd, althans onder druk gezet. Ook mocht verweerder eiser tegenwerpen dat hij niet eerlijk, betrouwbaar en transparant is geweest en dat hij een onjuiste urenregistratie heeft bijgehouden en dat hij een collega vroeg voor hem te liegen.

Verweerder heeft zich niet ten onrechte op het standpunt gesteld dat het eiser ontbreekt aan belangrijke eigenschappen, mentaliteit en/ of instelling voor de vervulling van zijn functie van politieambtenaar en hij dus ongeschikt is voor de functie.

Verweerder heeft zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat een verbeterkans niet zinvol was en dus niet geboden hoefde te worden. De vastgestelde en onaanvaardbaar geachte gedragingen laten zien dat bij eiser de juiste grondhouding ontbrak. Verder heeft verweerder zich niet ten onrechte op het standpunt gesteld dat eiser de benodigde zelfreflectie mist. Gelet op het vorenstaande is de rechtbank van oordeel dat verweerder zich op het standpunt heeft mogen stellen dat eiser niet beschikt over de juiste grondhouding, nodig om het politieambt uit te oefenen. Dit brengt mee dat verweerder bevoegd was om eiser wegens onbekwaamheid of ongeschiktheid te ontslaan.

(ZIE OOK: ECLI:NL:RBMNE:2020:1834)

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Zittingsplaats Utrecht

Bestuursrecht

zaaknummer: UTR 19/2297

uitspraak van de meervoudige kamer van 23 maart 2020 in de zaak tussen

[eiser] , te [woonplaats] , eiser

(gemachtigde: mr. M. van der Steeg),

en

de korpschef van politie, verweerder

(gemachtigde: mr. E.J. Zorgdrager, F. Fasi en J.E. van den Burg).

Procesverloop

Bij besluit van 8 oktober 2018 (het primaire besluit) heeft verweerder aan eiser ontslag verleend wegens onbekwaamheid of ongeschiktheid, anders dan op grond van ziels- of lichaamsgebreken, voor de vervulling van zijn functie.

Bij besluit van 29 april 2019 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 10 februari 2020. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigden.

Overwegingen

1. Eiser was vanaf eind 2016 werkzaam als [functie 1] bij het [naam team] ( [naam team] ). Op 25 oktober 2017 is door de [functie 2] van de politie-eenheid Midden Nederland opdracht gegeven tot het instellen van een oriënterend onderzoek. Aanleiding daarvoor waren geruchten dat op de afdeling van [naam team] sprake was van twee (seksuele) relaties tussen collega’s, namelijk tussen eiser en [A] (hierna: [A] ) en tussen [B] (hierna: [B] ) en [C] (hierna: [C] ). Op 6 november 2017 is opdracht gegeven tot het instellen van een intern onderzoek door het team veiligheid, integriteit en klachten (VIK). Eiser is toen voor de duur van het onderzoek op een andere afdeling geplaatst. Het intern onderzoek is op 28 februari 2018 afgerond. Naar aanleiding van dit onderzoek heeft de besluitvorming plaatsgevonden zoals hierboven in het procesverloop weergegeven.

2. Verweerder heeft geconcludeerd dat eiser niet beschikt over de juiste grondhouding die noodzakelijk is om zijn functie naar behoren te vervullen. De feiten die uit het onderzoek naar voren zijn gekomen met betrekking tot eisers houding en gedrag leveren een ernstige tekortkoming in zijn functioneren op. Hij heeft binnen het team gezorgd voor een onveilig werkklimaat en het ontstaan van verschillende ‘kampen’ en is ook manipulatief geweest naar verschillende collega’s. Verweerder baseert dit op de volgende punten:

  1. het niet melden van de relatie met [A] , terwijl dit zijn weerslag heeft op het team en zorgt dat collega’s zich niet veilig voelen;

  2. het hebben van seks met [A] op het politiebureau aan de [straatnaam] en de [locatie] in [plaatsnaam 1] ;

  3. het uitwisselen van naaktfoto’s en/of seksfilmpjes;

  4. het onjuist verantwoorden van uren in het urenverantwoordingssysteem BVCM;

  5. het verzwijgen van een interne sollicitatie.

3. Volgens vaste rechtspraak van de Centrale Raad van Beroep (CRvB) moet de ongeschiktheid, zich uitend in het ontbreken van eigenschappen, mentaliteit en/of instelling die voor het op goede wijze vervullen van de functie vereist zijn, worden aangetoond aan de hand van concrete gedragingen van de ambtenaar.

4. Eiser beschouwt zijn zienswijzen, aanvulling en bezwaarschrift als herhaald en ingelast. Verweerder is hierop ingegaan in het bestreden besluit. Voor zover eiser niet concreet heeft gemaakt op welke punten verweerder onvoldoende is ingegaan, gaat de rechtbank hieraan voorbij.

