Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2020:1053

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
20-03-2020
Datum publicatie
20-03-2020
Zaaknummer
16/214156-19 (P)
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Een 49-jarige docent uit Warnsveld, die vorig jaar ontucht heeft gepleegd met een minderjarig meisje, is veroordeeld tot een gevangenisstraf van 24 maanden, waarvan 6 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 3 jaar. Dat heeft de rechtbank Midden-Nederland besloten. Ook mag de man geen les meer geven aan minderjarigen, moet hij zich laten behandelen en mag hij geen contact meer hebben met het slachtoffer.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Strafrecht

Zittingsplaats Lelystad

Parketnummer: 16/214156-19 (P)

Vonnis van de meervoudige kamer van 20 maart 2020

in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren op [1970] te [geboorteplaats] ,

verblijvende te [woonplaats] , [adres] ,

hierna: verdachte.

1 ONDERZOEK TER TERECHTZITTING

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 20 december 2019 en 6 maart 2020.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering en standpunten van officier van justitie mr. T. Tanghe en van hetgeen verdachte en zijn raadsvrouw mr. W. Koopmans, advocaat te Groningen, alsmede de benadeelde partij [benadeelde] en de advocaat van de benadeelde partij [slachtoffer] , mr. J.A. Neslo, naar voren hebben gebracht.

2 TENLASTELEGGING

De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht.

De verdenking komt er, kort en zakelijk weergegeven, op neer dat verdachte:

primair

in de periode van 1 juni 2019 tot en met 2 september 2019 in Almere met een meisje dat de leeftijd van twaalf maar nog niet die van zestien jaren had bereikt, meermalen ontuchtige handelingen heeft gepleegd, die mede hebben bestaan uit het binnendringen van haar lichaam, terwijl verdachte de docent van dat meisje was;

subsidiair

in de periode van 1 juni 2019 tot en met 2 september 2019 in Almere met een meisje dat de leeftijd van zestien jaren nog niet had bereikt, meermalen ontuchtige handelingen heeft gepleegd;

meer subsidiair

in de periode van 1 juni 2019 tot en met 3 september 2019 in Almere meermalen ontucht heeft gepleegd met een meisje dat aan zijn opleiding was toevertrouwd, immers was hij docent/leraar op de school waar het meisje leerling was.

3 VOORVRAGEN

De dagvaarding is geldig, de rechtbank is bevoegd tot kennisneming van het tenlastegelegde, de officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging van verdachte en er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging.

4 WAARDERING VAN HET BEWIJS

4.1

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zijn standpunt verwoord in een ter terechtzitting overgelegd schriftelijk requisitoir. De officier van justitie acht het primair ten laste gelegde feit wettig en overtuigend te bewijzen en baseert zich op de bekennende verklaring van verdachte zoals die ter terechtzitting is afgelegd en op de processen-verbaal zoals deze zich in het dossier bevinden.

4.2

Het standpunt van de verdediging

De raadvrouw heeft haar standpunt verwoord in de ter terechtzitting overgelegde pleitnota. De raadsvrouw heeft zich ten aanzien van het primair ten laste gelegde feit gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank. De raadsvrouw heeft met betrekking tot de pleegperiode betoogd dat niet de gehele ten laste gelegde pleegperiode bewezen kan worden verklaard, maar enkel de maanden juni tot en met juli 2019.

4.3

Het oordeel van de rechtbank

Bewijsmiddelen 1

Ten aanzien van het primair ten laste gelegde feit

Het feit is door verdachte begaan. Verdachte heeft het primair ten laste gelegde feit bekend. De raadsvrouw heeft geen vrijspraak voor het primaire feit bepleit. De rechtbank volstaat onder deze omstandigheden met een opsomming van de volgende bewijsmiddelen:

  • -

    de bekennende verklaring van verdachte zoals afgelegd ter terechtzitting van 20 december 2019 en 6 maart 2020;

  • -

    de in de wettelijke vorm opgemaakte processen-verbaal van verhoor van getuige [slachtoffer] van 7 september 2019 en 27 september 2019, opgemaakt door de politie Eenheid Midden-Nederland.2

