Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2020:1078

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
23-03-2020
Datum publicatie
24-03-2020
Zaaknummer
16/212603-19, 16/304292-19 en 16/055599-20 (gev. ttz) + 99-000906-44 (herroeping VI) (P)
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Meerdere woninginbraken in korte tijd gedurende de zomerperiode in villawijken waarbij verdachte met name sieraden en juwelen van aanzienlijke waarde heeft weggenomen.

Gebruik van schakelbewijs.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Strafrecht

Zittingsplaats Utrecht

Parketnummers: 16/212603-19, 16/304292-19 en 16/055599-20 (gev. ttz) + 99-000906-44 (herroeping VI) (P)

Vonnis van de meervoudige kamer van 23 maart 2020

in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren op [1974] te [geboorteplaats] ,

wonende te [woonplaats] ,
thans gedetineerd in de PI Lelystad te Lelystad.

1 ONDERZOEK TER TERECHTZITTING

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 9 maart 2020.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering en standpunten van officier van justitie mr. T. Tanghe en van hetgeen verdachte en zijn raadsvrouw mr. M.R.F. van Raab van Canstein, advocaat te Amsterdam, alsmede de benadeelde partij [benadeelde 1] naar voren hebben gebracht.

2 TENLASTELEGGING

De tenlastelegging is op de zitting van 9 maart 2020 gewijzigd. De gewijzigde tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht.

De verdenking komt, kort en feitelijk weergegeven, neer op het volgende:

Parketnummer 16/212603-19

Feit 1: Primair, diefstal van een Gazelle herenfiets op 4 augustus 2019 te [woonplaats] ;

Subsidiair, heling van een Gazelle herenfiets op 8 augustus 2019 te [woonplaats] ;

Feit 10: Primair, diefstal uit een woning aan de [adres] te [woonplaats] op 15 juli 2019 met braak;

Subsidiair, poging diefstal uit een woning aan de [adres] te [woonplaats] op 15 juli 2019 met braak;

Feit 12: Primair, diefstal uit een woning aan de [adres] te [woonplaats] op 18 juli 2019 met braak;

Subsidiair, poging diefstal uit een woning aan de [adres] te [woonplaats] op 18 juli 2019 met braak;

Parketnummer 16/304292-19

Feit 1: diefstal uit een woning aan de [adres] te [woonplaats] op 10 juli 2019 met braak;

Feit 3: diefstal uit een woning aan de [adres] te [woonplaats] op 8 juli 2019 met braak;

Feit 4: diefstal uit een woning aan de [adres] te [woonplaats] op 10 juli 2019 met braak;

Feit 5: diefstal uit een woning aan de [adres] te [woonplaats] op 12 juli 2019 met braak;

Feit 6: diefstal uit een woning aan de [adres] te [woonplaats] , gemeente Woensdrecht in de periode tussen 11 juli 2019 tot en met 14 juli 2019 met braak;

Feit 7: poging diefstal uit een woning aan de [adres] te [woonplaats] , gemeente Woensdrecht op 13 juli 2019 met braak;

Feit 8: poging diefstal uit een woning aan de [adres] te [woonplaats] , gemeente Woensdrecht op 13 juli 2019 met braak;

Feit 9: diefstal uit een woning aan de [adres] te [woonplaats] op 13 juli 2019 met braak;

Feit 10: diefstal uit een woning aan de [adres] te [woonplaats] op 14 juli 2019 met braak;

Feit 11: poging diefstal uit een woning aan de [adres] te [woonplaats] op 15 juli 2019 met braak;

Feit 13: poging diefstal uit een woning te [woonplaats] op 30 juli 2019 met braak;

Feit 14: diefstal uit een woning aan de [adres] te [woonplaats] in de periode tussen 14 augustus 2019 tot en met 16 augustus 2019 met braak;

Feit 15: Primair, witwassen van een boot, personenauto en geldbedragen in de periode van 8 juli 2019 tot en met 3 september 2019;

Subsidiair, schuldwitwassen van een boot, personenauto en geldbedragen in de periode van 8 juli 2019 tot en met 3 september 2019;

Parketnummer 16/055599-20

Diefstal uit een woning aan de [adres] te [woonplaats] op 18 juni 2019 met braak.

3 VOORVRAGEN

De dagvaarding is geldig, de rechtbank is bevoegd tot kennisneming van het ten laste gelegde, de officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging van verdachte en er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging.

4 WAARDERING VAN HET BEWIJS

4.1

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht alle ten laste gelegde feiten, behoudens feit 14 (van de dagvaarding met parketnummer 16/304292-19), wettig en overtuigend te bewijzen. Voor feit 14 heeft de officier van justitie vrijspraak gevorderd.

4.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw van verdachte heeft overeenkomstig haar ter terechtzitting overgelegde pleitnota vrijspraak bepleit van alle ten laste gelegde feiten. De raadsvrouw heeft daartoe kort gezegd aangevoerd dat sprake is van onvoldoende bewijs. De door de verdediging gevoerde (overige) verweren worden hierna, voor zover relevant voor de beoordeling, (per feit) besproken.

4.3

Het oordeel van de rechtbank

Algemeen 1

De rechtbank zal de feiten hierna omwille van de begrijpelijkheid in een andere volgorde behandelen dan in de dagvaardingen vermeld. De na te noemen bewijsmiddelen – in onderling verband en samenhang beschouwd – acht de rechtbank redengevend voor alle feiten.

Voordat de rechtbank de specifiek ten laste gelegde feiten bespreekt, zal zij eerst ingaan op de bevindingen in het dossier met betrekking tot de Toyota Aygo met kenteken [kenteken] .

Op 19 juli 2019 doet de bewoner van de [adres] te [woonplaats] aangifte van woninginbraak, gepleegd op 18 juli 2019. In de ouderlijke slaapkamer werd een autosleutel aangetroffen met daaraan een label Toyota Aygo, kenteken [kenteken] , [autoverhuurbedrijf] . De bewoner verklaarde dat deze sleutel niet van hem was.2 De politie treft de auto op 18 juli 2019 aan op de Oud Bussumerweg te Huizen bij de bosrand. Vanuit dit bos lopen verschillende voetpaden die uitkomen in de buurt van de Sparrenlaan. De afstand tussen deze locaties is ongeveer één kilometer.3 Uit informatie van [autoverhuurbedrijf] B.V. blijkt dat de auto over de periode van 8 juli tot en met 21 juli 2019 gehuurd is op naam van [getuige 1] , geboren op [1997] te [geboorteplaats] en wonende te [adres] in [woonplaats] .4 Uit de gemeentelijke basisadministratie blijkt dat [getuige 1] de dochter is van verdachte.5 De dochter verklaart op 5 september 2019 de auto te hebben gehuurd, maar niet meer te weten voor hoe lang. Zij wil niet verklaren waar en met wie zij met de auto is geweest. Zij had pas door dat de auto weg was toen zij gebeld was door [autoverhuurbedrijf] .6 Verdachte verklaart dat hij zijn dochters een keer per week ziet.7 Uit de track en trace gegevens van de Toyota blijkt dat de auto op 9 juli, 10 juli, 11 juli, 12 juli, 13 juli, 14 juli, 16 juli en 17 juli 2019 gedurende de nacht stil staat op het adres [adres] te [woonplaats] . Dit betreft het adres van jachthaven [jachthaven] . Op deze locatie ligt de boot van verdachte waarop hij in de periode van juni/juli 2019 tot aan zijn aanhouding regelmatig verbleef en waar hij dan ook op sliep.8 De track en trace gegevens van de Toyota zijn vergeleken met de bankgegevens van verdachte. Hieruit bleek dat de bankpas op naam van verdachte, die was aangetroffen tijdens de doorzoeking op de boot waar verdachte ook was aangehouden, in de periode van 8 juli tot en met 18 juli 2019 meerdere malen was gebruikt, terwijl de Toyota zich op dat moment in de nabije omgeving van de transactie bevond.9 Van de bij verdachte inbeslaggenomen mobiele telefoons zijn de historische verkeersgegevens opgevraagd. Hieruit volgt dat een of meer van deze telefoons zich op 8 juli, 10 juli, 12 juli, 13 juli en 14 juli 2019 bevonden in de nabijheid van verschillende locaties in Nederland waar ook de Toyota zich volgens de track en trace gegevens op dat moment bevond.10

Op grond van deze feiten en omstandigheden in onderling verband en samenhang bezien, is naar het oordeel van de rechtbank komen vast te staan dat verdachte, gedurende de periode dat de Toyota is gehuurd, totdat de autosleutel werd aangetroffen in een woning in Huizen, de gebruiker van deze Toyota was.

Het verweer van verdachte dat niet hij, maar mogelijk zijn dochter en haar vriendinnen in de Toyota hebben gereden, wordt weerlegd door de hiervoor vermelde bewijsmiddelen. Bovendien heeft verdachte dit verweer niet concreet en verifieerbaar gemaakt.

De rechtbank zal met inachtneming van de conclusie dat verdachte de gebruiker is van de Toyota overgaan tot bespreking van de ten laste gelegde feiten.

Ten aanzien van feit 10 (parketnummer 16/212603-19)

Proces-verbaal aangifte van [aangever 1]

Toen ik op 28 juli 2019 thuiskwam van vakantie zag ik dat er ingebroken was in mijn woning aan de [adres] te [woonplaats] . Op de eerste verdieping was een raam opengebroken. Toen ik in mijn tuin ging kijken zag ik een ladder in mijn tuin liggen die niet van mij is.11

Proces-verbaal van bevindingen

De bewoonster van de woning aan de [adres] te [woonplaats] vertelde mij, verbalisant, dat zij kon zien dat er in de lades en kasten gesnuffeld was. Van de bewoonster kreeg ik de bewakingsbeelden van de woning. Op de beelden is te zien dat de inbraak is gepleegd op 15 juli 2019 rond 16.00 uur. Op de beelden is een manspersoon te zien: licht getinte huidskleur, tenger postuur, ingevallen jukbenen, ongeveer 1.80 meter lang en rond de 35 jaar oud. De man droeg donkere kleding, een donker kleurige cap en een zwarte rugzak. Op de beelden is te zien dat hij zijn cap even af deed en dat hij een kaal hoofd heeft.12

Proces-verbaal van bevindingen

Op de beelden van de camera voorzijde zag ik om 15.53.33 uur een persoon het terrein behorende bij de [adres] op komen lopen. Tot 15.56 uur zag ik deze persoon op het terrein lopen waarna bij uit het zicht liep. Ik zag dat de man vervolgens een paar handschoenen aan trok. Ik zag dat de man via het raam omhoog klom naar op aldaar gevestigde aanbouw. Eenmaal op de aanbouw, zag ik de man via het raam op 1ste etage naar binnen kijken.13

Proces-verbaal herkenning persoon door opsporingsambtenaar

Ik, verbalisant, bekeek de afbeeldingen van een poging woninginbraak op de [adres] te [woonplaats] . De persoon op de afbeeldingen herken ik als [verdachte] , geboren op [1974] . Ik ken de bovengenoemde persoon ambtshalve. Ik herken hem aan zijn opvallende jukbeenderen, lengte, postuur, gezicht, kale hoofd, kleding en houding. Ik herken [verdachte] omdat ik meerdere zaken tegen deze man heb gedraaid en diverse observaties heb gedaan waar ik hem vaak heb gezien.14

Proces-verbaal van bevindingen

Op 5 september 2019 werd verdachte door mij, verbalisant, gehoord. In de gang van het arrestantencomplex heb ik opgelet hoe de verdachte liep. Ik herkende verdachte [verdachte] als de man op de camerabeelden die getracht had in te breken in de woning van de [adres] te [woonplaats] . Ik herkende de verdachte niet alleen door zijn manier van lopen maar ook aan de contouren van zijn gezicht.15

Proces-verbaal van bevindingen (track en trace gegevens Toyota)

Uit het overzicht van de track en trace gegevens van de Toyota volgt dat de Toyota op 15 juli 2019 van 15:01 uur tot en met 17:04 uur stil staat op het adres [adres] te [woonplaats] . De Stukkenlaan is een zijstraat van de Flevolaan en is op loopafstand te bereiken.16

Conclusie

Vrijspraak primair ten laste gelegde, bewezenverklaring subsidiair ten laste gelegde

Nu uit de aangifte en het aanvullend proces-verbaal van bevindingen van 30 juli 201917 volgt dat de bewoners geen goederen missen, kan niet bewezen worden dat sprake is geweest van een voltooide diefstal. Verdachte zal daarom van het primair ten laste gelegde (diefstal uit de woning met braak) worden vrijgesproken en voor het subsidiair ten laste gelegde (poging diefstal uit de woning met braak) worden veroordeeld. De rechtbank betrekt daarbij ook hetgeen zij hierna ten aanzien van meerdere feiten zal overwegen over het gebruik van schakelbewijs.

Verweer verdediging

Ter terechtzitting heeft de raadsvrouw aangevoerd dat de herkenningen van de opsporingsambtenaren onbetrouwbaar zijn, omdat zij hun herkenning hebben gedaan op grond van de stills van de camerabeelden en niet op grond van de bewegende beelden. De stills zijn volgens de raadsvrouw van onvoldoende kwaliteit om een herkenning te kunnen doen.

De rechtbank volgt dit verweer niet. De rechtbank is van oordeel dat de stills van de camerabeelden van voldoende kwaliteit zijn om tot een herkenning te kunnen komen. De rechtbank twijfelt niet aan de betrouwbaarheid van de herkenningen. Zij neemt daarbij in aanmerking dat de verbalisanten die verdachte op de beelden hebben herkend juist vanwege hun contacten en ervaringen met hem, tot die herkenning hebben kunnen komen. Bovendien begrijpt de rechtbank – anders dan de raadsvrouw – dat één van de verbalisanten wel de bewegende camerabeelden heeft bekeken, die volgens het proces-verbaal van bevindingen van 28 juli 2019 (dossierpagina 11) door aangeefster op een USB-stick aan de politie zijn overhandigd en in dat proces-verbaal ook worden beschreven.

