Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2020:1046

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
20-03-2020
Datum publicatie
20-03-2020
Zaaknummer
16/659055-19
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Aanslag Utrechtse tramschutter. Procesverloop: perikelen rechtsbijstand. Terroristisch oogmerk. Straftoemeting: verweren oplegging levenslange gevangenisstraf. Beoordeling vorderingen benadeelde partijen (o.m. shock- en affectieschade) en beoordelingskader.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
PS-Updates.nl 2020-0214
NJFS 2020/194
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Afdeling Strafrecht

Zittingslocatie Utrecht

Parketnummer: 16/659055-19

Vonnis van de meervoudige strafkamer van 20 maart 2020

in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren op [1981] te [geboorteplaats] (Turkije),

thans gedetineerd in de Penitentiaire Inrichting Vught te Vught,

hierna: de verdachte.

1 ONDERZOEK TER TERECHTZITTING

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen van 1 juli 2019, 23 september 2019, 16 december 2019 en 2, 3, 5 en 6 maart 2020.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officieren van justitie,

mrs. H.C. van Ooijen, N.T.R.M. Franken en E.M. van der Burg (hierna gezamenlijk te noemen: de officier van justitie) en van wat verdachte en de aan hem op de voet van artikel 509c Wetboek van Strafvordering (Sv) toegevoegde raadsman mr. A.M. Seebregts, advocaat te Rotterdam, naar voren hebben gebracht.

De benadeelde partijen zijn ter terechtzitting bijgestaan door hun respectieve advocaten

mrs. E.W. Bosch, S.M. Diekstra, W. van Egmond, M.A.J. Kubatsch, A.J.J.G. Schijns,

en R.J. Sturkenboom en gemachtigde drs. K. Aachboun. De rechtbank heeft kennisgenomen van de vorderingen van de benadeelde partijen en van wat hun advocaten en gemachtigde daarover naar voren hebben gebracht.

2 INLEIDEND

Op 18 maart 2019 – drie dagen nadat Christchurch, Nieuw Zeeland en de wereld zijn opgeschrikt door een terroristische aanslag – is ook in Utrecht een aanslag gepleegd, die de stad en ook het land ernstig heeft geschokt. Die dag is verdachte een tram ingestapt en hij heeft vervolgens met een pistool gericht het vuur geopend op passagiers in die tram. Nadat hij die tram had verlaten heeft hij nogmaals geschoten, ook gericht op personen. Dit ernstig gewelddadig handelen ging vergezeld van zijn aanroepen van Allah.

Als gevolg daarvan hebben vier personen het leven gelaten, zijn anderen ernstig gewond geraakt en hebben velen zich zeer bedreigd gevoeld. In verdachtes vluchtauto is een brief aangetroffen met daarop een door hem handgeschreven tekst, waarin Allah wordt geprezen.

Dit alles heeft al snel het in de samenleving ontstane beeld van die aanslag versterkt: een terroristische aanslag. Na zijn aanhouding heeft de politie op verdachtes aanwijzen een pistool met geluiddemper in beslag genomen. Die geluiddemper bleek te zijn beschreven met teksten die dat beeld ondubbelzinnig hebben bevestigd.

De opsporing in deze zaak is uitgebreid geweest. Er is – naast wat door de Algemene Inlichtingen- en Veiligheidsdienst zal zijn ondernomen en verricht – politie en justitie uiteraard zeer veel aan gelegen geweest zoveel mogelijk vaststellingen te kunnen doen. Over de feitelijke gang van zaken, de kring van mogelijk bij de aanslag betrokken personen, wat verdachte met zijn handelen heeft beoogd, en wat zijn onderliggend motief is geweest. Het door de officier van justitie aan de rechtbank voorgelegde dossier heeft de basis van het door de rechtbank verrichte onderzoek gevormd.

Dat onderzoek ter terechtzitting heeft gedurende een aantal dagen plaatsgevonden. De aan (het verloop van) dat onderzoek te geven typering is er een van onmiskenbaar grote beladenheid. Een groot aantal slachtoffers heeft het spreekrecht uitgeoefend en ieder van hen heeft op eigen wijze indringend verwoord hoe diep het toegebrachte leed is, dat levens zijn verwoest of ernstig zijn ontregeld.

De verdachte heeft tijdens het vooronderzoek een in de kern bekennende verklaring afgelegd. Rechtsbijstand heeft hij onafgebroken geweigerd. De rechtbank heeft uiteindelijk toepassing gegeven aan de wettelijke regeling die is gegeven voor de berechting van personen bij wie een gebrekkige ontwikkeling of ziekelijke stoornis van de geestvermogens wordt vermoed. Als gevolg daarvan was de rechtbank gehouden aan hem een raadsman toe te voegen. Deze raadsman heeft zijn taak uitgeoefend, volgens zijn mededeling varend op louter eigen kompas: verdachte heeft geweigerd om enig overleg met hem te hebben.

Ter terechtzitting heeft de verdachte nagenoeg geen antwoord willen geven op aan hem gestelde vragen. Zijn aanwezigheid op de gehouden zittingen is allesbehalve rimpelloos geweest. Naar die zittingen is hij steeds op bevel van de voorzitter c.q. rechtbank tegen zijn wil meegebracht. De verdachte heeft ter terechtzitting geen gelegenheid onbenut gelaten om vorm en inhoud te geven aan zijn ondubbelzinnige afkeer van alles en iedereen die hij schaart onder zijn noemer “democratie”: de officier van justitie, de rechtbank en de aan hem toegevoegde raadsman. Hij heeft hen bovendien verwenst en bespuwd, letterlijk en figuurlijk. Echter, die uitingen verbleken in ernst als wordt stilgestaan bij het door verdachte vertoonde gedrag tijdens het door slachtoffers uitgeoefende spreekrecht. Hij heeft niet nagelaten ook hen te provoceren en beschimpen. In zoverre heeft hij zelfs ter terechtzitting nog leed toegevoegd.

Het is op de grondslag van die terechtzittingen waarop de rechtbank rechtdoet en vonnis wijst. De rechtbank markeert met zoveel woorden en ten overvloede dat de hierboven gegeven duiding van verdachtes gedrag ter terechtzitting slechts is gegeven in het bestek van een beschrijving van het verloop van de behandeling van de zaak. Waar het de door de rechtbank in dit vonnis te geven beslissingen betreft kent de rechtbank aan dat gedrag slechts betekenis toe indien en voor zover daarvan blijkt uit de gebezigde motiveringen. Het door de officier van justitie en de raadsman gevoerde debat is door hen toegespitst op de straftoemeting en op het zeer aanzienlijke aantal vorderingen van benadeelde partijen.

3 TENLASTELEGGING

De tenlastelegging is op de terechtzitting van 16 december 2019 nader omschreven. De nader omschreven tenlastelegging is als bijlage 1 aan dit vonnis gehecht.

Het Openbaar Ministerie heeft op uitdrukkelijk verzoek van de slachtoffers en nabestaanden ervoor gekozen om in de tenlastelegging te volstaan met de vermelding van voor- en/of roepnamen, opdat de privacy van slachtoffers in deze strafzaak zo veel als mogelijk wordt gewaarborgd. Om diezelfde reden zal de rechtbank in dit vonnis ook enkel de voor- en/of roepnamen van slachtoffers opnemen. Aan de nadere omschrijving van de tenlastelegging is door het Openbaar Ministerie een brief gehecht waaruit de rechtbank heeft kunnen opmaken welke personen – met volledige personalia – worden aangeduid met de voor- en/of roepnamen in de tenlastelegging.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte:

feit 1 in de periode van 18 maart 2019 tot en met 28 maart 2019 in Utrecht, [slachtoffer 1] ,
[slachtoffer 2] , [slachtoffer 3] en [slachtoffer 4] heeft vermoord, welke misdrijven door hem zijn

gepleegd met een terroristisch oogmerk;

feit 2 op 18 maart 2019 in Utrecht heeft geprobeerd om [slachtoffer 5] en [slachtoffer 6] te
vermoorden, welke pogingen tot die misdrijven door hem zijn gepleegd met
een terroristisch oogmerk;

feit 3 op 18 maart 2019 in Utrecht heeft geprobeerd om [slachtoffer 7] te vermoorden, welke
poging tot dat misdrijf door hem is gepleegd met een terroristisch oogmerk;

feit 4 op 18 maart 2019 in Utrecht [slachtoffer 8] , [slachtoffer 9] (de persoon, aangeduid met nr. [nummer] ), [slachtoffer 10] , [slachtoffer 11] , [slachtoffer 12] , [slachtoffer 13] en [slachtoffer 7] heeft bedreigd met een terroristisch misdrijf;

feit 5 op 18 maart 2019 in Utrecht [slachtoffer 12] , [slachtoffer 14] , [slachtoffer 15] , [slachtoffer 16] , [slachtoffer 17] , [slachtoffer 18] ,
[slachtoffer 19] , [slachtoffer 20] , [slachtoffer 21] , [slachtoffer 22] en [slachtoffer 23] heeft bedreigd met een terroristisch

misdrijf;

feit 6 op 25 februari 2019 in Lelystad een medewerker (met dienstnummer
[dienstnummer] ) van de Penitentiaire Inrichting Lelystad heeft mishandeld.

4 VOORVRAGEN

De dagvaarding is geldig, deze rechtbank is bevoegd tot kennisneming van de ten laste gelegde feiten en de officier van justitie is ontvankelijk. Er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging.

5 WAARDERING VAN HET BEWIJS

5.1

Het standpunt van het Openbaar Ministerie

De officier van justitie acht alle aan verdachte ten laste gelegde feiten wettig en overtuigend te bewijzen. Zij heeft haar standpunten verwoord in een ter terechtzitting overgelegd schriftelijk requisitoir.

5.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft afgezien van het voeren van verweer ten aanzien van een bewezenverklaring van de aan verdachte ten laste gelegde feiten.

5.3

Het oordeel van de rechtbank

5.3.1

Overwegingen ten aanzien van het bewijs

Hierna onder paragraaf 5.3.1.1 volgt een weergave van de feitelijke gang van zaken, zoals daarvan uit de inhoud van de gebezigde bewijsmiddelen blijkt. Die bewijsmiddelen zijn opgenomen in een bij dit vonnis gevoegde bijlage (bijlage 2). De bewijsmiddelen dienen op deze plaats als ingelast te worden beschouwd.

De rechtbank zal in respectievelijk de paragrafen 5.3.1.2 en 5.3.1.3 het bewijs van de ten laste gelegde voorbedachte raad en het terroristisch oogmerk beoordelen en daaraan ambtshalve korte overwegingen wijden.

Waar nodig of gewenst is in bewijsoverwegingen door middel van voetnoten verwezen naar de vindplaatsen van de bewijsmiddelen in het dossier.1

5.3.1.1 De feitelijke gang van zaken

In de tram

Verdachte is op 18 maart 2019 vanuit de woning van zijn moeder naar de tramhalte 24 Oktoberplein in Utrecht gelopen.2 Daar is hij om 10.41 uur in het achterste stel van de tram gestapt. Achter hem stapten [slachtoffer 12] , [slachtoffer 5] , [slachtoffer 11] en [slachtoffer 24] en [slachtoffer 25] (met hun baby in de kinderwagen) in. [slachtoffer 12] en [slachtoffer 11] zijn verderop in de tram gaan zitten en [slachtoffer 5] , [slachtoffer 24] en [slachtoffer 25] bleven achterin de tram staan. [slachtoffer 13] , [slachtoffer 26] , [slachtoffer 6] , [slachtoffer 1] , [slachtoffer 7] , [slachtoffer 2] , [slachtoffer 10] , [slachtoffer 9] , [slachtoffer 8] en [slachtoffer 3] bevonden zich op dat moment ook in de tram.3

Vrijwel direct nadat de tram vertrok heeft verdachte zijn pistool gepakt. Dat pistool was voorzien van een geluiddemper. Verdachte is richting de voorzijde van het tramstel gelopen en heeft zijn pistool op het achterhoofd van [slachtoffer 7] gericht. Verdachte haalde de trekker over, maar het pistool vuurde geen kogel af. Daarop is hij weer richting de achterzijde van de tram gelopen, met het pistool in zijn hand. Ongeveer halverwege de tram richtte verdachte zijn pistool op [slachtoffer 6] , haalde de trekker over, maar het pistool haperde opnieuw. Verdachte is daarop een klein stukje naar voren gelopen en heeft op [slachtoffer 1] geschoten. [slachtoffer 1] keek verschrikt op en greep naar haar borst. Verdachte schoot vervolgens weer op [slachtoffer 6] , die haar tas voor zich hield. [slachtoffer 6] werd nu wél door een kogel getroffen. Dit alles speelde zich af in een tijdsbestek van ruim 20 seconden.

Er ontstond paniek in de tram. [slachtoffer 11] , [slachtoffer 7] , [slachtoffer 9] en [slachtoffer 10] renden naar de voorzijde van de tram. Zij keken angstig om zich heen en duwden, klopten en ramden op de toegangsdeuren. Kort daarna is ook [slachtoffer 2] naar de voorzijde van de tram gelopen. [slachtoffer 13] is naar de achterzijde van de tram gerend, waar ze gehurkt voor [slachtoffer 5] is gaan zitten. Ook [slachtoffer 12] is opgestaan. Nadat verdachte op [slachtoffer 6] heeft geschoten, heeft hij zijn vuurwapen omhoog geheven richting [slachtoffer 12] , die hierop is weggedoken.

Verdachte is vervolgens naar de voorzijde van het tramstel gelopen, waar [slachtoffer 11] , [slachtoffer 9] , [slachtoffer 10] en [slachtoffer 2] nog steeds probeerden de deuren van de tram te openen. Daar aangekomen, schoot verdachte tweemaal op [slachtoffer 2] , die – zo bleek later – de kogels met de tas die hij ter bescherming voor zich hield heeft opgevangen. [slachtoffer 2] heeft zichzelf kleingemaakt en is gehurkt tegen de toegangsdeur gaan zitten.4 Bij de toegangsdeur aan de overzijde van het portaal zijn [slachtoffer 9] , [slachtoffer 10] en [slachtoffer 11] achter elkaar weggedoken. Ook zij hebben zich kleingemaakt. Op dat moment is de tram gestopt ( [slachtoffer 2] had eerder al aan de noodrem getrokken).5 Verdachte draaide zich om en schoot tweemaal op [slachtoffer 3] . Vervolgens is hij in de richting van de achterzijde van de tram gelopen. Hij heeft in het voorbijgaan nogmaals op [slachtoffer 1] geschoten. [slachtoffer 1] viel daarna van haar stoel op de vloer.

[slachtoffer 6] , [slachtoffer 12] en [slachtoffer 26] zijn kort daarvoor vanuit het middengedeelte naar de achterzijde van de tram gerend6, waar het [slachtoffer 13] lukte om de toegangsdeuren te openen.7 Verdachte is daarop verder in hun richting gelopen. [slachtoffer 6] en [slachtoffer 13] zijn vrijwel gelijktijdig uit de tram gesprongen, gevolgd door [slachtoffer 5] . [slachtoffer 6] is de straat op gerend en heeft een auto aangehouden.8 [slachtoffer 5] is bij haar sprong uit de tram ten val gekomen. Na [slachtoffer 5] verlieten ook [slachtoffer 26] , [slachtoffer 12] en [slachtoffer 25] en [slachtoffer 27] (met hun kinderwagen) de tram. Terwijl die kinderwagen nog half (klem) tussen de toegangsdeuren stond, richtte verdachte zijn wapen naar buiten op [slachtoffer 5] , die – met haar rug naar de toegangsdeuren – nog aan het opkrabbelen was. Verdachte schoot over de kinderwagen heen op [slachtoffer 5] .9 Zij werd getroffen en is op het wegdek blijven liggen.

Verdachte inspecteerde vervolgens de patroonhouder in zijn pistool, terwijl [slachtoffer 2] , [slachtoffer 11] , [slachtoffer 10] en [slachtoffer 9] aan de andere kant van de tram nog steeds probeerden de toegangsdeuren te openen. Uiteindelijk is [slachtoffer 11] erin geslaagd om een ruit uit één van de toegangsdeuren te schoppen. Verdachte is daarop in hun richting gelopen, heeft zijn pistool doorgeladen en is halverwege de tram over het lichaam van [slachtoffer 1] gestapt. [slachtoffer 11] , [slachtoffer 10] , [slachtoffer 9] en [slachtoffer 7] en [slachtoffer 8] , die zich inmiddels bij hen hadden gevoegd, zagen op dat moment kans om de tram door de opening in het raam te verlaten. [slachtoffer 2] is als laatste door het raam naar buiten gesprongen. Verdachte heeft vanuit de tram gericht op [slachtoffer 2] geschoten, die daarbij dodelijk werd getroffen.

