Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2020:1315

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
13-04-2020
Datum publicatie
23-04-2020
Zaaknummer
NL19.9391
Rechtsgebieden
Verbintenissenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Kredietverlener zegt overeenkomst met kredietbemiddelaar op ivm dringende reden. Kredietbemiddelaar vordert schadevergoeding en opzegging tegen einddatum overeenkomst. In reconventie vordering v.v.r. dat provisiebetalingen zijn verminderd + terubetaling

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

_________________________________________________________________ _

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Civiel recht

Zittingsplaats Utrecht

zaaknummer: NL19.9391

Vonnis van 13 april 2020

in de zaak van

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
[eieres] B.V.,
gevestigd in [vestigingsplaats] ,
eiseres van de vordering,
verweerster op de tegenvordering,
hierna te noemen: [eieres] ,
advocaat: mr. J.W. Damstra,

tegen

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
SANTANDER CONSUMER FINANCE BENELUX B.V.,
gevestigd in Amsterdam,
verweerster op de vordering,
eiseres van de tegenvordering,
hierna te noemen: Santander,
advocaat: mr. C.W.M. Lieverse.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de procesinleiding,

  • -

    het verweerschrift met een tegenvordering,

  • -

    het verweerschrift op de tegenvordering,

  • -

    het proces-verbaal van mondelinge behandeling van 6 december 2019,

  • -

    de akte van Santander van 10 januari 2020,

  • -

    de akte van [eieres] van 31 januari 2020,

  • -

    de akte van Santander van 14 februari 2020.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 Het geschil en de beoordeling

2.1.

Santander is een financiële instelling die kredieten aanbiedt. [eieres] is een kredietbemiddelaar en zij biedt onder meer kredieten van Santander aan haar klanten aan. De rechtsverhouding tussen Santander en [eieres] wordt bepaald door de twee overeenkomsten die hun rechtsvoorgangers met elkaar hebben gesloten. Dit zijn de Samenwerkingsovereenkomst (hierna: SO) [SO 1] en de SO [SO 2] .

2.2.

In maart 2018 stuurde Santander een e-mail aan [eieres] waarin zij werd uitgenodigd voor een gesprek. Santander wilde met [eieres] het aangescherpte beleid van de AFM ten aanzien van de locked-up problematiek en gelijke klantbehandeling bespreken en afspraken maken over een provisieverlaging.

2.3.

[eieres] besluit daarop dat zij haar portefeuille wil verkopen. Zij biedt deze eerst aan Santander aan en vervolgens aan een derde, [bedrijfsnaam] B.V. (hierna: [bedrijfsnaam] ).

2.4.

Op 1 augustus 2018 zegt Santander per brief de overeenkomsten met [eieres] op. Santander stelt voor om als cut-off datum 29 februari 2020 af te spreken voor beide opgezegde overeenkomsten.

van de vordering

Afwijzing primaire vordering
2.5. [eieres] vordert primair betaling van € 350.000,00 door Santander als schadevergoeding (of van € 150.000,00, als Santander de portefeuille alsnog wil kopen voor € 200.000,00). Zij stelt dat ze dit bedrag is misgelopen door verwijtbaar nalaten van Santander. Santander wilde namelijk geen medewerking verlenen aan de verkoop van de portefeuille aan [bedrijfsnaam] B.V. voor een bedrag van € 350.000,00. Zonder deze mededeling kon [bedrijfsnaam] de portefeuille niet overnemen, zo onderbouwt [eieres] . Deze vordering zal worden afgewezen en dat zal hierna worden gemotiveerd.

2.6.

Santander was niet wettelijk of contractueel verplicht om mee te werken aan de overdracht van de portefeuille. Daarnaast had zij een gegronde reden om niet mee te werken aan de overdracht, zodat haar ook niet het verwijt kan worden gemaakt dat zij haar goedkeuring op onredelijke gronden heeft onthouden. [eieres] heeft namelijk steeds ontkend dat zij een verplichting had tegenover haar klanten op grond van de financiële wetgeving. En het is daardoor niet aannemelijk dat [eieres] de potentiele koper van de portefeuille, [bedrijfsnaam] , wel op de hoogte heeft gebracht van het voornemen van Santander om de provisie op de portefeuille te verlagen.

2.7.

