Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2020:1101

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
24-03-2020
Datum publicatie
02-04-2020
Zaaknummer
16-215769-19
Rechtsgebieden
Materieel strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Een 37-jarige man wordt veroordeeld voor meerdere inbraken en helingen tot een gevangenisstraf van 300 dagen, waarvan 173 dagen voorwaardelijk. Ook moet de man zich laten behandelen voor zijn verslavingsproblematiek en zich melden bij de reclassering.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Strafrecht

Zittingsplaats Utrecht

Parketnummer: 16-215769-19, 16-189669-19 (gev. ttz) en 16-007591-18 (tul) (P)

Vonnis van de meervoudige kamer van 24 maart 2020

in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren op [1982] in [geboorteplaats] ,

nu verblijvend bij Novadic Kentron aan het adres [adres] in [vestigingsplaats] .

1 ONDERZOEK TER TERECHTZITTING

De rechtszaak tegen verdachte heeft in het openbaar plaatsgevonden op de zittingen van 3 december 2019, 24 december 2019 en 10 maart 2020. Op 10 maart 2020 vond de inhoudelijke behandeling van de strafzaak tegen verdachte plaats. Verdachte was bij deze zitting aanwezig, waardoor juridisch gezien sprake is van een vonnis op tegenspraak.

De rechtbank heeft tijdens de zitting gesproken met en geluisterd naar de standpunten van verdachte zelf, zijn advocaat mr. H.M.G. Peters en de officier van justitie mr. R.J.J.S. Visser.

2 TENLASTELEGGING

De officier van justitie verdenkt verdachte ervan dat hij betrokken is geweest bij meerdere strafbare feiten. Deze verdenkingen staan beschreven in de tenlasteleggingen, die als bijlage zijn opgenomen in dit vonnis.

Kort gezegd verdenkt de officier van justitie verdachte ervan dat hij:

In de zaak met parketnummer 16-215769-19

  1. samen met een ander op 6 september 2019 heeft ingebroken bij kapsalon [kapsalon] in Utrecht en daar een kassalade, geld en horloges heeft weggenomen;

  2. op 6 september 2019 in Utrecht een scooter in zijn bezit heeft gehad, terwijl hij wist dat die scooter van een misdrijf afkomstig was;

  3. samen met een ander op 28 augustus 2019 heeft ingebroken bij [supermarkt] in Utrecht en daar een collectebus met daarin een geldbedrag van ongeveer € 300,- heeft weggenomen;

  4. tussen 25 augustus 2019 en 27 augustus 2019 heeft ingebroken bij Stichting [stichting] in Utrecht en daar een kassalade en geld heeft weggenomen;

  5. op 10 augustus 2019 heeft ingebroken in een parkeergarage in Utrecht en daar een scooter van [benadeelde 1] heeft weggenomen;

In de zaak met parketnummer 16-189669-19

  1. samen met een ander op 5 augustus 2019 heeft ingebroken bij een fietsenwinkel in Utrecht en daar een kassa en een kassalade van [benadeelde 2] heeft weggenomen;

  2. op 5 augustus 2019 in Utrecht een scooter in zijn bezit heeft gehad, terwijl hij wist dat die scooter van een misdrijf afkomstig was.

3 VOORVRAGEN

Voordat de rechtbank een inhoudelijke beslissing kan nemen in de zaak tegen verdachte, moet zij eerst kijken of aan de in de wet gestelde voorvragen is voldaan. Dat is het geval: de dagvaarding is geldig, de rechtbank is bevoegd om deze zaak te beoordelen, de officier van justitie mag verdachte vervolgen en er zijn geen redenen om de vervolging uit te stellen.

4 WAARDERING VAN HET BEWIJS

4.1

Het standpunt van de officier van justitie

In de zaak met parketnummer 16-215769-19

De officier van justitie vindt dat wettig en overtuigend bewezen kan worden dat verdachte alle feiten op deze tenlastelegging heeft gepleegd. De feiten 1, 3, 4 en 5 heeft verdachte ook bekend. De officier van justitie vindt dat ook kan worden bewezen dat verdachte een scooter in zijn bezit heeft gehad terwijl hij wist dat die scooter van een misdrijf afkomstig was, zoals ten laste is gelegd onder feit 2. De scooter stond voor het huis van de moeder van verdachte. De scooter bleek gestolen te zijn en was voorzien van valse kentekens. De visuele kenmerken van de scooter komen overeen met de scooter die bij de inbraak bij kapsalon [kapsalon] is gebruikt. Tot slot zat er geen sleutel bij de scooter. Volgens de officier van justitie heeft verdachte daarom minimaal de aanmerkelijke kans aanvaard dat de scooter van een misdrijf afkomstig was.

In de zaak met parketnummer 16-189669-19

De officier van justitie vindt dat ook wettig en overtuigend bewezen kan worden dat verdachte de feiten op deze tenlastelegging heeft gepleegd. Een getuige heeft op 5 augustus 2019 bij de politie gemeld dat zij zag dat twee mannen in een winkel aan het inbreken waren. Zij zag dat één van hen tegen een deur trapte, naar binnen ging en even later weer naar buiten kwam. Eén van de daders zou zijn weggereden op een grijze Vespa. De bestuurder had volgens de melder een muts op. De politie zag daarna een scooter rijden die lijkt op de scooter die in de melding wordt genoemd. De bestuurder van die scooter had een muts in zijn hand die leek op de muts die door de melder werd omschreven. Op de deur van de fietsenwinkel werden daarnaast sporen gevonden die door een schroevendraaier waren veroorzaakt. Bij de insluiting van verdachte is een platte schroevendraaier gevonden. De politie heeft duidelijke overeenkomsten gevonden tussen de in beslag genomen schroevendraaier en de schroevendraaier die gebruikt is bij de inbraak. Daarnaast is op de beelden van cameratoezicht volgens de officier van justitie te zien dat verdachte bij de fietsenwinkel heeft gestaan. Zijn trainingsjas is opvallend en hij draagt zwarte schoenen. Te zien is dat hij in de winkel kijkt en daar rondhangt. Volgens de officier van justitie staat met al het voorgaande vast dat verdachte degene is geweest die in de fietsenwinkel heeft ingebroken.

De officier van justitie vindt dat ook kan worden bewezen dat de scooter waarop verdachte is aangehouden van een misdrijf afkomstig was en dat verdachte dat wist. Er zat geen sleutel bij de scooter, maar verdachte heeft wel op de scooter gezeten. Als je een scooter niet kunt starten met een sleutel, weet je dat daar iets mis mee is, aldus de officier van justitie.

