Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2020:1214

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
03-04-2020
Datum publicatie
08-04-2020
Zaaknummer
C/16/496372 / FO RK 20-139
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Beschikking
Tussenbeschikking
Inhoudsindicatie

Schorsing van het gezag van de vader in afwachting van het onderzoek door de Raad voor de Kinderbescherming

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Familierecht

locatie Utrecht

zaaknummers: C/16/496372 / FO RK 20-139 (wijziging gezag)

C/16/496374 / FO RK 20-140 (provisionele voorziening)

Beschikking van 3 april 2020

in de zaak van:

[verzoekster] ,

wonende op een bij de rechtbank bekend adres,

hierna te noemen de moeder,

advocaat mr. T.A.D. Luijten,

tegen

[verweerder] ,

wonende te [woonplaats] , gemeente Altena,

hierna te noemen de vader,

advocaat mr. S. van Reeven-Özer.

1 Verloop van de procedure

1.1.

De rechtbank heeft de volgende stukken ontvangen:

  • -

    het verzoekschrift van de moeder van 28 januari 2020 met producties 1-32;

  • -

    het aanvullende verzoekschrift van de moeder van 5 maart 2020 met producties 1-2;

  • -

    het verweerschrift van de vader van 10 maart 2020.

1.2.

Op 12 maart 2020 is er een zitting geweest. Hierbij waren de ouders met hun advocaten aanwezig. Namens de Raad voor de Kinderbescherming (hierna: de Raad) is – na afmelding – niemand verschenen.

2 Vaststaande feiten

2.1.

De ouders zijn met elkaar gehuwd geweest. Het huwelijk is op [echtscheidingsdatum] 2016 ontbonden door inschrijving van de echtscheidingsbeschikking in de registers van de burgerlijke stand.

2.2.

De minderjarige kinderen van de ouders zijn:

  • -

    [minderjarige 1] , geboren op [geboortedatum 1] 2014 te [geboorteplaats] , hierna te noemen ‘ [voornaam van minderjarige 1] ’;

  • -

    [minderjarige 2] , geboren op [geboortedatum 2] 2015 te [geboorteplaats] , hierna te noemen ‘ [voornaam van minderjarige 2] ’.

2.3.

De ouders hebben gezamenlijk het gezag over de kinderen.

2.4.

De kinderen hebben hun hoofdverblijfplaats bij de moeder.

2.5.

Bij beschikking van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 30 oktober 2019 (kenmerk: C/02/332018 FA RK 17-3268) is de Raad voor de Kinderbescherming, locatie Breda verzocht om een onderzoek in te stellen naar de zorgregeling tussen de vader en de kinderen. De zaak is in afwachting van het advies van de Raad aangehouden tot 21 april 2020.

3 Verzoeken en verweer

3.1.

De moeder verzoekt in de provisionele voorzieningenprocedure:

I. haar vervangende toestemming te verlenen om met de kinderen in de periode van 30 mei 2020 tot en met 7 juni 2020 op vakantie te gaan binnen Europa of het Verenigd Koninkrijk;

II. aan haar vervangende toestemming te verlenen om ten aanzien van [voornaam van minderjarige 2] onderzoeken te laten uitvoeren die nodig zijn in het kader van het (speciaal)onderwijs traject, voor zover deze door de professionals rondom [voornaam van minderjarige 2] worden geadviseerd;

III. aan haar vervangende toestemming te verlenen om de school van [voornaam van minderjarige 2] uit te kiezen, althans hem in te schrijven op de school (en de vervolgschool) die door de professionals rondom [voornaam van minderjarige 2] wordt geadviseerd;

IV. aan haar vervangende toestemming te verlenen de noodzakelijke medische en/of psychische behandelingen/therapieën te laten volgen binnen het reguliere medische circuit, voor zover deze door de professionals rondom [voornaam van minderjarige 2] geadviseerd worden.

3.2.

De moeder verzoekt in de bodemprocedure:

I. primair: het gezamenlijk gezag te beëindigen en te bepalen dat de moeder voortaan alleen belast is het met ouderlijk gezag over [voornaam van minderjarige 1] en [voornaam van minderjarige 2] ;

II. subsidiair: aan de moeder vervangende toestemming te verlenen om:

o maximaal twee keer per jaar gedurende twee aaneengesloten weken in de reguliere schoolvakanties te mogen reizen met de kinderen binnen Europa en het Verenigd Koninkrijk;

o de kinderen noodzakelijke medische en/of psychische behandelingen/therapieën te laten volgen binnen het reguliere medische circuit;

o paspoorten/ID-kaarten voor de kinderen te laten verlengen/aanvragen;

o de school (basis- en voorgezet onderwijs) van de kinderen te laten uitkiezen;

V. meer subsidiair: haar vervangende toestemming te verlenen om met de kinderen in de periode van 30 mei 2020 tot en met 7 juni 2020 op vakantie te gaan binnen Europa of het Verenigd Koninkrijk.