Verdachte bleef achter in de tram en heeft zijn pistool even op een stoel gelegd. Hij heeft de houder uit zijn pistool gehaald en deze – naar de rechtbank aanneemt – met patronen geladen, terwijl [slachtoffer 3] op dat moment bewegingsloos achter hem in zijn stoel zat. Verdachte heeft de slede van zijn pistool naar achteren getrokken en – naar de rechtbank aanneemt – het wapen weer doorgeladen. Hij is vervolgens door de ingetrapte ruit in de deur de tram uitgestapt.

Al het voorgaande heeft zich afgespeeld in een tijdsbestek van ruim twee minuten. Verdachte heeft tijdens deze twee minuten meermalen: “Allah Akbar!” geroepen.

Buiten de tram

Buiten de tram zijn – onder anderen – [slachtoffer 20] , [slachtoffer 12] , [slachtoffer 14] , [slachtoffer 15] en [slachtoffer 16] [slachtoffer 5] te hulp geschoten. Zij hebben haar versleept in de richting van de auto’s die stonden opgesteld voor het stoplicht aan de Beneluxlaan.

Verdachte, die de tram had verlaten, is in versnelde pas en onderwijl schietend gelopen in de richting van het groepje mensen dat [slachtoffer 5] te hulp schoot. Hij riep daarbij: “Allah Akbar!”. Allen zijn op de vlucht geslagen, terwijl [slachtoffer 5] op het wegdek is blijven liggen. [slachtoffer 20] heeft zich achter een auto verscholen. Verdachte heeft zijn wapen op hem gericht, maar hij heeft niet geschoten. Vervolgens is verdachte doorgelopen, heeft zijn wapen gericht en één schot gelost. Die afgevuurde kogel heeft de auto van [slachtoffer 18] geraakt.

Verdachte is verder gelopen richting [slachtoffer 19] en [slachtoffer 4] , die nog in hun auto’s zaten. Hij heeft zijn wapen afwisselend op [slachtoffer 19] en [slachtoffer 4] gericht en hij heeft uiteindelijk tweemaal op [slachtoffer 4] geschoten, die daardoor schotverwondingen heeft opgelopen.

Verdachte is vervolgens in een Renault Clio gestapt die daar door de eigenaar in diens vlucht met draaiende motor is achtergelaten10 en hij is daarin weggereden in de richting van de Pijperlaan.11 Voorbij de bushalte op de Pijperlaan minderde verdachte vaart, om vanuit de auto in de richting van de zich aldaar bevindende personen te schieten, onder wie [slachtoffer 7] en [slachtoffer 17] . Bij die gelegenheid is niemand getroffen. Verdachte is vervolgens weggereden.

Op die dag was [slachtoffer 23] aan het werk op het 24 Oktoberplein, terwijl [slachtoffer 22] en [slachtoffer 21] zich in hun voertuigen bevonden, stilstaand voor het verkeerslicht. Zij zagen en hoorden dat verdachte in hun nabijheid op personen schoot en/of zijn vuurwapen op personen richtte.

De gevolgen voor [slachtoffer 2] , [slachtoffer 1] en [slachtoffer 3]

De verbalisanten die ter plaatse kwamen hebben om [slachtoffer 2] , [slachtoffer 1] en [slachtoffer 3] gereanimeerd. [slachtoffer 2] is echter op de plaats delict overleden. [slachtoffer 1] en [slachtoffer 3] zijn later die dag, op 18 maart 2019, in het Universitair Medisch Centrum (UMC) Utrecht overleden. [slachtoffer 4] is op 28 maart 2019 overleden ten gevolge van ernstige verwikkelingen van schotletsel in de buik.

De vluchtauto

De Renault Clio waarmee verdachte is gevlucht is korte tijd later aangetroffen op de Tichelaarslaan in Utrecht. Die auto stond daar met een nog draaiende motor en het raam aan de passagierszijde was gedeeltelijk geopend. In het midden, op het dashboard, lag een brief (van de Penitentiaire Inrichting Lelystad en aan verdachte geadresseerd) met daarop de volgende handgeschreven tekst:

“ik doe dit voor mijn geloof jullie maken moslims dood en willen jullie ons geloof van ons afpaken maar gaat niet lukken ALLAH is groot.”12

Aanhouding verdachte en doorzoeking woning

De politie heeft verdachte geïdentificeerd aan de hand van de beelden die zijn gemaakt in de tram en hij is op 18 maart omstreeks 18:20 uur aangehouden in een woning aan de [straat]13 te [woonplaats] . Op aanwijzen van verdachte is in een slaapkamer – in een ruimte in het matras – een vuurwapen met geluiddemper aangetroffen. Op die geluiddemper is door verdachte de volgende tekst geschreven:

“ [bijnaam] houd van ALLAH (cc) ALLAHU ER*** LA ILLAHE ILLALLAH MUHHAMEDUR RASULLU* LAH ALLAH is wetmaker SERIA is zijn worden demokrasi is de worden van mensen wie seria volgt gaat naar paradijs wie demokrasi volgt gaat naar hel jullie maken mensen dood die moslim zijn en ALLAH LAAT mij jullie dood maken vuul de pijn wat moslims vullen dan weten julli ook wat pijn is ik ken jullie en jullie weten niet ik ken allen ALLAH de weten!!!!”

Verklaringen verdachte

Verdachte heeft op 22 maart 2019 ten overstaan van de rechter-commissaris bekend dat hij de feiten heeft gepleegd. Hij heeft voorts verklaard: “Onze profeet, wat wij voor ons hebben en op ons hoofd dragen wordt door de karikatuurs van Nederland vernederd en verlaagd.

De Koran die wij ook op ons hoofd dragen, wordt op blote vrouwen geschreven en wordt laten zien als film. (…) 10 jaar lang worden onze broeders en zussen doodgeknald. Niemand zegt er wat van. Ik zeg zodra deze arm en deze hand leeft laat ik niemand met ons geloof spotten, ook al is het een Koning. (..) Ik heb mensen doodgeschoten. Ik ben thuisgekomen om tv te kijken en zag de burgemeester van Nederland en hij zei: Het is vandaag maandag, het is een zwarte dag voor ons. Voor ons is het al 10 jaar een zwarte dag. Julie komen met jullie democratie en geloof naar ons, waarom worden wij niet gerespecteerd. Waarom worden wij doodgemaakt? (…) Dat is waarom ik het gedaan heb. Ik wilde jullie laten zien dat jullie niet van diamant zijn en wij niet van zand. (…..) Al zou ik 1000 levens hebben, ik wil ze allemaal geven aan Allah. Ik ben voor niemand bang. (….) Weet u wat democratie is? 1 woord is 10 leugens met 20 hoestjes om het te verstoppen. (….) Dat heb ik ook in de demper van het pistool geschreven maar dat lezen ze allemaal niet. Ze lezen niet wat het belang is van de mensen maar alleen van de democratie. Daarom word ik pissig.”14

Verder heeft verdachte op 8 mei 2019 ten overstaan van de rechter-commissaris verklaard: “In naam van Allah (…). Ik ben degene die een tramaanslag heeft gedaan.”

Op de terechtzitting van 1 juli 2019, nadat hem de beschuldiging is voorgehouden reageerde verdachte: “Het betreft geen verdenking. Ik heb al bekend!”

5.3.1.2. Voorbedachte raad?

Aan verdachte is als feit 1 de moord (met terroristisch oogmerk) op [slachtoffer 3] , [slachtoffer 1] , [slachtoffer 2] en [slachtoffer 4] ten laste gelegd. Onder 2 en 3 zijn de pogingen tot moord (met terroristisch oogmerk) op [slachtoffer 6] , [slachtoffer 5] en [slachtoffer 7] ten laste gelegd.

Hoewel verdachte heeft bekend dat hij [slachtoffer 3] , [slachtoffer 1] , [slachtoffer 2] en [slachtoffer 4] om het leven heeft gebracht en ook heeft gepoogd om [slachtoffer 6] , [slachtoffer 5] en [slachtoffer 7] om het leven te brengen, is pas sprake van (poging tot) moord als vaststaat dat verdachte met voorbedachte raad heeft gehandeld, dus na kalm beraad en rustig overleg.

Volgens vaste rechtspraak moet voor een bewezenverklaring van het aan artikel 289 Wetboek van Strafrecht (Sr) ontleende bestanddeel ‘voorbedachten rade’ komen vast te staan, dat verdachte zich gedurende enige tijd heeft kunnen beraden op het te nemen of het genomen besluit en hij niet heeft gehandeld in een ogenblikkelijke gemoedsopwelling, zodat hij de gelegenheid heeft gehad na te denken over de betekenis en de gevolgen van zijn voorgenomen daad en zich daarvan rekenschap te geven. De enkele omstandigheid dat niet is komen vast te staan dat is gehandeld in een ogenblikkelijke gemoedsopwelling, betekent overigens niet zonder meer dat sprake is van voorbedachte raad. Of voorbedachte raad bewezen kan worden, hangt sterk af van de hierboven bedoelde gelegenheid en van de overige feitelijke omstandigheden van het geval zoals de aard van het feit, de omstandigheden waaronder het is begaan en de gedragingen van de verdachte voor en tijdens het begaan van het feit. Dit is het door de rechtbank te hanteren toetsingskader.

Verdachte heeft in zijn verklaringen niet alleen bekend dat hij het is geweest die de ‘tramaanslag’ heeft gepleegd, hij heeft ook verklaard waarom hij dat heeft gedaan: “Jullie maken mensen dood die moslim zijn en Allah laat mij jullie dood maken.” Verdachte maakt onderscheid tussen enerzijds “wij” (moslims) en anderzijds “jullie” (niet moslims, voorstanders van de democratie). Het zijn volgens verdachte de niet moslims die de islam willen bespotten en vernietigen, die de moslims doden en die de profeet vernederen en verlagen. Verdachte heeft verklaard dat hij, zolang hij leeft, niemand met zijn geloof laat spotten. Verder heeft hij verklaard: “Ik wilde jullie laten zien dat jullie niet van diamant zijn en wij niet van zand (…).”

Deze aan het aan hem verweten gewelddadig handelen te relateren overwegingen laten zich niet anders begrijpen dan dat verdachte daarmee heeft willen laten zien dat “jullie” niet onaantastbaar zijn. Hieruit volgt dat het opzet van verdachte op zijn gewelddadig handelen zich tegen deze achtergrond heeft gevormd. Hij heeft nagedacht over zijn motieven, hij liep kennelijk al langere tijd rond met onvrede over bovenstaande, en hij wilde met dat handelen een statement maken door het stellen van deze daad. Het is dus al hierdoor dat niet aannemelijk is dat verdachte in en buiten de tram heeft gehandeld in een ogenblikkelijke gemoedsopwelling.

Daarbij komt, dat ook de volgende feiten en omstandigheden op het tegendeel wijzen.


Immers, – hoewel feitelijk niet bekend is geworden op precies welk moment verdachte het pistool bij zich heeft gestoken – vaststaat dat hij zijn pistool die dag droeg op het moment dat hij de woning van zijn moeder verliet. Aan de hand van met camera’s opgenomen en vastgelegde beelden is genoegzaam vast komen te staan dat verdachte vanaf het adres van zijn moeder rechtstreeks, zonder oponthoud naar de tramhalte 24 Oktoberplein is gelopen en daar in de tram is gestapt.15

Dat verdachte met het plan om de misdrijven te plegen de tram is ingestapt, blijkt in het bijzonder uit het feit dat hij de motieven voor zijn (voorgenomen) handelen daaraan voorafgaand op de geluiddemper van zijn pistool heeft geschreven. Op die demper staat – onder meer – geschreven: “Allah laat mij jullie dood maken.”

Wanneer verdachtes gewelddadige gedragingen in de tram geïsoleerd worden beschouwd blijkt ook uit de uiterlijke verschijningsvorm daarvan, dat verdachte niet steeds opnieuw heeft gehandeld in een ogenblikkelijke gemoedsopwelling. De met camera’s opgenomen en vastgelegde beelden van wat zich in de tram heeft voltrokken wijzen immers uit, dat verdachte tijdens de uitvoering van de aanslag (als samenstel van de ten laste gelegde feiten onder 1, 2 en 3) meerdere malen kennelijk rustig de tijd heeft genomen om zijn wapen opnieuw te laden. Zo op de beelden om 10.42.01 uur bijvoorbeeld te zien dat verdachte zijn pistool bekijkt, de patroonhouder controleert en de tijd neemt om zijn wapen opnieuw te laden. Pas om 10.42.23 uur, ruim 20 seconden later, loopt verdachte naar voren in de tram, waarbij hij het pistool doorlaadt. Ook om 10.42.40 uur is te zien dat verdachte kennelijk rustig zijn wapen aan het herladen is naast de bank waar hij eerder [slachtoffer 3] heeft neergeschoten. Hij legt het wapen daarbij zelfs even op een stoel. Na dat herladen laadt hij het wapen door. Hij is hiermee bezig totdat hij om 10.43.09 uur de tram verlaat.

Ook buiten de tram nam verdachte ogenschijnlijk rustig de tijd om te bepalen op wie hij zal gaan schieten. [slachtoffer 19] heeft verklaard over het moment waarop verdachte bij haar auto en de auto van [slachtoffer 4] aankomt: “Het leek alsof hij ienemienemutte deed.”16 Nadat hij tweemaal op [slachtoffer 4] had geschoten stapte verdachte in een auto en reed hij weg in de richting van de Pijperlaan. Daar aangekomen verminderde hij zijn snelheid om vervolgens uit het geopende portierraam aan de passagierszijde in de richting van de personen te schieten die zich op dat moment daar in de buurt bevonden. Ook hier is dan weer enige tijd verstreken.

Al het voorgaande voert tot de bewijsconclusie dat ook de onder 1, 2 en 3 ten laste gelegde voorbedachte raad voor bewezenverklaring in aanmerking komt. Ondubbelzinnig is komen vast te staan dat verdachte op tal van momenten in de gelegenheid is geweest – en deze ook telkens heeft kunnen benutten – om na te denken over de betekenis en de gevolgen van zijn voorgenomen daden en zich daarvan rekenschap te geven.

5.3.1.3. Terroristisch oogmerk?

De rechtbank dient de vraag te beantwoorden of bij verdachte bij het aan hem onder 1, 2 en 3 verweten handelen ook een terroristisch oogmerk heeft voorgezeten.

Juridisch kader

Artikel 83a Sr bepaalt dat onder terroristisch oogmerk wordt verstaan het oogmerk om:

  1. de bevolking of een deel van de bevolking van een land ernstige vrees aan te jagen, dan wel;

  2. een overheid of internationale organisatie wederrechtelijk te dwingen iets te doen, niet te doen of te dulden, dan wel;

  3. de fundamentele politieke, constitutionele, economische of sociale structuren van een land of een internationale organisatie ernstig te ontwrichten of vernietigen.

Voor het aannemen van het bestaan van een terroristisch oogmerk is voldoende dat één van de in artikel 83a Sr onderscheiden oogmerkvormen wordt bewezen. Het terroristisch oogmerk kan blijkens de wetgeschiedenis worden opgevat als een strafverzwarende omstandigheid bestaand in een bijkomend oogmerk.17 Dit betekent dat – in het kader van de beantwoording van de vraag of een misdrijf is begaan met een terroristisch oogmerk – niet beslissend is welk gevolg door de gedraging wel of niet kan worden verwezenlijkt, maar welk gevolg de dader met zijn gedraging daadwerkelijk beoogde.

Daarbij staat voorop, dat het terroristisch oogmerk niet hetzelfde is als iemands ideologische of religieuze motief, hoewel dit motief wel een rol kan spelen in het bewijs van het terroristisch oogmerk. Het gaat er met name om welk effect de verdachte met een gedraging wilde bereiken en dus niet om de vraag waarom de daad wordt gepleegd. Wanneer uit verklaringen van verdachte onvoldoende kan worden afgeleid wat verdachte met zijn daad wilde bereiken, kan het bewijs van het oogmerk uit objectieve feiten en omstandigheden worden afgeleid.