De wetgever en de financieel toezichthouder (de AFM) hebben de afgelopen jaren ingezet op een verbetering en aanscherping van de regels om te komen tot een verantwoorde kredietverstrekking en een nadere invulling van de zorgplicht tegenover consumenten, zowel door aanbieders als door bemiddelaars. In het bijzonder ging de aandacht naar klanten die vanwege de aanscherping van de regels voor kredietverstrekking niet meer konden overstappen naar een nieuwe aanbieder; dit wordt de locked-up problematiek genoemd. Deze problematiek heeft de aandacht gekregen sinds 2014 en in de jaren daarna (met een afronding in 2017/2018) is deze problematiek tot een oplossing gekomen, waarbij de AFM marktpartijen, zoals [eieres] en Santander, ertoe heeft gebracht portefeuille-specifieke maatregelen te nemen om klanten die locked-up waren, tegemoet te komen. Op aandringen van de AFM heeft Santander vervolgens maatregelen genomen.

2.8.

[eieres] heeft onvoldoende onderbouwd dat zij ook maatregelen heeft genomen. Tijdens de mondelinge behandeling van deze procedure bracht [eieres] pas voor het eerst naar voren dat zij wél op de hoogte was van de aangescherpte regels en dat zij daar ook richting haar klanten naar heeft gehandeld. Dit zei ze te hebben gedaan door een fulltime medewerker in te zetten om haar klanten te informeren. [eieres] heeft deze stelling vervolgens op geen enkele wijze onderbouwd. Dit had wel op haar weg gelegen, ook omdat ze tegenover Santander tot de mondelinge behandeling steeds haar verplichtingen heeft ontkend. [eieres] bood nog wel bewijs aan van haar stelling, maar aan een bewijsopdracht komt de rechtbank niet toe nu de stelling onvoldoende onderbouwd is. [eieres] had in aanvulling op haar stelling een concrete toelichting of een begin van bewijs moeten leveren waaruit blijkt dat zij ook maatregelen heeft genomen. Nu zij dit niet heeft gedaan, kan de rechtbank niet anders dan concluderen dat [eieres] tekort is geschoten in haar wettelijke verplichtingen en dat Santander daarom een goede reden had om niet te willen instemmen met de overdracht.

Afwijzing subsidiaire vorderingen

2.9.

Subsidiair vordert [eieres] een verklaring voor recht dat de samenwerkingsovereenkomsten slechts door Santander konden worden opgezegd tegen 11 mei 2020 onder de verplichting tot doorbetaling van de provisie voor de duur van 24 maanden, dus tot 11 mei 2022. Ook deze vordering zal de rechtbank afwijzen.

2.10.

Santander kon de samenwerkingsovereenkomsten namelijk wel tegen een eerdere datum opzeggen. In de overeenkomsten is naast de mogelijkheid om regulier op te zeggen, ook de mogelijkheid opgenomen om deze op grond van een dringende reden te beëindigen. Een dringende reden kan zijn dat de wederpartij in strijd handelt met haar wettelijke verplichtingen. De overeenkomsten kunnen dan onmiddellijk worden beëindigd, zo volgt uit artikel 9 lid 2 van de SO [SO 1] en artikel 22.2 onder d van de SO [SO 2] . Een dringende reden kan ook zijn dat de wederpartij haar contractuele verplichtingen niet nakomt. Ook dan kunnen de overeenkomsten zonder voorafgaande ingebrekestelling door worden beëindigd. Dat staat in artikel 16 bijlage 1 bij SO [SO 1] en artikel 22.3 onder b van SO [SO 2] .

2.11.

De rechtbank oordeelt dat Santander een dringende reden had om de overeenkomsten op te zeggen. [eieres] is namelijk zowel haar wettelijke als haar contractuele verplichtingen niet nagekomen.

2.12.

[eieres] is als kredietbemiddelaar wettelijk verplicht om de financiële toezichtwetgeving na te leven. In het kader van de oplossing van de locked-up problematiek, had zij ook een taak. Zij stelt wel dat zij deze taak heeft opgepakt, maar dat heeft zij, zoals onder 2.8 reeds is beoordeeld, onvoldoende onderbouwd in deze procedure. Santander mocht de overeenkomst dus ontbinden op grond van artikel 9 lid 2 van de SO [SO 1] en artikel 22.2 onder d van de SO [SO 2] .

2.13.

Daarnaast was het ook haar contractuele verplichting tegenover Santander om de wet na te leven. Nu [eieres] dat niet heeft gedaan, mocht Santander de overeenkomst ook zonder voorafgaande ingebrekestelling ontbinden op grond van artikel 16 bijlage 1 bij de SO [SO 1] en artikel 22.3 sub b van de SO [SO 2] .

2.14.