4.2

Het standpunt van de advocaat

In de zaak met parketnummer 16-215769-19

De advocaat van verdachte vindt net als de officier van justitie dat er voldoende wettig en overtuigend bewijs is dat verdachte de feiten 1, 3, 4 en 5 heeft gepleegd. Zij vindt dat niet bewezen kan worden dat verdachte ook een scooter in zijn bezit heeft gehad terwijl hij wist dat deze van een misdrijf afkomstig was. Verdachte zegt dat niet hij maar een ander de scooter voor het huis van zijn moeder heeft geparkeerd.

In de zaak met parketnummer 16-189669-19

De advocaat vindt dat verdachte van alle feiten op deze tenlastelegging moet worden vrijgesproken.

De advocaat wijst er ten eerste op dat verdachte geen bijstand heeft gehad voorafgaand of tijdens de verhoren bij de politie. De advocaat vindt dat de politie een advocaat aan verdachte had moeten toewijzen, ook al had verdachte afstand gedaan van zijn recht op bijstand van een advocaat. Verdachte is namelijk kwetsbaar. Hij kan niet lezen of schrijven en is verstandelijk beperkt. De advocaat vindt dan ook dat de verklaringen die verdachte bij het verhoor heeft afgelegd niet voor het bewijs mogen worden gebruikt.

Ook indien de rechtbank de verklaringen wel zal gebruiken, is er volgens de advocaat onvoldoende wettig en overtuigend bewijs dat verdachte de feiten heeft gepleegd. Uit het dossier kan volgens de advocaat worden afgeleid dat verdachte heeft rondgereden bij de fietsenwinkel, zoals door getuige Wolf is verklaard. De getuige heeft echter geen inbrekershandelingen gezien en ook niet gezien dat iemand met een kassa naar buiten is gekomen. Dat is ook niet op de camerabeelden van stadstoezicht te zien. Verdachte is korte tijd later aangehouden op een scooter, maar niet in het bezit van de kassa. Die is pas de volgende dag ergens in de buurt gevonden. Als verdachte de dader zou zijn geweest, dan zou het voorgaande betekenen dat hij na de inbraak eerst een straatje is ingereden om de kassa te dumpen en vervolgens de politie is tegengekomen. Dat is volgens de advocaat niet logisch en niet aannemelijk. Tot slot stelt de advocaat dat het feit dat er braaksporen zijn gevonden die passen bij de schroevendraaier die verdachte ten tijde van zijn aanhouding bij zich had, niet relevant is voor de bewezenverklaring. Er zijn immers veel meer van dat soort en type schroevendraaiers in omloop.

Over feit 2 heeft de advocaat het volgende opgemerkt. Verdachte heeft gezien dat er geen sleutel bij de scooter zat. Verdachte had echter nog aan degene van wie hij de scooter had geleend gevraagd of er iets met de scooter aan de hand was, waarop hij een ontkennend antwoord kreeg. De advocaat vindt dat de enkele omstandigheid dat er geen sleutel bij een scooter zit, niet maakt dat je moet weten dat die scooter van een misdrijf afkomstig is.

4.3

Het oordeel van de rechtbank

In de zaak met parketnummer 16-215769-19 1

Verdachte heeft tijdens de zitting bekend dat hij de feiten 1, 3, 4 en 5 op deze tenlastelegging heeft gepleegd en de advocaat heeft niet om vrijspraak gevraagd. De rechtbank zal daarom niet uitschrijven wat er in de bewijsstukken over die feiten staat, maar de bewijsstukken alleen opsommen. De rechtbank verwijst met voetnoten naar de plaats in het dossier waar de bewijsstukken te vinden zijn.

Feit 1 – inbraak [kapsalon]

De bewijsstukken:

- het proces-verbaal van aangifte door [aangever 1] , namens [kapsalon] , van 6 september 20192;

- het proces-verbaal van bevindingen over camerabeelden van 7 september 20193;

- de bekennende verklaring van verdachte op de zitting van 10 maart 20204.

Feit 2 – heling scooter

Bewijsstukken

Op 6 september 2019 heeft verbalisant [verbalisant 1] een scooter met het kenteken [kenteken] aangetroffen naast de woning van de moeder van verdachte. Verbalisant [verbalisant 1] zag dat er was gerommeld met het slot.5

Verbalisant [verbalisant 2] heeft onderzoek gedaan naar de scooter die voor het huis van de moeder van verdachte stond. De kentekenplaat op de scooter had het kenteken [kenteken] . Dat bleek een vals kenteken te zijn. Het originele kenteken betrof [kenteken] .6

Op 6 september 2019 deed [aangever 2] , namens [benadeelde 3] , aangifte van diefstal van een scooter met het kenteken [kenteken] . De scooter was gestolen op 5 september 2019 in Utrecht.7

Op 10 september 2019 is verdachte door de politie verhoord. Hij verklaarde toen dat de scooter van een ander was, maar dat hij op 6 september 2019 wel zelf op de scooter heeft gereden. Volgens verdachte heeft hij op voornoemde datum die ander (genaamd [naam] ) eerst afgezet in de stad, waarna hij vervolgens is doorgereden en de scooter bij zijn moeder heeft gezet. Hij kon de scooter met een knopje starten.8

Interpretatie van de bewijsstukken

Op grond van de hierboven genoemde bewijsstukken acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte de scooter in zijn bezit heeft gehad terwijl hij wist dat die scooter van een misdrijf afkomstig was. Verdachte heeft op een scooter gereden, terwijl met het slot van de scooter gerommeld was en de scooter enkel met een knopje (dus zonder sleutel) kon worden gestart. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verdachte onder deze omstandigheden ten tijde van het voorhanden krijgen van de scooter bewust de aanmerkelijke kans aanvaard dat die scooter door een misdrijf was verkregen. Dat geldt te meer nu verdachte ongeveer een maand eerder ook al een scooter van dezelfde persoon had verkregen en ook die scooter enkel met een knopje kon worden gestart, naar aanleiding waarvan destijds bij verdachte de vraag opkwam of de scooter niet gestolen was (zie hierover nader de overwegingen van de rechtbank bij feit 2 in de zaak met parketnummer 16-189669-19).Die desbetreffende scooter bleek vervolgens inderdaad gestolen te zijn.

Op de zitting heeft verdachte verklaard dat niet hij, maar een ander op de scooter heeft gereden. De rechtbank vindt die verklaring, gelet op zijn eerdere verklaring bij de politie en het feit dat de scooter bij het huis van de moeder van verdachte stond, niet aannemelijk.

Feit 3 – inbraak [supermarkt]

De bewijsstukken:

- het proces-verbaal van aangifte door [aangever 3] , namens [supermarkt] , van 28 augustus 20199;

- het proces-verbaal van bevindingen over een telefoongesprek tussen verbalisant [verbalisant 3] en getuige [getuige]10;

- de bekennende verklaring van verdachte op de zitting van 10 maart 202011.

