Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2020:1198

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
25-03-2020
Datum publicatie
06-04-2020
Zaaknummer
C/16/496820 / KG ZA 20-60
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

kort geding, vordering ex artikel 843a Rv afgewezen, rechtmatig belang niet voldoende aannemelijk gemaakt

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Civiel recht

handelskamer

locatie Utrecht

zaaknummer / rolnummer: C/16/496820 / KG ZA 20-60

Vonnis in kort geding van 25 maart 2020

in de zaak van

de stichting

STICHTING BEDRIJFSPENSIOENFONDS VOOR DE RIJN- EN BINNENVAART,

gevestigd te Rotterdam,

eiseres,

advocaten mr. A.C. van der Bent en mr. E.P. Sieben te Rotterdam,

tegen

de naamloze vennootschap

ACHMEA PENSIOENSERVICES N.V.,

gevestigd te Zeist,

gedaagde,

advocaten mr. S. Derksen en mr. N. Vonk te Amsterdam.

Partijen zullen hierna het Fonds en Achmea genoemd worden.

1 Het verloop van de procedure

1.1.

Het procesdossier bevat:

  • -

    de dagvaarding met producties 1 tot en met 23,

  • -

    de conclusie van antwoord met productie 1,

  • -

    de aantekeningen van de mondelinge behandeling van 10 maart 2020,

  • -

    de pleitnota van het Fonds,

  • -

    de akte houdende wijziging van eis,

  • -

    de pleitnota in de vorm van PowerPointsheets van Achmea.

1.2.

Ter zitting hebben partijen over een deel van het geschil een regeling bereikt. Daarna heeft het Fonds haar vorderingen 3 tot en met 8 ingetrokken. Partijen hebben gevraagd te beslissen over vordering 1 en 2. De uitspraakdatum is bepaald op vandaag.

2 Waar gaat het over?

2.1.

Achmea heeft in opdracht van het Fonds jarenlang de pensioenadministratie van het Fonds uitgevoerd en haar vermogen beheerd. In 2014, 2015 en 2016 heeft Achmea een deel van haar werkzaamheden gefactureerd op basis van bestede tijd en afgesproken uurtarieven.

2.2.

Vanaf december 2015 heeft het Fonds een aantal facturen deels onbetaald gelaten, omdat zij er niet voldoende zeker van was dat de in rekening gebrachte uren klopten. De urenrapportages van Achmea waren volgens het Fonds niet op tijd en niet correct en daardoor bestond de indruk dat deze waren gebaseerd op (re)constructie in plaats van registratie van de gemaakte uren.

2.3.

Het Fonds wilde meer zekerheid verkrijgen door meer inzicht te krijgen in de door Achmea gevolgde procedures of door een veel gedetailleerdere urenrapportage van Achmea te ontvangen. De eerste optie had haar voorkeur.

2.4.

Achmea heeft het Fonds urenrapportages verstrekt van de bestede uren per specifieke werkzaamheden en in een notitie van 26 juli 2016 geïnformeerd over haar interne processen en controlemechanismen. Verder hebben partijen [bedrijfsnaam] B.V. opdracht gegeven tot het verrichten van forensisch accountantsonderzoek. [bedrijfsnaam] heeft op 22 juni 2017 gerapporteerd dat de administratieve en interne organisatie van Achmea voldoende waarborgen bieden voor het tegengaan van mogelijke onjuistheden in de tijdsregistratie, met de kanttekening dat zij de werking daarvan niet heeft vastgesteld. Partijen hebben geen overeenstemming bereikt over het instellen van vervolgonderzoek daarnaar.

2.5.

Het Fonds hield twijfels over de urenverantwoording door Achmea. In april 2018 heeft zij onder protest de openstaande vordering van Achmea voldaan.

2.6.

In februari 2019 heeft het Fonds in een bodemprocedure het betaalde bedrag teruggevorderd op grond van onverschuldigde betaling. In een vonnis van 28 november 2019 heeft de rechtbank Midden-Nederland deze vordering afgewezen. De rechtbank heeft onder meer overwogen dat Achmea de uren niet anders of beter had moeten verantwoorden en dat uit de stukken blijkt dat het Fonds twijfelt en dat fouten niet kunnen worden uitgesloten, maar dat niet naar voren is gekomen dat er specifieke bedragen ten onrechte in rekening zijn gebracht.

2.7.

Het Fonds heeft tegen deze uitspraak hoger beroep ingesteld. Achmea is gedagvaard tegen 30 juni 2020.