Santander heeft de overeenkomsten uiteindelijk opgezegd met haar opzeggingsbrief van 1 augustus 2018. In deze opzeggingsbrief staat als dringende reden genoemd dat de overeenkomsten tussen partijen zijn verouderd en geen recht meer doen aan de ontwikkelingen op de consumptieve kredietmarkt van de afgelopen jaren. De aanhoudende onwil van [eieres] om tot een redelijke aanpassing te komen van de afspraken, heeft Santander ertoe gebracht om de overeenkomsten op te zeggen. Op grond van de samenwerkingsovereenkomsten heeft [eieres] per 1 augustus 2020, dus 24 maanden na de opzegging, geen aanspraak meer op de provisie.

2.15.

[eieres] voert nog aan dat zij wel akkoord is gegaan met de provisieverlaging. Dit verweer volgt de rechtbank niet. [eieres] heeft namelijk bij herhaling aangegeven niet akkoord te gaan met de provisieverlaging, zowel voor als na 1 augustus 2018. Ook nadat [eieres] de brief van Santander van 1 augustus 2018 had ontvangen, reageerde [eieres] hier niet op met een verwijzing naar de door haar verzonden e-mail van 31 juli 2018, wat wel voor de hand ligt als je van mening bent dat je tijdig akkoord bent gegaan. Tijdens de mondelinge behandeling van deze zaak, deed zij voor het eerst een beroep op haar e-mail van 31 juli 2018 waarin zij volgens haar akkoord gaat met de provisieverlaging. In deze e-mail, verzonden namens [eieres] , staat het volgende:

Ik heb volgens mij geen keuze, dus ga ik maar akkoord onder de volgende voorwaarden:

  1. mee werking van jullie aan verkoop aan [bedrijfsnaam]

  2. ieder elk ander intermediair krijgt dezelfde voorwaarden.

Aangezien [eieres] in deze procedure ook heeft gesteld dat Santander, tot op heden, niet mee wil werken aan de verkoop van de portefeuille aan [bedrijfsnaam] , staat vast dat de voorwaarden die [eieres] stelde voor zijn akkoord tot provisieverlaging niet vervuld zijn geraakt. En dus is [eieres] niet akkoord gegaan met de provisieverlaging.

2.16.

De tweede subsidiaire vordering van [eieres] , een verklaring voor recht dat Santander tot 11 mei 2022 de overeengekomen provisie dient door te betalen en te verbieden deze krachtens lock-up te wijzigen, zal de rechtbank ook afwijzen. Nu is geoordeeld dat Santander de overeenkomsten op 1 augustus 2018 rechtsgeldig heeft opgezegd, is er geen grond voor doorbetaling van de provisie tot 11 mei 2022.

Proceskostenveroordeling

2.17.

[eieres] zal als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de proceskosten. Deze worden aan de kant van Santander tot op heden begroot op:

  • -

    Griffierecht: € 4.030,00

  • -

    Salaris advocaat per punt: € 7.206,00 + (3 punten x € 2.402)

€ 11.236,00

De nakosten, waarvan Santander betaling vordert, zullen op de in het dictum weergegeven wijze worden begroot.

van de tegenvordering

2.18.

Santander vordert een verklaring voor recht dat de provisie-aanspraken van [eieres] vanaf 1 augustus 2018 worden verminderd met 30%. Zij doet een beroep op de bevoegdheid van de rechter om de gevolgen van de overeenkomst te wijzingen wegens onvoorziene omstandigheden als bedoeld in artikel 6:258 lid 1 BW. De rechtbank zal dit toewijzen.

2.19.

Om te voldoen aan de aangescherpte financiële wetgeving en het nieuwe beleid van de AFM, heeft Santander maatregelen genomen om klanten die locked-up waren tegemoet te komen. Het gevolg van deze maatregelen is dat verschillende (locked-up) klanten een renteverlaging hebben gekregen. Dit zorgde voor een rentedaling van de portefeuille.

Daarnaast heeft de AFM aangedrongen op een equal treatment beleid, op grond waarvan aan bestaande klanten van een doorlopend krediet geen hogere rente mag worden gerekend dan aan nieuwe klanten. Dit beleid is per 1 april 2018 in werking getreden en heeft een verdere daling van de gemiddelde rente veroorzaakt.

De gemiddelde rente over de portefeuille van Santander is door deze maatregelen teruggelopen van ruim 12% naar ongeveer 8%. Deze rentedaling heeft voor Santander een verlaging van de inkomsten uit de portefeuille tot gevolg, dat is door [eieres] tijdens de mondelinge behandeling ook beaamd.

2.20.