Feit 4 – inbraak [stichting]

De bewijsstukken:

- het proces-verbaal van aangifte door [aangever 4] , namens Stichting [stichting] , van 27 augustus 201912;

- het proces-verbaal van bevindingen over camerabeelden van 9 september 201913;

- de bekennende verklaring van verdachte op de zitting van 10 maart 202014.

Feit 5 – diefstal scooter

De bewijsstukken:

- een afschrift van aangifte door [benadeelde 1] van 11 augustus 201915;

- het proces-verbaal van bevindingen over camerabeelden van 28 augustus 201916;

- de bekennende verklaring van verdachte op de zitting van 10 maart 202017.

In de zaak met parketnummer 16-189669-19 18

Bewijsverweer

De raadsvrouw heeft bepleit dat de verklaringen die verdachte bij de politie heeft afgelegd van het bewijs moeten worden uitgesloten omdat de politie geen advocaat aan verdachte heeft toegewezen, terwijl verdachte dient te worden aangemerkt als een kwetsbare verdachte.

De rechtbank verwerpt dit verweer en overweegt hieromtrent als volgt.

Verdachte heeft geen rechtsbijstand gehad voorafgaand en tijdens de desbetreffende politieverhoren. De politie heeft verdachte echter meerdere malen mondeling gewezen op zijn recht op rechtsbijstand en gevraagd of hij bijstand van een advocaat wenste tijdens het verhoor. Dit is gebeurd voorafgaand aan het eerste verhoor op 5 augustus 2019, het tweede verhoor op dinsdag 6 augustus 2019, en het derde verhoor op 7 augustus 2019. Steeds heeft verdachte ondubbelzinnig geantwoord dat hij rechtsbijstand niet nodig vond. Daarmee heeft verdachte in beginsel rechtsgeldig afstand gedaan van zijn recht op rechtsbijstand als bedoeld in artikel 28a Sv en stond het de politie vrij om de verhoren door te zetten.

Het voorgaande lijdt uitzondering wanneer verdachte ten tijde van het verhoor viel aan te merken als een kwetsbare verdachte in de zin van artikel 28b lid 1 Sv. In dat geval had de politie uit eigener beweging verdachte moeten voorzien van rechtsbijstand. Daaraan doet niet af dat verdachte zelf aangaf geen advocaat te willen (zie artikel 28c lid 2 Sv). Blijkens de wetsgeschiedenis valt als kwetsbaar onder meer aan te merken de verdachte die lijdt aan een verstandelijke beperking. Of sprake is van een kwetsbare verdachte is ter beoordeling aan de hulpofficier van justitie bij gelegenheid van de voorgeleiding. Omdat over de rechtsbijstand bij de voorgeleiding snel een beslissing moet worden genomen, is het niet mogelijk (en ook niet vereist) dat in dit vroege stadium van de strafprocedure de kwetsbaarheid van de verdachte aan de hand van rapportages wordt vastgesteld. Het gaat in dit stadium dus om de kennelijke kwetsbaarheid van de verdachte (zie Kamerstukken II 2014/15, 34157, 3, p. 66).

Bij de aanhouding en ook nadien tijdens het verhoor van verdachte zijn er naar het oordeel van de rechtbank geen omstandigheden aan het licht gekomen die de betrokken politieambtenaren hadden moeten doen vermoeden dat zij te maken hadden met een verstandelijk beperkte verdachte. Dat verdachte aangaf zich bepaalde zaken niet of niet goed te kunnen herinneren, maakt hem nog niet kennelijk verstandelijk beperkt. Hetzelfde geldt voor het feit dat verdachte analfabeet is, zoals door de raadsvrouw ter zitting aangegeven. Bovendien is dit bij de diverse verhoren – die mondeling zijn afgenomen – klaarblijkelijk ook niet ter sprake gekomen. Van een vormverzuim door de politie is kortom geen sprake. De verklaringen van verdachte kunnen dus – indien nodig – worden meegenomen bij het bewijs.

Feit 1 – inbraak Rijwielherstelbedrijf

Bewijsstukken

Op 5 augustus 2019 heeft [benadeelde 2] aangifte gedaan van een inbraak in zijn fietsenwinkel aan de [adres] in [vestigingsplaats] . Hij werd in de nacht van 5 augustus 2019 om 01.43 uur door de politie gebeld dat er was ingebroken in de fietsenwinkel. Toen hij bij zijn fietsenwinkel aankwam, zag hij dat de schuifdeuren openstonden. De deur had hij eerder afgesloten. De kassa die op de toonbank stond was weg.19

E. Wolf heeft bij de politie verklaard dat zij op 5 augustus 2019 omstreeks 01.15 uur in haar huis aan de [adres] in [vestigingsplaats] was, toen ze het geluid van een scooter hoorde. Zij zag dat er twee mannen op de scooter zaten. De scooter leek op een ‘Vespa’. Het was een grijze of zilveren scooter met een doorzichtig windscherm aan de voorzijde. De bestuurder droeg een soort wollen muts met een patroon van lichte en donkere kleuren. De scooter reed de stoep op en stopte bij een fietsenwinkel ter hoogte van nummer [nummer] . Eén van de mannen begon plotseling hard tegen de deur te trappen. Op een gegeven moment stopte de man met trappen en opende hij met beide handen de schuifdeur. Hij ging vervolgens de winkel in. De man kwam de winkel weer uit, stapte op de scooter en reed weg in de richting van het centrum van Utrecht.20

Verbalisant [verbalisant 4] heeft de camerabeelden van de Gemeente Utrecht bekeken. Op de beelden was te zien dat een grijze scooter stil ging staan bij een fietsenwinkel. De bestuurder droeg een soort muts over zijn hoofd. Op de linkermouw van de bestuurder was duidelijk een lichte streep te zien. Op een gegeven moment liep de bestuurder van de scooter richting de fietsenwinkel. Hij verdween toen uit het zicht van de camera’s. 17 seconden later liep de bestuurder weer terug naar de scooter. Hij leek wat handelingen te verrichten bij zijn scooter. Daarna reed de bestuurder op zijn scooter weg in de richting van de Daalse Tunnel.21

Verbalisant [verbalisant 5] kreeg omstreeks 01:26 uur de opdracht om uit te kijken naar iemand die aan het signalement van de dader van de inbraak voldeed. Vlak daarna zag hij een grijskleurige scooter met het uiterlijk van een Vespa rijden. De bestuurder, verdachte, werd staande gehouden. Hij had een roze/grijskleurige wollen muts in zijn rechterhand. Hij had een donkerblauwe trainingsjas aan met een gele streep op zijn linkermouw.22

Bij de insluitingsfouillering van verdachte legde verdachte een platte schroevendraaier op de balie.23