Uit het voorgaande volgt naar het oordeel van de rechtbank dat wettig en overtuigend bewezen is dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het bij dagvaarding met parketnummer 16/212603-19 onder 10 subsidiair ten laste gelegde, te weten een poging woninginbraak op de [adres] te [woonplaats] .

Ten aanzien van feit 3 (parketnummer 16/304292-19)

Proces-verbaal aangifte van [aangever 2]

Op 8 juli 2019 om 18:30 uur deed [aangever 2] aangifte. Zij verklaarde als volgt. Ik was vanmiddag thuis in mijn woning op de [adres] te [woonplaats] . Mijn woning betreft een vrijstaande woning. Ik zat in de serre aan de achterzijde van mijn woning, grenzend aan de tuin. Opeens zag ik dat er een man via de regenpijp naar beneden klom. De laatste paar meter liet de man los en sprong hij naar beneden. Vervolgens rende hij weg in de richting van mijn oprit. Ik zag dat de man dit alles met veel lenigheid deed. Ik omschrijf de man als volgt: slank en atletisch postuur18, ongeveer 1.70 of 1.75 meter lang, lichte huidskleur, donkere kleding en een donkere baseballcap. Vervolgens heb ik op de eerste etage gekeken. Ik zag dat het slaapkamerraam open stond. Mijn slaapkamer grenst aan de badkamer. In de badkamer zag ik dat één van de lades van de kast half open stond. Ik zag dat er verschillende sieradendoosjes open in de la lagen.19 Er zijn verschillende sieraden weggenomen.20

Proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 2]

Op 8 juli 2019 kwam ik thuis en parkeerde mijn auto voor mijn woning aan de [adres] . Ik zag toen een man uit de tuin van [adres] wegrennen. Ik zag dat de man gekleed was in zwarte kleding en een baseball cap.

Proces-verbaal van bevindingen (track en trace gegevens Toyota)

Op het overzicht van de gevorderde gegevens is te lezen dat de Toyota op 8 juli 2019 tussen 17:02 uur en 17:43 uur zich bevindt op het adres [adres] te [woonplaats] . De afstand tussen beide locaties is volgens de routeplanner 230 meter.21

Proces-verbaal van bevindingen (resultaat analyse zendmast/track en trace)

Van de bij verdachte inbeslaggenomen mobiele telefoons zijn de historische verkeersgegevens opgevraagd.22 Hieruit bleek dat op 8 juli 2019 de historische verkeersgegevens op de zendmasten Den Haag, Rotterdam, Lisse, Heemstede en Aerdenhout worden geregistreerd. De inbraak locatie lag op de aangestraalde route en exact in de tijd van de inbraak heeft er 2 uur lang geen telefoonverkeer plaatsgevonden.23

Conclusie

Uit het voorgaande volgt naar het oordeel van de rechtbank dat wettig en overtuigend bewezen is dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het bij dagvaarding met parketnummer 16/304292-19 onder 3 ten laste gelegde, te weten diefstal uit de woning aan de [adres] te [woonplaats] door inklimming. De rechtbank betrekt daarbij ook hetgeen zij hierna ten aanzien van meerdere feiten zal overwegen over het gebruik van schakelbewijs.

Ten aanzien van feit 4 (parketnummer 16/304292-19)

Proces-verbaal aangifte van [aangever 3]

Ik doe aangifte van diefstal uit mijn woning aan de [adres] te [woonplaats] op 10 juli 2019. Om 10.00 uur heb ik de woning deugdelijk afgesloten verlaten. Om 22.00 uur kwam ik bij de woning en zag ik dat er was ingebroken. Ik zag het raam van de badkamer opengebroken was. Hierna zag ik dat het gouden horloge dat in het badkamerkastje lag, weg was. Ook een gouden hanger was weg.24

Proces-verbaal van bevindingen (track en trace gegevens Toyota)

Uit het overzicht van de gevorderde gegevens volgt dat de Toyota op 10 juli 2019 tussen 17:50 uur en 18:00 uur stil staat op het adres [adres] te [woonplaats] .25

Proces-verbaal van bevindingen (resultaat analyse zendmast/track en trace)

Van de bij verdachte inbeslaggenomen mobiele telefoons zijn de historische verkeersgegevens opgevraagd.26 Hieruit bleek dat op 10 juli 2019 de historische verkeersgegevens geregistreerd worden op de zendmasten van Amsterdam, Schiphol, Sassenheim om vervolgens in Katwijk te arriveren. Van 16.30 uur tot 17.38 uur worden de verkeersgegevens geregistreerd op de zendmasten Zeeweg, Willy Sluiterstraat en de Piersonsstraat in Katwijk.27 Uit dit onderzoek bleken de historische verkeersgegevens van het telefoonnummer [telefoonnummer] in de periode van 10 juli 2019 te 10.22.49 uur tot en met 10 juli 2019 te 18.14.00 uur geregistreerd te zijn op de zendmast W. Sluiterstraat te Katwijk aan Zee en op 10 juli 2019 te 18.14.46 uur op de zendmast [adres] te [woonplaats] .28

Conclusie

Uit bovenvermelde feiten en omstandigheden in onderling verband en samenhang bezien, volgt naar het oordeel van de rechtbank dat wettig en overtuigend bewezen is dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het bij dagvaarding met parketnummer 16/304292-19 onder 4 ten laste gelegde, te weten diefstal uit de woning aan de [adres] te [woonplaats] met braak. De rechtbank betrekt daarbij ook hetgeen zij hierna ten aanzien van meerdere feiten zal overwegen over het gebruik van schakelbewijs.

Ten aanzien van feit 7 (parketnummer 16/304292-19)

Proces-verbaal aangifte [aangever 4]

Ik doe aangifte van een poging inbraak in mijn woning aan de [adres] te [woonplaats] op 13 juli 2019 tussen 15.00 en 16.00 uur. Mijn dochter was aanwezig in de woning en hoorde een klap. Toen bleek dat een ruit van een raam van de woonkamer aan de achterzijde van de woning was ingeslagen.29

Proces-verbaal van bevindingen

Op 13 juli 2019 is aangifte gedaan van poging inbraak woning op de [adres] te [woonplaats] . Eerder deze dag was melding gedaan van een verdachte situatie waarbij het vermoeden was dat er gepoogd werd in te breken in de woning aan de [adres] te [woonplaats] . Omstreeks 15.55 uur reed ik, verbalisant, in een dienstauto en zag ik dat vanuit de doodlopende weg, de Sparrenlaan, een persoon op een mountainbike kwam rijden en snel richting Berkenlaan reed. De fietser was een man tussen de 20-30 jaar, hij had een getint uiterlijk en droeg een baseballpet, donker shirt, zwarte wijde broek tot op de knie en een blauwe rugzak. Van de bewoner van de [adres] kreeg ik een afbeelding van hun bewakingscamera. Ik zag een persoon die door het raam de woning in keek. Ik zag dat de kleding van deze persoon hetzelfde was als de kleding van de fietser. Ik zag dat hij zijn pet af had en dat hij een kalend hoofd had.30

Proces-verbaal van bevindingen (track en trace gegevens Toyota)

Op het overzicht van de gevorderde gegevens is te lezen dat de Toyota op 13 juli 2019 tussen 14.24 uur en 16.32 uur zich bevindt op het [adres] te [woonplaats] . De afstand tussen dit adres en de [adres] is volgens de routeplanner ongeveer één kilometer.31

Conclusie

Uit bovenvermelde feiten en omstandigheden in onderling verband en samenhang bezien, volgt naar het oordeel van de rechtbank dat wettig en overtuigend bewezen is dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het bij dagvaarding met parketnummer 16/304292-19 onder 7 ten laste gelegde, te weten poging diefstal uit de woning aan de [adres] met braak. De rechtbank betrekt daarbij ook hetgeen zij hierna ten aanzien van meerdere feiten zal overwegen over het gebruik van schakelbewijs.

Verweer verdediging

De verdediging heeft zich ter terechtzitting op het standpunt gesteld dat verdachte moet worden vrijgesproken, omdat niets erop wijst dat het hier om een poging tot inbraak gaat. Er is een ruit vernield en alleen dat kan bewezen worden, maar dat is niet ten laste gelegd.

De rechtbank verwerpt dit verweer. Verdachte heeft een ruit van een raam van een woonkamer aan de achterzijde van een woning ingeslagen. Het gaat om een woning waar hij niets te zoeken had. Met de bewoners had hij geen enkele connectie. De rechtbank neemt hierbij in aanmerking de andere inbraken die aan verdachte worden verweten en de bewijsmiddelen die zij ter zake van die feiten in dit vonnis bezigt.

Ten aanzien van feit 9 (parketnummer 16/304292-19)

Proces-verbaal aangifte [aangever 5]

Ik doe aangifte van diefstal uit mijn woning aan de [adres] te [woonplaats] tussen 13 juli 2019 te 12.45 uur en 14 juli 2019 te 00.05 uur. Op 13 juli 2019 te 12.45 uur heb ik de woning deugdelijk afgesloten verlaten. Omstreeks 23.00 uur kwamen mijn man en ik bij de woning. Omstreeks middernacht ging ik naar boven en merkte ik dat er was ingebroken. Ik zag namelijk dat het badkamerraam aan de achterzijde van de woning op de eerste verdieping was opengebroken. Ik zag dat in de slaapkamers kasten waren doorzocht.32 Ik zag dat er in ieder geval sieraden zijn weggenomen.33

Proces-verbaal van bevindingen (track en trace gegevens Toyota)

Op het overzicht van de gevorderde gegevens is te lezen dat de Toyota op 13 juli 2019 tussen 19:44 uur en 20:39 uur stil staat op het adres [adres] te [woonplaats] . De afstand tussen dit adres en de Waterschapslaan is volgens de routeplanner één kilometer.34

Verweer verdediging

De raadsvrouw van verdachte heeft ter terechtzitting aangevoerd dat het aangetroffen bloedspoor als ontlastend dient te aangemerkt voor verdachte. De rechtbank overweegt dat het feit dat een in een kledingkast in de woning op de mouw van een overhemd aangetroffen bloedspoor, zoals de officier van justitie ter terechtzitting heeft toegelicht, niet van verdachte afkomstig blijkt, hieraan niet afdoet nu niet is komen vast te staan dat dit een daderspoor betreft.

Conclusie

Uit bovenvermelde feiten en omstandigheden in onderling verband en samenhang bezien, volgt naar het oordeel van de rechtbank dat wettig en overtuigend bewezen is dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het bij dagvaarding met parketnummer 16/304292-19 onder 9 ten laste gelegde, te weten diefstal uit de woning aan de [adres] te [woonplaats] met braak. De rechtbank betrekt daarbij ook hetgeen zij hierna ten aanzien van meerdere feiten zal overwegen over het gebruik van schakelbewijs.

Ten aanzien van feit 10 (parketnummer 16/304292-19)

Proces-verbaal aangifte van [aangever 6]

Ik doe aangifte van diefstal uit mijn woning aan de [adres] te [woonplaats] op 14 juli 2019. De diefstal vond plaats tussen 12:00 en 21:30 uur. Mijn woning is een vrijstaande villa omgeven door een grasveld en omsloten door hekwerk en bomen. Om 21.30 uur kwam ik thuis. Ik ging naar mijn slaapkamer op de eerste verdieping aan de achterzijde van de woning.35 Ik zag dat één van de openslaande deuren naar het balkon open was en opengebroken was. Vervolgens zag ik op het dressoir dat mijn sieradenkistje open stond. Ik zag dat er een aantal sieraden weg was.36

Proces-verbaal van bevindingen (track en trace gegevens Toyota)

Uit het overzicht van de gevorderde gegevens volgt dat de Toyota zich op 14 juli 2019 om 7:41 uur bevond aan de [adres] te [woonplaats] , om 12:24 uur in Den Haag en om 16:38 uur in Diemen-Oost, waarna deze zich verplaatst naar Naarden. Op 14 juli 2019 tussen 17:27 uur en 18:55 uur staat de Toyota stil op het adres [adres] te [woonplaats] . De afstand tussen dit adres en de [adres] is volgens de routeplanner 2,4 kilometer.37

Proces-verbaal van bevindingen (resultaat analyse zendmast/track en trace)

Van de bij verdachte inbeslaggenomen mobiele telefoons zijn de historische verkeersgegevens opgevraagd.38 Hieruit bleek dat op 14 juli 2019 de historische verkeersgegevens geregistreerd worden op de zendmasten Amsterdam, Den Haag, Zoeterwoude, Amsterdam-Diemen. Om 13:50 uur vond een telefoongesprek plaats waarbij de zendmast te Muiden werd aangestraald. Na dit gesprek vindt er gedurende 2 uur en 20 minuten geen belverkeer plaats.39

Conclusie

Uit bovenvermelde feiten en omstandigheden in onderling verband en samenhang bezien, volgt naar het oordeel van de rechtbank dat wettig en overtuigend bewezen is dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het bij dagvaarding met parketnummer 16/304292-19 onder 10 ten laste gelegde, te weten diefstal uit de woning aan de [adres] te [woonplaats] met braak. De rechtbank betrekt daarbij ook hetgeen zij hierna ten aanzien van meerdere feiten zal overwegen over het gebruik van schakelbewijs.