3.3.

De vader voert verweer tegen de verzoeken van de moeder.

4 Beoordeling

Raadsonderzoek

4.1.

De rechtbank zal de Raad verzoeken om een onderzoek te verrichten naar het gezag van de ouders en de beslissing op het verzoek van de moeder aanhouden. De rechtbank legt hierna uit waarom.

4.2.

De moeder stelt ter onderbouwing van haar verzoek dat de vader in hoger beroep is veroordeeld voor stalking tot een voorwaardelijke gevangenisstraf van twee maanden en een proeftijd van drie jaar. Daarbij zijn gedurende de proeftijd bijzondere voorwaarden gesteld, namelijk een contactverbod met de moeder en een gebiedsverbod ten aanzien van de woonomgeving van de moeder. Hierdoor is er al lange tijd geen communicatie en overleg mogelijk tussen de ouders. Daarnaast verwijst de moeder naar de vele procedures die zijn geweest ten aanzien van de voormalige echtelijke woning, de zorgregeling, toestemming voor de school van [voornaam van minderjarige 1] en de achterstallige kinderalimentatie. De vader heeft dit alles betwist en vindt dat het gezamenlijk gezag in stand moet blijven. Op de zitting heeft de vader verklaard dat het enige wat hij wil is normaal contact met de kinderen.

4.3.

De rechtbank stelt voorop dat het uitgangspunt van de wet is dat ouders nadat zij uit elkaar zijn gegaan samen het gezag blijven uitoefenen. Alleen in uitzonderlijke omstandigheden kan het gezamenlijk gezag beëindigd worden. Op de zitting en ook in de stukken hebben de ouders twee totaal verschillende verhalen naar voren gebracht over het verleden. De rechtbank kan daardoor niet vaststellen wat waar is en wat niet. Bovendien is deze rechtbank niet betrokken geweest bij de eerdere procedures omdat die bij de rechtbank Zeeland-West-Brabant liepen. De kinderen woonden daar namelijk eerst. Daarnaast loopt er op dit moment ook nog een procedure bij de rechtbank Zeeland-West-Brabant waarbij de rechtbank een raadsonderzoek heeft gelast naar de zorgregeling. Nu de moeder ter zitting heeft aangegeven niet van plan is te verhuizen en daarom met de kinderen binnen dit arrondissement blijft wonen, ziet de rechtbank geen aanleiding deze procedure naar de rechtbank Zeeland-West-Brabant te verwijzen.

4.4.

De rechtbank heeft behoefte aan meer informatie om te kunnen beslissen op het verzoek van de moeder. Zij zal daarom de Raad verzoeken om een onderzoek te verrichten naar het gezag van de ouders en wat in het belang van de kinderen is: het handhaven van het gezamenlijk gezag of één van de ouders met het gezag belasten. Daarbij merkt de rechtbank op dat er al een raadsonderzoek naar de zorgregeling op korte termijn zal starten of al is gestart bij de Raad, locatie Brabant (kenmerk: C/02/332018 FA RK 17-3268). De rechtbank geeft de Raad dan ook mee om te onderzoeken of het mogelijk is de raadsonderzoeken samen te voegen.

4.5.

De definitieve beslissing op de verzoeken zal worden uitgesteld voor de duur van zes maanden in afwachting van het raadsrapport, dat is tot 10 september 2020. Voor die datum wil de rechtbank graag het advies van de Raad ontvangen. Daarna zal de rechtbank een nieuwe zittingsdatum vaststellen.

Schorsing van het gezag

4.6.

In afwachting van het raadsonderzoek zal de rechtbank het gezag van de vader over [voornaam van minderjarige 1] en [voornaam van minderjarige 2] tijdelijk schorsen. De rechtbank licht dit hieronder toe.

4.7.

Zoals al eerder geconcludeerd is het uitgangspunt van de wet dat ouders nadat zij uit elkaar zijn gegaan samen het gezag blijven uitoefenen. Alleen in uitzonderlijke gevallen kan het gezamenlijk gezag beëindigd worden. Volgens artikel 1:251a van het Burgerlijk Wetboek (BW) is dit het geval als door het gezamenlijk gezag een kind ‘klem of verloren dreigt te raken tussen de ouders’ en niet te verwachten is dat daarin binnen afzienbare tijd voldoende verbetering komt. Dit artikel biedt naar het oordeel van de rechtbank niet alleen een grondslag om het gezamenlijk gezag te beëindigen, maar ook om het gezamenlijk gezag te schorsen en tijdelijk een van de ouders alleen met het gezag te belasten.