Verbalisant [verbalisant 6] heeft in de omgeving van de inbraak gezocht naar de kassalade die was weggenomen. Hij is de mogelijke vluchtroute afgelopen vanaf de [adres] in de richting van de Cremersstraat, waar verdachte is staande gehouden. Bij een speelplaats aan de Spijkerstraat zag hij de kassa met kassalade liggen. Deze lagen ongeveer 250 meter van de fietsenwinkel af.24

[verbalisant 7] , forensisch onderzoeker bij de politie, heeft een werktuigsporenonderzoek verricht. Hij heeft onderzocht of de beschadigingen in de deur van de fietsenwinkel veroorzaakt zijn door de platte schroevendraaier die verdachte bij zijn aanhouding bij zich had. Bij het vergelijkend microscopisch onderzoek tussen aan de ene kant de onregelmatigheden in het spoor in de deur van de fietsenwinkel en aan de andere kant de beschadigingen en slijpsporen in het blad van de schroevendraaier werden overeenkomende onregelmatigheden en aansluitende lijnen waargenomen. De overeenkomsten zijn dermate sterk dat dit [verbalisant 7] tot de conclusie heeft gebracht dat de werktuigsporen veroorzaakt zijn door de schroevendraaier die verdachte bij zich had.25

Interpretatie van de bewijsstukken

Op grond van de hierboven genoemde bewijsstukken, in onderling verband en samenhang bezien, acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte heeft ingebroken bij de fietsenwinkel aan de [adres] in [vestigingsplaats] en daar een kassa en een kassalade van [benadeelde 2] heeft weggenomen. Dat verdachte op het moment van zijn aanhouding geen kassa bij zich had, brengt de rechtbank niet tot een ander oordeel. De kassa is immers kort na de inbraak in de buurt van de fietswinkel aangetroffen. Anders dan de verdediging heeft betoogd, acht de rechtbank het aannemelijk dat verdachte onderweg de kassa heeft weggegooid. De andere verweren van de verdediging worden al weerlegd door de inhoud van de gebruikte bewijsstukken.

De rechtbank acht niet bewezen dat verdachte de inbraak samen met iemand anders heeft gepleegd, omdat op de camerabeelden te zien is dat de persoon met wie hij was al eerder weg is gegaan. De rechtbank zal verdachte van dit onderdeel van de tenlastelegging dan ook vrijspreken.

Feit 2 – heling scooter

Bewijsstukken

Toen verdachte werd aangehouden voor de inbraak bij de fietsenwinkel aan de [adres] , reed hij op een scooter met kenteken [kenteken] . Verbalisant [verbalisant 8] zag in het politiesysteem dat de scooter als gestolen stond gesignaleerd.26

Op de zitting heeft verdachte verklaard dat hij de scooter van een ander, genaamd [naam] , had geleend. Verdachte verklaarde ook dat [naam] had gezegd dat de scooter eerlijk was verkregen. Verdachte had [naam] hierover bevraagd , omdat er geen sleutel bij de scooter zat. Verdachte verklaarde dat hij daarom in eerste instantie dacht dat de scooter misschien wel gestolen was.27

Interpretatie van de bewijsstukken

Op grond van de hierboven genoemde bewijsstukken acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte wist dat de scooter die hij in zijn bezit had van een misdrijf afkomstig was. Hij reed namelijk op een scooter, terwijl er geen sleutel bij de scooter zat. Voorts heeft verdachte verklaard dat hij – mede gelet op het ontbreken van een sleutel – bij het voorhanden krijgen van de scooter dacht dat de scooter wel eens gestolen kon zijn. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verdachte onder deze omstandigheden ten tijde van het voorhanden krijgen van de scooter (ten minste) bewust de aanmerkelijke kans aanvaard dat die scooter door een misdrijf was verkregen. Dat verdachte heeft gevraagd of de scooter op een eerlijke manier was verkregen, maakt dat niet anders.

5 BEWEZENVERKLARING

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte

In de zaak met parketnummer 16-215769-19

  1. op 6 september 2019 te Utrecht tezamen en in vereniging met een ander een kassalade, geld en horloges die toebehoorden aan kapsalon [kapsalon] heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl verdachte en zijn mededader zich de toegang tot de plaats van het misdrijf hebben verschaft door middel van braak en inklimming;

  2. op 6 september 2019 te Utrecht een scooter (met kenteken [kenteken] ) voorhanden heeft gehad, terwijl hij ten tijde van de het voorhanden krijgen van dit goed wist dat het een door misdrijf verkregen goed betrof;

  3. op 28 augustus 2019 te Utrecht tezamen en in vereniging met een ander een collectebus met daarin een geldbedrag die aan een ander toebehoorde heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl verdachte en zijn mededader zich de toegang tot de plaats van het misdrijf hebben verschaft door middel van braak;

  4. op 25 augustus 2019 te Utrecht een kassalade en geld die toebehoorden aan Stichting [stichting] heeft weggenomen uit een winkelpand (gelegen aan de [adres] ) met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl verdachte zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van braak en inklimming;

  5. op 10 augustus 2019 te Utrecht een scooter (met kenteken [kenteken] ) die toebehoorde aan [benadeelde 1] heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl verdachte zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van braak;

In de zaak met parketnummer 16-189669-19

  1. op 5 augustus 2019 te Utrecht een kassa en kassalade die toebehoorden aan [benadeelde 2] heeft weggenomen (uit een fietsenwinkel) met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl verdachte zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van braak;

  2. op 5 augustus 2019 te Utrecht een scooter (La Souris) voorhanden heeft gehad, terwijl hij ten tijde van het voorhanden krijgen van dit goed wist dat het een door misdrijf verkregen goed betrof.

Verdachte wordt vrijgesproken van alles wat meer of anders ten laste is gelegd dan wat hierboven is bewezen. De rechtbank heeft taal- en spelfouten in de tenlastelegging verbeterd. Dat is volgens de rechtbank niet nadelig voor verdachte.

6 STRAFBAARHEID VAN DE FEITEN

Gedragingen zijn volgens de wet alleen strafbaar als er geen rechtvaardigingsgrond voor die gedragingen bestaat. Als een dader zich kan beroepen op zo’n rechtvaardigingsgrond is zijn gedrag niet in strijd met het recht. Er is niet gebleken dat er zo’n rechtvaardigingsgrond voor het door verdachte gepleegde feit bestond. Het door verdachte gepleegde feit is dus strafbaar.

De wet noemt het door verdachte gepleegde feit:

In de zaak met parketnummer 16-215769-19

  1. diefstal door twee of meer verenigde personen, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van braak en inklimming;

  2. opzetheling;

  3. diefstal door twee of meer verenigde personen, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van braak;

  4. diefstal, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van braak en inklimming;

  5. diefstal, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van braak;

In de zaak met parketnummer 16-189669-19

  1. diefstal, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van braak;

  2. opzetheling.