Het aanjagen van ernstige vrees

Vaststaat dat verdachte op klaarlichte dag in en bij een tram, ogenschijnlijk willekeurige mensen, te weten [slachtoffer 1] , [slachtoffer 2] , [slachtoffer 3] en [slachtoffer 4] met voorbedachte raad van het leven heeft beroofd. Daarnaast heeft verdachte toen en daar gepoogd [slachtoffer 6] , [slachtoffer 5] en [slachtoffer 7] met voorbedachte raad van het leven te beroven. Verder heeft hij buiten de tram, in een drukke straat, personen bedreigd, op de wijze als hierna te melden. Deze feiten en gebeurtenissen hebben niet alleen op de slachtoffers en hun naasten, maar ook op de omstanders en op de samenleving als geheel een enorme impact gehad. Op 18 maart 2019 werd – als gevolg van al het handelen van verdachte – het dreigingsniveau voor de provincie Utrecht naar het hoogste niveau verhoogd en verschillende gebouwen in Utrecht gingen “op slot”. Bewoners en bezoekers van Utrecht kregen het advies om binnen te blijven. Op last van de politie is aan onderwijsinstellingen gevraagd om leerlingen en studenten binnen te houden. Door de burgemeester van Utrecht is in de media te kennen gegeven dat ervan werd uitgegaan dat is gehandeld met een terroristisch motief. Een woordvoerder van de politie heeft op zijn beurt min of meer gelijkluidend verklaard. Er is sprake geweest van grote politie-inzet, het UMC opende een calamiteitenhospitaal, politieke partijen onderbraken hun campagne voor de Provinciale Statenverkiezingen, de premier heeft zich via een landelijke televisie-uitzending tot de kijkers gericht, die burgemeester sprak van een zwarte dag voor de stad, en ook overigens is via de nationale televisie veel berichtgeving gewijd aan de zaak, waarbij gesproken werd over een (terroristische) aanslag.

Gelet op het huidige tijdsgewricht – waarin eerder ook in Europa en nota bene drie dagen voorafgaand aan het aan verdachte verweten handelen in Nieuw Zeeland terroristische aanslagen zijn gepleegd door het doden van willekeurige slachtoffers – is het even voorspelbaar als voorstelbaar dat de berichtgeving in de (sociale) media over deze aanslag mede ervoor heeft gezorgd dat (een deel van) de inwoners van de stad Utrecht en daarbuiten van Nederland daadwerkelijk bang is geworden.

Zoals reeds eerder opgemerkt is de juridische vraag echter of verdachte met zijn daden ook wilde bereiken dat (een deel van) de Nederlandse bevolking vrees werd aangejaagd. Het gaat er immers primair om wat verdachte wilde bereiken met zijn daden en niet wat het mogelijke effect ervan is geweest, en ook niet met welk motief verdachte zijn daden heeft gepleegd. Bij beantwoording van de vraag of de onder 1 tot en met 3 ten laste gelegde feiten door de verdachte zijn begaan met het oogmerk om (een deel van) de bevolking ernstige vrees aan te jagen heeft de rechtbank allereerst onderzocht wat verdachte heeft verklaard ten aanzien van zijn oogmerk.

Ten overstaan van de rechter-commissaris heeft verdachte op 8 mei 2019 verklaard: “Ik ben degene die een tramaanslag heeft gedaan. Eén ding moeten jullie goed begrijpen, Ik ben niet iemand die democraat is. Hoe jullie onze sharia de rug keren. [bijnaam] (de rechtbank begrijpt: verdachte) keert ook zijn rug naar jullie democratie. Ik zeg nogmaals ‘ik ben geen democraat. Ik ben volgeling van Sharia.’

Nu komt de echte reden waarom ik de aanslag heb gedaan. Moslims worden door Nederlandse militairen in Libië, Syrië Tsjetsjenië, Afghanistan, overal met Europa doodgemaakt en denken jullie nou echt dat wij niets terug zullen doen? President Rutte, na mijn aanslag, komt op tv. Ik zie met mijn eigen ogen de angst die hij heeft in zijn ogen en hij zegt ‘Fanatisme haalt ons niet weg van de democratie’. Hé luister, Rutte. Jij laat jouw democratie niet los, maar denk jij nou echt dat wij sharia los gaan laten? Dat dacht ik niet. Weet jij hoeveel koppen voor Islam is gerold? Omdat wij van Allah en Mohamed houden. En bereid zijn om dood te gaan en dood te maken. Wollah, ik weet dat jullie oneerlijke mensen zijn en alleen maar Islam aanvallen om Islam te vernietigen. Dat zal jullie nooit lukken. Wij zijn niet bang voor jullie. En Rutte zegt ‘Vandaag is maandag, een zwarte dag voor ons’. Ik zeg nogmaals ‘Hé Rutte 12 jaar lang is een zwarte dag voor Moslims. Waarom zeggen jullie dat niet’?”.

Verdachte volhardt hierin als hij terechtzitting op 1 juli 2019 verklaart: “Ik ben geen democraat en ik ken jullie wetten niet. Ik ken jullie rechtbank ook niet.”18 Ook ter terechtzitting in maart 2020 heeft verdachte geen gelegenheid onbenut gelaten om blijk te geven van zijn ondubbelzinnige afkeer van alles en iedereen die hij schaart onder zijn noemer democratie. Daarnaast schreef verdachte eerder op de geluiddemper van zijn pistool: “Allah laat mij jullie dood maken.”

Verdachtes verklaringen geven aldus blijk van een ondubbelzinnige afwijzing van de democratische rechtsorde en (indirect) van zijn wens om het democratisch systeem te ontwrichten. Uit de tekst op de geluiddemper kan een ideologisch of religieus motief afgeleid worden. Hieruit kan echter niet direct het doel om vrees aan te jagen van een deel van de Nederlandse bevolking worden herleid, maar het zegt wel iets over de gedachtewereld van verdachte en zijn mogelijke motieven.

Nu aan de verklaringen van verdachte het bewijs voor het bestaan van het oogmerk om (een deel van) de bevolking ernstige vrees aan te jagen niet één op één kan worden ontleend, heeft de rechtbank tevens onderzocht of het bewijs van dit subjectieve bestanddeel kan worden afgeleid uit objectieve feiten en omstandigheden, waaronder de aard van de misdrijven en de omvang van de beoogde gevolgen daarvan. Daarbij acht de rechtbank de volgende feiten en omstandigheden van belang.

Verdachte heeft in een tram en in een drukke straat om zich heen geschoten op een groot aantal ogenschijnlijk willekeurige personen, terwijl hij daarbij meermalen “Allah Akbar” heeft geroepen, wat in die context moet worden opgevat als een strijdkreet, althans als een zijn gewelddadig handelen ondersteunend uitroepen in de sleutel van een hem richtinggevend motto. Verdachte heeft daarbij gebruik gemaakt van een wapen met een geluiddemper, voorzien van de eerder in dit vonnis weergegeven tekst. De misdrijven (de pogingen daaronder begrepen) zijn op een zodanige wijze uitgevoerd dat een zo groot mogelijk publiek daarvan op de hoogte raakt, daardoor ernstig geschokt raakt en het gevoel krijgt dat het eenieder kan overkomen. Het gaat immers om een publieke plaats, waarbij veel ogenschijnlijk willekeurige slachtoffers zijn gevallen.

Gelet op al deze feiten en omstandigheden, bezien in onderling verband en samenhang, staat het voor de rechtbank niet alleen vast dat verdachte met zijn handelen een deel van de bevolking – namelijk dat deel dat in zijn ogen geen moslim is – ernstige vrees heeft aangejaagd, maar ook dat dit zijn uitdrukkelijke bedoeling was. Daarmee is het bewijs van het ten laste gelegde terroristisch oogmerk gegeven.

Het dwingen van de overheid om iets te doen, niet te doen of te dulden en/of het ontwrichten van de fundamentele politieke en constitutionele structuren van Nederland

Uit de bewijsmiddelen vloeit niet voort dat verdachte de misdrijven (moorden, pogingen tot moord) heeft begaan met het oogmerk om een overheid of internationale organisatie wederrechtelijk te dwingen om iets te doen, niet te doen of te dulden. Immers, voor het dwingen van de overheid zal toch minst genomen sprake moeten zijn van het met voldoende mate van concreetheid stellen van eisen, bijvoorbeeld met een daaraan verbonden ultimatum dan wel van het uiten van dreigementen richting de overheid door de verdachte, voorafgaand of kort na zijn handelen. Verdachte heeft weliswaar ten overstaan van de rechter-commissaris en ter terechtzitting verklaard dat de Nederlandse Staat en/of Nederlandse Krijgsmacht, in zijn ogen verantwoordelijkheid draagt voor de dood van vele moslims in de wereld. Van door verdachte gestelde eisen voorafgaand aan de feiten dan wel daarna is evenwel niet gebleken. Niet is vast komen te staan dat hij de overheid wilde dwingen om iets te doen of te dulden. Tevens acht de rechtbank deze verklaring te ongericht om op grond daarvan vast te kunnen stellen dat verdachte fundamentele structuren van Nederland of enig ander land zou willen ontwrichten. De rechtbank zal hem daarom van dit onderdeel van de tenlastelegging telkens vrijspreken.

Conclusie

Ten aanzien van de onder 1 tot en met 3 ten laste gelegde feiten is sprake van een terroristisch oogmerk.

5.3.1.4 Bedreiging met een terroristisch misdrijf?

De rechtbank komt vervolgens toe aan de vraag of sprake is van bedreiging met een terroristisch misdrijf jegens de in de tenlastelegging onder feit 4 en feit 5 genoemde personen.

De wetgever heeft in artikel 83 Sr bepaald welke misdrijven als terroristische misdrijven hebben te gelden. Die bepaling is van betekenis voor de beoordeling van het in artikel 285, derde lid, Sr omschreven misdrijf: bedreiging met een terroristisch misdrijf. Deze strafbepaling eist immers naar haar bewoordingen niet dat de bedreiging zelf met een terroristisch oogmerk plaatsvindt. Waar het om gaat, is dat het misdrijf waarmee gedreigd wordt een terroristisch misdrijf is.19 Voor een veroordeling ter zake van bedreiging met een terroristisch misdrijf is dan ook vereist dat de uitvoering van de bedreiging een terroristisch misdrijf zou opleveren en dat de bedreiging van dien aard is en onder zodanige omstandigheden is geschied dat bij de bedreigde(n) de redelijke vrees kon ontstaan dat het terroristisch misdrijf waarmee werd gedreigd ook zou worden gepleegd, alsmede dat het opzet van de verdachte op het wekken van die vrees was gericht.

Op grond van de gebezigde bewijsmiddelen is vast komen te staan dat verdachte met een vuurwapen in een afgesloten tram, in nabijheid van personen een vuurwapen heeft doorgeladen en gericht heeft geschoten op meerdere passagiers. Verder staat vast dat verdachte buiten de tram dreigend met een vuurwapen op personen is afgelopen, een vuurwapen in hun richting heeft gehouden en met dat vuurwapen heeft geschoten.

De rechtbank heeft in de bijlage waarin de bewijsmiddelen zijn opgenomen nader uiteengezet dat en waarom het de bewijsmiddelen voor deze onder 1, 2 en 3 ten laste gelegde feiten mede redengevend acht voor het bewijs van deze onder 4 en 5 ten laste gelegde feiten.

Zoals reeds overwogen heeft de verdachte wat betreft de feiten 1 tot en met 3 met een terroristisch oogmerk gehandeld. Wanneer verdachte de feiten waarmee hij heeft gedreigd daadwerkelijk had uitgevoerd zou dit onderdeel hebben uitgemaakt van de terroristische aanslag die verdachte op dat moment feitelijk pleegde; de uitvoering van die bedreiging zou dan een terroristisch misdrijf opleveren. Dit handelen van verdachte is naar zijn aard en de uiterlijke verschijningsvorm daarvan toereikend om in het algemeen vrees op te wekken dat het terroristische misdrijf waarmee werd gedreigd ook zou worden gepleegd.

Gelet op voorgaande acht de rechtbank ook de aan verdachte verweten bedreiging(en) met een terroristisch misdrijf bewezen.

6 BEWEZENVERKLARING

De rechtbank acht op grond van de in bijlage 2 genoemde bewijsmiddelen, bewezen dat verdachte:

feit 1 in de periode van 18 maart 2019 tot en met 28 maart 2019 te Utrecht [slachtoffer 1] , [slachtoffer 2] , [slachtoffer 3] en [slachtoffer 4] opzettelijk en met voorbedachten rade van het leven heeft beroofd, telkens door gericht met een vuurwapen op het lichaam van voornoemde personen te schieten, ten gevolge waarvan [slachtoffer 1] , [slachtoffer 2] en [slachtoffer 3] op 18 maart 2019 zijn overleden en [slachtoffer 4] op 28 maart 2019 is overleden, welke misdrijven telkens werden gepleegd met een terroristisch oogmerk, te weten het oogmerk om de bevolking of een deel der bevolking van een land ernstige vrees aan te jagen;

feit 2 op 18 maart 2019 te Utrecht ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om [slachtoffer 6] en [slachtoffer 5] opzettelijk en met voorbedachten rade van het leven te beroven, telkens gericht met een vuurwapen op het lichaam van voornoemde personen heeft geschoten, waarbij ieder van hen door een kogel is geraakt in het bovenlichaam, terwijl de uitvoering van die voorgenomen misdrijven niet is voltooid, welke misdrijven telkens werden gepleegd met een terroristisch oogmerk, te weten het oogmerk om de bevolking of een deel der bevolking van een land ernstige vrees aan te jagen;

feit 3 op 18 maart 2019 te Utrecht ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om [slachtoffer 7] opzettelijk en met voorbedachten rade van het leven te beroven een vuurwapen op het achterhoofd van [slachtoffer 7] heeft gericht en daarna de trekker van dat vuurwapen heeft overgehaald, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid, welk misdrijf werd gepleegd met een terroristisch oogmerk, te weten het oogmerk om de bevolking of een deel der bevolking van een land ernstige vrees aan te jagen;

feit 4 op 18 maart 2019 te Utrecht, [slachtoffer 8] , [slachtoffer 9] (de persoon aangeduid met nr. [nummer] ), [slachtoffer 10] , [slachtoffer 11] , [slachtoffer 12] , [slachtoffer 13] en [slachtoffer 7] heeft bedreigd met een terroristisch misdrijf, telkens door in een tram waarvan de deuren waren afgesloten, in de nabijheid van de voornoemde personen, een vuurwapen door te laden en met dat vuurwapen te richten en te schieten op meerdere passagiers van de tram, waarbij verdachte Allah akbar heeft geroepen;

feit 5 op 18 maart 2019 te Utrecht, de na te noemen personen heeft bedreigd met een terroristisch misdrijf:

- [slachtoffer 12] , [slachtoffer 14] , [slachtoffer 15] en [slachtoffer 16] , telkens door met een vuurwapen in de hand dreigend op de voornoemde personen af te lopen en daarbij te schieten met het vuurwapen,

- [slachtoffer 17] en [slachtoffer 18] , telkens door een vuurwapen in hun richting te houden en met dat vuurwapen te schieten,

- [slachtoffer 19] en [slachtoffer 20] , telkens door een vuurwapen op hen te richten,

- en [slachtoffer 21] , [slachtoffer 22] en [slachtoffer 23] , telkens door voor hen zichtbaar in hun nabijheid (op ogenschijnlijk willekeurige personen) te schieten met een vuurwapen en dat vuurwapen te richten op personen,

waarbij verdachte Allah akbar heeft geroepen;

feit 6 op 25 februari 2019 te Lelystad een medewerker (met dienstnummer [dienstnummer] ) van de Penitentiaire Inrichting Lelystad heeft mishandeld door die medewerker een kopstoot te geven tegen het jukbeen.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten staan, zijn deze verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in de verdediging geschaad.

7 DE STRAFBAARHEID VAN DE FEITEN

De bewezen geachte feiten zijn volgens de wet strafbaar als

feit 1 moord, gepleegd met een terroristisch oogmerk, meermalen gepleegd;

feit 2 poging tot moord, gepleegd met een terroristisch oogmerk, meermalen
gepleegd;

feit 3 poging tot moord, gepleegd met een terroristisch oogmerk;

feiten 4 en 5 telkens bedreiging met een terroristisch misdrijf, meermalen gepleegd;

feit 6 mishandeling.