Ten aanzien van feit 13 (parketnummer 16/304292-19)

Proces-verbaal aangifte [aangever 7]

Ik doe aangifte van poging inbraak. Ik woon aan de [adres] te [woonplaats] . Ik heb een camera hangen gericht op mijn achtergevel. Op 30 juli 2019 omstreeks 14:00 uur hebben wij de woning verlaten en alles in goede staat en slotvast achtergelaten. Omstreeks 17:00 uur kwamen wij terug. Wij zagen in de achtertuin dat de tuintafel kapot was. Ik heb de camerabeelden nagekeken om te kijken wat er gebeurd was. Ik zag op de camerabeelden van de camera die achterin onze tuin hangt dat er om 15:16 uur een man de achtertuin in loopt.40 Ik zag dat het een blanke man was met zeer kort haar of zelfs kaal en dat hij gekleed was in een wit T-shirt, een donkere korte broek, gele handschoenen en een donkere rugtas. Ik zag dat hij via de tuintafel het dak op wilde klimmen. Ik zag dat hij met zijn been door de tafel heen zakte. Ik zag dat hij vervolgens aan de andere kant op de tafel ging staan en zich met beide handen aan mijn dakgoot vastpakte. Ik zag dat hij zich optrok en op mijn dak klom. Ik zag dat hij zijn rugtas afdeed en hier iets uithaalde wat leek op een breekijzer. Ik zag dat hij met dit breekijzer vervolgens mijn raam op de eerste etage probeerde open te breken.41

Proces-verbaal van bevindingen

Op de camerabeelden van de [adres] te [woonplaats] is een man te zien die eruit ziet als volgt: 1.75 m lang, atletisch postuur, kaal, wit T-shirt, korte broek, jas om zijn middel en een rugtas. Ik herken de man op de beelden als [verdachte] , geboren op [1974] . Ik herken hem aan zijn postuur, kale hoofd en zijn loop.42

Proces-verbaal van bevindingen

Op 27 augustus 2019 werd er gepost op de [adres] te [woonplaats] . Mogelijk zou

verdachte [verdachte] verblijven op een boot in de jachthaven. Verbalisanten zagen omstreeks 08.55 uur dat verdachte de jachthaven verliet en lopend richting het centraal station liep. Van verdachte zijn foto's genomen in het voorbij gaan. Op de foto's is vastgelegd welke kleding verdachte droeg. Deze kleding komt overeen met de kleding op de beelden van de [adres] te [woonplaats] . Hier vond op 30 juli 2019 een poging inbraak plaats, waar verdachte herkend werd.43

Conclusie

Uit bovenvermelde feiten en omstandigheden in onderling verband en samenhang bezien, volgt naar het oordeel van de rechtbank dat wettig en overtuigend bewezen is dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het bij dagvaarding met parketnummer 16/304292-19 onder 13 ten laste gelegde, te weten poging diefstal uit de woning aan de [adres] te [woonplaats] met braak. De rechtbank betrekt daarbij ook hetgeen zij hierna ten aanzien van meerdere feiten zal overwegen over het gebruik van schakelbewijs.

Verweer verdediging

Ter terechtzitting heeft de raadsvrouw aangevoerd dat de herkenning van de opsporingsambtenaar onbetrouwbaar is, omdat de verbalisant opmerkt dat zij verdachte herkent aan zijn modus operandi ((criminele) werkwijze).

De rechtbank gaat voorbij aan dit verweer. Weliswaar heeft de verbalisant dit opgemerkt en betreft dat niet de herkenning van een persoon, maar de verbalisant noemt allereerst wel degelijk persoonlijke kenmerken, namelijk zijn postuur in combinatie met zijn kaalheid en zijn loop. De rechtbank vindt deze herkenning voldoende specifiek en betrouwbaar, juist omdat de verbalisant ervaring met verdachte heeft en hem kent van meerdere onderzoeken en observaties. De herkenning vindt bovendien steun in de bevindingen die zijn gedaan bij de observatie van verdachte op 27 augustus 2019, waarbij verdachte kleding droeg die overeenkomt met de kleding op de camerabeelden van de [adres] te [woonplaats] .

Ten aanzien van feit 12 (parketnummer 16/212603-19)

Proces-verbaal aangifte [aangever 8]

Ik doe aangifte van diefstal uit mijn woning aan de [adres] in [woonplaats] op 18 juli 2019.

Omstreeks 9.42 uur ging ik bij mijn woning weg, alles was toen nog in orde en intact. Omstreeks 11.00 uur ging het alarm van mijn woning af. De politie is toen ter plaatse geweest en constateerde dat er was ingebroken. In meerdere kamers waren lades doorzocht. In de ouderlijke slaapkamer werd later een autosleutel aangetroffen met daaraan een label Toyota Aygo, kenteken [kenteken] , [autoverhuurbedrijf] . Deze sleutel is niet van mij.44

Proces-verbaal van bevindingen

[adres] te [woonplaats] is een groot wit vrijstaand pand. Vanaf het dak van een uitbouw is een afgesloten raam geforceerd. De dader(s) zijn door dit raam de ouderlijke slaapkamer ingegaan.45

Proces-verbaal van bevindingen

Op 18 juli 2019 reden wij, verbalisanten, over de [straat] te [woonplaats] . Wij waren op zoek naar een Toyota Aygo met kenteken [kenteken] . Ter hoogte van nummer [nummer] zagen wij de Toyota Aygo met kenteken [kenteken] geparkeerd staan bij de bosrand. Ik, verbalisant, weet dat er via het bos verschillende voetpaden lopen die ook uitkomen in de omgeving van de Sparrenlaan. De afstand tussen deze locaties is ongeveer één kilometer.46

Conclusie

Vrijspraak primair ten laste gelegde, bewezenverklaring subsidiair ten laste gelegde

Nu uit de aangifte blijkt dat de bewoners niets missen kan niet bewezen worden dat sprake is geweest van diefstal. Verdachte zal daarom van het primair ten laste gelegde (diefstal uit de woning met braak) worden vrijgesproken. Uit bovenvermelde feiten en omstandigheden in onderling verband en samenhang bezien, volgt naar het oordeel van de rechtbank dat wettig en overtuigend bewezen is dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het bij dagvaarding met parketnummer 16/304292-19 onder 12 subsidiair ten laste gelegde, te weten poging diefstal uit de woning aan de [adres] in [woonplaats] met braak. De rechtbank betrekt daarbij ook hetgeen zij hierna ten aanzien van meerdere feiten zal overwegen over het gebruik van schakelbewijs.

Nadere bewijsoverweging ten aanzien van voormelde feiten, met name de feiten 9, 10 en 13 van de dagvaarding met parketnummer 16/304292-19 en feit 12 van de dagvaarding met parketnummer 16/212603-19

De rechtbank is van oordeel dat de bewijsmiddelen voor de verschillende feiten – in onderling en samenhang bezien – steun vinden in elkaar in de zin van schakelbewijs. Volgens de jurisprudentie van de Hoge Raad is het gebruik van aan andere bewezen geachte, soortgelijke, feiten ten grondslag liggende bewijsmiddelen als ondersteunend bewijs toegelaten. Daarbij moet het gaan om bewijsmateriaal van die andere feiten dat op essentiële punten belangrijke overeenkomsten vertoont met het bewijsmateriaal van het te bewijzen feit. Anders dan de raadsvrouw ziet de rechtbank wel degelijk een ‘modus operandi’ van verdachte: hij parkeert de auto (de Toyota) in de omgeving van zijn doelwit en loopt (of fietst) daar vervolgens in donkere kleding met baseball cap en rugzak heen. Het doelwit betreft een villa of vrijstaande woning. Verdachte richt zich voornamelijk op de eerste verdieping van die woning alwaar de badkamer en/of slaapkamers zich bevinden die hij behendig en vakkundig weet te bereiken. Vervolgens is hij specifiek op zoek naar sieraden van (grote) waarde. Andere waardevolle spullen zoals laptops laat hij liggen. Dit alles heeft plaatsgevonden in relatief korte tijd gedurende de zomer(vakantie)periode, onder meer op verschillende locaties in het Gooi.

Ten aanzien van de feiten 1, 5, 6, 8, 11 en 14 (parketnummer 16/304292-19)

Vrijspraak

Hoewel in het dossier aanwijzingen zitten dat verdachte betrokken was bij het plegen van nog meer (pogingen) woninginbraken (op 10 juli 2019 in Laren, op 12 juli 2019 te Putte, tussen 11 en 14 juli 2019 te Putte, op 13 juli 2019 te Ossendrecht, op 15 juli te Huizen en tussen 14 en 16 augustus 2019 te Laren) is de rechtbank van oordeel dat deze aanwijzingen onvoldoende zijn om tot een bewezenverklaring van deze feiten te kunnen komen. Hoewel ook deze feiten passen in de modus operandi die verdachte heeft gebruikt, moet per feit worden beoordeeld of in het dossier voldoende wettig en overtuigend bewijs – inclusief schakelbewijs - aanwezig is. De omstandigheid dat de Toyota op het moment van de (poging) inbraak ook hier vaak in de omgeving geparkeerd staat (en soms ook de telefoon van verdachte daar in de buurt is), roept bij de rechtbank wel vragen en vermoedens op (verdachte heeft daar immers niets te zoeken), maar is voor de rechtbank onvoldoende om tot een bewezenverklaring van deze feiten te komen.

De rechtbank neemt daarbij in aanmerking dat bij feit 1 de afstand tussen de Toyota en de plaats delict 4,7 kilometer bedroeg. Die afstand is aanmerkelijk groter dan de afstand bij de wel bewezenverklaarde feiten, terwijl er geen andere bewijsmiddelen zijn waaruit verdachtes betrokkenheid bij dit feit rechtstreeks kan worden afgeleid.

Bij feit 5 neemt de rechtbank in aanmerking dat de Toyota zich tussen 15:14 en 16:16 uur op 840 meter van de plaats delict bevond. Ook de historische verkeersgegevens laten zien dat verdachte zich die dag op de route naar Putte bewoog. Het alarm van de woning is echter om 21:45 uur afgegaan. Op dat moment bevond de Toyota zich op de route Teijlingen-Haarlemmermeer. Op basis van het strafdossier en het verhandelde ter terechtzitting is daarom niet uit te sluiten dat deze inbraak door een ander dan verdachte is gepleegd.

De inbraak die onder feit 6 is ten laste gelegd, is gepleegd in een periode van 11 juli tot en met 14 juli 2019. De rechtbank kan op basis van het dossier slechts vaststellen dat de Toyota zich op 13 juli 2019 tussen 12:50 en 13:55 uur op 1,5 kilometer van de plaats delict bevond. Ook hier kan niet worden uitgesloten dat een ander dan verdachte de inbraak heeft gepleegd.

Ten aanzien van de feiten 8 en 11 geldt dat er geen aangifte in het dossier zit. Bij gebrek daaraan en aan ondersteunend bewijs komt de rechtbank ook hier tot de conclusie dat sprake is van onvoldoende wettig en overtuigend bewijs.

Ten aanzien van feit 14 volgt de rechtbank de officier van justitie in zijn vordering tot vrijspraak. Hoewel er overeenkomsten zijn gevonden tussen op de plaats delict aangetroffen schoensporen en schoenen die onder de verdachte in beslag zijn genomen, is die conclusie hier op zichzelf onvoldoende om tot een bewezenverklaring te komen en ontbreekt steunbewijs waaruit de betrokkenheid van verdachte volgt.

De rechtbank zal verdachte dan ook vrijspreken van de feiten 1, 5, 6, 8, 11 en 14 van de dagvaarding met parketnummer 16/304292-19.

Ten aanzien van het bij dagvaarding onder parketnummer 16-055599-20 ten laste gelegde

Proces-verbaal aangifte van [benadeelde 1]

Ik doe aangifte van diefstal uit mijn woning aan de [adres] te [woonplaats] tussen 17 juni 2019 20.45 uur en 18 juni 00.26 uur. Op 17 juni 2019 heb ik mijn woning deugdelijk afgesloten verlaten. Op 18 juni om 00.26 uur kwam ik bij mijn woning en opende de voordeur. Ik hoorde boven een geluid wat leek op het inpakken van iets. Ik riep toen naar binnen wie daar was. Ik hoorde iemand “politie” roepen. Het was een Nederlandse stem zonder accent. Ik schrok en ben weggerend en heb buiten 112 gebeld. Met de politie ben ik de woning ingegaan. Op de eerste verdieping stond een kast in het kantoor open. Er lag een koffer uit de kast die doorzocht was.47 In de slaapkamer zag ik dat de gehele kledingkast doorzocht was en dat er verschillende doosjes van sieraden op de grond lagen. Ik zag dat ik sieraden miste. In de badkamer zag ik dat het raam kapot was.48

Uit de bijlage goederen blijkt dat er diverse sieraden zijn weggenomen.49

Proces-verbaal van bevindingen

Op dinsdag 18 juni 2019 om 09:00 uur kwam ik, naar aanleiding van een gekwalificeerde diefstal in/uit woning, voor een forensisch onderzoek aan op de locatie [adres] , [woonplaats] . Ik zag dat er stukken glas en enkele glaslatten lagen op het balkon van de eerste etage. Ik zag dat de thermopane ruit bijna geheel was verwijderd uit het (vaste) raam van de badkamer. Ik zag dat er enkele beschadigingen in het hout van dit badkamerraam zaten. De beschadigingen waren indrukken veroorzaakt door een breekvoorwerp.50

Proces-verbaal van bevindingen

Op 18 juni 2019 gingen wij, verbalisanten, bij aangeefster langs. Zij vertelde ons dat zij een kapotte rubberen gele schoonmaakhandschoen had aangetroffen op het hek tussen perceel 6 en haar eigen perceel. Tevens had zij in een doorzochte toilettas op de studeerkamer een klein stukje van vermoedelijk dezelfde rubberen handschoen in de rits aangetroffen. Deze goederen zijn in beslag genomen.51

Proces-verbaal vooronderzoek lab

Van de inbeslaggenomen handschoen en toilettas zijn sporen veiliggesteld.

Handschoen: SIN AANF6738NL / AAMA9914NL: 3 vingers en het deel van het manchet van de handschoen

Toilettas: SIN AANF6739NL / AAMA9916NL: stukje handschoen dat in de rits vast zat.52

NFI-rapport van 4 oktober 2019

AANF6738NL (3 vingers en de manchet) DNA-profiel van minimaal een man, DNA kan afkomstig zijn van: [verdachte] .