Bewijsoverweging

De rechtbank is van oordeel dat voor de bewezen te verklaren pleegperiode aansluiting dient te worden gezocht bij hetgeen verdachte zelf ter terechtzitting van 6 maart 2020 heeft verklaard en hetgeen het minderjarige slachtoffer daarover bij de politie heeft verklaard. Verdachte verklaart – samengevat – dat de verliefde gevoelens voor het slachtoffer begin juni tot uiting zijn gekomen. Het slachtoffer verklaart dat verdachte en zij in juni voor het eerst seksueel contact met elkaar hebben gehad.3 Volgens verdachte hebben de meeste ten laste gelegde ontuchtige handelingen plaatsgevonden voorafgaand aan de vakantie van het slachtoffer die begon op 19 juli 2019. Na 19 juli 2019 is het intieme contact tussen hem en het slachtoffer langzaam afgebouwd en vanaf het moment van aangifte van de moeder van het slachtoffer op 4 september 2019 is het intieme contact gestopt. Op basis van het voorgaande acht de rechtbank de gehele ten laste gelegde pleegperiode wettig en overtuigend bewezen.

5 BEWEZENVERKLARING

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte:

in de periode gelegen tussen 1 juni 2019 tot en met 2 september 2019 te Almere, met [slachtoffer] , geboren op [2003] , die de leeftijd van twaalf, maar nog niet die van zestien jaren had bereikt, buiten echt, terwijl hij een docent van voornoemde [slachtoffer] was, meermalen ontuchtige handelingen heeft gepleegd, die mede hebben bestaan uit het seksueel binnendringen van het lichaam, immers heeft hij meermalen, althans eenmaal (telkens)

- die [slachtoffer] getongzoend en/of

- zich in het bijzijn van die [slachtoffer] afgetrokken en/of

- zich door die [slachtoffer] laten aftrekken en/of

- zich door die [slachtoffer] laten betasten van zijn penis en/of ballen en/of

- haar borsten, billen en vagina betast en/of

- haar vagina gelikt en/of

- haar met zijn penis en/of één of meer vingers vaginaal gepenetreerd.

Voor zover in het bewezen verklaarde deel van de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet in de verdediging geschaad.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd is niet bewezen. Verdachte wordt hiervan vrijgesproken.

6 STRAFBAARHEID VAN HET FEIT

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezenverklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.

Het bewezenverklaarde levert volgens de wet het volgende strafbare feit op:

met iemand die de leeftijd van twaalf jaren maar nog niet die van zestien jaren heeft bereikt, buiten echt, ontuchtige handelingen plegen die bestaan uit of mede bestaan uit het seksueel binnendringen van het lichaam, terwijl de schuldige het feit begaat tegen een aan zijn zorg, opleiding of waakzaamheid toevertrouwde minderjarige, meermalen gepleegd.

7 STRAFBAARHEID VAN VERDACHTE

Uit de Pro Justitia-rapportage van 12 november 2019, opgemaakt door GZ-psycholoog M. van Heteren, volgt niet dat de bewezen geachte feiten aan verdachte in het geheel niet kunnen worden toegerekend. Er is ook overigens niet gebleken van feiten of omstandigheden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. Verdachte is strafbaar.

8 OPLEGGING VAN STRAF

8.1

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd verdachte ter zake van het door hem bewezen geachte te veroordelen tot een gevangenisstraf van 30 maanden, met aftrek van het voorarrest, waarvan een gedeelte van zes maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van drie jaren, met als bijzondere voorwaarden de voorwaarden zoals geadviseerd in het advies van Reclassering Nederland van 17 december 2019.

De officier van justitie heeft voorts gevorderd de bijzondere voorwaarden en het uit te oefenen toezicht dadelijk uitvoerbaar te verklaren, zodat het contact met de reclassering en de behandeling van verdachte, zij het in een andere vorm, doorgang kan vinden in detentie.