De bewijskracht van verklaringen van collega’s

5. Eiser stelt, onder verwijzing naar een uitspraak van de CRvB1, dat ongeschiktheidsontslag moet worden aangetoond aan de hand van concrete gedragingen en deugdelijk vastgestelde feiten en dat in het kader van een tegen een ambtenaar gericht disciplinair onderzoek voorzichtig moet worden omgegaan met verklaringen van collega’s. In beginsel is het nodig de inhoud van zulke verklaringen te verifiëren en na te gaan of op grond van meer objectieve gegevens kan worden vastgesteld dat de betrokken ambtenaar zich schuldig heeft gemaakt aan de gedraging. Dit heeft verweerder niet gedaan volgens eiser. Evenmin heeft verweerder blijk gegeven van wetenschap van de verhoudingen tussen de collega’s. Aan de verklaringen van collega’s kan dan ook geen doorslaggevende betekenis worden toegekend. Op voorhand was al duidelijk dat de sfeer binnen het team onrustig was en er veel werd geroddeld, aldus eiser.

6. De rechtbank stelt vast dat het onderzoek zich heeft gericht op vier medewerkers en dat er een groot aantal verklaringen is afgenomen. De verhoudingen binnen het team waren verweerder bekend. Verweerder heeft de afgelegde verklaringen in breed verband besproken en heeft alles wat uit het onderzoek naar voren is gekomen meegewogen. Anders dan in de uitspraak waar eiser naar verwijst, was in het geval van eiser geen sprake van verklaringen die geen eenduidig beeld gaven. Verweerder mocht zich in de gegeven omstandigheden dus baseren op de verklaringen van collega’s. De beroepsgrond slaagt niet.

Gedragingen 1, 2 en 3

7. Eiser stelt dat verweerder de omstandigheden waaronder de gedragingen plaatsvonden onvoldoende heeft meegewogen. Het was namelijk een ingewikkelde situatie omdat hij en [A] collega’s waren, beiden getrouwd waren en jonge kinderen hadden. Bovendien was eisers toenmalige vrouw manipulatief tegenover eiser. Dat hij de leidinggevende niet eerder op de hoogte heeft gesteld was weliswaar een inschattingsfout, maar dit maakt niet dat hij niet eerlijk, betrouwbaar en transparant is. Eiser wijst er op dat er nog een relatie was op de werkvloer, die tussen [B] en [C] , die ook voor veel onrust zorgde. Verder is verweerder er ten onrechte vanuit gegaan dat eiser de mentor of coach van collega [D] was. Er was echter geen begeleidings- of bevelstructuur en zij was niet afhankelijk van zijn goedkeuring.

Eiser stelt verder dat verweerder de gang van zaken bij het zogenaamde cockpitincident niet deugdelijk heeft vastgesteld. Verweerder gaat uit van de verklaring van mevrouw [E] terwijl zij en mevrouw [F] niet hetzelfde verklaren over het incident. Eiser kan zich niet voorstellen dat [F] en [E] zich door het gedrag van eiser onveilig voelden. Eiser betwist voorts dat hij chantabel was of dat hij [A] chanteerde. Eiser en [A] hebben wel naaktfoto’s en/of seksfilmpjes uitgewisseld, maar daarop waren zij niet tot de persoon herleidbaar.

8. De rechtbank stelt vast dat eiser heeft erkend dat hij en [A] seks hebben gehad op het politiebureau aan de [straatnaam] en op de locatie [plaatsnaam 1] en dat hij de relatie met [A] niet heeft gemeld aan verweerder. De rechtbank is van oordeel dat verweerder terecht heeft vastgesteld dat het verzwijgen van de relatie een grote weerslag heeft gehad op een deel van het team en een gevoel van onveiligheid heeft veroorzaakt. Dat sprake was van een ingewikkelde situatie omdat eiser en [A] beiden waren getrouwd en er ook een andere relatie op de werkvloer speelde, rechtvaardigt niet dat eiser zijn relatie met [A] niet heeft gemeld. Wat ook zij van de vorm van samenwerken tussen eiser en [D] , verweerder heeft op grond van de verklaringen van de collega’s, waaronder die van [D] zelf, terecht vastgesteld dat zij het heel moeilijk heeft gehad met het geheim houden van de relatie. Het gevoel van onveiligheid heeft verweerder daarnaast kunnen baseren op de verklaringen van [E] en [F] over het cockpitincident. Daargelaten hoe de feitelijke gang van zaken precies is geweest, heeft verweerder er terecht op gewezen dat hun verklaringen eensluidend zijn op het punt dat zij een derde collega, de heer [G] , gevraagd hebben hen te vergezellen naar het station omdat zij zich onveilig voelden door het gedrag van eiser. Verweerder heeft dit extra ernstig mogen vinden omdat het gaat om twee politievrouwen, van wie verwacht kan worden dat zij stevig in hun schoenen staan. Verweerder heeft eiser voorts mogen tegenwerpen dat hij door het versturen van seksueel getint beeldmateriaal chantabel was en dat hij [A] heeft gechanteerd, althans onder druk gezet. Zo volgt uit het appbericht van [A] aan [E] dat eiser gezegd heeft dat hij de filmpjes van [A] nog had. Uit een verklaring van mevrouw [H] blijkt dat eiser tegen haar heeft gezegd dat hij de filmpjes zou bewaren voor wanneer [A] iets tegen hem zou ondernemen. Bovendien heeft verweerder erop gewezen dat foto- en filmmateriaal altijd herleidbaar is, wat eiser chantabel maakte. De rechtbank is op grond van al het voorgaande van oordeel dat verweerder eiser heeft kunnen tegenwerpen dat hij niet eerlijk, betrouwbaar en transparant is geweest. De beroepsgrond slaagt niet.