8 DE STRAFBAARHEID VAN VERDACHTE

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.

9 MOTIVERING VAN DE STRAF

9.1

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte voor de door haar bewezen geachte feiten zal worden veroordeeld tot een levenslange gevangenisstraf.

9.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft bepleit dat de rechtbank zal afzien van het opleggen van een levenslange gevangenisstraf. De standpunten en verweren van de raadsman worden hieronder in paragraaf 9.3 besproken.

9.3

Het oordeel van de rechtbank

9.3.1

De motivering van de op te leggen straf

Verdachte heeft op klaarlichte dag in Utrecht in een tram dood en verderf gezaaid. Met geen ander doel dan het nemen van levens is hij, vermomd als een alledaagse passagier, die tram ingestapt. Vervolgens heeft hij een pistool tevoorschijn gehaald, waarmee hij onder het aanroepen van zijn god Allah op koelbloedige wijze op argeloze passagiers heeft geschoten, niet eenmaal maar vele malen, in het luttele tijdsbestek van twee minuten. Vervolgens heeft hij ook buiten die tram nog kogels afgevuurd. Minstens één bestuurder in een stilstaande auto heeft hij gericht beschoten en hij heeft vele anderen met de dood bedreigd. Vervolgens is hij in een door een gevluchte bestuurder achtergelaten auto gestapt en heeft hij zich – ook toen nog schietend – uit de voeten gemaakt.


Met zijn huiveringwekkende daden heeft verdachte van vier personen het leven genomen, heeft hij twee personen zeer ernstig letsel toegebracht, en heeft hij velen, in en buiten die tram, enorme vrees aangejaagd. In het verlengde daarvan ligt het diepe en onomkeerbare leed dat verdachte de naasten van de slachtoffers heeft berokkend. De door spreekgerechtigde slachtoffers ter terechtzitting afgelegde verklaringen getuigen van de diepte en omvang van dat leed. Voor de levens van nabestaanden is dat leed verwoestend geweest, andere slachtoffers zijn figuurlijk opgekrabbeld, en proberen met vallen en opstaan de draad van het leven weer enigszins op te pakken.


In een daarvan verder verwijderd maar daardoor niet minder betekenisvol verband heeft verdachte met de door hem gepleegde aanslag de samenleving ernstige vrees aangejaagd: voor de bewoners van de stad Utrecht stond de tijd stil en ook in Nederland heeft hij een schok van ontzetting teweeggebracht. De rechtbank gaat ervan uit dat dit alles precies is wat verdachte met zijn terroristische aanslag moet hebben beoogd: het veroorzaken van een golf van angst en ontzetting, in die stad en in het land.


Verdachte heeft zijn handelen gerechtvaardigd door de werkelijkheid te reduceren tot een onwerkelijk rechtlijnig “wij” tegenover “jullie”: wij moslims, worden wereldwijd vernietigd door jullie, democraten. Die gedachte rechtvaardigt voor verdachte zijn uiterst gewelddadig handelen en de legitimatie daarvoor vindt hij in wat zijn geloofsovertuiging hem blijkbaar ingeeft. In wezen is daarmee de kous voor verdachte af. Aldus handelend abstraheert verdachte volstrekt van het menselijke, zowel waar het zijn eigen gedrag betreft, als wat door individuele slachtoffers en nabestaanden wordt gevoeld.

Behalve een schriftelijke en mondelinge verklaring tijdens het vooronderzoek, heeft verdachte geen vragen willen beantwoorden. Zijn houding ter zitting is kennelijk ingegeven door zijn verklaarde en onverholen weerzin tegen alles wat hij onder het begrip democratie schaart: de officier van justitie, de rechtbank, en de door de rechtbank tegen zijn zin aan hem toegevoegde raadsman.

In dat licht bezien wekt het geen verbazing dat verdachte op geen enkel moment blijk heeft gegeven van spijt of berouw van zijn daden. Integendeel, hij heeft bij gelegenheid van het afleggen van hun verklaringen een aantal slachtoffers geprovoceerd, door hen (non)verbaal te honen en beschimpen. Zo bezien heeft hij zelfs ter terechtzitting nog leed toegevoegd.

Uit het onderzoek is gebleken dat verdachte is geradicaliseerd. Dat blijkt niet alleen uit de aard van de bewezen geachte misdrijven, maar ook uit wat het onderzoek overigens heeft opgeleverd. Uit door getuigen afgelegde verklaringen over verdachtes gedrag gedurende de maanden die aan zijn aanslag vooraf zijn gegaan, blijkt onmiskenbaar van een verharding van zijn gedrag en standpunten, terwijl hij zich daarop nagenoeg niet-aanspreekbaar heeft getoond.20 Ook stille getuigen dragen aan dat beeld bij: aangetroffen geschriften en boeken, te relateren aan wat hij zegt te geloven, en die op hun inhoud beoordeeld als extreem kunnen worden gelabeld.21


Alles overziend kan de conclusie geen andere zijn dan dat verdachte pal stond en nog steeds pal staat voor wat hij op 18 maart 2019 heeft aangericht. Dat volgt ook uit de inhoud van vertrouwelijke communicatie die nadien heeft plaatsgehad en waaraan verdachte in detentie heeft deelgenomen. Niet alleen een vooral religieus gekleurde tevreden berusting in zijn lot, maar ook een panoramisch vergezicht, waarin hij voor zichzelf een vervolg van het daadwerkelijk begaan van terroristisch geweld ziet, wanneer hij zich weer op vrije voeten bevindt.22


Over de persoon van verdachte is na zijn verblijf in het Pieter Baan Centrum (PBC) door deskundigen gerapporteerd. Het onderzoek is in sterke mate beperkt door de gebrekkige medewerking die verdachte aan dat onderzoek heeft verleend. Ondanks die beperkingen is het voor die deskundigen toch mogelijk gebleken hun bevindingen te voorzien van onderbouwde conclusies. Bij hem is naar hun deskundige mening sprake van een persoonlijkheidsstoornis met narcistische en antisociale kenmerken, en hij functioneert op een zwakbegaafd intelligentieniveau. Het onderzoek heeft geen aanwijzingen opgeleverd dat verdachtes geloofsopvatting van doen heeft met psychiatrische problematiek. Deze vaststellingen over verdachtes persoon waren van betekenis in aanloop naar en ook toen hij de bewezen geachte feiten pleegde. Door de beperkingen aan het onderzoek (verdachte werkte daaraan zeer beperkt mee, en een milieuonderzoek is niet van de grond kunnen komen) hebben de deskundigen geen volledig zicht kunnen krijgen op de precieze aard en omvang van verdachtes pathologie in de bewezen geachte feiten. De deskundigen menen dat het feit dat verdachte zich in toenemende mate op zijn geloof richtte en dat hij daarin radicaliseerde, niet zozeer voortkomt uit een groei en rijping van innerlijke geloofsovertuigingen, maar meer uit frustratie over eigen tekortkomingen en mislukkingen in het leven. Het bood hem als het ware een nieuwe identiteit waarmee hij alsnog grip op zijn leven probeerde te krijgen. Anders gezegd: radicaliseren en het omarmen van extremistische standpunten als een onbewuste strategie om met problemen en tegenslagen in zijn leven om te gaan (copingmechanisme).

Het herhalingsgevaar is door de deskundigen als matig tot hoog omschreven. De deskundigen zien aangrijpingspunten voor behandeling van verdachte. Indien het streven is om verdachte uiteindelijk te laten resocialiseren dient die voorafgaande noodzakelijke behandeling in een opgelegd kader plaats te vinden, uitsluitend in het kader van een terbeschikkingstelling met dwangverpleging, aldus die deskundigen in hun rapport.


De rechtbank neemt de conclusies over de stoornis en toerekeningsvatbaarheid van verdachte over. Dat geldt niet voor de inschatting van het herhalingsgevaar. De bevindingen van de deskundigen, gevoegd bij wat na de rapportage uit de mond van verdachte is opgetekend (bij gelegenheid van opgenomen vertrouwelijke communicatie), maken dat de rechtbank het herhalingsgevaar als hoog inschat.

Dan is er nog het bewezen geachte feit dat niet in rechtstreeks verband staat met de in en bij de tram gepleegde feiten: de mishandeling van een medewerker van de Penitentiaire Inrichting Lelystad. Zonder de ernst van het moeten verduren van een kopstoot te bagatelliseren, de ernst en het soortelijk gewicht daarvan bij de straftoemeting verbleekt daarbij nagenoeg geheel, in het licht van wat hierboven is overwogen.


Een tijdelijke gevangenisstraf, ook de maximale, doet onvoldoende recht aan de aard en ernst van de door verdachte gepleegde misdrijven en de met strafoplegging na te streven doelen van vergelding en beveiliging van de samenleving. Met de strafoplegging in deze zaak beoogt de rechtbank bovendien anderen ervan te weerhouden over te gaan tot het plegen van dergelijke misdrijven. Dat die misdrijven aan verdachte in verminderde mate kunnen worden toegerekend maakt dit oordeel niet anders. Dit, bezien in het licht van wat is gebleken over de aard van de bij verdachte vastgestelde stoornis en het gewicht van het ondanks die stoornis en dat IQ aan hem te maken verwijt.


Al het voorgaande voert de rechtbank tot de slotsom dat de rechtbank geen ruimte aanwezig acht voor de oplegging van een andere gevangenisstraf dan de levenslange. De rechtbank zal hierna onderzoeken of niettemin van die strafoplegging moet worden afgezien, gehoord wat daartegen door de raadsman bij wijze van verweer is ingebracht.

9.3.2

Bespreking van het straftoemetingsverweer

De raadsman heeft bepleit dat de rechtbank zal afzien van het aan verdachte opleggen van die levenslange gevangenisstraf. Volgens de raadsman staan de volgende bezwaren aan het opleggen van een levenslange gevangenisstraf in de weg.

  1. De rechtbank heeft de zaak behandeld met toepassing van de wettelijke regeling die
    is toegesneden op berechting van verdachten, bij wie een gebrekkige ontwikkeling of
    ziekelijke stoornis van de geestvermogens wordt vermoed. Als de rechtbank enerzijds
    aanleiding heeft gezien die regeling toe te passen wringt de oplegging van een
    levenslange gevangenisstraf daarmee.

  2. De oplegging van een levenslange gevangenisstraf gaat slecht samen met de door de aan het PBC verbonden deskundigen vastgestelde verminderde toerekeningsvatbaarheid van verdachte.

Daarnaast heeft het door die deskundigen bij de verdachte vastgestelde lage IQ heeft vermoedelijk in aanzienlijke mate bijgedragen aan zijn beslissing de bewezen geachte feiten te plegen. Dat aspect dient in de strafmaat te worden verdisconteerd.

3. Gelet op wat over de persoon van verdachte is gebleken bestaat voor hem op het moment van die strafoplegging door de rechtbank slechts een theoretische kans dat hij ooit weer op vrije voeten zal komen. Dat betekent dat de straf feitelijk niet verminderbaar is, met gevolg dat die strafoplegging in strijd komt met artikel 3 EVRM.

De rechtbank beoordeelt het verweer als volgt.

1. Wringt de berechting met toepassing van de regeling van Boek IV, Titel IIA van het

Wetboek van Strafvordering met het opleggen van een levenslange gevangenisstraf?

De rechtbank heeft bij beslissing van 28 november 2019 op de voet van artikel 509a Sv het vermoeden uitgesproken dat de geestvermogens van de verdachte gebrekkig ontwikkeld zijn, en dat hij ten gevolge daarvan niet in staat is zijn belangen behoorlijk te behartigen.
De rechtbank heeft die beslissing gegrond op onder meer de volgende overwegingen:

1. Het procesverloop

Verdachte verblijft in het bestek van de onderhavige zaak in voorlopige hechtenis. Aan hem is ingevolge de strafvorderlijke regeling een raadsman toegevoegd. De verdachte heeft zowel tijdens het voorbereidend onderzoek als ter terechtzitting van de rechtbank als zijn standpunt te kennen gegeven dat hij geen rechtsgeleerde bijstand wenst. De toegevoegde raadsman mr. A.M. Seebregts heeft op 27 november jl. aan de voorzitter schriftelijk en gemotiveerd kenbaar gemaakt dat hij gelet op dit standpunt van verdachte de verdediging wenst neer te leggen. Voorts heeft hij als zijn mening uiteengezet dat en waarom in de onderhavige zaak geen grond is voor de in artikel 509a Wetboek van Strafvordering (Sv) bedoelde beslissing.


2. De persoon van de verdachte en de afwezigheid van rechtsgeleerde bijstand
Het wettelijk kader

Artikel 509a Sv schrijft in het eerste lid daarvan voor, dat in het geval waarin wordt vermoed dat de geestvermogens van een verdachte gebrekkig ontwikkeld of ziekelijk gestoord zijn en dat hij ten gevolge daarvan niet in staat is zijn belangen behoorlijk te behartigen, de rechtbank dat bij beslissing verklaart. Zo’n beslissing wordt gegeven ambtshalve door de rechtbank, op voordracht van de rechter-commissaris, op vordering van de officier van justitie of op verzoek van of namens de verdachte. In het geval waarin de rechtbank een dergelijke beslissing geeft verbindt de wet daaraan procedurele gevolgen. Het gaat daarbij om op die situatie en verdachtes berechting toegesneden wettelijke regels, waarmee de waarborging van een behoorlijke belangenbehartiging wordt beoogd.

Eén van die procedurele gevolgen is de toevoeging van een raadsman op de voet van artikel 509c Sv. Met een ingevolge die wettelijke bepaling aan de verdachte toegevoegde raadsman wordt de in beginsel aan een verdachte toekomende keuzevrijheid zichzelf dan wel door een raadsman te laten verdedigen in zoverre doorbroken dat die raadsman tot optreden niet alleen bevoegd maar bovendien gehouden is. Dat de verdachte te kennen geeft geen rechtsbijstand te wensen of zich niet te kunnen verenigen met de wijze waarop die raadsman daaraan invulling geeft doet daaraan niet af. Kortom: rechtsbijstand, ook tegen de (verklaarde) wil van de verdachte.


De onderhavige zaak

Verdachte is gedurende de voorbije periode klinisch onderzocht door aan het Pieter Baan Centrum verbonden deskundigen. Deze onderzoekers hebben de vraag of verdachte lijdt aan een gebrekkige ontwikkeling van de geestvermogens in het naar aanleiding van hun onderzoek opgestelde rapport bevestigend beantwoord. Zij hebben onder meer geconcludeerd dat verdachte lijdt aan een persoonlijkheidsstoornis met narcistische en antisociale kenmerken en qua intelligentie op een zwakbegaafd niveau functioneert.

Daarbij tekenen zij aan, dat door de wijze van presentatie door verdachte het risico bestaat dat zijn vermogens door zowel anderen als door hemzelf worden overschat.

De rechtbank grondt op deze deskundige bevindingen, die door de rechtbank mede worden bezien in het licht van de overige stukken in het dossier en de ter terechtzitting van de persoon van verdachte door de rechtbank voorshands verkregen indruk, het hierboven bedoelde vermoeden dat de geestvermogens van de verdachte gebrekkig ontwikkeld zijn, waardoor hij niet in staat is zelf zijn belangen in het strafproces behoorlijk te behartigen. Aldus ligt het ambtshalve door de rechtbank geven van een daartoe strekkende beslissing voor.

Dat het ambtshalve geven van die beslissing bovendien is aangewezen vloeit rechtstreeks voort uit de in artikel 6 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden gegarandeerde waarborgen. Immers, in een zaak als deze, waarin er (ook) voor verdachte zeer veel op het spel staat, kan niet snel genoegen worden genomen met een afstand van rechtsbijstand door een verdachte.

De rechtbank stelt voorop, dat de hierboven weergegeven beslissing een uitsluitend procesrechtelijke betekenis heeft. De vraag of, en zo ja welk gewicht in de sleutel van de oplegging van straf en/of maatregel toekomt aan wat door deskundigen is verwoord over verdachtes psychische constitutie, is naar zijn aard wezenlijk anders en staat in zoverre geheel los van wat in de sleutel van dat rechterlijk vermoeden door de rechtbank bij beslissing is verklaard. Zo bezien is al daarom van het door de raadsman bedoelde wringen geen sprake.