8.2

Het standpunt van de verdediging

De raadvrouw heeft haar standpunt verwoord in de ter terechtzitting overgelegde pleitnota. De raadsvrouw heeft – zakelijk weergegeven – de rechtbank verzocht om bij de strafoplegging rekening te houden met alle feiten en omstandigheden van het geval, waaronder de verklaring van het slachtoffer dat sprake was van vrijwilligheid. Daarnaast heeft zij gewezen op het feit dat verdachte kan worden gezien als een first offender en uit het psychologisch onderzoek naar voren is gekomen dat verdachte verminderd toerekeningsvatbaar is. Zij voert tevens aan dat verdachte sinds de schorsing van zijn voorlopige hechtenis een klinische opname bij de Forensische Psychiatrische Afdeling (FPA) De Boog ondergaat. Als laatste verzoekt zij bij de strafoplegging rekening te houden met de persoonlijke omstandigheden van verdachte en de gevolgen die het strafbare feit reeds voor hem hebben gehad. De raadsvrouw verzoekt een gevangenisstraf op te leggen waarvan het onvoorwaardelijke deel gelijk is aan de duur van het voorarrest. Verdachte is bereid zich aan de voorwaarden te houden zoals deze door de reclassering zijn geadviseerd.

8.3

Het oordeel van de rechtbank

Bij het bepalen van de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de ernst van het bewezenverklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals van één en ander ter terechtzitting is gebleken. Daarbij heeft de rechtbank in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

Ernst van het feit

Verdachte, destijds 48 dan wel 49 jaar oud, heeft meermalen seksueel contact gehad met een minderjarig meisje dat toen vijftien jaar oud was. Dat is een ernstig feit.

Verdachte was werkzaam als docent op de middelbare school van het slachtoffer. Zij zocht steun bij hem, omdat zij in een moeilijke thuissituatie zat. Zij bevond zich in een kwetsbare positie; haar vader was net overleden en haar zusje was ernstig ziek. Het slachtoffer had een lastige relatie met haar moeder, en zocht een vaderfiguur in verdachte. Hij vervulde een rol als haar vertrouwenspersoon, maar stond als docent met haar ook in een gezagsverhouding. Het contact tussen verdachte en het slachtoffer groeide uit tot een, volgens verdachte, wederzijdse liefdesrelatie. In die relatie is meermalen sprake geweest van vergaand seksueel contact, waaronder geslachtsgemeenschap. Verdachte was voorafgaand en tijdens de bewezenverklaarde periode door de schoolleiding gewaarschuwd dat hij te ‘close’ was met het slachtoffer. Hij heeft de relatie met het slachtoffer desondanks laten ontstaan en wekenlang laten voortduren. Het seksuele contact is pas beëindigd toen de moeder van het slachtoffer daar kennis van kreeg en ingreep.

Tussen verdachte en het slachtoffer bestond dus een ongelijke positie en gezagsrelatie, niet alleen door het aanzienlijke leeftijdsverschil, maar ook door de relatie docent-leerling. Verdachte was in zijn hoedanigheid van docent op de hoogte van haar persoonlijke problemen en haar (emotionele) kwetsbaarheid. Verdachte had, als meerderjarige man, zijn verantwoordelijkheid moeten kennen en het slachtoffer tegen zichzelf in bescherming moeten nemen, ondanks dat zij instemde met het seksueel contact. Verdachte had er rekening mee moeten houden dat het slachtoffer, net als iedere vijftienjarige, kwetsbaar is op het gebied van seksualiteit, zodat het gedrag van verdachte op een bepaald moment tot (ernstige) psychologische problemen bij haar kan leiden. Minderjarigen dienen hiertegen beschermd te worden. Verdachte heeft een ernstige inbreuk gemaakt op de lichamelijke en geestelijke ontwikkeling en integriteit van het minderjarige slachtoffer en met zijn handelwijze haar normale en gezonde seksuele ontwikkeling ernstig doorkruist. De rechtbank rekent dit verdachte aan.

Verdachte heeft door zijn handelwijze ook schade aan zijn beroepsgroep toegebracht en ernstig inbreuk gemaakt op het vertrouwen dat ouders van minderjarigen in hem als docent stelden, maar ook het vertrouwen dat de schoolleiding in hem stelde toen hij als docent de minderjarigen onder zijn hoede had.

Persoon van verdachte

De rechtbank heeft kennisgenomen van een uittreksel uit het Justitieel Documentatieregister van 27 december 2019, waaruit blijkt dat verdachte niet eerder is veroordeeld voor enig strafbaar feit.