7 STRAFBAARHEID VAN VERDACHTE

Verdachten zijn volgens de wet alleen strafbaar als zij geen beroep kunnen doen op een schulduitsluitingsgrond. Als een dader zich kan beroepen op een schulduitsluitingsgrond is zijn gedrag niet verwijtbaar. Er is niet gebleken dat verdachte een beroep kon doen op zo’n schulduitsluitingsgrond. Verdachte is dus strafbaar.

8 OPLEGGING VAN STRAF

8.1

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie vindt het ernstig dat verdachte zich binnen een korte periode schuldig heeft gemaakt aan een reeks vermogensdelicten. Hij heeft een spoor van vernieling achtergelaten. Hij heeft niet alleen materiële schade, maar ook emotionele schade aangericht. Daarnaast heeft verdachte al een fors strafblad en liep hij in een proeftijd voor een woninginbraak. De officier van justitie neemt bij zijn strafeis ook mee dat verdachte inmiddels geschorst is en met een behandeling is begonnen.

Gelet op al het voorgaande vordert de officier van justitie dat verdachte wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf van 300 dagen, waarvan 173 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren. Aan het voorwaardelijke gedeelte van de straf moeten volgens de officier van justitie de bijzondere voorwaarden worden gekoppeld die de reclassering heeft geadviseerd.

De officier van justitie heeft daarnaast verzocht om de vordering tenuitvoerlegging af te wijzen, om het behandeltraject van verdachte niet te doorkruisen.

8.2

Het standpunt van de advocaat

De advocaat van verdachte heeft de rechtbank verzocht om geen langere onvoorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen dan de tijd die verdachte al in voorarrest heeft doorgebracht. Verdachte is begonnen met een behandeling en is daar gemotiveerd voor. De advocaat vindt de eis van de officier van justitie te fors en verzoekt de rechtbank dan ook om een lagere straf op te leggen.

De advocaat heeft verzocht om de vordering tenuitvoerlegging af te wijzen om dezelfde reden als de officier van justitie.

8.3

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank heeft goed nagedacht over de vraag welke straf en/of maatregel in de zaak van verdachte passend zou zijn. De rechtbank heeft daarbij rekening gehouden met de ernst van de strafbare feiten, de omstandigheden waaronder verdachte die feiten heeft gepleegd en de persoonlijke omstandigheden van verdachte. De rechtbank heeft ook gekeken naar straffen die in vergelijkbare zaken worden opgelegd.

De rechtbank legt aan verdachte een gevangenisstraf voor de duur van 300 dagen op, waarvan 173 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren. Aan het voorwaardelijke gedeelte van de straf verbindt de rechtbank voorwaarden. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij deze straf heeft bepaald.

8.3.1

De ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder de feiten zijn gepleegd

Verdachte heeft zich in een periode van één maand schuldig gemaakt aan zeven vermogensdelicten. Het gedrag van verdachte heeft veel schade veroorzaakt voor de slachtoffers. Verdachte heeft enkel gedacht aan zijn eigen verlangen naar geld om drugs te kunnen kopen en niet aan de gevolgen voor de slachtoffers. Daarnaast zorgen feiten als deze ook voor onrust en een gevoel van onveiligheid in de samenleving. De rechtbank neemt dat verdachte kwalijk.

8.3.2

De persoonlijke omstandigheden van verdachte

Strafblad

Uit de justitiële documentatie (het ‘strafblad’) van verdachte blijkt dat hij al eerder bij de strafrechter is geweest. Hij is in de afgelopen vijf jaar meerdere keren veroordeeld voor vermogensdelicten. Dat werkt in het nadeel van verdachte.

Adviezen van deskundigen

Verdachte heeft een gesprek gevoerd met de heer P.E. Booij van Tactus Verslavingszorg. Tactus schat de kans dat verdachte opnieuw strafbare feiten zal plegen in als groot. Er is sprake van problematiek op meerdere leefgebieden. Met name zijn middelengebruik (harddrugsverslaving), de verstandelijke vermogens van verdachte, zijn financiële situatie en zijn sociale netwerk zijn risicofactoren voor delictgedrag.

Verdachte is in het kader van de schorsing van zijn voorlopige hechtenis al opgenomen bij Novadic Kentron in [vestigingsplaats] . Tactus vindt het belangrijk dat verdachte ook na een veroordeling opgenomen zal blijven bij Novadic Kentron en dus zijn reeds aangevangen behandeling kan voortzetten. Tactus vindt daarnaast dat de volgende bijzondere voorwaarden zouden moeten worden opgelegd bij een (deels) voorwaardelijke straf:

  • -

    een meldplicht bij de reclassering;

  • -

    opname in een zorginstelling voor de duur van een jaar of zoveel korter als de reclassering nodig vindt;

  • -

    ambulante behandeling gedurende de gehele proeftijd van verdachte of zoveel korter als de reclassering nodig vindt, met de mogelijkheid van een kortdurende klinische opname indien dit noodzakelijk wordt geacht (bijvoorbeeld bij een terugval in middelengebruik);

  • -

    begeleid wonen of maatschappelijke opvang gedurende de gehele proeftijd of zoveel korter als de reclassering nodig vindt;

  • -

    het houden aan de aanwijzingen van de reclassering.

8.3.3

Conclusie

Het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht heeft oriëntatiepunten opgesteld die het uitgangspunt kunnen zijn bij het bepalen van een straf. Het uitgangspunt voor het plegen van een bedrijfsinbraak indien iemand al eerder voor eenzelfde soort feit is veroordeeld is een gevangenisstraf van tien weken. De rechtbank houdt daar rekening mee. De rechtbank vindt het daarnaast belangrijk dat verdachte hulp krijgt bij zijn verslavingsproblematiek. De rechtbank zal daarom de hiervoor genoemde deels voorwaardelijke straf met de geadviseerde bijzondere voorwaarden opleggen, zoals hierna onder rubriek 13 omschreven.

9 BESLAG

Onder verdachte zijn onder andere twee kledingstukken in beslag genomen.

De kledingstukken mogen van de officier van justitie worden teruggegeven aan verdachte.

De advocaat van verdachte heeft verzocht om de teruggave van de kledingstukken te gelasten.

De rechtbank zal, gelet op de standpunten van de officier van justitie en de advocaat, gelasten dat de kledingstukken worden teruggegeven aan verdachte.

10 BENADEELDE PARTIJ

10.1

Stichting [stichting] (16-215769-19; feit 4)

Stichting [stichting] heeft als benadeelde partij een vordering ingediend tot vergoeding van de schade die zij heeft geleden als gevolg van de inbraak . Zij vordert een bedrag van € 551,48. Dat bedrag bestaat uit het geld dat in de gestolen kassalade heeft gezeten (€ 100), de reparatiekosten voor de garagedeur (€ 354,69) en de kosten voor de aanschaf van een nieuwe kassalade (€ 96,79).