Dat oordeel wordt niet anders als die beslissing en de motivering daarvan worden teruggelezen. Immers, de opportuniteit van het ambtshalve geven van die beslissing is door de rechtbank gestoeld op de waarborgen van artikel 6 EVRM, geconcretiseerd in (het afstand doen van) rechtsbijstand in een zaak als deze, waarin voor de verdachte zeer veel op het spel staat. Een gevolg van het toepassen van die bijzondere strafvorderlijke regeling is de imperatief voorgeschreven toevoeging door de voorzitter van de raadsman aan de verdachte, aan welk gebod de rechtbank gevolg heeft gegeven. De op die voet toegevoegde raadsman heeft zich van die – voor hem als raadsman lastige – taak gekweten.

Het voorgaande leidt ertoe dat de rechtbank dit onderdeel van het verweer verwerpt.

2. Het bij verdachte gemeten IQ en de verminderde toerekening

De rechtbank zal deze twee onderdelen van het gevoerde verweer gezamenlijk bespreken.
Er zijn in het algemeen gevallen denkbaar waarin een gemeten IQ en/of de aard en ernst van een bij een verdachte vastgestelde gebrekkige ontwikkeling of ziekelijke stoornis de strafrechtelijke verwijtbaarheid zodanig doen verbleken, dat weliswaar zijn strafbaarheid moet worden aangenomen, doch het gewicht van de verwijtbaarheid van zijn handelen daardoor in zeer sterke mate wordt gerelativeerd. In een dergelijk geval kan het daarom zijn dat de rechter afziet van het opleggen van een levenslange gevangenisstraf en wél overgaat tot het opleggen van een tijdelijke gevangenisstraf, in het voorkomende geval gecombineerd met de maatregel van TBS.

Wat door die deskundigen ten aanzien van verdachte als zodanig is gemeten (IQ) en vastgesteld (de hierboven omschreven persoonlijkheidsstoornis) maakt niet, dat het hierboven als denkbaar omschreven geval zich in de zaak van de verdachte voordoet. Door de verdediging is in argumentatieve zin op dit punt ook niet meer aangevoerd wat door de rechtbank bij haar beoordeling moet worden betrokken. Dit betekent dat de rechtbank ook deze onderdelen van het verweer verwerpt.

3. Staat artikel 3 EVRM in de weg aan oplegging van levenslange gevangenisstraf?

De raadsman heeft deze vraag onder verwijzing naar de inhoud van het rapport bevestigend beantwoord. De rechtbank herhaalt op deze plaats dat die aan het PBC verbonden deskundigen over de persoon van verdachte hebben gerapporteerd dat bij hem sprake is van een persoonlijkheidsstoornis met narcistische en antisociale kenmerken. Daarbij komt dat verdachte op een zwakbegaafd intelligentieniveau functioneert. Het herhalingsgevaar is door de deskundigen als matig tot hoog omschreven. De deskundigen zien aangrijpingspunten voor behandeling van verdachte. Indien het streven is om verdachte uiteindelijk te laten resocialiseren dient die voorafgaande noodzakelijke behandeling in een opgelegd kader plaats te vinden, uitsluitend in het kader van een terbeschikkingstelling met dwangverpleging, aldus die deskundigen in hun rapport.

De raadsman ziet in deze vaststellingen en prognoses een absolute belemmering voor de rechtmatige oplegging van een levenslange gevangenisstraf. Immers, naast een levenslange gevangenisstraf is geen plaats voor de maatregel van TBS, die naar zijn aard is gericht op verdachtes terugkeer in de samenleving. Omdat de pathologie van verdachte meebrengt dat hij zich niet vrijwillig zal laten behandelen zal daardoor zijn stoornis blijven bestaan, met als gevolg dat ook het herhalingsgevaar blijft bestaan.

Dit een en ander betekent dat voor verdachte op het moment van opleggen van die straf slechts een theoretische kans bestaat dat hij ooit weer op vrije voeten zal komen. Kortom, een straf die de facto niet verminderbaar is, en dat is in strijd met artikel 3 EVRM, aldus de raadsman.

De rechtbank stelt voorop, dat de Hoge Raad heeft geoordeeld dat het Nederlands recht voorziet in een zodanig stelsel van herbeoordeling, dat in de zich daarvoor lenende gevallen kan worden overgegaan tot verkorting van de levenslange gevangenisstraf. Dat betekent dat de oplegging van de levenslange gevangenisstraf op zichzelf niet in strijd is met artikel 3 EVRM.23 Voorts kan niet worden gezegd dat voor verdachte onvoldoende duidelijk is welke criteria worden aangelegd bij de procedure van herbeoordeling. Bij de (ambtshalve) beoordeling van de mogelijkheid tot gratieverlening komt het aan op de vraag of verdere tenuitvoerlegging van de levenslange gevangenisstraf niet langer gerechtvaardigd is. Daarbij komt betekenis toe aan het gedrag en de ontwikkeling van de veroordeelde gedurende zijn detentie en dienen de in artikel 4, vierde lid, Besluit Adviescollege levenslanggestraften genoemde criteria, waaronder het recidiverisico en de delictgevaarlijkheid in aanmerking te worden genomen.24

Toegespitst op de persoon van verdachte en in het geval van oplegging van een levenslange gevangenisstraf heeft in het bijzonder nog het volgende te gelden.

De beslissingen over het aanbieden van op rehabilitatie gerichte activiteiten worden pas in de loop van de tenuitvoerlegging van de levenslange gevangenisstraf genomen. Dat betekent voor de fase van berechting door de rechtbank dat in het geval van de oplegging van die straf het hoogst onzeker is hoe dat aanbod vorm krijgt. Dat geldt evenzeer voor de mogelijkheden die openstaan voor verdachtes behandeling, ook al zien de deskundigen ondubbelzinnig aan verdachtes persoonlijkheidsproblematiek te relateren hobbels die in dat verband moeten worden (weg)genomen. Weliswaar achten de deskundigen slechts een behandeling in een opgelegd kader aangewezen, de modaliteit van TBS is door hen geadviseerd indien en voor zover het streven is betrokkene uiteindelijk te laten resocialiseren.

De rechtbank stelt vast dat in het geval van de oplegging van een levenslange gevangenisstraf aan verdachte ingevolge de regeling in het Wetboek van Strafvordering (Boek 6, Hoofdstuk 2) aan hem ook in het bestek van de tenuitvoerlegging daarvan de noodzakelijke (psycho)medische of psychiatrische zorg en behandeling wordt geboden, zo nodig ook buiten de inrichting waar de straf ten uitvoer wordt gelegd. In dat licht en in het perspectief van tijdsverloop bezien kan niet al nu worden gezegd dat door de rechtbank moet worden aangenomen dat die even bedoelde hobbels, niet kunnen worden (weg)genomen.

Bij die stand van zaken kan in het licht van wat door de raadsman is aangevoerd niet worden aangenomen dat reeds thans – in de fase van berechting – moet worden aangenomen dat het opleggen van de levenslange gevangenisstraf in strijd is met artikel 3 EVRM. Dit betekent dat ook dit onderdeel van het verweer niet slaagt.

9.3.3 Conclusie
Hiervoor heeft de rechtbank uiteengezet dat en op welke gronden het de oplegging van een levenslange gevangenisstraf aangewezen acht. De rechtbank heeft vervolgens het straftoemetingsverweer in al zijn onderdelen verworpen.

Al het voorgaande voert de rechtbank tot de slotsom dat zij aan verdachte een levenslange gevangenisstraf zal opleggen.

10 BESLAG

Het vuurwapen en de demper waarmee verdachte de bewezen verklaarde feiten 1 tot en met 5 heeft begaan, zijn op 18 maart 2019 onder hem in beslag genomen. De rechtbank zal bevelen dat deze voorwerpen – conform de vordering van de officier van justitie – aan het verkeer worden onttrokken, nu deze van zodanige aard zijn dat het ongecontroleerde bezit daarvan in strijd is met de wet.

11 BENADEELDE PARTIJEN

Slachtoffers, familieleden en nabestaanden hebben zich als benadeelde partij in het geding gevoegd. Elk van de benadeelde partijen heeft de rechtbank verzocht om – bij toewijzing van hun vordering – die bedragen te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf het moment van het ontstaan van de schade. Daarnaast is door ieder van hen verzocht de schadevergoedingsmaatregel als bedoeld in artikel 36f Sr aan verdachte op te leggen.

11.1

De ingediende vorderingen

11.1.1

De nabestaanden van [slachtoffer 3]

[benadeelde 1] , moeder van [slachtoffer 3]

De moeder van [slachtoffer 3] , [benadeelde 1] , vordert een vergoeding van in totaal € 43.044,53 voor materiële en immateriële schade. Als materiële schadevergoeding vordert zij € 544,53, bestaande uit:

  • -

    opgenomen vrije dagen voor bijwonen inhoudelijke behandeling strafzaak: € 521,60;

  • -

    reiskosten, gemaakt op 20 maart 2019 voor het afscheid nemen van [slachtoffer 3] in het ziekenhuis: € 22,93;

De door [benadeelde 1] gevorderde immateriële schadevergoeding van € 42.500,- is onderverdeeld in shockschade, begroot op € 25.000,-, en affectieschade begroot op € 17.500,-.

[benadeelde 2] , zus van [slachtoffer 3]

[benadeelde 2] , de zus van [slachtoffer 3] , vordert – zo begrijpt de rechtbank – een vergoeding van in totaal € 27.162,32 voor materiële en immateriële schade. De immateriële schade, shockschade, heeft zij begroot op € 25.000,-.

De door haar gevorderde materiële schadevergoeding van in totaal € 2.162,32 bestaat uit:

  • -

    opgenomen vrije uren voor het bijwonen van bijeenkomsten en zittingen: € 1.277,93;

  • -

    reis- en parkeerkosten: € 108,45;

  • -

    extra kinderopvang: € 262,62;

  • -

    huur aanhangwagen ten behoeve van leegruimen woning [slachtoffer 3] : € 25,-;

  • -

    huur opslag voor de spullen van [slachtoffer 3] : € 251,36;

- toekomstige reis- en parkeerkosten ten behoeve van evt. behandeling van deze strafzaak in hoger beroep: € 236,96.

[benadeelde 3] , zus van [slachtoffer 3]
[benadeelde 3] , de zus van [slachtoffer 3] , vordert € 27.192,71 als vergoeding van materiële en immateriële schade. De immateriële schade, shockschade, heeft zij begroot op € 25.000,-. De door haar gevorderde materiële schadevergoeding van in totaal € 2.192,71 bestaat uit:

  • -

    opgenomen vrije uren voor het bijwonen van bijeenkomsten en zittingen: € 1.504,33;

  • -

    reis- en parkeerkosten: € 309,82;

- toekomstige reis- en parkeerkosten ten behoeve van evt. behandeling van deze strafzaak in hoger beroep.

11.1.2

De nabestaanden van [slachtoffer 4]

[benadeelde 4] , echtgenote van [slachtoffer 4]

De echtgenote van [slachtoffer 4] , [benadeelde 4] , vordert een vergoeding van in totaal € 71.894,07.

[benadeelde 4] heeft een materiële schadevergoeding van € 9.848,37 gevorderd voor kosten van lijkbezorging. Zij vordert vergoeding van immateriële schade, te weten € 20.000,- aan affectieschade.

Verder heeft [benadeelde 4] , als erfgenaam van [slachtoffer 4] , vererfde schadevergoeding gevorderd, bestaande uit:

  • -

    een daggeldvergoeding voor het verblijf van [slachtoffer 4] in het ziekenhuis: € 240,-;

  • -

    schade aan de kleding van [slachtoffer 4] : € 350,-;

  • -

    kosten van reiniging van de auto van [slachtoffer 4] € 205,70;

  • -

    vergoeding van immateriële schade die [slachtoffer 4] heeft geleden: € 41.250,-.

[benadeelde 5] , zoon van [slachtoffer 4]

[benadeelde 5] , zoon van [slachtoffer 4] , vordert in totaal € 20.000,- als vergoeding voor immateriële schade (affectieschade).

[benadeelde 6] , zoon van [slachtoffer 4]

[benadeelde 6] , zoon van [slachtoffer 4] , vordert een vergoeding van in totaal € 18.410,58 voor materiële en immateriële schade. De materiële schade bestaat voor € 910,58 uit reis- en parkeerkosten en de immateriële schade van in totaal € 17.500,- uit affectieschade.

11.1.3

De nabestaanden van [slachtoffer 1]

[benadeelde 7] , vader van [slachtoffer 1]

[benadeelde 7] , vader van [slachtoffer 1] , vordert een vergoeding van € 45.000,- ter zake van door hem geleden immateriële schade. Dit bedrag is onderverdeeld in affectieschade (€ 20.000,-) en shockschade (€ 25.000,-).

[benadeelde 8] , moeder van [slachtoffer 1]

De moeder van [slachtoffer 1] , [benadeelde 8] , vordert een vergoeding van € 770,- voor materiële schade en € 42.500,- voor door haar geleden immateriële schade. De materiële schade bestaat uit het eigen risico van de zorgverzekering over twee kalenderjaren (€ 385,- per jaar). De immateriële schade bestaat uit € 25.000,- shockschade en € 17.500,- affectieschade.

[benadeelde 9] , zus van [slachtoffer 1]

[benadeelde 9] , zus van [slachtoffer 1] , vordert een vergoeding van in totaal € 51.359,45 voor door haar geleden materiële en immateriële schade. De gevorderde immateriële schade beloopt € 25.000,- aan shockschade. De materiële schade bestaat uit:

  • -

    reis- en parkeerkosten: 1.072,67;

  • -

    kosten in verband met studievertraging: € 21.400,-;

  • -

    verlies aan verdienvermogen: € 2.152,-;

  • -

    reis- en parkeerkosten in verband met behandeling door psycholoog: € 212,16;

- toekomstige reis- en parkeerkosten vanaf 6 maart 2020: € 1.522,62.

11.1.4

De nabestaanden van [slachtoffer 2]

[benadeelde 10] , partner van [slachtoffer 2]

De partner van [slachtoffer 2] , [benadeelde 10] , vordert een vergoeding van in totaal € 302.215,- voor materiële en immateriële schade. De immateriële schade bestaat uit een bedrag van € 20.000,- aan affectieschade. De door [benadeelde 10] gevorderde materiële schadevergoeding ad € 282.215,- bestaat uit de volgende posten:

  • -

    verlies verzorging levensonderhoud door overleden partner: € 266.032,-;

  • -

    kosten van lijkbezorging: € 5.626,-;

  • -

    kosten voor financiële ondersteuning: € 908,-;

  • -

    kosten voor juridische bijstand, gemaakt ter vaststelling van de schade: € 6.189,-;

  • -

    kosten van het rapport van Nederlands Rekencentrum Letselschade, ter vaststelling van de schade: € 3.460,-.

[benadeelde 11] , zoon van [slachtoffer 2]

[benadeelde 11] , zoon van [slachtoffer 2] , vordert een vergoeding van in totaal € 29.614,- voor materiële en immateriële schade. De immateriële schade van € 20.000,- ziet op affectieschade. De materiële schade heeft voor € 9.614,- betrekking op het verlies van de bijdrage in kosten voor levensonderhoud.

[benadeelde 12] , zoon van [slachtoffer 2]

Namens [benadeelde 12] , minderjarige zoon van [slachtoffer 2] , is een schadevergoeding van € 34.340,- gevorderd. Dit bedrag bestaat voor € 20.000,- uit immateriële schade (affectieschade). Voor het overige is namens [benadeelde 12] gevorderd een bedrag van € 14.340,- ter zake van materiële schade, in de vorm van het verlies van de bijdrage in de kosten voor levensonderhoud.

[benadeelde 13] , dochter van [slachtoffer 2]

Namens [benadeelde 13] , minderjarige dochter van [slachtoffer 2] , is een vergoeding van in totaal € 59.237,- gevorderd voor door haar geleden materiële en immateriële schade. Deze ziet voor € 39.327,- op het verlies van de bijdrage in de kosten voor levensonderhoud (materiële schade) en voor € 20.000,- op affectieschade (immateriële schade).

[benadeelde 14] , vader van [slachtoffer 2]

[benadeelde 14] , vader van [slachtoffer 2] , vordert een vergoeding van in totaal € 38.000,- voor materiële en immateriële schade. Hij vordert een schadevergoeding van € 500,- voor reiskosten. De vordering ter zake van immateriële schade van in totaal € 37.500,- bestaat uit:

  • -

    affectieschade: € 17.500,-;

  • -

    shockschade: € 20.000,-.