Hypothese 1: bemonstering AANF6738NL bevat DNA van [verdachte] .

Hypothese 2: bemonstering AANF6738NL bevat DNA van een willekeurige onbekende persoon, niet verwant aan [verdachte] .

Hypothese 1 is 1 miljard keer waarschijnlijker dan hypothese 2.53

Proces-verbaal uitslag sporenonderzoek

Ik, verbalisant, heb onderzocht of het stukje kunststof uit de rits [B] (SIN AAMA9916NL) afkomstig is van de aangetroffen handschoen [A] (SIN AAMA9914NL).

Conclusie: Het stukje kunststof [B] uit de rits van de toilettas is afkomstig van de aangetroffen handschoen [A].54

Conclusie

Uit bovenvermelde feiten en omstandigheden in onderling verband en samenhang bezien, volgt naar het oordeel van de rechtbank dat wettig en overtuigend bewezen is dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het bij dagvaarding met parketnummer 16-055599-20 ten laste gelegde, te weten diefstal uit de woning aan de [adres] te [woonplaats] op 18 juni 2019 met braak.

De rechtbank merkt nog op dat dit feit precies past bij de modus operandi van verdachte (inbraak bij een vrijstaande woning/villa door via de slaapkamer/badkamer op de eerste verdieping naar binnen te gaan en sieraden van grote waarde weg te nemen).

Verweer verdediging

De verdediging heeft zich ter terechtzitting op het standpunt gesteld dat aan het DNA-onderzoek wat betreft de handschoen geen conclusie kan worden verbonden omdat de handschoen buiten de woning is aangetroffen en het DNA is aangetroffen op een verplaatsbaar voorwerp, zodat niet uitgesloten kan worden dat het DNA van verdachte (als wel de conclusie kan worden getrokken dat het zijn DNA betreft) op een eerder moment op die handschoen terecht is gekomen.

De rechtbank verwerpt het verweer. Uit het NFI-rapport kan genoegzaam de conclusie worden getrokken dat het gaat om DNA-materiaal van verdachte.

Ten aanzien van de verplaatsbaarheid van het voorwerp merkt de rechtbank het volgende op.

Een slechts in algemene termen gesteld verweer dat het gaat om ‘verplaatsbaar DNA’ - waarmee kennelijk is bedoeld dat het DNA-materiaal is aangetroffen op een verplaatsbaar object - waardoor niet kan worden uitgesloten dat de handschoen op het hek is beland zonder dat verdachte zelf fysiek op dat moment op de plaats van het delict is geweest, is onvoldoende om deze sterke aanwijzing van verdachtes betrokkenheid bij de inbraak te ontzenuwen. Het gaat immers om DNA dat zich bevindt op een goed – een handschoen - dat rechtstreeks kan worden gerelateerd aan de inbraak, aangetroffen op het hek van de tuin van de woning, terwijl een stukje uit die handschoen is aangetroffen in een ritsluiting in de toilettas binnen in de woning. Mede gelet op de andere bewezenverklaarde feiten en de daarbij gehanteerde modus operandi van verdachte is de rechtbank van oordeel dat het scenario dat een ander dan verdachte de handschoen van verdachte heeft gebruikt bij de woninginbraak als onaannemelijk terzijde moet worden geschoven.

Ten aanzien van feit 1 (parketnummer 16-212603-19)

Proces-verbaal aangifte van [aangever 9]

Ik ben namens het slachtoffer gerechtigd tot het doen van aangifte van diefstal van een grote zwarte herenfiets, merk Gazelle, type Orange C7, framenummer [framenummer] . Dit is gebeurd tussen 4 augustus 2019 om 14.00 uur en 5 augustus 2019 om 08.00 uur op het adres [adres] te [woonplaats] .55

Proces-verbaal van bevindingen van 8 augustus 2019

Op 8 augustus 2019 was ik, verbalisant, omstreeks 14:27 uur, op de [straat] te [woonplaats] . Vlak voor de kruising Torenlaan/Verbeeklaan zag ik [verdachte] fietsen op een grijze herenfiets. Bij het zien van mij vluchtte hij direct de Verbeeklaan op.

Toen ik de Verbeeklaan een aantal seconden later in reed, zag ik in de voortuin van direct het eerste huis aan de linkerzijde, [adres] , de herenfiets liggen met een enkele sleutel in het hoefijzerslot.56

Proces-verbaal van bevindingen van 8 augustus 2019

Aangekomen op de kruising Verbeeklaan met de Torenlaan zag ik, op 8 augustus 2019 om 14:41 uur, de verdachte de Torenlaan over rennen. Ik zag dat de verdachte uit de tuin kwam ter hoogte van de [adres] . Ik zag dat de verdachte rennend de Torenlaan overstak. Ik had direct zicht op de verdachte zonder enige gezichtsbelemmering. Ik herkende de verdachte direct voor honderd procent als zijnde [verdachte] .57

Proces-verbaal van bevindingen van 28 augustus 2019

Ik, verbalisant, zag dat op het politiebureau een mat zwarte/grijze Gazelle, type Orange C7, herenfiets stond. Deze fiets was onder verdachte omstandigheden aangetroffen op de [adres] te [woonplaats] . Ik zag dat het framenummer van de herenfiets betreft [framenummer] .58

NFI-rapport van 3 december 2019

De politie heeft verzocht om het DNA-profiel van verdachte [verdachte] (geboren op [1974] ) te vergelijken met DNA-profiel AAMO5512NL#01 (rechter handvat stuur heren gazellefiets). Uit de resultaten van het vergelijkend DNA-onderzoek is geconcludeerd dat het DNA in bemonstering AAMO5512NL afkomstig kan zijn van verdachte [verdachte] . De kans dat het DNA-profiel van een willekeurig gekozen man overeenkomt met het DNA-profiel AAMO5512NL is kleiner dan één op één miljard.59

Conclusie

Vrijspraak primair ten laste gelegde, bewezenverklaring subsidiair ten laste gelegde

De rechtbank constateert dat het dossier geen bewijsmiddelen bevat die duiden op de betrokkenheid van verdachte bij de diefstal van de fiets tussen 4 en 5 augustus 2019. Verdachte zal daarom van het primair ten laste gelegde worden vrijgesproken. Voor het subsidiair ten laste gelegde komt de rechtbank tot een bewezenverklaring nu naar haar oordeel uit bovenvermelde feiten en omstandigheden in onderling verband en samenhang bezien wettig en overtuigend is komen vast te staan dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan de heling van de fiets op 8 augustus 2019 te Blaricum.

Verweer verdediging

De verdediging heeft zich ter terechtzitting op het standpunt gesteld dat ook niet uit het dossier blijkt hoe verdachte de fiets zou hebben verkregen, zodat verdachte ook voor het subsidiair ten laste gelegde (heling) zou moeten worden vrijgesproken.

De rechtbank overweegt als volgt. De politie herkent verdachte op de fiets. Als verdachte de politie ziet, slaat hij op de vlucht. De fiets wordt vervolgens in de buurt in een voortuin aangetroffen en verdachte wordt rennend gezien. Op de fiets (op het rechter handvat) wordt DNA van verdachte aangetroffen en niet van iemand anders. De fiets blijkt 3 à 4 dagen geleden gestolen te zijn. Verdachte heeft geen verklaring voor het aantreffen van zijn DNA op de fiets. Hij verklaart de fiets ook niet te hebben gebruikt. De rechtbank heeft echter geen redenen om te twijfelen aan de waarnemingen van de verbalisanten. Wegens het ontbreken van een aannemelijke verklaring van verdachte voor het voorhanden hebben van de fiets en gelet op verdachtes gedrag nadat hij door de politie wordt gezien, kan het naar het oordeel van de rechtbank niet anders zijn dan dat de verdachte ten tijde van het voorhanden krijgen daarvan wist dat deze van misdrijf afkomstig was. De rechtbank betrekt bij dat oordeel de omstandigheid dat aanwijzingen ontbreken dat wetenschap bij de verdachte van de criminele herkomst van de fiets eerst is ontstaan na het verwerven of voorhanden krijgen daarvan. De rechtbank verwerpt dan ook het verweer van de verdediging.

Ten aanzien van feit 15 (witwassen) parketnummer 16/304292-19

Vrijspraak

Juridisch kader

Voor een veroordeling ter zake van witwassen is allereerst vereist dat bewezen moet worden dat het voorwerp waarop de verdenking van witwassen betrekking heeft, afkomstig is uit enig misdrijf. Als echter op grond van de beschikbare bewijsmiddelen geen rechtstreeks verband valt te leggen tussen het voorwerp en een bepaald misdrijf (het zogenoemde gronddelict), kan naar inmiddels bestendige jurisprudentie niettemin worden bewezen verklaard dat het voorwerp een criminele herkomst heeft, indien het op grond van de vastgestelde feiten en omstandigheden niet anders kan zijn dan dat het geld dan wel het voorwerp afkomstig is uit enig misdrijf.

De rechter dient allereerst vast te stellen of de door het openbaar ministerie aangedragen feiten en omstandigheden van dien aard zijn dat deze het vermoeden van witwassen rechtvaardigen. Indien zulk een geval zich voordoet mag van de verdachte worden verlangd dat hij een verklaring geeft voor de herkomst van het geld of de goederen. Zo een verklaring dient te voldoen aan de vereisten dat zij concreet, min of meer verifieerbaar en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijk is.

Feiten en omstandigheden deze zaak

De rechtbank constateert dat door het openbaar ministerie te weinig is gesteld om een vermoeden van witwassen te kunnen rechtvaardigen. Het dossier bevat geen bewijsmiddelen die een rechtstreeks verband leggen tussen de tenlastegelegde feiten en de onder verdachte in beslaggenomen boot (die verdachte al tenminste 10 jaar in bezit had), auto (een Opel Adam) en contante geldbedragen. Dan zou het nog zo kunnen zijn dat op grond van feiten en omstandigheden het niet anders kan zijn dan dat de goederen en het geld van misdrijf afkomstig zijn. Echter in dit geval heeft verdachte onderbouwd gesteld dat hij in 2009 een bedrag van € 100.000,- en in 2017 een bedrag van ruim € 30.000,- op legale wijze heeft verkregen. Ook heeft hij gesteld dat hij in het verleden andere legale inkomsten had. Nu verder door het openbaar ministerie geen onderzoek is gedaan naar de financiële situatie van verdachte, kan niet zonder meer gesteld worden dat het niet anders kan zijn dan dat de boot, de auto en het geld afkomstig zijn uit enig misdrijf.

Verdachte zal daarom worden vrijgesproken van het onder feit 15 bij dagvaarding met parketnummer 16/304292-19 ten laste gelegde.

5 BEWEZENVERKLARING

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte:

Parketnummer 16-212603-19

1. subsidiair)

op 8 augustus 2019 te Blaricum een Gazelle Orange C7 (heren)fiets heeft voorhanden gehad, terwijl hij ten tijde van het voorhanden krijgen van dit goed wist dat het een door misdrijf verkregen goed betrof;

10 ( subsidiair)

op 15 juli 2019 te [woonplaats] , ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om in/uit een woning gelegen aan de [adres] , enig goed, toebehorende aan [aangever 1] , weg te nemen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen en zich toegang tot de plaats van het misdrijf te verschaffen en dat weg te nemen goed onder zijn bereik te brengen door middel van braak, immers heeft hij, verdachte, het erf waarop die woning is gelegen heeft betreden en die woning (al dan niet met een ladder) beklommen en een (afgesloten) raam geforceerd en door dat raam naar binnen is geklommen en een of meerdere kamers en/of kasten in die woning doorzocht, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

12 ( subsidiair)
op 18 juli 2019 te [woonplaats] , ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om in/uit een woning gelegen aan de [adres] , enig goed, toebehorende aan [aangever 8] , weg te nemen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen en zich toegang tot de plaats van het misdrijf te verschaffen en dat weg te nemen goed onder zijn bereik te brengen door middel van braak, immers heeft hij, verdachte, het erf waarop die woning is gelegen heeft betreden en een uitbouw heef beklommen en een (afgesloten) raam geforceerd en door dat raam naar binnen is geklommen, en een of meerdere kamers in die woning doorzocht, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;


Parketnummer 16-304292-19
3
op 8 juli 2019 te [woonplaats] in/uit een woning gelegen aan de [adres] sieraden toebehorende aan [aangever 2] , heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl verdachte zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft en die weg te nemen goederen onder zijn bereik heeft gebracht door middel van inklimming;

4
op 10 juli 2019 te [woonplaats] in/uit een woning gelegen aan de [adres] sieraden toebehorende aan [aangever 3] , heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl verdachte zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft en die weg te nemen goederen onder zijn bereik heeft gebracht door middel van braak;

7
op 13 juli 2019 te [woonplaats] , gemeente [woonplaats] , ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om in/uit een woning gelegen aan de [adres] enig goed, toebehorende aan [aangever 4] , weg te nemen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen en zich toegang tot de plaats van het misdrijf te verschaffen en dat weg te nemen goed onder zijn bereik te brengen door middel van braak , immers heeft hij, verdachte, de tuin heeft betreden en door het raam naar binnen gekeken en een ruit ingeslagen, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

9
op 13 juli 2019 te [woonplaats] , in/uit een woning gelegen aan de [adres] , sieraden toebehorende aan [aangever 5] , heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl verdachte zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft en die/dat weg te nemen goed(eren) onder zijn bereik heeft gebracht door middel van braak;


10
op 14 juli 2019 te [woonplaats] , in/uit een woning gelegen aan de [adres] , sieraden toebehorende aan [aangever 6] , heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl verdachte zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft en die/dat weg te nemen goed(eren) onder zijn bereik heeft gebracht door middel van braak;

13
op 30 juli 2019 te Lisse, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om enig) goed toebehorende aan [aangever 7] , weg te nemen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen en zich toegang tot de plaats van het misdrijf te verschaffen en dat weg te nemen goed onder zijn bereik te brengen door middel van braak , immers heeft hij, verdachte, de tuin van voornoemde [aangever 7] heeft betreden en via de dakgoot naar boven is geklommen en een raam heeft geforceerd, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

Parketnummer 16-055599-20
op 18 juni 2019 te [woonplaats] , met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening in/uit een woning aan de [adres] heeft weggenomen sieraden, toebehorende aan [benadeelde 1] , waarbij verdachte zich de toegang tot de plaats des misdrijf heeft verschaft en de/het weg te nemen goed(ederen) tot zijn bereik heeft gebracht door middel van braak door
- naar voornoemde woning toe te gaan en
- een ruit op de eerste verdieping te vernielen en in te gooien en
- (vervolgens) door die opengebroken ruit de woning binnen te gaan.