De officier van justitie heeft gevraagd om de vordering toe te wijzen.

De advocaat van verdachte heeft verzocht om de vordering deels toe te wijzen. Zij vindt dat Stichting [stichting] onvoldoende heeft aangetoond dat er € 100,- cash geld in de kassalade zat. Zij heeft verzocht om dat bedrag te matigen naar € 25,-.

De rechtbank wijst de vordering van de benadeelde partij toe. De rechtbank vindt dat Stichting [stichting] de kosten voldoende heeft onderbouwd. Met betrekking tot de reparatiekosten van de garagedeur en de aanschaf van een nieuwe kassalade heeft Stichting [stichting] facturen overgelegd. Voor wat betreft het geld dat in de kassalade zat, geldt dat Stichting [stichting] al bij de aangifte heeft aangegeven dat dit een bedrag van € 100,- betrof. De rechtbank heeft geen reden om aan die stelling te twijfelen. Door verdachte is ook niet gesteld welk bedrag er dan wel in de kassalade zou hebben gezeten, terwijl dit wel op zijn weg had gelegen.

Het toegewezen bedrag zal worden verhoogd met de wettelijke rente vanaf de dag van de inbraak, 25 augustus 2019.

Aan verdachte wordt de schadevergoedingsmaatregel opgelegd. Als verdachte het bedrag niet betaalt, kan hij maximaal elf dagen gegijzeld worden. Daarbij geldt dat toepassing van de gijzeling de betalingsverplichting niet opheft.

Als de in het ongelijk gestelde partij, zal de rechtbank de verdachte veroordelen tot vergoeding van de door de benadeelde partij gemaakte proceskosten. Deze kosten worden tot op dit moment begroot op nihil.

10.2

[benadeelde 2] (16-189669-19; feit 1)

[benadeelde 2] heeft als benadeelde partij een vordering ingediend tot vergoeding van de schade die hij heeft geleden als gevolg van de inbraak bij fietsenwinkel Rijwielherstelbedrijf, waarvan de heer [benadeelde 2] de eigenaar is. Hij vordert een bedrag van € 1.375,-. Dat bedrag bestaat uit de reparatiekosten van het schuifdeursysteem (€ 700), de kosten voor het laten maken van nieuwe fietssleutels die in de kassa lagen (€ 175) en de kosten voor de aanschaf van een nieuwe kassa (€ 500).

De officier van justitie heeft gevraagd om de vordering niet-ontvankelijk te verklaren, omdat de vordering onvoldoende onderbouwd is.

De advocaat van verdachte heeft ook verzocht om de vordering niet-ontvankelijk te verklaren.

De rechtbank wijst de vordering deels toe. Daarbij stelt de rechtbank voorop dat de omvang van de door de heer [benadeelde 2] geleden schade niet door hem bewezen hoeft te worden. Voor toewijzing van een vordering tot schadevergoeding is voldoende dat feiten worden gesteld en komen vast te staan waaruit in het algemeen het geleden zijn van schade kan worden afgeleid. In dat geval staat het de rechter vrij om zonder nader bewijs aannemelijk te achten dat schade is geleden en de omvang hiervan vervolgens te schatten (zie o.a. HR 28 juni 1991, NJ 1991, 746).

Voldoende is komen vast te staan dat voldaan is aan de voorwaarden voor het bestaan van schade. De rechtbank acht immers wettig en overtuigend bewezen dat verdachte de schuifdeuren van de fietsenwinkel van de heer [benadeelde 2] heeft beschadigd en geforceerd, waarna hij een kassa met kassalade toebehorende aan de heer [benadeelde 2] heeft weggenomen. Niet relevant is of de heer [benadeelde 2] verzekerd is voor de door verdachte veroorzaakte schade, zoals door de raadsvrouw ter zitting werd geïmpliceerd. Het is op grond van artikel 6:162 BW aan verdachte als de pleger van de onrechtmatige daad om de door hem veroorzaakte schade te vergoeden. Het staat de benadeelde partij vrij om voor vergoeding van die schade aan te kloppen bij verdachte dan wel bij zijn verzekeraar.

Nu de heer [benadeelde 2] geen facturen of andere schriftelijke bewijsstukken heeft overgelegd waaruit de omvang van de schade blijkt, zal de rechtbank de schade begroten conform artikel 6:97 BW. De rechtbank begroot de schade op een bedrag van € 500,-. Zij is er zonder nader schriftelijk bewijs niet van overtuigd dat de reparatiekosten van de schuifdeur en de vervangingskosten van de kassa zo hoog zijn als door de heer [benadeelde 2] is gesteld. De rechtbank zal de heer [benadeelde 2] in de rest van de vordering niet-ontvankelijk verklaren. De heer [benadeelde 2] kan de burgerlijke rechter nog wel verzoeken om vergoeding van dit resterende deel van zijn vordering, voor zover mocht blijken dat de daadwerkelijk gemaakte herstelkosten hoger uitvallen dan het thans door de rechtbank toegewezen bedrag.

Het toegewezen bedrag zal worden verhoogd met de wettelijke rente vanaf de dag van de inbraak, 5 augustus 2019.

Aan verdachte wordt de schadevergoedingsmaatregel opgelegd. Als verdachte het bedrag niet betaalt, kan hij maximaal tien dagen gegijzeld worden. Daarbij geldt dat toepassing van de gijzeling de betalingsverplichting niet opheft.

Als de overwegend in het ongelijk gestelde partij, zal de rechtbank de verdachte veroordelen tot vergoeding van de door de benadeelde partij gemaakte proceskosten. Deze kosten worden tot op dit moment begroot op nihil.

11 VORDERING TENUITVOERLEGGING

Bij vonnis van de politierechter van de rechtbank Midden-Nederland van 26 maart 2018 (parketnummer 16-007591-18) is aan verdachte onder andere een voorwaardelijke gevangenisstraf van één maand opgelegd met een proeftijd van twee jaren. Verdachte heeft zich binnen de proeftijd opnieuw schuldig gemaakt aan strafbare feiten. Toch zal de rechtbank de voorwaardelijke straf nu niet ten uitvoer laten leggen, aangezien verdachte momenteel opgenomen is in een instelling. De rechtbank vindt het niet wenselijk als die opname wordt onderbroken door een gevangenisstraf en ook niet dat verdachte na de opname nog naar de gevangenis moet. Wel zal de rechtbank de proeftijd verlengen met één jaar. Dat betekent dat de voorwaardelijke gevangenisstraf van een maand alsnog kan worden opgelegd indien verdachte in de (verlengde) proeftijd opnieuw in de fout gaat en een strafbaar feit pleegt.