[benadeelde 15] , moeder van [slachtoffer 2]

[benadeelde 15] , moeder van [slachtoffer 2] , vordert een vergoeding van € 37.500,- voor immateriële schade, bestaande uit:

  • -

    affectieschade: € 17.500,-;

  • -

    shockschade: € 20.000,-.

[benadeelde 16] , zus van [slachtoffer 2]

[benadeelde 16] , zus van [slachtoffer 2] , vordert een vergoeding van € 22.000,- voor materiële en immateriële schade. [benadeelde 16] vordert € 20.000,- ter zake van shockschade. De door haar gevorderde materiële schadevergoeding bestaat uit € 500,- voor reiskosten en € 1.500,- voor studiekosten.

[benadeelde 17] , zus van [slachtoffer 2]

[benadeelde 17] , zus van [slachtoffer 2] , vordert een vergoeding van in totaal € 20.500,- voor materiële en immateriële schade, te weten € 500,- voor reiskosten en € 20.000 ter zake van (immateriële) shockschade.

[benadeelde 18] , broer van [slachtoffer 2]
[benadeelde 18] , de broer van [slachtoffer 2] , vordert een vergoeding van in totaal van € 20.500,- ter zake van materiële en immateriële schade, te weten € 500,- voor reiskosten en € 20.000,- voor (immateriële) shockschade.

11.1.5

[slachtoffer 5] en haar naasten

[slachtoffer 5]
vordert een schadevergoeding van € 150.214,61. Dit bedrag bestaat voor € 100.000,- uit immateriële schade. De vordering ter zake van materiële schade is als volgt opgebouwd:

- vergoeding voor de periode, doorgebracht in het ziekenhuis: € 1.119,08;

  • -

    zaakschade: € 2.850,05;

  • -

    medische kosten en hulpmiddelen: € 17.262,33;

  • -

    kosten voor mantelzorg en huishoudelijke hulp: € 1.794,-;

  • -

    reis- en parkeerkosten: € 750,-;

  • -

    kosten in verband met de woning: € 3.722,18;

  • -

    verlies van verdienvermogen: € 5.000,-;

  • -

    vergoeding voor studievertraging: € 11.851,50;

  • -

    kosten zonder nut: € 804,-;

  • -

    buitengerechtelijke kosten: € 5.061,47.

[benadeelde 19] , partner van [slachtoffer 5]

De partner van [slachtoffer 5] , [benadeelde 19] , vordert een immateriële schadevergoeding van € 20.000,- (shockschade). Daarnaast vordert hij € 1.870,- aan materiële schade, bestaande uit reis- en parkeerkosten (€ 100,-) en het eigen risico zorgverzekering (twee jaren) in verband met psychologische hulp.

[benadeelde 20] , moeder van [slachtoffer 5]

De moeder van [slachtoffer 5] , [benadeelde 20] , vordert een immateriële schadevergoeding van € 20.000,- (shockschade). Verder vordert zij € 575,- ter zake van eigen risico zorgverzekering, en reis- en parkeerkosten.

[benadeelde 21] , zus van [slachtoffer 5]

De zus van [slachtoffer 5] , [benadeelde 21] , vordert een immateriële schadevergoeding van € 20.000,-(shockschade). Daarnaast vordert zij een vergoeding van € 978,35 ter zake van materiële schade, bestaande uit medische kosten en reis- en parkeerkosten.

11.1.6

[slachtoffer 6] en haar moeder

[slachtoffer 6]

vordert een schadevergoeding van € 60.571,07. Dit bedrag bestaat uit € 17.621,07 aan materiële schade (waarvan € 6.637,48 voor verlies van verdienvermogen) en € 42.950,- aan immateriële schade.

[benadeelde 22] , moeder van [slachtoffer 6]
[benadeelde 22] , de moeder van [slachtoffer 6] , vordert een bedrag van € 15.720,-, te weten € 770,- ter zake van materiële schade en € 14.950,- voor de door haar geleden immateriële schade (shockschade).

11.1.7

[slachtoffer 7] , [slachtoffer 18] , [slachtoffer 9] , [slachtoffer 12] , [slachtoffer 13] , [slachtoffer 19] , [slachtoffer 8] , [slachtoffer 10] , [slachtoffer 21] , [slachtoffer 17] , [slachtoffer 14] en [slachtoffer 15]

[slachtoffer 7]

heeft – zo begrijpt de rechtbank – een vergoeding van in totaal € 28.488,69 gevorderd voor de door hem geleden materiële en immateriële schade. De vordering ziet voor € 21.650,- op immateriële schade (smartengeld). De materiële schadevordering is als volgt opgebouwd:

  • -

    eigen bijdrage zorgverzekering (ziekenhuiskosten en behandeling PTSS): € 604,37;

  • -

    kosten in verband met extra gereden kilometers: € 207,48;

  • -

    dagwaarde jas in verband met schade: € 100,-;

  • -

    kosten van het opvragen van medische informatie: € 50,58;

  • -

    verlies van arbeidsvermogen: € 5.876,26.

[slachtoffer 18]

vordert een vergoeding van € 7.500,- voor immateriële schade.

[slachtoffer 9]

vordert een vergoeding van € 10.000,- ter zake van immateriële schade. In de tenlastelegging is [slachtoffer 9] opgenomen als getuige onder nummer [nummer] .

[slachtoffer 12]

vordert vergoeding van de navolgende schadeposten:

  • -

    beschadigde kleding: € 305,-;

  • -

    eigen risico zorgverzekering: € 416,08;

  • -

    reiskosten voor het bezoeken van zijn raadsman, een notaris, zijn adviseur en de psycholoog, totaal: € 136,80;

  • -

    vergoeding huishoudelijke hulp tot de dag van de zitting: € 2.016,50;

  • -

    toekomstige schade in verband met huishoudelijke hulp: € 1.000,-;

  • -

    inkomstenderving: € 3.000,-;

  • -

    immateriële schade € 100.000,-;

Verder vordert [slachtoffer 12] een vergoeding van € 50.000,- voor proceskosten.

[slachtoffer 13]

Namens [slachtoffer 13] (minderjarig ten tijdje van het indienen van de vordering) is een vergoeding gevorderd van in totaal € 37.175,- voor materiële en immateriële schade. De gevorderde vergoeding van € 17.175 voor materiële schade ziet op één jaar studievertraging. Verder is € 20.000,- gevorderd voor immateriële schade. Deze schade is gevorderd als shockschade dan wel smartengeld.

[slachtoffer 19]

vordert een vergoeding van € 20.000,- ter zake van immateriële schade, gevorderd als shockschade dan wel smartengeld.

[slachtoffer 8]

vordert een vergoeding van € 16.000,- ter zake van immateriële schade, in de vorm van shockschade dan wel smartengeld.

[slachtoffer 10]
Namens [slachtoffer 10] (minderjarig ten tijde van het onder 3 bewezen geachte feit) is een vordering tot immateriële schadevergoeding ingediend ten belope van € 10.000,-.

[slachtoffer 21]

vordert een vergoeding van in totaal € 10.117,- voor materiële en immateriële schade.

De materiële schade betreft € 117,-, voor reiskosten die zijn gemaakt in verband met de behandeling door een psychotherapeut. De vordering voor immateriële schadevergoeding (shockschade dan wel smartengeld) bedraagt € 10.000,-.

[slachtoffer 17]

vordert een vergoeding van in totaal € 13.336,-. Hij vordert € 3.336,- voor verlies van verdienvermogen (materiële schade) en € 10.000,- ter zake van immateriële schade.

[slachtoffer 14]

vordert een vergoeding van € 10.000,- ter zake van immateriële schade.

[slachtoffer 15]

vordert een vergoeding van in totaal € 8.550,- voor materiële en immateriële schade.

Zijn materiële schade is begroot op € 1.050,- en bestaat uit het verlies van diverse goederen, te weten:

  • -

    een identiteitsbewijs: € 60,-;

  • -

    rijbewijs: € 40,-;

  • -

    portemonnee: € 150,-;

  • -

    werkbroek: € 45,-;

  • -

    trui: € 30,-;

  • -

    telefoonscherm: €150,-;

  • -

    horloge: € 375,-;

  • -

    contant geld in portemonnee: € 200,-.

Verder vordert [slachtoffer 15] € 7.500,- smartengeld (immateriële schade).

11.1.8

[benadeelde 23] en [benadeelde 24] en [benadeelde 25]

[benadeelde 23] en [benadeelde 24]

[benadeelde 23] en [benadeelde 24] vorderen ieder een immateriële schadevergoeding van € 9.850,-.

[benadeelde 25]
geeft aanmateriële en immateriële schade te hebben geleden van in totaal
€ 14.084,-. De door haar geleden materiële schade (€ 4.084,-) bestaat uit het verlies van haar tas met inhoud en kosten als gevolg van beschadigde kleding. In de tas zat veel contant geld in verband met de geplande aankoop van een scooter. Verder vordert [benadeelde 25] immateriële schadevergoeding van in totaal € 10.000,-.

heeft al een uitkering van € 5.000,- van het Schadefonds Geweldsmisdrijven ontvangen. Dit bedrag trekt zij af van de totaal te vorderen schadevergoeding. Dat betekent dat zij uiteindelijk vordert: € 9.084,-.

11.1.9

Medewerker PI Lelystad met dienstnummer [dienstnummer] (feit 6)

De medewerker van de Penitentiaire Inrichting vordert een immateriële schadevergoeding van € 500,-.

11.2

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft een standpunt ingenomen ten aanzien van deze vorderingen. Dit standpunt luidt samengevat als volgt. De vorderingen ter zake van affectieschade kunnen geheel worden toegewezen. Wat betreft shockschade kunnen vorderingen worden toegewezen in de gevallen waarin dit is gevorderd door naasten van slachtoffers die door de confrontatie met de gevolgen van de bewezen geachte feiten aantoonbaar psychisch letsel hebben opgelopen. De gevorderde materiële schade kan worden toegewezen dan wel, in redelijkheid, worden geschat. Bij toewijzing van vorderingen, heeft de officier van justitie steeds verzocht de wettelijke rente toe te wijzen en de schadevergoedingsmaatregel op te leggen, met daarbij gijzeling tot het wettelijk maximum.

11.3

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft, samengevat, het volgende aangevoerd.

De verdediging refereert zich aan het oordeel van de rechtbank ten aanzien van de vorderingen tot vergoeding van affectieschade. Een vordering tot vergoeding van shockschade komt slechts voor toewijzing in aanmerking als (a) sprake is van een directe confrontatie met de gevolgen van het incident, (b) degene die de schade vordert een nauwe affectieve relatie heeft tot het slachtoffer en (c) er sprake is van een in de psychiatrie erkend ziektebeeld. Geen van de vorderingen voldoet (op dit moment) aan deze cumulatieve vereisten.

Nabestaanden kunnen slechts materiële schadevergoeding vorderen die ziet op kosten van lijkbezorging of op gederfd levensonderhoud. De verdediging refereert zich aan het oordeel van de rechtbank ten aanzien vorderingen die zien op de kosten van lijkbezorging. De gevorderde vergoedingen ter zake van gederfd levensonderhoud worden betwist en vormen bovendien een onevenredige belasting van het strafproces, zodat niet-ontvankelijkheid dient te volgen. De benadeelde partijen moeten ook niet-ontvankelijk worden verklaard in overige vorderingen tot materiële schadevergoeding.


Kosten die zijn gemaakt ten behoeve van het bijwonen van de behandeling ter terechtzitting, zoals kosten van opgenomen verlofuren of reiskosten, zijn proceskosten en kunnen om die reden niet onder de noemer van materiële schade worden toegewezen.

De vordering van [benadeelde 4] tot vergoeding van vererfde immateriële schade moet worden afgewezen, nu het recht op vergoeding blijkens artikel 6:95 van het Burgerlijk Wetboek (BW) slechts overgaat indien de gerechtigde aan de wederpartij heeft medegedeeld op de vergoeding aanspraak te maken, en een dergelijke mededeling in deze zaak niet is gedaan.

Verder is schade, geleden door personen die niet op de tenlastelegging staan geen rechtstreekse schade in de zin van de wet. Deze personen kunnen niet daarom worden ontvangen in hun vorderingen. Een anoniem slachtoffer kan evenmin in de vordering worden ontvangen. Dat betekent dat de medewerker van de Penitentiaire Inrichting, een anoniem slachtoffer, niet-ontvankelijk moet worden verklaard in zijn vordering.

11.4

Het oordeel van de rechtbank

11.4.1

Algemene uitgangspunten en overwegingen

De ontvankelijkheid van de vorderingen, gelet op de hoeveelheid en omvang

De behandeling van de vorderingen van de benadeelde partijen, levert als zodanig niet een onevenredige belasting van het strafgeding op. Het enkele feit dat er in deze zaak veel vorderingen zijn ingediend, waarvan een deel bovendien omvangrijk, betekent niet dat daarom de vorderingen niet in de strafzaak meegenomen kunnen worden. De rechtbank zal de vorderingen inhoudelijk bespreken. In een enkel geval zal dit anders liggen, zoals uit het navolgende zal blijken.

Wie kunnen een vordering in een strafzaak indienen?

Op grond van artikel 51f Sv kan het slachtoffer een vordering instellen. Daarnaast kunnen de erfgenamen van een als gevolg van het strafbare feit overleden slachtoffer vorderingen indienen, maar alleen wanneer het gaat om vererfde vorderingen (vorderingen die de erfgenamen van het slachtoffer door vererving onder algemene titel hebben verkregen). Ten slotte kan degene die de kosten van een uitvaart heeft betaald voor een slachtoffer dat als gevolg van een strafbaar feit is overleden, die kosten op de verdachte in het strafproces verhalen en kunnen nabestaanden gederfd levensonderhoud vorderen.

Smartengeld

Artikel 6:106 BW bepaalt dat immateriële schade voor vergoeding in aanmerking komt indien:

a. de aansprakelijke persoon het oogmerk had dergelijke schade toe te brengen, of

b. de benadeelde lichamelijk letsel heeft opgelopen, in zijn eer of goede naam is geschaad of

op andere wijze in zijn persoon is aangetast.

Deze schadevergoeding wordt vastgesteld naar billijkheid, zodat rekening kan worden gehouden met de omstandigheden van het geval.

Affectieschade

De nabestaanden van een aantal slachtoffers hebben vergoeding voor affectieschade gevorderd. Sinds 1 januari 2019 is het mogelijk om vergoeding van affectieschade te vorderen voor naasten van slachtoffers met ernstig en blijvend letsel, en nabestaanden van overleden slachtoffers. Het letsel of overlijden van het slachtoffer moet dan het gevolg zijn van een gebeurtenis waarvoor een ander aansprakelijk is. De rechtbank benadrukt dat deze vergoeding
uit de aard daarvan een symbolisch karakter heeft, omdat zij geen volledige compensatie kan bieden voor het verdriet van de naasten. De kring van gerechtigden is beperkt.

De rechtbank stelt vast dat elk van de benadeelde partijen die deze vorm van schadevergoeding heeft gevorderd, tot de kring van gerechtigden behoort en bij zijn of haar vordering aansluiting heeft gezocht bij de in het Besluit vergoeding affectieschade vermelde bedragen. De rechtbank zal uitgaan van deze normbedragen en de gevorderde bedragen ter zake geleden affectieschade toewijzen.

Shockschade

Op grond van jurisprudentie van de Hoge Raad25 kan vergoeding van immateriële schade plaatsvinden als door het waarnemen van het ten laste gelegde of door de directe confrontatie met de ernstige gevolgen ervan, een hevige emotionele schok bij de benadeelde partij wordt teweeggebracht, waaruit geestelijk letsel voortvloeit, hetgeen zich met name zal kunnen voordoen indien iemand tot wie de aldus getroffene in een nauwe affectieve relatie staat, bij het ten laste gelegde is gedood of gewond. Voor vergoeding van shockschade is nodig dat bij degene die de schade claimt sprake is van een psychiatrisch erkend ziektebeeld.

In 2009 heeft de Hoge Raad in aanvulling hierop overwogen:

“Met art. 6:106 BW is beoogd vergoeding van ander nadeel dan vermogensschade slechts in beperkte mate mogelijk te maken, in verband waarmee voor vergoeding van shockschade alleen onder strikte voorwaarden plaats is. Hiermee strookt niet het vereiste van waarneming van het ongeval of directe confrontatie met zijn ernstige gevolgen vanwege de aard of ernst van de normschending, zoals vanwege het opzettelijk begaan daarvan, terzijde te stellen of af te zwakken.”26

De rechtbank onderkent dat – als het gaat om de beoordeling van vorderingen die zijn gegrond op feiten begaan voor 1 januari 2019, de datum van inwerkingtreding van de Wet Affectieschade – in de feitenrechtspraak in een beperkt aantal gevallen, met name bij ernstige incidenten, het confrontatievereiste ruimer is uitgelegd dan de Hoge Raad beoogde.