Voor zover in het bewezen verklaarde deel van de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet in de verdediging geschaad.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd is niet bewezen. Verdachte wordt hiervan vrijgesproken.

6 STRAFBAARHEID VAN DE FEITEN

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezen verklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.

Het bewezen verklaarde levert volgens de wet de volgende strafbare feiten op:

Parketnummer 16/212603-19

Feit 1: opzetheling

Feiten 10 en 12: telkens: poging diefstal, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van braak

Parketnummer 16/304292-19

Feit 3: diefstal, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft en de weg te nemen goederen onder zijn bereik heeft gebracht door middel van inklimming

Feit 4, 9 en 10: telkens: diefstal, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft en de weg te nemen goederen onder zijn bereik heeft gebracht door middel van braak

Feit 7 en 13: telkens: poging diefstal, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van braak

Parketnummer 16/055599-20

diefstal, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft en de weg te nemen goederen onder zijn bereik heeft gebracht door middel van braak

7 STRAFBAARHEID VAN VERDACHTE

Er is geen omstandigheid gebleken of aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.

8 OPLEGGING VAN STRAF

8.1

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd verdachte ter zake van het door hem bewezen geachte te veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van 5 jaren, met aftrek van het voorarrest. Daarnaast heeft de officier van justitie gevorderd tot gevangenneming van verdachte over te gaan voor de feiten waarvoor een bewezenverklaring zal volgen, maar waarvoor de voorlopige hechtenis (nog) niet was bevolen.

8.2

Het standpunt van de verdediging

Ten aanzien van de strafmaat heeft de raadsvrouw van verdachte bepleit dat rekening moet worden gehouden met de omstandigheid dat sprake is van samenloop, dat het in een aantal gevallen gaat om een poging – waarvoor een derde strafvermindering op zijn plaats is – en dat artikel 63 van het Wetboek van Strafrecht van toepassing is. Daarnaast heeft de raadsvrouw verzocht rekening te houden met de persoonlijke omstandigheden van verdachte: hij heeft twee dochters die hem nodig hebben. Voorts heeft de raadsvrouw verzocht de vordering tot gevangenneming van verdachte af te wijzen.

8.3

Het oordeel van de rechtbank

Bij het bepalen van de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de ernst van het bewezen verklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals ter terechtzitting is gebleken.

De ernst van de feiten

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan meerdere diefstallen en pogingen diefstallen met braak uit woningen en aan de heling van een fiets. Verdachte heeft gedurende de zomer(vakantie) een strooptocht gehouden langs villa’s en vrijstaande woningen op zoek naar sieraden van (grote) waarde. Inbraken veroorzaken bij de bewoners materiële schade en overlast en onrust voor omwonenden en in de maatschappij in het algemeen. Daarnaast veroorzaakt een inbraak in een woning vooral ook een inbreuk op het gevoel van veiligheid en privacy van de bewoners. De ervaring leert dat mensen zich nog lange tijd nadat er in hun woning is ingebroken thuis onveilig voelen. Dit blijkt ook uit enkele schadeformulieren die door de benadeelde partijen zijn ingediend. De rechtbank rekent voorts verdachte de brutale en schaamteloze wijze waarop hij gehandeld heeft zwaar aan: hij ging overdag op pad, verdraaide soms beveiligingscamera’s en was zelfs een aantal keer bezig als de bewoner gewoon thuis was. Ook houdt de rechtbank bij de straftoemeting in strafverzwarende zin rekening met de professionele en berekenende wijze waarop verdachte gehandeld heeft: door het huren van een auto op naam van zijn dochter en deze auto niet te dichtbij het doelwit te parkeren. Verder rekent de rechtbank verdachte zijn volhardende ontkenning aan. De rechtbank neemt in strafverzwarende zin mee dat verdachte geen enkele verantwoordelijkheid heeft genomen voor zijn handelen en geen inzicht heeft getoond in de kwalijkheid daarvan.

Gelet op het bovenstaande is de rechtbank van oordeel dat op deze ernstige feiten niet anders kan worden gereageerd dan met een gevangenisstraf van lange duur.

De persoon van verdachte

Wat betreft de persoon van verdachte heeft de rechtbank acht geslagen op een verdachte betreffend uittreksel uit de justitiële documentatie van 4 maart 2020 waaruit blijkt dat verdachte eerder vele malen (onherroepelijk) is veroordeeld voor het plegen van strafbare feiten, waaronder meermalen ter zake van (poging) diefstal met braak. De rechtbank houdt ook hiermee in strafverzwarende zin rekening.

De rechtbank heeft voorts acht geslagen op het reclasseringsrapport van 9 december 2019, opgemaakt door J. Hoekstra, reclasseringswerker. Uit dit rapport volgt dat verdachte zelf op geen enkel leefgebied problemen ervaart, in ieder geval niet om hiervoor hulpverlening, al dan niet in een juridisch kader, te aanvaarden. Verdachte stelt dat hij zijn inkomsten op legale wijze genereert, namelijk met gokken, investeren en beleggen, maar door zijn delict gedrag roept dit twijfels op. Verdachte geeft bovendien geen openheid over zaken als inkomen, dagbesteding, schulden en huisvesting. Tijdens een eerder reclasseringstoezicht kwam hij afspraken regelmatig niet na en/of was hij vaak onbereikbaar voor de reclassering. De reclassering adviseert dan ook bij een veroordeling een straf zonder bijzondere voorwaarden. De reclassering schat het recidiverisico in als hoog, maar ziet geen mogelijkheden om met interventies of toezicht de risico's te beperken of het gedrag van verdachte te veranderen.

De straf

De rechtbank heeft bij het bepalen van de strafmaat gelet op de Landelijke Oriëntatiepunten Vakinhoud Strafrecht (LOVS). Voor een inbraak in een woning geldt als uitgangspunt een gevangenisstraf voor de duur van 3 maanden onvoorwaardelijk. In geval van veelvuldige recidive, zoals gezien het strafblad van verdachte hier aan de orde is, geldt als uitgangspunt een gevangenisstraf voor de duur van 7 maanden onvoorwaardelijk per inbraak. Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan vijfmaal een inbraak in een woning plus viermaal een poging woning inbraak, waarvoor een iets lagere straf als uitgangspunt geldt. De rechtbank houdt bij het bepalen van de hoogte van de straf rekening met de strafverzwarende omstandigheden, zoals hierboven vermeld, alsmede met de omvang van de zaak, het helingsfeit, de omstandigheid dat verdachte ten tijde van het bewezenverklaarde in een proeftijd liep van een eerdere veroordeling en in het geheel niet bereid lijkt tot gedragsverandering.

De rechtbank is – al hetgeen hiervoor in overweging nemend en gegeven de (deel)vrijspraken – van oordeel dat een gevangenisstraf voor de duur van 4 jaren, met aftrek van het voorarrest, een passende en geboden straf vormt.

Vordering gevangenneming

Ter terechtzitting heeft de officier van justitie gevangenneming gevorderd voor de feiten waarvoor verdachte zich niet in voorlopige hechtenis bevond. De rechtbank heeft de beslissing op deze vordering aangehouden en wijst deze vordering thans af, gelet op de hierna te noemen stafoplegging en de voortdurende voorlopige hechtenis.

9 BESLAG

9.1.

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich ter terechtzitting op het standpunt gesteld dat de rechtbank geen beslissing hoeft te nemen ten aanzien van het beslag. Immers op een deel van de inbeslaggenomen goederen is inmiddels conservatoir beslag gelegd en voor de overige inbeslaggenomen goederen geldt dat verdachte heeft verklaard dat de goederen niet van hem zijn.

9.2.

Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw van verdachte heeft zich ter terechtzitting op het standpunt gesteld dat de inbeslaggenomen goederen moeten worden teruggegeven aan verdachte. De goederen zijn onder hem in beslag genomen en behoren hem, dan wel zijn dochters toe.

9.3.

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank beslist als volgt:

Teruggave aan verdachte

De rechtbank zal de teruggave gelasten aan verdachte van de in beslag genomen voorwerpen zoals die op de door de officier van justitie ter terechtzitting overgelegde beslaglijst staan, behoudens de voorwerpen waarop conservatoir beslag is gelegd (te weten een boot (Bayliner), een auto (Opel), geldbedragen (€ 5.775,- en € 121,50) en vorderingen (ING)). Vanwege het voortduren van dit conservatoir beslag zal de rechtbank over deze voorwerpen geen beslissing nemen.

De goederen die terug mogen behoren aan verdachte (of zijn naasten) toe, zijn niet vatbaar voor verbeurdverklaring of onttrekking aan het verkeer en het belang van strafvordering verzet zich niet tegen teruggave.

10 BENADEELDE PARTIJEN

[benadeelde 2] , [aangever 6] , [aangever 1] , [aangever 3] , [benadeelde 3] , [benadeelde 4] en [benadeelde 1] hebben zich als benadeelde partij in het geding gevoegd.

[benadeelde 2] vordert een bedrag van € 9.400,-, geheel bestaande uit materiële schade, ten gevolge van het aan verdachte bij dagvaarding onder parketnummer 16/304292-19 onder 1 ten laste gelegde feit.

[aangever 6] vordert een bedrag van € 35.325,63, geheel bestaande uit materiële schade, ten gevolge van het aan verdachte bij dagvaarding onder parketnummer 16/304292-19 onder 10 ten laste gelegde feit.

[aangever 1] vordert een bedrag van € 1.196,23, geheel bestaande uit materiële schade, ten gevolge van het aan verdachte bij dagvaarding onder parketnummer 16/212603-19 onder 10 ten laste gelegde feit.

[aangever 3] vordert een bedrag van € 211,-, bestaande uit € 11,- aan materiële schade (de rest is reeds door de verzekeraar vergoed) en € 200,- aan immateriële schade, ten gevolge van het aan verdachte bij dagvaarding onder parketnummer 16/304292-19 onder 4 ten laste gelegde feit.

[benadeelde 3] vordert een bedrag van € 5.925,11, geheel bestaande uit materiële schade, ten gevolge van het aan verdachte bij dagvaarding onder parketnummer 16/304292-19 onder 14 ten laste gelegde feit.

[benadeelde 4] vordert een bedrag van € 9.812,22,-, bestaande uit € 9.562,22 materiële schade en € 250,- immateriële schade, ten gevolge van het aan verdachte bij dagvaarding onder parketnummer 16/304292-19 onder 5 ten laste gelegde feit.

[benadeelde 1] vordert een bedrag van € 47.824,13, geheel bestaande uit materiële schade, ten gevolge van het aan verdachte bij dagvaarding onder parketnummer 16/055599-20 ten laste gelegde feit.

Alle benadeelde partijen verzoeken daarnaast om hun vordering te vermeerderen met de wettelijke rente en de schadevergoedingsmaatregel op te leggen.

10.1

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat alle vorderingen van de benadeelde partijen, behoudens die van benadeelde [benadeelde 3] vanwege de ten aanzien van feit 14 gevorderde vrijspraak, in hun geheel kunnen worden toegewezen, te vermeerderen met de wettelijke rente en onder oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

10.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw van verdachte heeft zich primair, gelet op de door haar bepleite vrijspraak, op het standpunt gesteld dat alle vorderingen van alle benadeelde partijen niet-ontvankelijk moeten worden verklaard. Subsidiair heeft de raadsvrouw van verdachte zich op het standpunt gesteld dat alle vorderingen tot vergoeding van de immateriële schade moeten worden afgewezen, omdat deze schade door geen enkele benadeelde partij is onderbouwd. Voorts meent zij dat de vordering van [aangever 1] niet-ontvankelijk moet worden verklaard, omdat uit het formulier blijkt dat hij verzekerd is en onduidelijk is gebleven welk deel hij vergoed heeft gekregen. De vorderingen van [benadeelde 2] , [aangever 3] , [benadeelde 4] en [aangever 6] moeten niet-ontvankelijk worden verklaard omdat de posten niet (objectief) zijn onderbouwd. De vordering van [benadeelde 3] moet worden afgewezen omdat de schade reeds door de verzekering is vergoed en voor het overige dient deze partij niet-ontvankelijk te worden verklaard wegens onduidelijkheid van de vordering. De vordering van [benadeelde 1] is onvoldoende duidelijk, onvoldoende onderbouwd en een deel van de gevorderde kosten betreft geen schade die in rechtstreeks verband staat met het ten laste gelegde.

10.3

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank zal de benadeelde partijen [benadeelde 2] , [benadeelde 3] en [benadeelde 4] niet-ontvankelijk verklaren in hun vordering nu verdachte van die ten laste gelegde feiten zal worden vrijgesproken. De benadeelde partijen kunnen hun vorderingen bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

Naar het oordeel van de rechtbank staat vast dat de benadeelde partijen [aangever 6] , [aangever 1] , [aangever 3] en [benadeelde 1] als gevolg van de bewezen verklaarde feiten rechtstreeks schade hebben geleden.