4.8.

De moeder verzoekt vervangende toestemming voor – kort gezegd - een vakantie met de kinderen, de inschrijving van [voornaam van minderjarige 2] op een school en voor medische/psychische behandelingen en therapieën voor [voornaam van minderjarige 2] . De vader heeft op de zitting verklaard dat hij hiermee niet wil instemmen omdat hij enerzijds het Raadsonderzoek wil afwachten en anderzijds omdat hij geen omgang met de kinderen heeft. Zolang de vader de kinderen niet ziet wil hij aan de moeder geen toestemming geven om met de kinderen op vakantie te gaan. Ten aanzien van de school stelt de vader dat hij onvoldoende geïnformeerd wordt door de moeder, zodat hij niet weet waarvoor hij toestemming geeft. Zijn advocaat stelt daarnaast dat het verzoek te ruim is geformuleerd.

4.9.

De rechtbank stelt voorop dat er zorgen zijn rondom [voornaam van minderjarige 2] . Het is daarom belangrijk dat op korte termijn onderzocht wordt of hij naar ander (speciaal)onderwijs moet. Ook vindt de rechtbank het in beginsel in het belang van de kinderen dat zij op vakantie kunnen met hun moeder. Gelet op de coronacrisis is het nog onzeker waar de moeder met de kinderen naar toe zal gaan en of zij op vakantie zal gaan. Vaststaat dat de ouders hierover niet met elkaar in overleg kunnen gaan, mede in verband met het contact- en gebiedsverbod. Verder is er ook al lange tijd geen omgang geweest tussen de vader en de kinderen. De vader weet niet waar de kinderen op school zitten en krijgt daardoor ook geen informatie van de school over hoe het met de kinderen gaat. Doordat de vader niet op de hoogte is van de ontwikkelingen van de kinderen en ook niet met de moeder in overleg kan/wil gaan, kunnen de ouders samen geen belangrijke beslissingen nemen over de kinderen. Onder deze omstandigheden vindt de rechtbank het noodzakelijk dat het gezamenlijk gezag wordt geschorst en dat de moeder tijdelijk alleen het gezag over de kinderen gaat uitoefenen.

Wat houdt de schorsing van het gezag in?

4.10.

De schorsing van het gezag van de vader betekent dat de moeder tijdelijk alleen het gezag over de kinderen zal uitoefenen. Dit houdt in dat zij alleen beslissingen mag nemen over bijvoorbeeld een vakantie, de school, medische behandelingen, therapieën en de identiteitsbewijzen van de kinderen. De rechtbank hoeft op de verzoeken van de moeder die daar betrekking op hebben dan ook geen beslissing te nemen.

5 Beslissing

De rechtbank:

5.1.

schorst het gezag van de vader over de minderjarige [minderjarige 1], geboren op [geboortedatum 1] 2014 te [geboorteplaats] en [minderjarige 2], geboren op [geboortedatum 2] 2015 te [geboorteplaats] , totdat nader is beslist, zodat de moeder op dit moment alleen het gezag over de kinderen uitoefent;

5.2.

verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

5.3.

verzoekt de Raad onderzoek te doen naar de volgende vragen:

  • -

    is er reden om aan te nemen dat het gezamenlijk ouderlijk gezag niet in stand kan blijven?

  • -

    en indien dit zo is, wie van de ouders moet alleen met het ouderlijk gezag belast worden?

met het verzoek om tenminste zeven dagen voor de hierna te noemen pro forma datum schriftelijk te rapporteren en te adviseren;

5.4.

houdt de verdere behandeling van de verzoeken ten aanzien van het gezag aan tot de pro forma datum van 10 september 2020, met bepaling dat afhankelijk van de dan verkregen informatie over de voortgang van het Raadsonderzoek een nadere zittingsdatum wordt bepaald,

met verzoek aan de advocaten om ieder de eigen cliënt(e) op te roepen tegen een nader te bepalen tijdstip,

met verzoek aan de griffier om de Raad op te roepen tegen een nader te bepalen tijdstip;

5.5.

houdt iedere verdere beslissing aan.

Deze beschikking is gegeven door mr. M.E.A. Braeken, kinderrechter, in aanwezigheid van

mr. H.E. Broersma als griffier en in het openbaar uitgesproken op 3 april 2020.

Tegen deze beschikking kan - voor zover er definitief is beslist - door tussenkomst van een advocaat hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof te Arnhem-Leeuwarden. De verzoekende partij en verschenen belanghebbenden dienen het hoger beroep binnen de termijn van drie maanden na de dag van de uitspraak in te stellen. Andere belanghebbenden dienen het beroep in te stellen binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of nadat deze hun op andere wijze bekend is geworden.