Uit de rente-inkomsten betaalt de kredietaanbieder, Santander, de provisie aan de kredietbemiddelaar, [eieres] . Ondanks dat de rente-inkomsten zijn gedaald, heeft Santander aan [eieres] steeds dezelfde provisie betaald als vóór de daling van de rente-inkomsten. Hierdoor heeft [eieres] tot op heden niet meegedeeld in het verlies aan rente-inkomsten.

2.21.

De AFM grijpt met haar nieuwe beleid in op de contracten en dat was onvoorzien en onvoorspelbaar op het moment dat partijen de overeenkomsten met elkaar aangingen. Aangezien beide partijen zich aan deze wetgeving moeten houden, moet het verlies aan inkomsten ook voor rekening van de kredietaanbieder en de kredietbemiddelaar komen. [eieres] mocht naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid niet verwachten dat de overeenkomst onveranderd in stand zou blijven. Daarom moeten de renteverlagingen worden doorberekend in een (evenredige) daling van de provisie-inkomsten van [eieres] . Nu [eieres] geen verweer heeft gevoerd tegen de hoogte van de daling van de rente-inkomsten en/of de evenredige daling van de provisie (met 30%), zal de rechtbank voor recht verklaren dat de provisie van [eieres] wordt verminderd met 30%.

2.22.

De vordering van Santander zal met terugwerkende kracht, tot het moment van opzegging van de overeenkomst, worden toegewezen. [eieres] voert nog aan dat toewijzing van de vordering met terugwerkende kracht in strijd zou zijn met de redelijkheid en billijkheid, omdat Santander in 2017 heeft nagelaten om [eieres] te wijzen op de locked-up problematiek en de bijkomende risico’s die [eieres] zou lopen door de portefeuille aan te kopen. Dit verweer gaat niet op. Het was namelijk niet aan Santander om [eieres] te waarschuwen voor de risico’s van de portefeuille. De verkoper van de portefeuille en [eieres] waren twee professionele partijen. [eieres] had in de hoedanigheid van (professionele) kredietbemiddelaar op de hoogte moeten zijn van de locked-up problematiek en de verdere actualiteiten in de financiële wereld. Zij was namelijk net zo goed als Santander verplicht om de financiële wetgeving na te leven.

Proceskosten

2.23.

[eieres] zal als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de proceskosten. Deze worden aan de kant van Santander tot op heden begroot op € 1.086,00 (1,5 punt x € 543) aan salaris voor de advocaat.

De nakosten, waarvan Santander betaling vordert, zullen op de in het dictum weergegeven wijze worden begroot.

3 De beslissing

De rechtbank

Op de vordering

3.1.

Wijst de vorderingen af,

3.2.

Veroordeelt [eieres] in de kosten van de procedure, aan de kant van Santander tot op heden begroot op € 11.236,00, te vermeerderen met de wettelijke rente indien dit bedrag niet binnen veertien dagen na de uitspraakdatum van dit vonnis zijn voldaan,

Op de tegenvordering

3.3.

Verklaart voor recht dat de provisie-aanspraken van [eieres] met ingang van 1 augustus 2018 tot 1 augustus 2020, geacht worden te zijn verminderd met 30%,

3.4.

Veroordeelt [eieres] tot betaling aan Santander van het bedrag aan provisie dat Santander tot aan de datum van deze uitspraak als onverschuldigd aan [eieres] heeft betaald, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de datum van dit verweerschrift tot aan de dag waarop de hoofdsom is betaald;

3.5.

Veroordeelt [eieres] in de kosten van deze procedure, aan de kant van Santander tot op heden begroot op € 1.086,00, te vermeerderen met de wettelijke rente indien dit bedrag niet binnen veertien dagen na de uitspraakdatum van dit vonnis zijn voldaan,

Op de vordering en de tegenvordering

3.6.

Veroordeelt [eieres] , onder de voorwaarde dat zij niet binnen veertien dagen na aanschrijving door Santander volledig aan dit vonnis voldoet, in de na dit vonnis ontstane kosten, begroot op:

  • -

    € 246,00 aan salaris van de advocaat,

  • -

    te vermeerderen, indien betekening van het vonnis heeft plaatsgevonden, met € 82,00 aan explootkosten van betekening van dit vonnis,

  • -

    te vermeerderen met de wettelijke rente indien deze kosten niet binnen veertien dagen na de uitspraakdatum van dit vonnis zijn voldaan,

3.7.

Verklaart de proceskostenveroordeling op de vordering en de gehele beslissing op de tegenvordering uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. F.C. Burgers en in het openbaar uitgesproken op 13 april 2020.