Immateriële schade

Ten aanzien van de gevorderde immateriële schade overweegt de rechtbank als volgt. Door de benadeelde partij [aangever 3] is vergoeding van immateriële schade (€ 200,-) gevorderd. Ingevolge artikel 106 lid 1 sub b van boek 6 van het Burgerlijk Wetboek (BW) heeft een benadeelde recht heeft op vergoeding van immateriële schade indien een hij lichamelijk letsel heeft opgelopen, in zijn eer of goede naam is geschaad of op andere wijze in zijn persoon is aangetast. Nu in dit geval geen sprake is van lichamelijk letsel of van schending van de eer of goede naam, dient de rechtbank de vraag te beantwoorden of de door de benadeelde partij opgevoerde schade kan worden gekwalificeerd als een andere aantasting in zijn persoon zoals bedoeld in artikel 6:106 lid 1 sub b BW. Op grond van vaste jurisprudentie geldt dat voor de beantwoording van die vraag voldoende concrete gegevens moeten worden aangevoerd om te kunnen vaststellen of sprake is van geestelijk letsel in de zin van een in de psychiatrie erkend ziektebeeld. De benadeelde partij heeft, anders dan zijn eigen verklaring, geen rapportage door een deskundige of andere concrete gegevens aangevoerd. Hoewel de rechtbank niet twijfelt aan de impact die de woninginbraak op de benadeelde partij heeft gehad en nog steeds heeft, kan de rechtbank op grond van het voorgaande niet naar objectieve maatstaven vaststellen dat sprake is van een in de psychiatrie erkend ziektebeeld. Dit heeft tot gevolg dat de vraag of sprake is van een andere aantasting in zijn persoon in de zin van artikel 6:106 lid 1 sub b BW ontkennend moet worden beantwoord. Nader onderzoek naar deze vraag, levert een onevenredige belasting van het strafgeding op. De rechtbank zal daarom bepalen dat de benadeelde partij voor wat betreft de immateriële schade in haar vordering niet-ontvankelijk is en dat de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht.

Materiële schade

De rechtbank zal de materiële schade zoals die is gevorderd door de benadeelde partijen en niet door de verdediging is betwist, toewijzen, te vermeerderen met de gevorderde wettelijke rente vanaf de betreffende pleegdatum tot de dag van volledige betaling.

Ten aanzien van de materiële schade die door de verdediging is betwist, overweegt de rechtbank als volgt.

De benadeelde partij [aangever 6] heeft haar vordering onderbouwd met een waarde opgave van een juwelier en een offerte voor herstelwerkzaamheden wegens braak. De rechtbank heeft geen aanleiding om aan deze opgave te twijfelen en acht de vordering voldoende onderbouwd. De rechtbank zal de vordering van de benadeelde partij [aangever 6] ten bedrage van € 35.325,63 dan ook geheel toewijzen, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 14 juli 2019 tot de dag van volledige betaling.

De benadeelde partij [aangever 1] heeft op het schadeformulier aangegeven dat mogelijk een deel door de verzekeraar zal worden vergoed en dat het eigen risico € 500,- bedraagt. Dit brengt mee dat op dit moment alleen is vast te stellen dat de schade tenminste € 500,- bedraagt. De rechtbank zal daarom dat bedrag toewijzen, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 15 juli 2019 tot de dag van volledige betaling. Nu onduidelijk is welk deel voor vergoeding door de verzekeraar in aanmerking zal komen en nader onderzoek daarnaar een onevenredige belasting van het strafproces zal vormen, zal de rechtbank de benadeelde partij voor dat deel (het bedrag hoger dan € 500,-) niet-ontvankelijk verklaren.

De benadeelde partij [aangever 3] heeft een bedrag van € 11,- gevorderd ter zake van niet-vergoede braakschade. Hoewel dit bedrag niet is onderbouwd, heeft de rechtbank geen aanleiding om deze opgave te twijfelen en zal de rechtbank dit bedrag dan ook toewijzen, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 10 juli 2019 tot de dag van volledige voldoening.

De benadeelde partij [benadeelde 1] heeft in totaal (uiteindelijk) een bedrag van € 47.824,13 gevorderd, bestaande uit verlies van juwelen ten bedrage van € 30.000,-, braakschade aan het raam ten bedrage van € 603,22, het installeren van camera’s en schriklampen ten bedrag van € 19.815,-, de aanschaf van kluizen ten bedrag van € 3.659,69 en een abonnement op een particuliere surveillancedienst ten bedrag van € 348,75. Het door de verzekeraar vergoede bedrag van € 6.603,22 (€ 6.000,- ten behoeve van de gestolen juwelen en € 603,22 ter zake van de braakschade) is hierop reeds in mindering gebracht. De rechtbank is van oordeel dat de benadeelde partij de verloren waarde van de gestolen juwelen voldoende (met ter terechtzitting toegelichte stukken) heeft onderbouwd. Rekening houdend met het deel dat ten aanzien van deze schadepost reeds vergoed is door de verzekeraar stelt de rechtbank vast dat ter zake van de sieraden een bedrag van € 24.000,- toegewezen kan worden, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 18 juni 2019 tot de dag van volledige voldoening. Ter zake van de overige opgevoerde posten: installeren camera’s en schriklampen, aanschaf kluizen en abonnement particuliere surveillancedienst, is de rechtbank van oordeel dat deze kosten in een te ver verwijderd verband staan van het bewezen verklaarde feit en dus geen rechtstreekse schade vormen. De rechtbank zal de vordering voor dat deel dan ook afwijzen.

Voor het overige deel van de gevorderde materiële schade zal de rechtbank de benadeelde partijen in hun vorderingen niet-ontvankelijk verklaren. De benadeelde partijen kunnen dat deel van hun vordering bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

Als extra waarborg voor betaling zal de rechtbank ten behoeve van [aangever 6] aan verdachte de verplichting opleggen tot betaling aan de Staat van het bedrag van € 35.325,63, te vermeerderen met de gevorderde wettelijke rente vanaf 14 juli 2019 tot de dag van volledige betaling. Als door verdachte niet wordt betaald, zal deze verplichting worden aangevuld met 212 dagen gijzeling, waarbij toepassing van de gijzeling de betalingsverplichting niet opheft.

Als extra waarborg voor betaling zal de rechtbank ten behoeve van [aangever 1] aan verdachte de verplichting opleggen tot betaling aan de Staat van het bedrag van € 500,-, te vermeerderen met de gevorderde wettelijke rente vanaf 15 juli 2019 tot de dag van volledige betaling. Als door verdachte niet wordt betaald, zal deze verplichting worden aangevuld met 3 dagen gijzeling, waarbij toepassing van de gijzeling de betalingsverplichting niet opheft.

Als extra waarborg voor betaling zal de rechtbank ten behoeve van [aangever 3] aan verdachte de verplichting opleggen tot betaling aan de Staat van het bedrag van € 11,-, te vermeerderen met de gevorderde wettelijke rente vanaf 10 juli 2019 tot de dag van volledige betaling. Als door verdachte niet wordt betaald, zal deze verplichting worden aangevuld met 1 dag gijzeling, waarbij toepassing van de gijzeling de betalingsverplichting niet opheft.

Als extra waarborg voor betaling zal de rechtbank ten behoeve van [benadeelde 1] aan verdachte de verplichting opleggen tot betaling aan de Staat van het bedrag van € 24.000,-, te vermeerderen met de gevorderde wettelijke rente vanaf 18 juni 2019 tot de dag van volledige betaling. Als door verdachte niet wordt betaald, zal deze verplichting worden aangevuld met 144 dagen gijzeling, waarbij toepassing van de gijzeling de betalingsverplichting niet opheft.

De betaling die is gedaan aan de Staat wordt op de verplichting tot betaling aan de benadeelde partijen in mindering gebracht. Dit geldt andersom ook indien betaling is gedaan aan de benadeelde partijen.

Verdachte zal verder worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partijen hebben gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog zullen maken. Deze kosten worden tot op dit moment begroot op nihil.

11 VORDERING HERROEPING VOORWAARDELIJKE INVRIJHEIDSTELLING

11.1

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd de vordering tot herroeping van de voorwaardelijke invrijheidsstelling van verdachte toe te wijzen ten aanzien van het nog niet herroepen gedeelte, te weten 290 dagen. Daarbij heeft de officier rekening gehouden met het feit dat ten aanzien van het v.i.-nummer 99-000906-44 eerder een vordering herroeping voorwaardelijke invrijheidstelling is toegewezen voor de duur van 30 dagen.

11.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw van verdachte heeft zich ter terechtzitting primair, gelet op de door haar bepleite vrijspraak, op het standpunt gesteld dat de vordering niet-ontvankelijk moet worden verklaard. Subsidiair heeft de raadsvrouw zich op het standpunt gesteld dat de vordering niet-ontvankelijk moet worden verklaard dan wel moet worden afgewezen, omdat onduidelijkheid bestaat over het nog resterende gedeelte van de voorwaardelijke invrijheidsstelling. Volgens de raadsvrouw heeft verdachte ter zake van de eerder aan hem opgelegde vrijheidsstraffen feitelijk langer vastgezeten dan als uitgangspunt wordt genomen in de vordering tot herroeping van de voorwaardelijke invrijheidstelling. Verdachte heeft bovendien in het kader van een vordering tot schorsing van de voorwaardelijke invrijheidstelling nog 4 dagen vastgezeten. Bij een eventuele toewijzing van de vordering tot herroeping van de voorwaardelijke invrijheidstelling zal hiermee rekening moeten worden gehouden.

11.3

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank stelt vast dat bij besluit voorwaardelijke invrijheidstelling d.d. 13 november 2018 verdachte, met toepassing van artikel 15 van het Wetboek van Strafrecht, op 11 september 2018 voorwaardelijk in vrijheid is gesteld. Het Openbaar Ministerie heeft daarbij als algemene voorwaarde gesteld dat verdachte zich gedurende de proeftijd van 365 dagen niet schuldig maakt aan een strafbaar feit, waarbij de voorwaardelijke invrijheidstelling in geval van het niet nakomen van de voorwaarden kan worden herroepen voor een periode van 320 dagen. Bij vonnis van de politierechter in de rechtbank Den Haag van 30 september 2019 is deze voorwaardelijke invrijheidstelling reeds gedeeltelijk herroepen, te weten voor de duur van 30 dagen. Gebleken is dat verdachte zich voor het einde van de proeftijd aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt, zoals naar voren komt uit de verdere inhoud van dit vonnis. De rechtbank ziet hierin aanleiding ook het resterende gedeelte van de voorwaardelijke invrijheidstelling te herroepen en wijst de vordering van de officier van justitie dan ook toe. In het dossier ontbreekt een overzicht van het detentieverloop van verdachte. Indien, zoals de raadsvrouw stelt, van de opgelegde vrijheidsstraffen meer dagen door verdachte in detentie zijn ondergaan dan waarmee in de vordering van de officier van justitie rekening is gehouden, dan zal hiermee in de fase van tenuitvoerlegging rekening moeten worden gehouden.

12 TOEPASSELIJKE WETTELIJKE VOORSCHRIFTEN

De beslissing berust op de artikelen 36f, 45, 57, 311 en 416 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

13 BESLISSING

De rechtbank:

Vrijspraak

- verklaart het bij dagvaarding onder parketnummer 16/212603-19 onder 1 primair, 10 primair en 12 primair ten laste gelegde niet bewezen en spreekt verdachte daarvan vrij;

- verklaart het bij dagvaarding onder parketnummer 16/304292-19 onder 1, 5, 6, 8, 11, 14 en 15 (primair en subsidiair) ten laste gelegde niet bewezen en spreekt verdachte daarvan vrij;

Bewezenverklaring

- verklaart het ten laste gelegde bewezen zoals hiervoor in rubriek 5 is vermeld;

- verklaart het meer of anders ten laste gelegde niet bewezen en spreekt verdachte daarvan vrij;

Strafbaarheid

- verklaart het bewezen verklaarde strafbaar en kwalificeert dit zoals hiervoor in rubriek 6 is vermeld;

- verklaart verdachte strafbaar;

Oplegging straf

- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 4 (vier) jaren;

- bepaalt dat de tijd, door verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht;

Beslag

- gelast de teruggave aan verdachte van de voorwerpen zoals die staan vermeld op de door de officier van justitie ter terechtzitting van 9 maart 2020 overgelegde beslaglijst, behoudens de voorwerpen waarop conservatoir beslag is gelegd (zijnde: de boot (Bayliner), een auto (Opel Adam), contante geldbedragen (€ 5.775,- en € 121,50) en vorderingen (ING);

Benadeelde partijen

[benadeelde 2]

  • -

    verklaart de benadeelde partij niet-ontvankelijk in de vordering en bepaalt dat haar vordering kan worden aangebracht bij de burgerlijke rechter;

  • -

    compenseert de proceskosten van de benadeelde partijen [benadeelde 2] en verdachte, in die zin dat ieder haar eigen kosten draagt;

[aangever 6]

  • -

    wijst de vordering van [aangever 6] toe tot een bedrag van € 35.325,63 (materiële schade) en veroordeelt verdachte tot betaling van dat bedrag aan [aangever 6] , vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 14 juli 2019 tot de dag van volledige betaling;

  • -

    veroordeelt verdachte in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil;

  • -

    legt verdachte de verplichting op ten behoeve van [aangever 6] aan de Staat te betalen

€ 35.325,63, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 14 juli 2019 tot de dag van volledige betaling, bij niet betaling aan te vullen met 212 dagen gijzeling;

- bepaalt dat verdachte van zijn verplichting tot het vergoeden van schade is bevrijd als hij op een van de hiervoor beschreven manieren de schade aan de benadeelde dan wel aan de Staat heeft vergoed;

[aangever 1]

  • -

    wijst de vordering van [aangever 1] toe tot een bedrag van € 500,- (materiële schade) en veroordeelt verdachte tot betaling van dat bedrag aan [aangever 1] , vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 15 juli 2019 tot de dag van volledige betaling;

  • -

    veroordeelt verdachte in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil;

  • -

    legt verdachte de verplichting op ten behoeve van [aangever 1] aan de Staat te betalen