Uit de Pro Justitia rapportage van 12 november 2019, opgemaakt door GZ-psycholoog M. van Heteren, volgt dat bij verdachte sprake is van een autismespectrumstoornis en epilepsie. Deze stoornissen waren ook aanwezig ten tijde van de ten laste gelegde feiten en hebben de gedragskeuzes en gedragingen van de verdachte beïnvloed. De rechtbank volgt de conclusies van de deskundige en is van oordeel dat het hiervoor bewezenverklaarde verminderd aan verdachte kan worden toegerekend.

De rechtbank heeft tevens acht geslagen op het aanvullend reclasseringsadvies van 28 februari 2020, waarin de reclassering adviseert om bij een bewezenverklaring aan verdachte een (deels) voorwaardelijke straf met bijzondere voorwaarden op te leggen.

Straf

De rechtbank is van oordeel dat het bewezenverklaarde feit vanuit een oogpunt van normbevestiging en generale preventie in beginsel een geheel onvoorwaardelijke gevangenisstraf rechtvaardigt. De rechtbank acht het echter ook van groot belang dat de verdachte zich laat opnemen, zich klinisch laat observeren en zich - indien geïndiceerd - (klinisch) laat behandelen bij een forensisch psychiatrische afdeling, teneinde het recidivegevaar te minimaliseren.

De rechtbank zal daarom een deel van de gevangenisstraf voorwaardelijk opleggen - met een proeftijd van drie jaren - en daarbij de voorwaarden opleggen als nader in het dictum aangegeven, waaronder een contactverbod, een klinische opname- en behandelverplichting en een verbod werkzaam te zijn als docent. Het door de reclassering geadviseerde ‘algemene contactverbod met minderjarigen’ zal niet worden opgelegd, omdat de rechtbank deze voorwaarde onuitvoerbaar acht.

Naar het oordeel van de rechtbank zijn uit de processtukken en het onderzoek ter terechtzitting onvoldoende feiten en omstandigheden naar voren gekomen om het door de officier van justitie gevorderde bevel tot dadelijke uitvoerbaarheid van die voorwaarden te kunnen rechtvaardigen.

9 Voorlopige hechtenis

De vordering en het standpunt van de verdediging

De officier van justitie heeft bij gelegenheid van zijn requisitoir gevorderd dat de rechtbank aan verdachte een gevangenisstraf zal opleggen. Hij heeft die vordering vergezeld doen gaan van een andere vordering, te weten de opheffing van de schorsing van het bevel tot verdachtes voorlopige hechtenis. Hiertoe heeft hij aangevoerd dat indien verdachte wordt veroordeeld, krachtens artikel 75 lid 1 van het Wetboek van Strafvordering een grond bestaat voor de voorlopige hechtenis. Na veroordeling berust de vrijheidsbeneming niet langer op artikel 5 lid 1 onder c van het Europees Verdrag van de Rechten van de Mens, maar op sub a van dat artikel. Dit betekent dat ten aanzien van het al dan niet laten voortduren van de schorsing van de voorlopige hechtenis ook een andere afweging dient te worden gemaakt. Op grond van het arrest van het Hof ’s-Hertogenbosch van 1 augustus 2019 (ECLI:NL:GHSHE:2019:3170) moet in beginsel sprake zijn van bijzondere zwaarwichtige persoonlijke omstandigheden op grond waarvan het belang dat de samenleving heeft bij voortzetting van de voorlopige hechtenis dient te wijken voor het persoonlijk belang van verdachte. De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat geen sprake is van zwaarwichtige persoonlijke omstandigheden.

De raadsvrouw heeft zich onder verwijzing naar het gewicht van de persoonlijke belangen van de verdachte tegen toewijzing van de vordering verzet.

De beoordeling van de vordering

De rechtbank stelt voorop dat de strafvorderlijke regeling meebrengt dat de opheffing van een schorsing van voorlopige hechtenis te allen tijde door de rechtbank kan worden bevolen, ambtshalve of op vordering van de officier van justitie. Kortom, het betreft een aan de rechter toegekende bevoegdheid.