12 TOEPASSELIJKE WETTELIJKE VOORSCHRIFTEN

De beslissing berust op de artikel 14a, 14b, 14c, 36f, 57, 60a, 63, 311 en 416 van het Wetboek van Strafrecht, zoals de artikelen luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

13 BESLISSING

De rechtbank:

Bewezenverklaring

  • -

    verklaart het onder parketnummer 16-215769-19 onder de feiten 1, 2, 3, 4 en 5 ten laste gelegde en onder parketnummer 16-189669-19 onder de feiten 1 en 2 ten laste gelegde bewezen zoals hiervoor in rubriek 5 is vermeld;

  • -

    verklaart het meer of anders ten laste gelegde niet bewezen en spreekt verdachte daarvan vrij;

Strafbaarheid

  • -

    verklaart het bewezenverklaarde strafbaar en kwalificeert dit zoals hiervoor in rubriek 6 is vermeld;

  • -

    verklaart verdachte strafbaar;

Oplegging straf

  • -

    veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 300 dagen;

  • -

    bepaalt dat de tijd door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht op de tenuitvoerlegging van de gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht;

  • -

    bepaalt dat een gedeelte van 173 dagen van de gevangenisstraf niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders gelast op grond van het feit dat veroordeelde de hierna te melden algemene of bijzondere voorwaarden niet heeft nageleefd;

  • -

    stelt daarbij een proeftijd van twee jaren vast;

  • -

    als voorwaarden gelden dat veroordeelde:

o zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;

o ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking verleent aan het nemen van één of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt;

o medewerking verleent aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 14 c van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken daaronder begrepen.

- stelt als bijzondere voorwaarden dat verdachte gedurende de proeftijd:

o zich meldt bij de reclassering van Novadic Kentron op het adres Rompertsebaan 12, 5231 GS te Den Bosch en zich blijft melden op afspraken met de reclassering, zo vaak en zolang de reclassering dat nodig vindt. Veroordeelde dient zich te houden aan de aanwijzingen en voorschriften van de reclassering;

o zich laat opnemen in de kliniek van Novadic Kentron te Vught of een soortgelijke zorginstelling, te bepalen door de justitiële instantie die verantwoordelijk is voor plaatsing. De opname is reeds gestart per 7 januari 2020. De opname duurt een jaar of zoveel korter als de reclassering nodig vindt. Veroordeelde houdt zich aan de huisregels en de aanwijzingen die de zorginstelling geeft voor de behandeling. Het innemen van medicijnen kan onderdeel zijn van de behandeling. Als de reclassering een overgang naar ambulante zorg, begeleid wonen of maatschappelijke opvang gewenst vindt, werkt veroordeelde mee aan de indicatiestelling en plaatsing;

o zich laat behandelen door een nader te bepalen forensische polikliniek of een soortgelijke zorgverlener, te bepalen door de reclassering. De behandeling duurt de gehele proeftijd of zoveel korter als de reclassering nodig vindt. Veroordeelde houdt zich aan de huisregels en de aanwijzingen die de zorgverlener geeft voor de behandeling. Het innemen van medicijnen kan onderdeel zijn van de behandeling. Een kortdurende klinische opname van maximaal zeven weken kan onderdeel zijn van de behandeling;

o verblijft in een nader te bepalen instelling voor beschermd wonen of maatschappelijke opvang, te bepalen door de reclassering. Het verblijf start na het klinische traject. Het verblijf duurt de gehele proeftijd of zoveel korter als de reclassering nodig vindt. Veroordeelde houdt zich aan de huisregels en het dagprogramma dat de instelling in overleg met de reclassering voor hem heeft opgesteld;

waarbij Novadic Kentron opdracht wordt gegeven toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden;

Beslag

- gelast de teruggave aan verdachte van de volgende voorwerpen:

o een kledingstuk, kleur zwart, merk Wap;

o een vest, kleur zwart.

Benadeelde partij Stichting [stichting]

  • -

    wijst de vordering van Stichting [stichting] geheel toe tot een bedrag van € 551,48;

  • -

    veroordeelt verdachte tot betaling aan Stichting [stichting] van het toegewezen bedrag, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 25 augustus 2019 tot de dag van volledige betaling;

  • -

    veroordeelt verdachte ook in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil;

  • -

    legt verdachte de verplichting op ten behoeve van Stichting [stichting] aan de Staat € 551,48 te betalen, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 25 augustus 2019 tot de dag van volledige betaling, bij niet betaling aan te vullen met 11 dag gijzeling;

  • -

    bepaalt dat verdachte van zijn verplichting tot het vergoeden van schade is bevrijd als hij op een van de hiervoor beschreven manieren de schade aan de benadeelde dan wel aan de Staat heeft vergoed;

Benadeelde partij [benadeelde 2]

  • -

    wijst de vordering van [benadeelde 2] toe tot een bedrag van € 500,-;

  • -

    veroordeelt verdachte tot betaling aan [benadeelde 2] van het toegewezen bedrag, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 5 augustus 2019 tot de dag van volledige betaling;

  • -

    verklaart de benadeelde partij in het resterende gedeelte van de vordering niet-ontvankelijk en bepaalt dat hij zijn vordering voor dat gedeelte bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen;

  • -

    veroordeelt verdachte ook in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil;

  • -

    legt verdachte de verplichting op ten behoeve van [benadeelde 2] aan de Staat € 500,- te betalen, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 5 augustus 2019 tot de dag van volledige betaling, bij niet betaling aan te vullen met 10 dagen gijzeling;

  • -

    bepaalt dat verdachte van zijn verplichting tot het vergoeden van schade is bevrijd als hij op een van de hiervoor beschreven manieren de schade aan de benadeelde dan wel aan de Staat heeft vergoed;

Vordering tenuitvoerlegging met parketnummer 16-007591-18

- verlengt de proeftijd voor de duur van één jaar;

Voorlopige hechtenis

- heft op het (geschorste) bevel tot voorlopige hechtenis.

Dit vonnis is gewezen door mr. H.J. ter Meulen, voorzitter, mrs. L.E. Verschoor-Bergsma en E.W.A. Vonk, rechters, in tegenwoordigheid van mr. F. Verkuijlen, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van 24 maart 2020.

De griffier is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.