De rechtbank ziet nu, mede gelet op voornoemde jurisprudentie van de Hoge Raad, echter geen mogelijkheden de strikte eisen die de Hoge Raad heeft gesteld aan het confrontatievereiste in deze zaak af te zwakken. Mede vanwege deze strikte eisen, die onverkort van toepassing zijn gebleven en die in de praktijk als onrechtvaardig werden ervaren omdat het voor nabestaanden zodoende zeer moeilijk was een vorm van immateriële schadevergoeding te vorderen, heeft de Wet Affectieschade het licht gezien, en is per 1 januari 2019 in werking getreden. In deze wet is wat betreft shockschade niets opgenomen, zodat ook in de tekst van deze wet geen aanleiding is te vinden voor een ruimere interpretatie van het confrontatievereiste.

Voorts kent de rechtbank betekenis toe aan het volgende. Het wezen van shockschade is, dat het schade betreft, waarvan de gerechtigde vergoeding kan vorderen wanneer aan een ander dan degene die de vordering instelt – het slachtoffer – iets ernstigs is overkomen. De relatie tussen degene die de vordering instelt en het slachtoffer is daarmee van groot gewicht. Indien een persoon zichzelf bedreigd acht omdat willekeurige anderen iets wordt aangedaan, een situatie die zich in deze zaak bij herhaling heeft voorgedaan, dan zal dit primair leiden tot een smartengeld aanspraak vanwege bedreiging van de vorderingsgerechtigde zélf. De rechtbank zal bij de individuele vorderingen, als een nauwe, affectieve relatie tussen de vorderingsgerechtigde en het slachtoffer onvoldoende duidelijk is, de vordering ter zake van shockschade niet-ontvankelijk verklaren, omdat wat is gesteld omtrent de causaliteit tussen het handelen van verdachte en de geleden schade in die gevallen nadere onderbouwing behoeft, die evenwel is uitgebleven.

Materiële schade en proceskosten

De rechtbank zal de vorderingen ter zake van materiële schade in de gevallen waarin deze niet zijn betwist toewijzen, indien deze haar niet onrechtmatig of ongegrond voorkomen.

Een aantal benadeelde partijen heeft verzocht om vergoeding van gemaakte reis- en parkeerkosten in verband met zowel het voortraject als de behandeling van de strafzaak. Deze kosten worden in het ene geval gevorderd als rechtstreekse schade en in het andere geval als proceskosten. Daarnaast heeft een aantal benadeelde partijen verzocht om vergoeding van de kosten van rechtsbijstand, in het ene geval als rechtstreekse schade en in het andere geval als proceskosten.

De rechtbank overweegt dat kosten die in het kader van de voegingsprocedure zijn gemaakt, zoals kosten van rechtsbijstand en reis-, verblijfs- en verletkosten vanwege het bijwonen van de terechtzitting, op grond van artikel 592a Sv in de regel moeten worden aangemerkt als proceskosten en niet als te vorderen rechtstreeks geleden materiële schade.

Toekomstige schade

Door een aantal benadeelde partijen is nu al vergoeding van kosten gevorderd die samenhangen met een eventueel hoger beroep in de strafzaak. Omdat op het moment van beoordeling en beslissing onzeker is of in de strafzaak hoger beroep zal worden ingesteld, zal de rechtbank de benadeelde partijen in deze kosten niet-ontvankelijk verklaren.

Wettelijke rente, schadevergoedingsmaatregel en niet-ontvankelijkheid

Indien de rechtbank vorderingen tot schadevergoeding geheel of ten dele toewijst, zal de rechtbank daarbij tevens de wettelijke rente toewijzen. Als extra waarborg voor betaling zal de rechtbank ten behoeve van de benadeelde partijen aan verdachte – voor wat betreft de toegewezen bedragen – steeds de schadevergoedingsmaatregel opleggen. Als door verdachte niet wordt betaald, zal deze verplichting worden aangevuld met het minimum van één dag gijzeling per toegewezen vordering. Daarbij heeft de rechtbank de aan verdachte opgelegde straf betrokken. Anders dan de officier van justitie vermag de rechtbank niet in te zien welk rechtens te respecteren belang is gediend met een gijzeling tot het door haar geopperde wettelijke maximum aantal dagen.

Waar in het navolgende niet tot integrale toewijzing noch afwijzing van vorderingen wordt beslist, kondigt de rechtbank aan dat in die gevallen de benadeelde partijen in de vordering voor het meerdere niet-ontvankelijk worden verklaard. De benadeelde partijen kunnen hun vordering voor dat deel bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

11.4.2

De vorderingen van de nabestaanden van [slachtoffer 3]

De vordering van [benadeelde 1] , de moeder van [slachtoffer 3]

 Materiële schade

De rechtbank zal [benadeelde 1] in haar vordering niet-ontvankelijk verklaren voor wat betreft de gevorderde reiskosten (€ 22,93), omdat dit geen kosten zijn waarvan een nabestaande gelet op artikel 51f Sv in de strafzaak vergoeding kan vorderen.

De rechtbank wijst af het gevorderde bedrag van € 521,60 voor het opnemen van vrije dagen voor het bijwonen van de inhoudelijke behandeling van de strafzaak. Deze gevorderde kosten zijn geen materiële schade, maar vallen onder de noemer proceskosten en zullen als zodanig worden toegewezen.

 Immateriële schade

De door [benadeelde 1] gevorderde vergoeding ter zake van affectieschade van € 17.500,- wordt toegewezen.

De gevorderde vergoeding van shockschade wordt afgewezen, reeds omdat [benadeelde 1] niet heeft gesteld en ook nog niet met stukken heeft kunnen onderbouwen dat sprake is van een in de psychiatrie erkend ziektebeeld.

Concluderend wordt de vordering toegewezen tot het bedrag van € 17.500,- (immateriële schade), met veroordeling van verdachte in de proceskosten, aan de zijde van [benadeelde 1] begroot op € 521,60. Voor het meerdere wordt [benadeelde 1] niet-ontvankelijk verklaard in haar vordering.

De vordering van [benadeelde 2] , zus van [slachtoffer 3]

 Materiële schade

De vordering tot vergoeding van de kosten die zijn gemaakt voor het ontruimen van de kamer van [slachtoffer 3] en het opslaan van zijn spullen, is toewijsbaar. Deze kosten had [slachtoffer 3] bij leven kunnen opvoeren en vorderen als materiële schade. De rechtbank verstaat, dat deze vordering bij zijn overlijden onder algemene titel is overgegaan op zijn naaste familieleden als zijn erfgenamen. Deze kosten worden door de rechtbank bepaald op:

  • -

    vrije uren: 3,5 uur x € 22,37 = € 78,30

  • -

    reiskeerkosten ± 90 km à € 0,26 € 23,40

  • -

    parkeerkosten € 8,53

  • -

    huur aanhangwagen en opslag € 276,36

totaal: € 386,59

De rechtbank wijst af de vordering ter zake van reis- en parkeerkosten en kosten voor het opnemen van vrije uren, voor zover die zijn gemaakt voor het bijwonen van zittingen of het daaraan voorafgaand slachtoffergesprek met een lid/vertegenwoordiger van het Openbaar Ministerie. Deze kosten kunnen wel als proceskosten worden bestempeld en niet als materiële schade. De rechtbank zal verdachte veroordelen in de proceskosten, begroot op:

  • -

    vrije uren: 52,5 uur € 22,37 = € 1.174,43

  • -

    kosten kinderopvang € 262,62

  • -

    reis- en parkeerkosten € 76,52

totaal: € 1.513,57

 Immateriële schade

Reeds omdat op dit moment (nog) geen sprake is van een gestelde diagnose ter zake van een in de psychiatrie erkend ziektebeeld, zal de rechtbank [benadeelde 2] niet-ontvankelijk verklaren in haar vordering ter zake van shockschade.

Samengevat zal de rechtbank toewijzen een bedrag van € 386,59 als vergoeding van materiële schade, met veroordeling van verdachte in de proceskosten ten belope van € 1.513,57. De rechtbank zal [benadeelde 2] niet-ontvankelijk verklaren in haar vordering ten aanzien van het meer of anders gevorderde.

De vordering van [benadeelde 3] , zus van [slachtoffer 3]

 Materiële schade

Uit de toelichting en de bijlagen bij haar vordering volgt dat [benadeelde 3] gedurende een zekere tijd – na de bewezen geachte feiten en ten gevolge van deze strafzaak – haar werk als gastouder niet heeft kunnen uitvoeren.

Dit betreft vermogensschade (gederfde omzet) van [benadeelde 3] zelf, een post die in de strafzaak niet kan worden toegewezen, gezien de beperkingen die artikel 51f Sv stelt aan de kring van vorderingsgerechtigden. Hoewel de rechtbank wil aannemen dat deze schade is geleden, kan zij niet anders dan [benadeelde 3] in dit onderdeel van haar vordering niet-ontvankelijk verklaren.

 Immateriële schade

Omdat er op dit moment (nog) geen sprake is van een gestelde diagnose ter zake een in de psychiatrie erkend ziektebeeld, zal de rechtbank [benadeelde 3] niet-ontvankelijk verklaren, ook in de vordering ter zake van shockschade.

11.4.3

De vorderingen van de nabestaanden van [slachtoffer 4]

De vordering van [benadeelde 4] , echtgenote van [slachtoffer 4]

 Materiële schade (al dan niet vererfd)

Het door [benadeelde 4] gevorderde bedrag aan materiële (al dan niet vererfde) schade is door of namens verdachte niet betwist. Deze schadevordering komt de rechtbank niet onrechtmatig of ongegrond voor en zal worden toegewezen. Het gaat dan om de volgende posten:

  • -

    kosten van lijkbezorging: € 9.848,37;

  • -

    ziekenhuis daggeldvergoeding € 240,-;

  • -

    schade aan kleding € 350,-;

  • -

    reinigingskosten auto € 205,70.

Het totaal bedraagt € 10.644,07.

 Vererfde immateriële schade

Op grond van artikel 6:95, tweede lid, van het Burgerlijk Wetboek kan een vordering ter zake immateriële schade onder algemene titel overgaan als de gerechtigde aan de wederpartij heeft medegedeeld op de vergoeding aanspraak te maken. De rechtbank is van oordeel dat het naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid (artikel 6:2 BW) onaanvaardbaar zou zijn indien verdachte zich erop zou kunnen beroepen dat [slachtoffer 4] , die na het door verdachte toegebrachte letsel niet meer bij bewustzijn is geweest, geen mededeling heeft gedaan dat hij aanspraak maakt op vergoeding van door hem geleden immateriële schade.

Aan [slachtoffer 4] is zwaar lichamelijk letsel toegebracht, ten gevolge waarvan hij uiteindelijk is komen te overlijden. De rechtbank acht de door [benadeelde 4] – als erfgenaam van [slachtoffer 4] – gevorderde vergoeding van € 41.250,- ter zake van de door [slachtoffer 4] geleden immateriële schade redelijk en billijk en zal deze vordering toewijzen.

 Immateriële schade

De vordering ter zake van affectieschade van € 20.000,- zal als onweersproken worden toegewezen, nu deze de rechtbank niet onrechtmatig of ongegrond voorkomt.

Concluderend wijst de rechtbank een vergoeding toe van € 61.250,- voor immateriële schade en € 10.644,07 ter zake van materiële schade.

De vordering van [benadeelde 5] , zoon van [slachtoffer 4]

De vordering van [benadeelde 5] ter zake van affectieschade zal – als onbetwist – worden toegewezen door de rechtbank tot het bedrag van € 20.000,-.

De vordering van [benadeelde 6] , zoon van [slachtoffer 4]

[benadeelde 6] vordert € 17.500,- ter zake van geleden affectieschade. Dit bedrag is onweersproken en zal worden toegewezen. Uit de toelichting en bijlage bij de vordering kan worden afgeleid dat de reis- en parkeerkosten van [benadeelde 6] steeds betrekking hebben op bezoeken aan zijn moeder, bezoeken aan zijn vader in het ziekenhuis, dan wel reizen in verband met de crematie van zijn vader. Hoewel deze kosten wel verband houden met het strafbare feit, zijn het geen kosten die voor toewijzing in aanmerking komen, gelet op de beperkingen die artikel 51f Sv stelt aan de kring van vorderingsgerechtigden. [benadeelde 6] kan daarom niet worden ontvangen in zijn vordering tot vergoeding van reis- en parkeerkosten.

11.4.4

De vorderingen van de nabestaanden van [slachtoffer 1]

De vordering van [benadeelde 7] , vader van [slachtoffer 1]
[benadeelde 7] vordert een bedrag van € 45.000,- als vergoeding van immateriële schade. Van dit bedrag wijst de rechtbank € 20.000,- als onweersproken toe, te weten de gevorderde affectieschade. [benadeelde 7] wordt niet-ontvankelijk verklaard in zijn vordering ter zake van vergoeding van shockschade, reeds omdat er op dit moment nog geen diagnose is gesteld ter zake van een in de psychiatrie erkend ziektebeeld.

De vordering van [benadeelde 8] , moeder van [slachtoffer 1]

 Immateriële schade

De rechtbank wijst de vordering van € 17.500,- aan affectieschade toe. Deze is niet weersproken en komt de rechtbank niet onrechtmatig of ongegrond voor.

Wat betreft shockschade geldt het volgende. [benadeelde 8] heeft haar dochter, [slachtoffer 1] , kort na het bewezen verklaarde in het mortuarium gezien. De rechtbank moet deze situatie toetsen aan het voor toewijzing nodige criterium van de ‘directe confrontatie’.

In het licht van deze strikte maatstaf staat niet vast dat sprake is geweest van een waarneming van het misdrijf of een directe confrontatie met de ernstige gevolgen daarvan kort na het misdrijf. De uitleg van het begrip directe confrontatie noopt immers – zoals de Hoge Raad telkens voorop stelt – tot terughoudendheid bij de uitleg daarvan. Het gaat hierbij om de interpretatie van het ‘subsidiaire’ criterium: van waarneming van het incident is immers geen sprake, maar het gaat om de confrontatie met de (ernstige) gevolgen daarvan. Niet in alle gevallen is de confrontatie met een overleden persoon aangemerkt als voldoende rechtstreekse confrontatie.

Dat de gebeurtenissen en de uiteindelijke dood van [slachtoffer 1] bij moeder een hevige schok en veel verdriet teweeg hebben gebracht is evident. Echter, hoe ingrijpend de gewelddadige dood van haar dochter ook is, onder deze omstandigheden, te weten de enkele confrontatie met haar dochter in het mortuarium, is naar het oordeel van de rechtbank geen sprake van het op directe wijze geconfronteerd zijn met de ernstige gevolgen van dit misdrijf en de omstandigheden waaronder het heeft plaatsgevonden. Er dient sprake te zijn van bijzondere bijkomende omstandigheden. Gelet op het voorgaande kan geen vergoeding van shockschade aan benadeelde worden toegekend. De rechtbank zal [benadeelde 8] daarom niet-ontvankelijk verklaren in deze vordering.

 Materiële schade

De niet-ontvankelijkheid van [benadeelde 8] in de vordering ter zake van shockschade brengt met zich dat zij ook niet kan worden ontvangen in de daarmee samenhangende vordering tot vergoeding van materiële schade als gevolg van opgelopen psychisch letsel.

Concluderend wordt toegewezen een bedrag van € 17.500,- als vergoeding van immateriële schade.

De vordering van [benadeelde 9] , zus van [slachtoffer 1]

 Immateriële schade

[benadeelde 9] heeft vergoeding van shockschade gevorderd. Zij heeft haar zus, [slachtoffer 1] , kort na het bewezen verklaarde feit geïdentificeerd in een mortuarium. Onder verwijzing naar de hiervoor ten aanzien van [benadeelde 8] gebezigde overweging, zal de rechtbank ook [benadeelde 9] niet-ontvankelijk verklaren in de vordering tot vergoeding van shockschade.