De rechtbank stelt vast dat de preventieve hechtenis als volgt is verlopen. Nadat verdachte op 5 september 2019 in verzekering is gesteld is hij op 6 september 2019 in bewaring gesteld. De rechtbank heeft op 19 september 2019 verdachtes gevangenhouding bevolen, welk bevel is geschorst op 23 december 2019. De rechtbank heeft aan die schorsing een aantal voorwaarden verbonden. Naar het oordeel van de rechtbank kon door het stellen van die voorwaarden het met voorlopige hechtenis nagestreefde doel – kort gezegd: het voorkomen van herhaling – toereikend worden gewaarborgd. Gesteld noch is gebleken dat verdachte zich vervolgens niet aan enige aan die schorsing verbonden voorwaarde heeft gehouden.

Bij die stand van zaken acht de rechtbank geen termen aanwezig ambtshalve de opheffing van de voorlopige hechtenis te bevelen, zodat vervolgens de vraag voorligt of de vordering van de officier van justitie kan worden toegewezen. De rechtbank beantwoordt die vraag ontkennend. Zoals de rechtbank hiervoor heeft overwogen is een overtreding van enige voorwaarde niet gesteld noch is daarvan gebleken. Zonder nadere toelichting valt niet in te zien dat het enkele gegeven dat heden vonnis wordt gewezen - met een strafoplegging als na te melden - maakt, dat opheffing van de schorsing van de voorlopige hechtenis is aangewezen. De rechtbank heeft daarbij betrokken dat de schorsing van de voorlopige hechtenis, met alle daaraan verbonden voorwaarden (in het bijzonder de behandeling die verdachte thans ondergaat), in ieder geval gedurende de termijn voor hoger beroep van kracht blijft. Als hoger beroep wordt ingesteld blijft die situatie voortduren totdat het gerechtshof anders beslist. Als geen hoger beroep wordt ingesteld is het aan de officier van justitie om tot executie van het vonnis over te gaan.

Daarom zal de rechtbank de vordering afwijzen.

10 BENADEELDE PARTIJ

[benadeelde] heeft zich als benadeelde partij in het geding gevoegd. In haar verzoek tot schadevergoeding is geen schadebedrag genoemd.

10.1

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft geconcludeerd tot niet-ontvankelijk verklaring van de benadeelde partij in haar vordering, nu in de vordering geen schadebedrag is opgenomen.

10.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft verzocht de benadeelde partij niet-ontvankelijk te verklaren in haar vordering. Daartoe is in de eerste plaats gesteld dat door de benadeelde partij geen schadebedrag is gevorderd en in de tweede plaats dat een behoorlijke onderbouwing ontbreekt.

10.3

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank zal [benadeelde] niet-ontvankelijk verklaren in haar vordering tot schadevergoeding. Reden daarvoor is dat de benadeelde partij geen schadebedrag in haar verzoek tot schadevergoeding heeft genoemd.

Nu [benadeelde] niet ontvankelijk wordt verklaard in haar vordering, zullen kosten worden gecompenseerd, in die zin dat iedere partij zijn eigen kosten draagt.

11 TOEPASSELIJKE WETTELIJKE VOORSCHRIFTEN

De beslissing berust op de artikelen 14a, 14b, 14c, 57, 245 en 248 van het Wetboek van Strafrecht, zoals de artikelen luidden ten tijde van het bewezenverklaarde.

12 BESLISSING

De rechtbank:

Bewezenverklaring

- verklaart het primair ten laste gelegde feit bewezen zoals hiervoor in rubriek 5 is vermeld;

- verklaart het primair meer of anders ten laste feit gelegde niet bewezen en spreekt verdachte daarvan vrij;

Strafbaarheid

- verklaart het primair bewezen verklaarde feit strafbaar en kwalificeert dit zoals hiervoor in rubriek 6 is vermeld;

- verklaart verdachte strafbaar;

Oplegging straf en maatregel

- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 24 (vierentwintig) maanden,

- bepaalt dat van de gevangenisstraf een gedeelte van 6 (zes) maanden, niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders gelast op grond van het feit dat verdachte de hierna te melden algemene en bijzondere voorwaarden niet heeft nageleefd;

- als algemene voorwaarden gelden dat verdachte:

  • -

    zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;