Bijlage: de tenlastelegging

Aan verdachte wordt ten laste gelegd dat:

16-215769-19

  1. hij op of omstreeks 6 september 2019 te Utrecht, althans in het arrondissement Midden-Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, een kassalade en/of geld en/of een of meer horloge(s), althans enig geldbedrag, in elk geval enig goed, dat geheel of ten dele aan een ander toebehoorde, te weten aan kapsalon [kapsalon] , heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl verdachte en/of zijn mededader(s) zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft/hebben verschaft en/of dat/die weg te nemen goed/goederen onder zijn bereik heeft/hebben gebracht door middel van braak, verbreking en/of inklimming;

  2. hij op of omstreeks 6 september 2019 te Utrecht, althans in het arrondissement Midden-Nederland, een scooter (met kenteken [kenteken] ) heeft verworven, voorhanden gehad, en/of overgedragen, terwijl hij/zij ten tijde van de verwerving of het voorhanden krijgen van dit goed wist dat het een door misdrijf verkregen goed betrof;

  3. hij op of omstreeks 28 augustus 2019 te Utrecht, althans in het arrondissement Midden-Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, een collectebus en/of (daarin) ongeveer € 300,00, althans enig geldbedrag, in elk geval enig goed, dat geheel of ten dele aan een ander toebehoorde, te weten aan [supermarkt] , heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl verdachte en/of zijn mededader(s) zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft/hebben verschaft en/of dat/die weg te nemen goed/goederen onder zijn bereik heeft/hebben gebracht door middel van braak, verbreking en/of inklimming;

  4. hij in of omstreeks de periode van 25 augustus 2019 tot en met 27 augustus 2019 te Utrecht, althans in het arrondissement Midden-Nederland, een kassalade en/of geld, in elk geval enig goed, dat geheel of ten dele aan een ander toebehoorde, te weten aan Stichting [stichting] , heeft weggenomen uit een winkelpand (gelegen aan de [adres] ) met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl verdachte zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft en/of dat/die weg te nemen goed/goederen onder zijn bereik heeft gebracht door middel van braak, verbreking en/of inklimming;

  5. hij op of omstreeks 10 augustus 2019 te Utrecht, althans in het arrondissement Midden-Nederland, een scooter (met kenteken [kenteken] ), in elk geval enig goed, dat geheel of ten dele aan een ander toebehoorde, te weten aan [benadeelde 1] , heeft weggenomen, met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl verdachte zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft en/of dat/die weg te nemen goed/goederen onder zijn/haar bereik heeft gebracht door middel van braak, verbreking en/of inklimming;

16-189669-19

  1. hij op of omstreeks 5 augustus 2019 te Utrecht tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, een kassa en/of kassalade, in elk geval enig goed, dat geheel of ten dele aan een ander dan aan verdachte en/of zijn mededader(s) toebehoorde, te weten aan [benadeelde 2] , heeft weggenomen (uit een fietsenwinkel) met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl verdachte en/of zijn mededader(s) zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft/hebben verschaft en/of die weg te nemen kassa en/of kassalade onder zijn/haar/hun bereik heeft/hebben gebracht door middel van braak en/of verbreking;

  2. hij op of omstreeks 5 augustus 2019 te Utrecht, een goed, te weten een scooter/bromfiets (La Souris) heeft verworven, voorhanden gehad, en/of overgedragen, terwijl hij ten tijde van de verwerving of het voorhanden krijgen van dit goed wist, althans redelijkerwijs had moeten vermoeden dat het een door misdrijf verkregen goed betrof.

1 Wanneer hierna wordt verwezen naar paginanummers zijn dit pagina’s van op ambtseed of ambtsbelofte opgemaakte processen-verbaal. Deze processen-verbaal zijn als bijlagen opgenomen bij het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal van 11 september 2019, genummerd PL0900-2019269786 Z, opgemaakt door politie Eenheid Midden-Nederland, doorgenummerd 1 tot en met 141. Tenzij anders vermeld, zijn dit processen-verbaal in de wettelijke vorm opgemaakt door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren.

2 Proces-verbaal van aangifte van 6 september 2019, opgemaakt door [verbalisant 1] , p. 48-50.

3 Proces-verbaal van bevindingen van 7 september 2019, opgemaakt door [verbalisant 9] , p. 65-68.

4 Proces-verbaal ter terechtzitting van 10 maart 2020.

5 Proces-verbaal van bevindingen van 11 september 2019, opgemaakt door [verbalisant 1] , p. 72.

6 Proces-verbaal van bevindingen van 11 september 2019, opgemaakt door [verbalisant 2] , p. 81.

7 Proces-verbaal van aangifte van 6 september 2019, opgemaakt door [verbalisant 10] , p. 77-80.

8 Proces-verbaal van verhoor verdachte van 10 september 2019, opgemaakt door [verbalisant 11] en [verbalisant 12] , p. 113-120.

9 Proces-verbaal van aangifte van 28 augustus 2019, opgemaakt door [verbalisant 1] , p. 83-85.

10 Proces-verbaal van bevindingen van 9 september 2019, opgemaakt door [verbalisant 3] , p. 86.

11 Proces-verbaal ter terechtzitting van 10 maart 2020.

12 Proces-verbaal van aangifte van 27 augustus 2019, opgemaakt door [verbalisant 13] , p. 101-103.

13 Proces-verbaal van bevindingen van 9 september 2019, opgemaakt door [verbalisant 14] , p. 104-106.

14 Proces-verbaal ter terechtzitting van 10 maart 2020.

15 Afschrift van aangifte van 11 augustus 2019, opgemaakt door [verbalisant 15] , p. 27-29.

16 Proces-verbaal van bevindingen van 9 september 2019, opgemaakt door [verbalisant 16] , p. 32-37.

17 Proces-verbaal ter terechtzitting van 10 maart 2020.

18 Wanneer hierna wordt verwezen naar paginanummers zijn dit pagina’s van op ambtseed of ambtsbelofte opgemaakte processen-verbaal. Deze processen-verbaal zijn als bijlagen opgenomen bij het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal van 6 november 2019, genummerd PL0900-2019236846 Z, opgemaakt door politie Eenheid Midden-Nederland, doorgenummerd 1 tot en met 70. Tenzij anders vermeld, zijn dit processen-verbaal in de wettelijke vorm opgemaakt door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren.

19 Proces-verbaal van aangifte van 5 augustus 2019, opgemaakt door [verbalisant 17] , p. 4-5.

20 Proces-verbaal van verhoor getuige van 5 augustus 2019, opgemaakt door [verbalisant 18] , p. 6-7.

21 Proces-verbaal van bevindingen van 5 augustus 2019, opgemaakt door [verbalisant 4] , p. 13-14.

22 Proces-verbaal van bevindingen van 5 augustus 2019, opgemaakt door [verbalisant 5] , p. 15-17.

23 Proces-verbaal van bevindingen van 5 augustus 2019, opgemaakt door [verbalisant 8] en N. Wiendels, p. 20-21.

24 Proces-verbaal van bevindingen van 7 augustus 2019, opgemaakt [verbalisant 6] , p. 25.

25 Proces-verbaal van bevindingen van 19 augustus 2019, opgemaakt door [verbalisant 7] , p. 38-40.

26 Proces-verbaal van bevindingen van 5 augustus 2019, opgemaakt door [verbalisant 5] , p. 15-17.

27 Proces-verbaal ter terechtzitting van 10 maart 2020.