Gedragingen 4 en 5

9. Eiser stelt dat hij zeer zorgvuldig was in het registreren van uren. Hem is ook nooit in een functioneringsgesprek voorgehouden dat zijn registratie rommelig of niet adequaat zou zijn. Het is niet ongebruikelijk dat op een later tijdstip de uren in BVCM worden aangepast om ze kloppend te maken omdat op de dag zelf zich een onverwachte situatie voordeed. Verweerder verbindt aan de rommelige gang van zaken op 25 oktober 2017 grote termen als integriteit en open en eerlijk. Dit wordt uitvergroot. Eiser betwist ook dat hij had moeten melden dat hij een sollicitatiegesprek had. Dit is een delicate aangelegenheid en eiser wilde juist onrust voorkomen. Hij voerde het gesprek om zich te oriënteren op een andere werkplek. Gelet op de reisafstand naar [plaatsnaam 2] had hij de functie waarschijnlijk niet geaccepteerd. Hij gaf als referent een eerdere leidinggevende omdat hij geen ruchtbaarheid wilde geven aan de sollicitatie en verweerder verbindt er ten onrechte allerlei conclusies aan.

10. De rechtbank stelt vast dat eiser verweten wordt dat de urenregistratie op 12 oktober 2017 onjuist is. Die dag had eiser samen met [D] een congres. Uit de verklaring van [D] blijkt dat zij en eiser afgesproken hadden om pas om 10:30 uur te beginnen, maar dat [D] zelf uiteindelijk toch om 9:00 uur is begonnen. Eiser kwam later volgens haar. Uit de urenregistratie blijkt dat eiser dus ten onrechte heeft opgegeven dat hij om 9:00 uur aanwezig was. Dit mocht verweerder eiser verwijten.

De rechtbank stelt voorts op grond van het verhandelde ter zitting vast dat eiser niet zozeer wordt verweten dat hij niet heeft gemeld dat hij op 25 oktober 2017 een sollicitatie had. Wat hem wordt verweten is dat hij een sollicitatiegesprek gepland had op een moment waarop hij cursus had. Anders dan eiser heeft gesteld wist hij op het moment dat hij het sollicitatiegesprek plande niet dat zijn cursus eerder klaar zou zijn. Eiser heeft dit niet gemeld en niet vooraf verlof gevraagd. Dit mocht verweerder eiser verwijten. Verweerder heeft eiser ook mogen verwijten dat hij [D] per appbericht heeft gevraagd om voor hem te liegen door te zeggen tegen de leidinggevende dat de cursus afgelopen was om 13:00 uur in plaats van om 15:30 uur, omdat hij integer wilde overkomen. Dat eiser kort daarna is teruggekomen op dit verzoek maakt de gedraging op zich niet minder ernstig.

11. De rechtbank is, gelet op wat onder 8. en 10. is overwogen, van oordeel dat verweerder eiser de gedragingen onder 1 tot en met 5 heeft mogen tegenwerpen. Verweerder heeft zich niet ten onrechte op het standpunt gesteld dat deze gedragingen van eiser de conclusie rechtvaardigen dat het eiser ontbreekt aan belangrijke eigenschappen, mentaliteit en of instelling voor de vervulling van zijn functie van politieambtenaar en hij dus ongeschikt is voor de functie. Daarbij overweegt de rechtbank dat aan een politieambtenaar strenge eisen worden gesteld waar het betreft integriteit, betrouwbaarheid en besef van verantwoordelijkheid.2

12. Naar vaste rechtspraak van de CRvB3 is een ontslag wegens ongeschiktheid voor het vervullen van de functie anders dan wegens ziels- of lichaamsgebreken, in het algemeen niet toelaatbaar als de ambtenaar niet op zijn functioneren of gedrag is aangesproken en in de gelegenheid is gesteld dit te verbeteren. Dit is anders in bijzonder sprekende gevallen, waarin de ambtenaar zodanig blijk heeft gegeven niet over de vereiste eigenschappen, mentaliteit en/of instelling te beschikken dat het geven van een verbeterkans niet zinvol is.