€ 500,- vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 15 juli 2019 tot de dag van volledige betaling, bij niet betaling aan te vullen met 3 dagen gijzeling;

  • -

    bepaalt dat verdachte van zijn verplichting tot het vergoeden van schade is bevrijd als hij op een van de hiervoor beschreven manieren de schade aan de benadeelde dan wel aan de Staat heeft vergoed;

  • -

    verklaart de benadeelde partij voor wat betreft het meer gevorderde niet-ontvankelijk in de vordering en bepaalt dat de vordering voor dat deel kunnen worden aangebracht bij de burgerlijke rechter;

[aangever 3]

  • -

    wijst de vordering van [aangever 3] toe tot een bedrag van € 11,- (materiële schade) en veroordeelt verdachte tot betaling van dat bedrag aan [aangever 3] , vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 10 juli 2019 tot de dag van volledige betaling;

  • -

    veroordeelt verdachte in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil;

  • -

    legt verdachte de verplichting op ten behoeve van [aangever 1] aan de Staat te betalen € 11,- vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 10 juli 2019 tot de dag van volledige betaling, bij niet betaling aan te vullen met 1 dag gijzeling;

  • -

    bepaalt dat verdachte van zijn verplichting tot het vergoeden van schade is bevrijd als hij op een van de hiervoor beschreven manieren de schade aan de benadeelde dan wel aan de Staat heeft vergoed;

  • -

    verklaart de benadeelde partij voor wat betreft het meer gevorderde (immaterieel) niet-ontvankelijk in de vordering en bepaalt dat de vordering voor dat deel kunnen worden aangebracht bij de burgerlijke rechter;

[benadeelde 3]

  • -

    verklaart de benadeelde partij [benadeelde 3] niet-ontvankelijk in de vordering en bepaalt dat haar vordering kan worden aangebracht bij de burgerlijke rechter;

  • -

    compenseert de proceskosten van benadeelde partij [benadeelde 3] en verdachte, in die zin dat ieder zijn eigen kosten draagt;

[benadeelde 4]

  • -

    verklaart de benadeelde partij [benadeelde 4] niet-ontvankelijk in de vordering en bepaalt dat haar vorderingen kan worden aangebracht bij de burgerlijke rechter;

  • -

    compenseert de proceskosten van benadeelde partij [benadeelde 4] en verdachte, in die zin dat ieder zijn eigen kosten draagt;

[benadeelde 1]

  • -

    wijst de vordering van [benadeelde 1] toe tot een bedrag van € 24.000,- (materiële schade) en veroordeelt verdachte tot betaling van dat bedrag aan [benadeelde 1] , vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 18 juni 2019 tot de dag van volledige betaling;

  • -

    veroordeelt verdachte in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil;

  • -

    legt verdachte de verplichting op ten behoeve van [aangever 6] aan de Staat te betalen

€ 24.000, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 18 juni 2019 tot de dag van volledige betaling, bij niet betaling aan te vullen met 144 dagen gijzeling;

  • -

    bepaalt dat verdachte van zijn verplichting tot het vergoeden van schade is bevrijd als hij op een van de hiervoor beschreven manieren de schade aan de benadeelde dan wel aan de Staat heeft vergoed;

  • -

    verklaart de benadeelde partij voor wat betreft het meer gevorderde niet-ontvankelijk in de vordering en bepaalt dat de vordering voor dat deel kunnen worden aangebracht bij de burgerlijke rechter;

Vordering tot herroeping voorwaardelijke invrijheidstelling

- wijst de vordering tot herroeping van de voorwaardelijke invrijheidstelling toe en gelast dat de gedeelten van de bij arrest en vonnis onder respectievelijk parketnummers 22-001541-16 en 09-817600-18 opgelegde vrijheidsstraffen die als gevolg van de toepassing van de regeling van voorwaardelijke invrijheidstelling nog niet ten uitvoer zijn gelegd, te weten in totaal 290 dagen, alsnog worden ondergaan;

Vordering tot gevangenneming

- wijst af de vordering tot gevangenneming.

Dit vonnis is gewezen door mr. O.P. van Tricht, voorzitter, mrs. N.M. Spelt en R.G.A. Beaujean, rechters, in tegenwoordigheid van mr. R.S. Wijkstra, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van 23 maart 2020.

Mr. R.G.A. Beaujean is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen

Bijlage: de tenlastelegging

Aan verdachte wordt ten laste gelegd dat:

Parketnummer 16-212603-19

1
hij op of omstreeks 4 augustus 2019 te [woonplaats] , althans in Nederland, een Gazelle Orange C7 (heren)fiets, in elk geval enig goed, dat geheel of ten dele aan een ander toebehoorde, te weten aan [benadeelde 5] , heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl verdachte zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft en/of dat weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van braak en/of verbreking;
( art 310 Wetboek van Strafrecht, art 311 lid 1 ahf/sub 5 Wetboek van Strafrecht )

subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:
hij op of omstreeks 8 augustus 2019 te Blaricum, althans in Nederland, een goed, te weten een Gazelle Orange C7 (heren)fiets heeft verworven, voorhanden gehad, en/of overgedragen, terwijl hij ten tijde van de
verwerving of het voorhanden krijgen van dit goed wist, althans redelijkerwijs had moeten vermoeden dat het een door misdrijf verkregen goed betrof;
( art 416 lid 1 ahf/ond a Wetboek van Strafrecht, art 417bis lid 1 ahf/ond a Wetboek van Strafrecht )

10
hij op of omstreeks 15 juli 2019 te [woonplaats] , althans in Nederland, in/uit een woning gelegen aan de [adres] , één of meer sieraden en/of goederen van zijn gading, in elk geval enig goed, dat geheel of ten dele aan een ander toebehoorde, te weten aan [aangever 1] , heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl verdachte zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft en/of die/dat weg te nemen goed(eren) onder zijn bereik heeft gebracht door middel van braak en/of verbreking en/of inklimming;
( art 310 Wetboek van Strafrecht, art 311 lid 1 ahf/sub 5 Wetboek van Strafrecht )

althans, subsidiair, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen

leiden:

hij op of omstreeks 15 juli 2019 te [woonplaats] , althans in Nederland, ter uitvoering van het door

verdachte voorgenomen misdrijf om in/uit een woning gelegen aan de [adres] , één of

meer goederen van zijn gading, in elk geval enig goed, dat geheel of ten dele aan een ander

toebehoorde, te weten aan [aangever 1] , weg te nemen met het oogmerk om het zich

wederrechtelijk toe te eigenen en zich toegang tot de plaats van het misdrijf te verschaffen

en/of dat/die weg te nemen goed(eren) onder zijn bereik te brengen door middel van braak

en/of verbreking en/of inklimming, immers heeft hij, verdachte, het erf waarop die woning is

gelegen betreden en/of die woning (al dan niet met een ladder) beklommen en/of een

(afgesloten) raam geforceerd en/of door dat/een raam naar binnen is geklommen, althans de

woning heeft betreden, en/of een of meerdere kamers en/of kasten in die woning doorzocht,

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

( art 310 Wetboek van Strafrecht, art 311 lid 1 ahf/sub 5 Wetboek van Strafrecht, art 45 lid 1 Wetboek van Strafrecht )

12
hij op of omstreeks 18 juli 2019 te [woonplaats] , althans in Nederland, in/uit een woning gelegen aan de [adres] te [woonplaats] , één of meer sieraden en/of één of meer goederen van zijn gading, in elk geval enig goed, dat geheel of ten dele aan een ander toebehoorde, te weten aan [aangever 8] , heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl verdachte zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft en/of die/dat weg te nemen goed(eren) onder zijn bereik heeft gebracht door middel van braak en/of verbreking en/of inklimming;
( art 310 Wetboek van Strafrecht, art 311 lid 1 ahf/sub 5 Wetboek van Strafrecht )

althans, subsidiair, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen

leiden:

hij op of omstreeks 18 juli 2019 te [woonplaats] , althans in Nederland, ter uitvoering van het door

verdachte voorgenomen misdrijf om in/uit een woning gelegen aan de [adres] , één of

meer goederen van zijn gading, in elk geval enig goed, dat geheel of ten dele aan een ander

toebehoorde, te weten aan [aangever 8] , weg te nemen met het oogmerk om het zich

wederrechtelijk toe te eigenen en zich toegang tot de plaats van het misdrijf te verschaffen

en/of dat/die weg te nemen goed(eren) onder zijn bereik te brengen door middel van braak

en/of verbreking en/of inklimming, immers heeft hij, verdachte, het erf waarop die woning is

gelegen betreden en/of een uitbouw heeft beklommen en/of een (afgesloten) raam geforceerd

en/of door dat/een raam naar binnen is geklommen, althans de woning heeft betreden, en/of

een of meerdere kamers in die woning doorzocht, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen

misdrijf niet is voltooid;

( art 310 Wetboek van Strafrecht, art 311 lid 1 ahf/sub 5 Wetboek van Strafrecht, art 45 lid 1 Wetboek van Strafrecht )


Parketnummer 16-304292-19
1
hij op of omstreeks 10 juli 2019 te [woonplaats] , althans in Nederland, in/uit een woning gelegen aan de [adres] , één of meer sieraden en/of goederen van zijn gading, in elk geval enig goed, dat geheel of ten dele aan een ander toebehoorde, te weten aan [benadeelde 2] , heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl verdachte zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft en/of die/dat weg te nemen goed(eren) onder zijn bereik heeft gebracht door middel van braak en/of verbreking en/of inklimming;
( art 310 Wetboek van Strafrecht, art 311 lid 1 ahf/sub 5 Wetboek van Strafrecht )

3
hij op of omstreeks 8 juli 2019 te [woonplaats] , althans in Nederland, in/uit een woning gelegen aan de [adres] , één of meer sieraden en/of goederen van zijn gading, in elk geval enig goed, dat geheel of ten dele aan een ander toebehoorde, te weten aan [aangever 2] , heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl verdachte zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft en/of die/dat weg te nemen goed(eren) onder zijn bereik heeft gebracht door middel van braak en/of verbreking en/of inklimming;
( art 310 Wetboek van Strafrecht, art 311 lid 1 ahf/sub 5 Wetboek van Strafrecht )

4
hij op of omstreeks 10 juli 2019 te [woonplaats] , althans in Nederland, in/uit een woning gelegen aan de [adres] , één of meer sieraden en/of goederen van zijn gading, in elk geval enig goed, dat geheel of ten dele aan een ander toebehoorde, te weten aan [aangever 3] , heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl verdachte zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft en/of die/dat weg te nemen goed(eren) onder zijn bereikheeft gebracht door middel van braak en/of verbreking en/of inklimming;
( art 310 Wetboek van Strafrecht, art 311 lid 1 ahf/sub 5 Wetboek van Strafrecht )

5
hij op of omstreeks 12 juli 2019 te [woonplaats] , gemeente [woonplaats] , althans in Nederland, in/uit een woning gelegen aan de [adres] , één of meer sieraden en/of goederen van zijn gading, in elk geval enig goed, dat geheel of ten dele aan een ander toebehoorde, te weten aan [benadeelde 4] , heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl verdachte zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft en/of die/dat weg te nemen goed(eren) onder zijn bereik heeft gebracht door middel van braak en/of verbreking en/of inklimming;
( art 310 Wetboek van Strafrecht, art 311 lid 1 ahf/sub 5 Wetboek van Strafrecht )

6
hij in of omstreeks de periode gelegen tussen 11 juli 2019 tot en met 14 juli 2019 te [woonplaats] , gemeente Woensdrecht, althans in Nederland, in/uit een woning gelegen aan de [adres] , één of meer sieraden en/of schoenen en/of goederen van zijn gading, in elk geval enig goed, dat geheel of ten dele aan een ander toebehoorde, te weten aan [benadeelde 6] , heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl verdachte zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft en/of die/dat weg te nemen goed(eren) onder zijn bereik heeft gebracht door middel van braak en/of verbreking en/of inklimming;
( art 310 Wetboek van Strafrecht, art 311 lid 1 ahf/sub 5 Wetboek van Strafrecht )

7
hij op of omstreeks 13 juli 2019 te [woonplaats] , gemeente [woonplaats] , althans in Nederland, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om in/uit een woning gelegen aan de [adres] , één of meer goederen van zijn gading, in elk geval enig goed, dat geheel of ten dele aan een ander toebehoorde, te weten aan [aangever 4] , weg te nemen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen en zich toegang tot de plaats van het misdrijf te verschaffen en/of dat/die weg te nemen goed(eren) onder zijn bereik te brengen door middel van braak en/of verbreking en/of inklimming, immers heeft hij, verdachte, de tuin betreden en/of door het raam naar binnen gekeken en/of handschoenen aangetrokken en/of een ruit ingeslagen, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf
niet is voltooid;
( art 310 Wetboek van Strafrecht, art 311 lid 1 ahf/sub 5 Wetboek van Strafrecht, art 45 lid 1 Wetboek van Strafrecht )

8
hij op of omstreeks 13 juli 2019 te [woonplaats] , gemeente Woensdrecht, althans in Nederland, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om in/uit een woning gelegen aan de [adres] , één of meer goederen van zijn gading, in elk geval enig goed, dat geheel of ten dele aan een ander toebehoorde, te weten aan [benadeelde 7] , weg te nemen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen en zich toegang tot de plaats van het misdrijf te verschaffen en/of dat/die weg te nemen goed(eren) onder zijn bereik te brengen door middel van braak en/of verbreking en/of inklimming, immers heeft hij, verdachte, de tuin betreden en/of door het raam naar binnen gekeken en/of handschoenen aangetrokken, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
( art 310 Wetboek van Strafrecht, art 311 lid 1 ahf/sub 5 Wetboek van Strafrecht, art 45 lid 1 Wetboek van Strafrecht )