  • -

    ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking verleent aan het nemen van één of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt;

  • -

    medewerking zal verlenen aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 14c, zesde lid, van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken en het zich melden bij de reclassering zo vaak en zolang als de reclassering dit nodig acht, daaronder begrepen;

- stelt als bijzondere voorwaarden dat verdachte gedurende de proeftijd:

  • -

    zich houdt aan de aanwijzingen die de reclassering hem geeft, voor zover deze niet reeds zijn opgenomen in een andere bijzondere voorwaarde. Daartoe moet hij zich melden bij Reclassering Nederland op de locatie waar verdachte op dat moment in behandeling/woonachtig is. Hierna moet hij zich gedurende door Reclassering Nederland bepaalde perioden blijven melden zo frequent als Reclassering Nederland gedurende deze perioden nodig acht;

  • -

    zich laat opnemen en klinisch observeren bij de Forensische Psychiatrische Afdeling (FPA) De Boog of soortgelijke zorginstelling gespecialiseerd in autisme en zeden. Indien geïndiceerd laat verdachte zich vervolgens klinisch behandelen in een zorginstelling, nader te bepalen door de justitiële instanties (NIFP-IFZ/DIZ), die verantwoordelijk zijn voor de indicatiestelling en plaatsing. Totdat die plaatsing mogelijk is, laat verdachte zich eventueel ter overbrugging opnemen. De klinische opname duurt een jaar of zoveel korter, ter beoordeling van de behandelaar en/of de reclassering. Verdachte houdt zich aan de huisregels en de aanwijzingen die de zorginstelling geeft voor de behandeling. Het innemen van medicijnen kan onderdeel zijn van de behandeling. Als de reclassering een overgang naar ambulante zorg, begeleid wonen of maatschappelijke opvang gewenst vindt, werkt verdachte mee aan de indicatiestelling en plaatsing;

  • -

    zich (na de klinische opname) laat behandelen door de forensische polikliniek GGNet De Boog of een soortgelijke zorgverlener, te bepalen door de reclassering. De behandeling start nadat de opname in de zorginstelling is voltooid. De behandeling duurt de resterende proeftijd of zoveel korter als de reclassering nodig vindt. Verdachte houdt zich aan de huisregels en de aanwijzingen die de zorgverlener geeft voor de behandeling. Het innemen van medicijnen kan onderdeel zijn van de behandeling;

  • -

    op geen enkele wijze - direct of indirect - contact heeft of zoekt met [slachtoffer] , zolang het Openbaar Ministerie dit verbod nodig vindt. De politie ziet toe op handhaving van dit contactverbod;

  • -

    zich niet bevindt in de straat van [slachtoffer] , te weten de [straat] te [woonplaats] , zolang het Openbaar Ministerie dit verbod nodig vindt. De politie ziet toe op handhaving van dit locatieverbod;

  • -

    zich inzet voor het realiseren en behouden van een passende en door de reclassering goedgekeurde dagbesteding, waarbij het verdachte wordt verboden werkzaam te zijn als docent van minderjarigen, waaronder ook zwemleraar voor minderjarigen;

  • -

    meewerkt aan het convenant tussen reclassering en politie, dat onder meer inhoudt dat hij door de wijkagent bezocht kan worden in zijn huis of omgeving;

  • -

    ervoor zorgt dat hij bereikbaar is voor de reclassering, zijn behandelaren en zijn begeleiders;

  • -

    de reclassering zicht verschaft op de voortgang van zijn behandeling en begeleiding en de reclassering toestemming verleent om relevante referenten te raadplegen en contact te onderhouden met personen en instanties die deel uitmaken van zijn netwerk;

- stelt daarbij een proeftijd van 3 (drie) jaren vast;

- bepaalt dat de tijd, door verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht;

- waarbij de reclassering opdracht wordt gegeven als bedoeld in artikel 14c, zesde lid, van het Wetboek van Strafrecht toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en verdachte ten behoeve daarvan te begeleiden;

Benadeelde partij

- verklaart [benadeelde] niet-ontvankelijk in de vordering;

- compenseert de proceskosten van de benadeelde partij en verdachte, in die zin dat ieder zijn eigen kosten draagt.