13. De rechtbank is van oordeel dat verweerder zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat het bieden van een verbeterkans niet zinvol was en dus niet geboden hoefde te worden. De door de rechtbank vastgestelde en onaanvaardbaar geachte gedragingen laten zien dat bij eiser de juiste grondhouding ontbrak. Dit blijkt enerzijds uit de verweten gedragingen op zich, waaruit een gebrek aan integriteit en transparantie kan worden afgeleid. Verder heeft verweerder zich niet ten onrechte op het standpunt gesteld dat eiser de benodigde zelfreflectie mist. Dat, zoals eiser heeft gesteld, er door de door verweerder gekozen procedure, namelijk een onderzoek door het team VIK, geen ruimte was voor zelfreflectie volgt de rechtbank niet. Het gesprek in het kader van het onderzoek door het team VIK was immers niet het enige moment waarop eiser zelfreflectie had kunnen tonen. Later heeft eiser zelf op 26 maart 2018 een schriftelijke verklaring opgemaakt. Uit de inhoud en de toon van die verklaring, waar eiser rustig thuis over na kon denken, volgt niet dat eiser verantwoordelijkheid heeft genomen voor zijn eigen handelen. Integendeel, hij beschuldigt in deze verklaring anderen en beschrijft [E] als ‘jaloerse vrouw’. Terecht heeft verweerder veel belang gehecht aan deze verklaring en mede daarop zijn standpunt gebaseerd dat eiser zelfreflectie mist. Pas tijdens het zienswijzegesprek op 6 september 2018, nadat het voornemen tot ontslag was uitgebracht, heeft eiser erkend dat hij meerdere verkeerde keuzes heeft gemaakt en dat hij hier niet trots op is. Maar ook buiten het onderzoek waren er voor eiser mogelijkheden om zelfinzicht te tonen. Eiser heeft, anders dan [B] , ook niet op eigen initiatief om een zogenaamd herstelgesprek gevraagd. Nog sterker, eiser legt de schuld dat zo’n gesprek niet heeft plaatsgevonden bij verweerder. Dat eiser altijd goed heeft gefunctioneerd en niet eerder het verwijt heeft gekregen dat hij geen zelfreflectie toont, maakt bovenstaande niet anders.

14. Gelet op het vorenstaande is de rechtbank van oordeel dat verweerder zich op het standpunt heeft mogen stellen dat eiser niet beschikt over de juiste grondhouding, nodig om het politieambt uit te oefenen. Dit brengt mee dat verweerder bevoegd was om eiser wegens onbekwaamheid of ongeschiktheid te ontslaan. Eisers beroep op het evenredigheidsbeginsel treft geen doel, nu het ontslag geen straf betreft. De verwijzing van eiser naar het feit dat [B] , anders dan hijzelf, een voorwaardelijk strafontslag heeft gekregen gaat niet op, omdat bij hem niet vastgesteld is dat hij ongeschikt is voor het politieambt. Daar komt bij dat, zoals hiervoor is overwogen, [B] op eigen initiatief een herstelgesprek heeft gevoerd met de collega’s. In wat eiser heeft aangevoerd is dan ook geen grond gelegen voor het oordeel dat verweerder niet in redelijkheid van de bevoegdheid tot ontslag gebruik heeft kunnen maken.

15. Het beroep is ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan op 23 maart 2020 door mr. C. Karman, voorzitter, en mr. G.P. Loman en mr. J. Woestenburg, leden, in aanwezigheid van mr. M.A. Beijl, griffier.

Als gevolg van maatregelen rondom het coronavirus is deze uitspraak niet uitgesproken op een openbare uitsprakenzitting. Zodra het openbaar uitspreken weer mogelijk is, wordt deze uitspraak alsnog in het openbaar uitgesproken.

De griffier is verhinderd deze De voorzitter is verhinderd deze

uitspraak te ondertekenen. uitspraak te ondertekenen.

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep.

1 uitspraak van 16 augustus 2018, ECLI:NL:CRVB:2018:2556.

2 Zie bijvoorbeeld de uitspraak van 22 februari 2018, ECLI:NL:CRVB:2018:516

3 Bijvoorbeeld de uitspraak van 10 maart 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:852.