9
hij op of omstreeks 13 juli 2019 te [woonplaats] , althans in Nederland, in/uit een woning gelegen aan de [adres] , één of meer sieraden en/of goederen van zijn gading, in elk geval enig goed, dat geheel of ten dele aan een ander toebehoorde, te weten aan [aangever 5] , heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl verdachte zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft en/of die/dat weg te nemen goed(eren) onder zijn bereik heeft gebracht door middel van braak en/of verbreking en/of inklimming;
( art 310 Wetboek van Strafrecht, art 311 lid 1 ahf/sub 5 Wetboek van Strafrecht )

10
hij op of omstreeks 14 juli 2019 te [woonplaats] , althans in Nederland, in/uit een woning gelegen aan de [adres] , één of meer sieraden en/of goederen van zijn gading, in elk geval enig goed, dat geheel of ten dele aan een ander toebehoorde, te weten aan [aangever 6] , heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl verdachte zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft en/of die/dat weg te nemen goed(eren) onder zijn bereik heeft gebracht door middel van braak en/of verbreking en/of inklimming;
( art 310 Wetboek van Strafrecht, art 311 lid 1 ahf/sub 5 Wetboek van Strafrecht )

11
hij op of omstreeks 15 juli 2019 te [woonplaats] , althans in Nederland, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om in/uit een woning gelegen aan de [adres] , één of meer goederen van zijn gading, in elk geval enig goed, dat geheel of ten dele aan een ander toebehoorde, te weten aan [benadeelde 8] , weg te nemen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen en zich toegang tot de plaats van het misdrijf te verschaffen en/of dat/die weg te nemen goed(eren) onder zijn bereik te brengen door middel van braak en/of verbreking en/of inklimming, immers is en/of heeft hij, verdachte, de tuin betreden en/of via de regenpijp naar boven geklommen en/of naar et openslaande raam toegelopen, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
( art 310 Wetboek van Strafrecht, art 311 lid 1 ahf/sub 5 Wetboek van Strafrecht, art 45 lid 1 Wetboek van Strafrecht )

13
hij op of omstreeks 30 juli 2019 te Lisse, althans in Nederland, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om één of meer goederen van zijn gading, in elk geval enig(e) goed(eren), die/dat geheel of ten dele aan een ander toebehoorde, te weten aan [aangever 7] , weg te nemen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen en zich toegang tot de plaats van het misdrijf te verschaffen en/of dat/die weg te nemen goed(eren) onder zijn bereik te brengen door middel van braak en/of verbreking en/of inklimming, immers is en/of heeft hij, verdachte, de tuin van voornoemde [aangever 7] betreden en/of via de dakgoot naar boven geklommen en/of een raam heeft geforceerd, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
( art 310 Wetboek van Strafrecht, art 311 lid 1 ahf/sub 5 Wetboek van Strafrecht, art 45 lid 1 Wetboek van Strafrecht )

14
hij in of omstreeks de periode gelegen tussen 14 augustus 2019 en 16 augustus 2019 te [woonplaats] , althans in Nederland, in/uit een woning gelegen aan de [adres] te [woonplaats] , één of meer sieraden en/of één of meer goederen van zijn gading, in elk geval enig goed, dat geheel of ten dele aan een ander toebehoorde, te weten aan [benadeelde 3] , heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl verdachte zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft en/of die/dat weg te nemen goed(eren) onder zijn bereik heeft gebracht door middel van braak en/of verbreking en/of inklimming;
( art 310 Wetboek van Strafrecht, art 311 lid 1 ahf/sub 5 Wetboek van Strafrecht )

15
hij op één of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 8 juli 2019 tot en met 3 september 2019 te Amsterdam, althans in Nederland, (van) één of meer voorwerp(en), te weten
- een boot (Merk: Bayliner Type: Ciera Sunbridge registratienummer
[registratienummer] op naam van [benadeelde 9] ) en/of
- een personenauto (merk: Opel Adam [kenteken] ) en/of
- één of meer geldbedragen van in totaal € 6071,30 euro, althans enig
geldbedrag,
- de werkelijke aard, de herkomst, de vindplaats, de vervreemding en/of de verplaatsing heeft verborgen en/of verhuld, en/of heeft verborgen en/of verhuld wie de rechthebbende op een voorwerp, te weten een boot en/of een personenauto en/of een geldbedrag van in totaal € 6071,30 euro, was, en/of heeft verborgen en/of verhuld wie een voorwerp, te weten een boot en/of een personenauto en/of een geldbedrag van in totaal € 6071,30 euro, voorhanden heeft gehad en/of
- heeft verworven, voorhanden gehad, overgedragen en/of omgezet, en/of van (een) voorwerp(en), te weten een boot en/of een personenauto en/of een geldbedrag gebruik heeft gemaakt, terwijl hij wist, althans redelijkerwijs moest vermoeden dat dat voorwerp geheel of gedeeltelijk - onmiddellijk of middellijk - afkomstig was uit enig misdrijf;
art 420bis lid 1 ahf/ond a Wetboek van Strafrecht, art 420quatr lid 1 ahf/ond a Wetboek van Strafrecht
( art 420bis lid 1 ahf/ond b Wetboek van Strafrecht, art 420quatr lid 1 ahf/ond b Wetboek van Strafrecht )

subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:
hij op één of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 8 juli 2019 tot en met 3 september 2019 te Amsterdam, althans in Nederland, één of meer voorwerp(en), te weten
- een boot (Merk: Bayliner Type: Ciera Sunbridge registratienummer
[registratienummer] op naam van [benadeelde 9] ) en/of
- een personenauto (merk: Opel Adam [kenteken] ) en/of
- één of meer geldbedragen van in totaal € 6071,30 euro, althans enig geldbedrag, heeft verworven en/of voorhanden heeft gehad terwijl hij, verdachte, wist althans redelijkerwijs moest vermoeden dat dat voorwerp onmiddellijk afkomstig was uit enig eigen misdrijf;
( art 420bis.1 Wetboek van Strafrecht, art 420qtr.1 Wetboek van Strafrecht )

Parketnummer 16-055599-20
hij op of omstreeks 18 juni 2019 te [woonplaats] , in elk geval in Nederland, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening in/uit een woning (aan de [adres] ) heeft weggenomen een of meerdere sieraden, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [benadeelde 1] , in elk geval aan een ander dan aan verdachte, waarbij verdachte zich de toegang tot de plaats des misdrijf heeft verschaft en/of de/het weg te nemen goed(ederen) tot zijn bereik heeft gebracht door middel van braak en/of verbreking en/of inklimming te weten door
- naar voornoemde woning toe te gaan en/of
- een ruit op de eerste verdieping te vernielen en/of in te gooien en/of
- (vervolgens) door die opengebroken ruit de woning binnen te gaan;
(Artikel art 310 Wetboek van Strafrecht, art 311 lid 1 ahf/sub 3 Wetboek van Strafrecht

1 Wanneer hierna wordt verwezen naar paginanummers betreft dit pagina’s van op ambtseed of ambtsbelofte opgemaakte processen-verbaal. Tenzij anders vermeld zijn deze processen-verbaal als bijlagen opgenomen bij het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal, documentcode 20190808.1340, 20190916.1249.9764, 20191021.1450 en 20191212.1103 (onderzoek 14STUK), opgemaakt door de districtsrecherche Gooi en Vechtstreek, doorgenummerd 1 tot en met 519 en proces-verbaal genummerd PL0900-2019114893, opgemaakt door de politie Noord-Holland, ongenummerd. Tenzij anders vermeld, zijn dit processen-verbaal in de wettelijke vorm opgemaakt door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren. Waar mogelijk wordt volstaan met een verkorte en zakelijke weergave.

2 Een proces-verbaal aangifte van [aangever 8] van 19 juli 2019, p. 45.

3 Een proces-verbaal van bevindingen van 18 juli 2019, p. 53.

4 Een proces-verbaal van bevindingen van 26 augustus 2019, p. 56.

5 Een proces-verbaal van bevindingen van 26 augustus 2019, p. 59.

6 Een proces-verbaal van verhoor van getuige [getuige 1] van 5 september 2019, p. 115.

7 Een proces-verbaal van verhoor van verdachte van 3 september 2019, p. 91.

8 Een proces-verbaal van bevindingen (bevindingen Track en Trace) van 9 september 2019, p. 179 en een proces-verbaal van verhoor van getuige [getuige 3] van 4 september 2019, p. 212-213.

9 Een proces-verbaal van bevindingen (overeenkomsten track en trace en bankgegevens verdachte) van 11 september 2019, p. 210-211.

10 Een proces-verbaal van bevindingen (resultaat analyse zendmast/track en trace/woninginbraak) van 26 november 2019, p. 257-259.

11 Een proces-verbaal aangifte van [aangever 1] , p. 8.

12 Een proces-verbaal van bevindingen van 30 juli 2019, p. 11.

13 Een proces-verbaal van bevindingen van 12 augustus 2019, p. 14.

14 Een proces-verbaal herkenning persoon door opsporingsambtenaar van 1 augustus 2019, p. 28.

15 Een proces-verbaal van bevindingen van 10 september 2019, p. 222.

16 Een proces-verbaal van bevindingen (Track en Trace) van 9 september 2019, p. 177.

17 Een proces-verbaal van bevindingen van 30 juli 2019, p. 11.

18 Een proces-verbaal aangifte van [aangever 2] van 24 juli 2019, p. 315.

19 Proces-verbaal aangifte van [aangever 2] van 24 juli 2019, p. 316.

20 Proces-verbaal aangifte van [aangever 2] van 24 juli 2019, p. 316 in combinatie met p. 324.

21 Een proces-verbaal van bevindingen (track en trace) van 9 september 2019, p. 178.

22 Een proces-verbaal van bevindingen (resultaat analyse zendmast/track en trace/woninginbraak) van 26 november 2019, p. 257.

23 Proces-verbaal van bevindingen (resultaat analyse zendmast/track en trace/woninginbraak) van 26 november 2019, p. 258.

24 Een proces-verbaal aangifte van [aangever 3] van 11 juli 2019, p. 330.

25 Een proces-verbaal van bevindingen (track en trace) van 9 september 2019, p. 178.

26 Een proces-verbaal van bevindingen (resultaat analyse zendmast/track en trace/woninginbraak) van 26 november 2019, p. 257.

27 Proces-verbaal van bevindingen (resultaat analyse zendmast/track en trace/woninginbraak) van 26 november 2019, p. 258.

28 Proces-verbaal van bevindingen van 12 december 2019, p. 397.

29 Een proces-verbaal aangifte van [aangever 4] van 13 juli 2019, p. 387.

30 Een proces-verbaal van bevindingen van 14 juli 2019, p. 391.

31 Een proces-verbaal van bevindingen (track en trace) van 9 september 2019, p. 179.

32 Een proces-verbaal aangifte van [aangever 5] van 14 juli 2019, p. 380.

33 Proces-verbaal aangifte van [aangever 5] van 14 juli 2019, p. 381.

34 Een proces-verbaal van bevindingen (track en trace) van 9 september 2019, p. 178.

35 Een proces-verbaal aangifte van [aangever 6] van 15 juli 2019, p. 360.

36 Proces-verbaal aangifte van [aangever 6] van 15 juli 2019, p. 361.

37 Een proces-verbaal van bevindingen (track en trace) van 9 september 2019, p. 178 en 190-191.

38 Een proces-verbaal van bevindingen (resultaat analyse zendmast/track en trace/woninginbraak) van 26 november 2019, p. 257.

39 Proces-verbaal van bevindingen (resultaat analyse zendmast/track en trace/woninginbraak) van 26 november 2019, p. 258.

40 Een proces-verbaal aangifte van [aangever 7] van 16 augustus 2019, p. 223.

41 Proces-verbaal aangifte van [aangever 7] van 16 augustus 2019, p. 224.

42 Een proces-verbaal van bevindingen van 13 augustus 2019, p. 230.

43 Een proces-verbaal van bevindingen van 27 augustus 2019, p. 235.

44 Een proces-verbaal aangifte van [aangever 8] van 19 juli 2019, p. 45-46.

45 Een proces-verbaal van bevindingen van 19 juli 2019, p. 46.

46 Een proces-verbaal van bevindingen van 18 juli 2019, p. 53.

47 Een proces-verbaal aangifte van [benadeelde 1] van 18 juni 2019, blad 5 van dossier PL0900-2019114893.

48 Proces-verbaal aangifte van [benadeelde 1] van 18 juni 2019, blad 6 van dossier PL0900-2019114893.

49 Proces-verbaal aangifte van [benadeelde 1] van 18 juni 2019, blad 7 t/m 12 van dossier PL0900-2019114893.

50 Een proces-verbaal van bevindingen van 18 juni 2019 (opgemaakt door verbalisant [verbalisant 1] ), blad 1 en 2 van dossier PL1100-2019114893-3.

51 Een proces-verbaal van bevindingen van 18 juni 2019 (opgemaakt door verbalisanten [verbalisant 2] en [verbalisant 3] ), blad 1 van dossier PL0900-2019114893.

52 Een proces-verbaal vooronderzoek lab, blad 1 en 2 van het dossier PL0900-2019114893.

53 Een geschrift, te weten een NFI-rapport van 4 oktober 2019, opgemaakt door L.W.J. Grol, NFI-deskundige forensisch DNA-onderzoek.

54 Een proces-verbaal uitslag sporenonderzoek van 10 februari 2020 van het dossier PL0900-2019114893.

55 Een proces-verbaal aangifte van [aangever 9] namens [benadeelde 5] van 3 september 2019, p. 75 in combinatie met p. 77.

56 Een proces-verbaal van bevindingen van 8 augustus 2019, p. 66.

57 Een proces-verbaal van bevindingen van 8 augustus 2019, p. 68.

58 Een proces-verbaal van bevindingen van 28 augustus 2019, p. 69.

59 Een geschrift, te weten een NFI-rapport van 3 december 2019, opgemaakt door S. van Soest, NFI-deskundige forensisch DNA-onderzoek van biologische sporen en DNA, p. 398.