2.8.

Ter voorbereiding op het hoger beroep wil het Fonds nog meer informatie van Achmea ontvangen. Het gaat haar om de urenstaten over de jaren 2014-2016 waarop per dag en per persoon is aangegeven hoeveel uur aan een bepaalde categorie werkzaamheden voor het Fonds is besteed en om een overzicht van de uren die in die jaren voor werkzaamheden voor het Fonds zijn geschreven in het tijdschrijfsysteem Fast Focus en daarna zijn vastgelegd in SAP CATS (Cross Application Time Sheets in de SAP-database van Achmea).

2.9.

Achmea wil die stukken niet vrijwillig verstrekken. Daarom vordert het Fonds in deze procedure afschrift van of inzage in die stukken op grond van artikel 843a Rv.

3 De beoordeling

Spoedeisend belang aannemelijk

3.1.

Het Fonds stelt dat zij de gevraagde informatie met spoed nodig heeft om een inschatting te kunnen maken van haar kansen in het ingestelde hoger beroep. Volgens het Fonds zal zij haar stelling dat Achmea niet heeft voldaan aan haar rekening- en verantwoordingsplicht en specifieke uren ten onrechte in rekening heeft gebracht alleen kunnen aantonen als zij de beschikking heeft over die urenstaten en SAP CATS van Achmea. Zij moet deze stukken vóór 30 juni 2020 doornemen om te kunnen beslissen of zij het hoger beroep doorzet en om dan haar grieven te kunnen formuleren en onderbouwen. De voorzieningenrechter vindt dat het Fonds hiermee voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat zij spoedeisend belang heeft bij de ingestelde vordering.

Rechtmatig belang niet aannemelijk

3.2.

Voor toewijzing van een vordering ex artikel 843a Rv is onder meer vereist dat sprake is van een rechtmatig belang bij de gevorderde stukken. Dit betekent dat het moet gaan om stukken waarbij het Fonds een direct en concreet belang heeft. Het is aan het Fonds om dat belang aan de hand van concrete feiten en omstandigheden voldoende aannemelijk te maken. De voorzieningenrechter vindt dat het Fonds daar niet in is geslaagd. Vordering 1 en 2 moeten daarom worden afgewezen. Hierna legt de voorzieningenrechter uit hoe zij tot dat oordeel is gekomen.

3.3.

Het Fonds stelt dat de opgevraagde stukken relevant zijn voor haar bewijspositie. Het Fonds heeft nog steeds twijfels over de juistheid van de urenverantwoording van Achmea en heeft om die reden hoger beroep ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank. Het Fonds heeft het vermoeden dat Achmea de aantallen in rekening gebrachte uren niet heeft besteed aan werkzaamheden ten behoeve van het Fonds. Daarnaast heeft zij het vermoeden dat die uren niet daadwerkelijk zijn besteed aan de soort werkzaamheid waarvoor ze zijn gefactureerd. De urenstaten en SAP CATS geven inzicht in de gewerkte uren per persoon en per activiteit voor het Fonds in de jaren 2014-2016. Die informatie is volgens haar relevant, omdat het Fonds alleen daarmee haar stelling kan aantonen dat Achmea niet heeft voldaan aan haar rekening- en verantwoordingsplicht en specifieke uren ten onrechte in rekening heeft gebracht. De precieze inhoud van de stukken kent het Fonds niet, maar dat komt omdat zij die nooit heeft ontvangen of ingezien. Het Fonds beschikt niet over voldoende andere stukken om haar vermoedens te onderbouwen. Zij lijdt daardoor onredelijk nadeel als de urenstaten en SAP CATS niet als bewijsmiddel ter beschikking komen.

3.4.

Naar het oordeel van de voorzieningenrechter is dit onvoldoende om een rechtmatig belang te kunnen aannemen. Het Fonds heeft alle feiten en omstandigheden waarop zij haar vermoedens baseert ook al in de bodemprocedure naar voren gebracht. De rechtbank heeft daarover overwogen:

“(…)

3.5.