Dit vonnis is gewezen door mr. H.B.W. Beekman, voorzitter, mrs. V.M.A. Sinnige en E.C. Ruinaard, rechters, in tegenwoordigheid van mr. L.M.M. Weyers, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van 20 maart 2020.

Mrs. Ruinaard en Weyers zijn buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.

Bijlage: de tenlastelegging

Aan verdachte wordt ten laste gelegd dat:

Primair:


hij in of omstreeks de periode gelegen tussen 1 juni 2019 tot en met 2 september 2019 te Almere, of elders in Nederland, met [slachtoffer] , geboren op [2003] , die de leeftijd van twaalf, maar nog niet die van zestien jaren bereikt, buiten echt, in voornoemde periode meermalen, althans éénmaal (telkens) ontuchtige handelingen heeft gepleegd,
- terwijl hij, verdachte een docent van voornoemde [slachtoffer] was en/of die [slachtoffer] aan de opleiding van hem, verdachte is toevertrouwd -, die hebben bestaan uit of mede hebben bestaan uit het seksueel binnendringen van het lichaam, immers heeft hij, verdachte, meermalen althans éénmaal (telkens)
- die [slachtoffer] ge(tong)zoend en/of
- zich in het bijzijn van die [slachtoffer] afgetrokken en/of
- zich door die [slachtoffer] laten aftrekken en/of
- zich door die [slachtoffer] laten betasten van zijn penis en/of ballen en/of
- haar borsten, billen en/of vagina betast en/of
- haar vagina gelikt en/of
- haar met zijn penis en/of één of meer vinger(s) vaginaal gepenetreerd;

Subsidiair:
hij op of omstreeks de periode gelegen tussen 1 juni 2019 tot en met 2 september 2019 te Almere, of elders in Nederland met [slachtoffer] , geboren op [2003] , die toen de leeftijd van zestien jaren nog niet had bereikt, meermalen, althans éénmaal in voornoemde periode (telkens) buiten echt, een of meer ontuchtige handelingen heeft gepleegd,
- terwijl hij, verdachte een docent van voornoemde [slachtoffer] was en/of die [slachtoffer] aan de opleiding van hem, verdachte is toevertrouwd
–, immers heeft hij, verdachte, meermalen althans éénmaal (telkens)
- die [slachtoffer] ge(tong)zoend en/of
- zich in het bijzijn van die [slachtoffer] afgetrokken en/of
- zich door die [slachtoffer] laten betasten van zijn penis en/of ballen en/of
- zich door die [slachtoffer] laten aftrekken en/of
- haar borsten, billen en/of vagina betast en/of
- haar vagina gelikt;

Meer subsidiair:
hij op of omstreeks de periode gelegen tussen 1 juni 2019 tot en met 3 september 2019 te Almere, of elders in Nederland, in voornoemde
periode meermalen, althans éénmaal (telkens) ontucht heeft gepleegd met de aan zijn opleiding en/of zorg en/of waakzaamheid toevertrouwde minderjarige [slachtoffer] , geboren op [2003] , immers heeft hij verdachte,
- in zijn functie als docent/leraar van de [school] te [vestigingsplaats] , waar voornoemde [slachtoffer] toen leerling was, meermalen, althans eenmaal opzettelijk (telkens)
- die [slachtoffer] ge(tong)zoend en/of
- zich in het bijzijn van die [slachtoffer] afgetrokken en/of
- zich door die [slachtoffer] laten aftrekken en/of
- zich door die [slachtoffer] laten betasten van zijn penis en/of ballen en/of
- haar borsten, billen en/of vagina betast en/of
- haar vagina gelikt.

1 Wanneer hierna wordt verwezen naar paginanummers betreffen dit pagina’s van op ambtseed of ambtsbelofte opgemaakte processen-verbaal. Deze processen-verbaal zijn als bijlage opgenomen bij het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal van 5 september 2019, genummerd 20190905140510475, opgemaakt door politie Eenheid Midden-Nederland, team zeden, doorgenummerd pagina 1 tot en met 102. Tenzij anders vermeld, zijn dit processen-verbaal in de wettelijke vorm opgemaakt door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren.

2 Pagina’s 44-54 en 90-99.

3 Pagina 95.