Uit wat het Fonds in deze procedure naar voren heeft gebracht volgt naar het oordeel van de rechtbank niet dat hij – met de door hem betaalde bedragen – teveel (en dus onverschuldigd) heeft betaald. Partijen hebben geen concrete afspraken gemaakt over de manier waarop de per uur af te rekenen uren zouden worden verantwoord en Achmea heeft de uren gespecificeerd en toegelicht en heeft meegewerkt aan het onderzoek van [bedrijfsnaam] . Daarom kan nu niet worden gezegd dat Achmea de gewerkte uren anders of beter had moeten verantwoorden. Uit de stukken blijkt dat het Fonds twijfelt over de uren en dat – kort gezegd – fouten niet kunnen worden uitgesloten, maar dat er specifieke bedragen ten onrechte in rekening zijn gebracht is niet naar voren gekomen, laat staan dat het zou gaan om bedragen in de orde van grootte als door het Fonds – onder protest – betaald. Daarbij is nog van belang dat de kosten voor haar dienstverlening zowel voor als nadat het afrekenen op uurbasis werd ingevoerd, volgens Achmea jaarlijks in totaal omstreeks € 2.000.000 bedroegen en dat de te verantwoorden uren daarvan niet meer dan een kwart besloegen. Dit is door het Fonds niet betwist. In de totaal begrote bedragen en in de eindafrekening waren er geen ‘uitschieters’ die maken dat twijfel gerechtvaardigd was en/of dat het op de weg van Achmea lag om een post verder op te helderen of aan te tonen.

3.6.

De conclusie is dat de vordering van het Fonds tot terugbetaling door Achmea van (in totaal) een bedrag van € 506.589,86 wordt afgewezen.

(…)”

Naar vaste rechtspraak moet een voorzieningenrechter, als door een bodemrechter over dezelfde vordering al een vonnis is gewezen, zijn oordeel in kort geding in beginsel op het oordeel van de bodemrechter afstemmen. Dit betekent dat het oordeel van de rechtbank dat Achmea de uren niet anders of beter had moeten verantwoorden en dat niet is gebleken dat er specifieke bedragen ten onrechte in rekening zijn gebracht als uitgangspunt geldt.

3.5.

Het Fonds heeft in dit kort geding geen andere aanwijzingen of stukken naar voren gebracht ter onderbouwing van haar vermoedens over de onjuistheid van de urenverantwoording en daarmee van haar stelling dat door haar onverschuldigd is betaald. Het ontbreekt daardoor aan voldoende concrete aanwijzingen dat bepaalde uren over de periode 2014-2016 niet correct en/of onterecht zijn gefactureerd door Achmea. Toewijzing van de vordering zou daarom leiden tot een fishing expedition naar mogelijke aanwijzingen in de urenstaten en SAP CATS die steun zouden kunnen bieden aan de stellingen van het Fonds. Daarvoor leent de exhibitieplicht zich niet. Ook de wens om meer zekerheid te verkrijgen over de juistheid van de urenverantwoording aan de hand van inzage in de urenstaten en SAP CATS levert geen rechtmatig belang op.

3.6.

Het Fonds krijgt ongelijk en wordt daarom in de proceskosten veroordeeld.

De kosten aan de zijde van Achmea worden begroot op:

- griffierecht € 656,00

- salaris advocaat 980,00

Totaal € 1.636,00

3.7.

De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten zal worden toegewezen na de in 4.2. vermelde termijn.

3.8.

De gevorderde nakosten en wettelijke rente daarover zullen worden toegewezen op de in 4.3. vermelde wijze.

4 De beslissing

De voorzieningenrechter

4.1.

wijst de vorderingen af,

4.2.

veroordeelt het Fonds in de proceskosten, aan de zijde van Achmea tot op vandaag begroot op € 1.636,00, te voldoen binnen 14 dagen na de datum van dit vonnis, bij gebreke waarvan voormeld bedrag wordt vermeerderd met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW vanaf de vijftiende dag na de datum van dit vonnis tot de dag van volledige betaling,

4.3.

veroordeelt het Fonds, onder de voorwaarde dat zij niet binnen 14 dagen na aanschrijving door Achmea volledig aan dit vonnis voldoet, in de na dit vonnis ontstane kosten, begroot op:
- € 157,00 aan salaris advocaat, vermeerderd met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW met ingang van de vijftiende dag na aanschrijving,
- te vermeerderen, indienbetekening van het vonnis heeft plaatsgevonden, met een bedrag van € 82,00 aan salaris advocaat en de explootkosten van betekening van het vonnis, vermeerderd met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW met ingang van de vijftiende dag na betekening,

4.4.

verklaart dit vonnis wat betreft de kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. F.C. Burgers en in het openbaar uitgesproken op 25 maart 2020.