 Materiële schade

[benadeelde 9] kan als nabestaande van [slachtoffer 1] niet zonder meer haar materiële schade opvoeren als schade die in het strafproces voor vergoeding in aanmerking komt, gelet op het bepaalde in artikel 51f Sv. De door [benadeelde 9] gevorderde schadevergoeding is grotendeels het gevolg van het door haar opgelopen psychisch letsel. Aangezien zij in de vordering tot vergoeding van shockschade niet kan worden ontvangen, zal de rechtbank [benadeelde 9] ook niet-ontvankelijk verklaren ten aanzien van de vordering die ziet op vergoeding van daarmee samenhangende gevorderde materiële schade, te weten reis- en parkeerkosten die betrekking hebben op bezoeken aan de psycholoog, kosten studievertraging en verlies van verdienvermogen.

 Proceskosten

[benadeelde 9] heeft ter zake van proceskosten € 205,66 gevorderd. Omdat de rechtbank haar niet-ontvankelijk zal verklaren in haar vordering, zal de rechtbank de proceskosten compenseren in die zin dat partijen hun eigen kosten dragen.

11.4.5

De vorderingen van de nabestaanden van [slachtoffer 2]

De door de partner en kinderen van [slachtoffer 2] ingediende vordering ter zake gederfd levensonderhoud

Ter onderbouwing van hun vorderingen ter zake van gederfd levensonderhoud hebben [benadeelde 10] en haar kinderen [benadeelde 11] , [benadeelde 12] en [benadeelde 13] een rapport in het geding gebracht van het Nederlands Rekencentrum Letselschade.

De rechtbank constateert dat de door [benadeelde 10] en haar kinderen ingebrachte rekenkundige rapportage eenzijdig, namelijk door of namens hen, is vastgesteld. Normaliter, indien een civiele letselschadeprocedure zou zijn gevoerd, zouden partijen in onderling overleg overeenstemming proberen te bereiken, dan wel zou door de civiele rechter een beslissing worden gegeven na een partijdebat.

In dit geval zijn de vorderingen ter zake gederfd levensonderhoud in algemene bewoordingen betwist door de verdediging, met dien verstande dat gelet op de omvang van het geding en het aantal ingediende vorderingen van de verdediging redelijkerwijs niet veel meer kon worden verwacht.

Gelet hierop en op het gegeven dat het om omvangrijke schadeposten gaat, is de rechtbank enerzijds van oordeel, mede in het licht van artikel 6, eerste lid, van het EVRM, dat het niet anders kan dan dat de benadeelde partijen in dit deel van hun vorderingen niet-ontvankelijk worden verklaard. Anderzijds is de rechtbank van oordeel dat op zichzelf voldoende aannemelijk is dat er bij [benadeelde 10] en haar kinderen in ieder geval in enige mate sprake is van gederfd levensonderhoud. Daarbij komt, dat de rechtbank het zwaarwegende belang van partijen om in elk geval een deel via dit strafvonnis toegewezen te krijgen onderkent, gelet op de mogelijkheid van toepassing van de schadevergoedingsmaatregel, in combinatie met de voorschotregeling.

Daarom zal de rechtbank met gebruikmaking van de haar toekomende schattingsbevoegdheid van artikel 6:97 BW vaststellen tot welk bedrag [benadeelde 10] , [benadeelde 11] , [benadeelde 12] en [benadeelde 13] in elk geval schade hebben geleden wegens gederfd levensonderhoud en de benadeelde partijen in de desbetreffende vorderingen voor het overige niet-ontvankelijk verklaren.

De rechtbank zal bepalen dat de benadeelde partijen dat deel van de vorderingen bij de burgerlijke rechter kunnen aanbrengen.

In het geval van [benadeelde 10] zal de rechtbank met toepassing van artikel 6:97 BW het gederfd levensonderhoud begroten op € 150.000,-.

In het geval van [benadeelde 11] op € 5.500,-, voor [benadeelde 12] op € 8.250,- en voor [benadeelde 13] op € 22.250,-.

De vordering van [benadeelde 10] , partner van [slachtoffer 2]

 Materiële schade

De door [benadeelde 10] gevorderde vergoeding van materiële schade betreft schade die ingevolge artikel 51f Sv in dit strafgeding kan worden beoordeeld, dan wel kosten vormen ter vaststelling van deze schadeposten. De verdediging heeft zich ten aanzien van deze posten gerefereerd. De rechtbank is van oordeel dat de navolgende door [benadeelde 10] gevorderde posten niet ongegrond voorkomen en wijst deze toe:

  • -

    kosten van lijkbezorging: € 5.626,-;

  • -

    kosten van financiële ondersteuning: € 908,-;

  • -

    kosten van juridische bijstand, ter vaststelling van schade: € 6.189,-;

  • -

    kosten van het rapport van Nederlands Rekencentrum Letselschade, ter vaststelling van schade: € 3.460,-.

Zoals hiervoor overwogen begroot de rechtbank het gederfd levensonderhoud op € 150.000. In totaal zal de rechtbank daarom een vergoeding van € 166.183,- toewijzen voor de materiële schade.

 Immateriële schade

De door [benadeelde 10] gevorderde vergoeding van affectieschade wordt toegewezen tot het bedrag van € 20.000.

Het voorgaande betekent dat de vordering van [benadeelde 10] toegewezen tot het bedrag van € 186.183,-, waarvan € 166.183 ter zake van materiële en € 20.000,- ter zake van immateriële schade.

De vordering van [benadeelde 11]

De vordering van [benadeelde 11] wordt toegewezen tot het bedrag van € 5.500,- voor wat betreft de gevorderde vergoeding ter zake van materiële schade (gederfd levensonderhoud).

De gevorderde vergoeding ter zake van affectieschade wordt, nu deze niet is betwist en deze de rechtbank niet onrechtmatig of ongegrond voorkomt, toegewezen tot € 20.000,-.

De vordering van [benadeelde 12]

De namens [benadeelde 12] ingestelde vordering wordt toegewezen tot het bedrag van € 8.250,- voor wat betreft de gevorderde vergoeding ter zake van materiële schade (gederfd levensonderhoud).

De gevorderde vergoeding ter zake van affectieschade wordt, nu deze niet is betwist en deze de rechtbank niet onrechtmatig of ongegrond voorkomt, toegewezen tot € 20.000,-.

De vordering van [benadeelde 13]

De namens [benadeelde 13] ingestelde vordering wordt toegewezen tot het bedrag van € 22.250,- voor wat betreft de gevorderde vergoeding ter zake van materiële schade (gederfd levensonderhoud).

De gevorderde vergoeding ter zake van affectieschade wordt, nu deze niet is betwist en deze de rechtbank niet onrechtmatig of ongegrond voorkomt, toegewezen tot € 20.000,-.

De vordering van [benadeelde 14] , vader van [slachtoffer 2]

De door [benadeelde 14] gevorderde vergoeding ter zake van affectieschade wordt, nu deze niet is betwist en deze de rechtbank niet onrechtmatig of ongegrond voorkomt, toegewezen tot € 17.500,-.

[benadeelde 14] wordt niet-ontvankelijk verklaard in zijn vordering ter zake van vergoeding ter zake van shockschade, reeds omdat er op dit moment nog geen diagnose is gesteld ter zake van een in de psychiatrie erkend ziektebeeld. Verder verwijst de rechtbank naar wat eerder in dit vonnis ten aanzien van shockschade is overwogen.

[benadeelde 14] kan evenmin worden ontvangen in zijn vordering ter zake van reiskosten, omdat deze niet zijn onderbouwd en onduidelijk is of dit materiële schade betreft dan wel proceskosten.

De vordering van [benadeelde 15] , moeder van [slachtoffer 2]

De door [benadeelde 15] gevorderde vergoeding ter zake van affectieschade wordt, nu deze niet is betwist en deze de rechtbank niet onrechtmatig of ongegrond voorkomt, toegewezen tot € 17.500,-.

[benadeelde 15] wordt niet-ontvankelijk verklaard in haar vordering ter zake van vergoeding ter zake van shockschade, reeds omdat er op dit moment nog geen diagnose is gesteld ter zake van een in de psychiatrie erkend ziektebeeld. Verder verwijst de rechtbank naar wat eerder in dit vonnis ten aanzien van shockschade is overwogen.

De vorderingen van [benadeelde 16] , [benadeelde 17] en [benadeelde 18] , zussen en broer van [slachtoffer 2]

De zussen en broer van [slachtoffer 2] vorderen ieder € 20.000,- ter zake van vergoeding van shockschade.

Als onbetwist staat vast dat de zussen en broer van [slachtoffer 2] zijn stoffelijk overschot na justitiële vrijgave van diens lichaam thuis opgebaard hebben zien liggen. Hoewel dit evident uitermate belastend voor hen moet zijn geweest, ook vanwege de vreselijke doodsoorzaak, levert dit in het licht van de door de rechtbank aan te leggen strikte maatstaf (zoals eerder in dit vonnis is uiteengezet) niet een directe confrontatie met de ernstige gevolgen van het bewezen geachte. Dit betekent dat zij niet-ontvankelijk worden verklaard in hun vorderingen ter zake van vergoeding van shockschade, zowel materieel als immaterieel.

De rechtbank markeert met zoveel woorden dat in dat oordeel niet besloten ligt dat geen sprake zou zijn van psychisch letsel bij de zussen en broer van [slachtoffer 2] . Gezien de onderbouwing hiervan, kan de conclusie worden getrokken dat dit letsel er wel degelijk is. Het voor toewijzing noodzakelijke causaal verband met de waarneming van [slachtoffer 2] op zichzelf is echter diffuus gebleven, in elk geval in het bestek van deze procedure. Psychisch letsel kan immers ook zeer wel het gevolg zijn van het ontvangen van het schokkende bericht dat [slachtoffer 2] één van de slachtoffers is van het zeer gewelddadige gebeuren op 18 maart 2019, de grondslag van deze strafzaak. In dat geval is er echter naar Nederlands recht geen grond voor toewijzing van een shockschadeclaim.

11.4.6

De vorderingen van [slachtoffer 5] en haar naasten

De vordering van [slachtoffer 5]

 Immateriële schade

[slachtoffer 5] vordert smartengeld. De officier van justitie heeft bij requisitoir een vergoeding van € 100.000,- billijk geacht en de verdediging heeft zich gerefereerd, ook ten aanzien van de hoogte van het gevorderde bedrag. De vordering van [slachtoffer 5] komt de rechtbank niet ongegrond voor en de rechtbank zal het bedrag van € 100.000,- toewijzen. De rechtbank betrekt bij haar oordeel het volgende. Er is sprake van zeer ernstig letsel bij [slachtoffer 5] , een jonge vrouw. Zij is beschoten, ernstig gewond geraakt en de dagen daarna is haar leven in gevaar geweest. Als gevolg van de schotverwonding is haar milt verwijderd, is sprake van blijvende spierzwakte, aortaschade, verminderde longcapaciteit en bestaat er medisch gezien aanleiding tot grote waakzaamheid in het geval van een eventuele toekomstige zwangerschap. Naast het (zeer ernstige en deels blijvende) lichamelijk letsel is daarnaast sprake van psychisch letsel in de vorm van een posttraumatische stressstoornis (PTSS).

 Materiële schade

De door [slachtoffer 5] gevorderde materiële schadevergoeding kan voor het grootste deel als onweersproken worden toegewezen. Het betreft de navolgende (verzamel)posten:

- vergoeding voor de periode, doorgebracht in het ziekenhuis: € 1.119,08;

  • -

    zaakschade: € 2.850,05;

  • -

    mantelzorg en huishoudelijke hulp: € 1.794,-;

  • -

    reis- en parkeerkosten: € 750,-;

  • -

    kosten in verband met de woning: € 3.722,18;

  • -

    verlies van verdienvermogen: € 5.000,-;

  • -

    schade in verband met studievertraging: € 11.851,50;

  • -

    kosten zonder nut: € 804,-;

  • -

    buitengerechtelijke kosten: € 5.061,47.

Wat betreft de schadepost medische kosten heeft [slachtoffer 5] onder meer een geschat bedrag gevorderd van € 15.000,- ter zake van toekomstige medische kosten. Deze kosten zijn tot een bedrag van € 8.349,78 geconcretiseerd en tot dit bedrag is de vordering ook niet betwist. De rechtbank zal dit bedrag toewijzen en [slachtoffer 5] in het meer gevorderde niet-ontvankelijk verklaren, nu dit in hoge mate afhankelijk is van onzekere toekomstige toekomstig onzekere gebeurtenissen.

De vordering ter zake van reeds gemaakte medische kosten kan – als onweersproken – tot het bedrag van € 2.262,33 worden toegewezen.

In totaal wordt de vordering zodoende toegewezen een bedrag van € 43.654,39 ter zake van materiële schade en € 100.000,- voor geleden immateriële schade.

De vorderingen van [benadeelde 19] , [benadeelde 20] en [benadeelde 21]

De naasten van [slachtoffer 5] vorderen vergoeding ter zake van shockschade. [benadeelde 19] , [benadeelde 20] en [benadeelde 21] hebben met medische stukken onderbouwd dat bij ieder van hen sprake is van een in de psychiatrie erkend ziektebeeld. [benadeelde 19] is de levensgezel van [slachtoffer 5] , [benadeelde 20] is haar moeder en [benadeelde 21] is haar zus. Ieder van hen staat derhalve in een nauwe, affectie relatie tot [slachtoffer 5] . Voor zowel [benadeelde 19] , [benadeelde 20] als [benadeelde 21] geldt dat zij al op 18 maart 2019, kort na de aanslag, zijn geconfronteerd met een foto waarop [slachtoffer 5] herkenbaar is te zien, buiten bewustzijn en voordat zij naar het UMC is afgevoerd. Vervolgens in het ziekenhuis hebben zij [slachtoffer 5] weer gezien, waarbij zij geconfronteerd werden met zeer ernstige verwondingen en levensbedreigend letsel, zoals daarvan mede blijkt uit een bij de vordering gevoegde foto. Onder deze omstandigheden is de rechtbank van oordeel dat aan het voor toewijzing nodige confrontatievereiste is voldaan. [benadeelde 19] , [benadeelde 20] en [benadeelde 21] kunnen dan ook aanspraak maken op shockschade. Zij hebben ieder een vergoeding gevorderd van € 20.000,- ter zake van immateriële shockschade. De rechtbank zal deze vorderingen integraal toewijzen, nu deze haar niet onrechtmatig of ongegrond voorkomen.

[benadeelde 19] , [benadeelde 20] en [benadeelde 21] hebben daarnaast ieder vergoeding van materiële shockschade gevorderd, bestaande uit medische kosten en uit reis- en parkeerkosten in verband met psychologische behandelingen. De rechtbank zal de vordering van [benadeelde 19] tot vergoeding van materiële shockschade toewijzen tot een bedrag van € 1.820,-. De door [benadeelde 20] gevorderde vergoeding van materiële shockschade zal worden toegewezen tot € 525,- en de vordering van [benadeelde 21] ter zake van materiële shockschade wordt toegewezen tot een bedrag van € 928,35.


De reis- en parkeerkosten die door [benadeelde 19] , [benadeelde 20] en [benadeelde 21] zijn gemaakt in verband met het bijwonen van zittingen, zijn proceskosten. Verdachte zal in die kosten – tot op heden begroot op € 50,- (per persoon) – worden veroordeeld.

Gelet op het voorgaande zal de vordering van [benadeelde 19] worden toegewezen tot een bedrag van in totaal € 21.820,-. De vordering van [benadeelde 20] tot een bedrag van in totaal € 20.525,- en de vordering van [benadeelde 21] zal worden toegewezen tot een bedrag van € 20.928,35.

11.4.7

De vorderingen van [slachtoffer 6] en haar moeder

De vordering van [slachtoffer 6]

 Immateriële schade

De rechtbank zal het bedrag van € 42.950,- ter zake van vergoeding van immateriële schade toewijzen. Deze vordering is niet betwist en komt de rechtbank niet onrechtmatig of ongegrond voor. Ten aanzien van de hoogte van het bedrag merkt de rechtbank het volgende op. [slachtoffer 6] is vanuit het niets meerdere malen met een vuurwapen beschoten in de tram. Zij is door een kogel geraakt in haar romp. [slachtoffer 6] is ruim een week opgenomen geweest in het ziekenhuis en zal nog gedurende langere tijd moeten revalideren. Bij [slachtoffer 6] is psychisch letsel in de vorm van een PTSS geconstateerd.

 Materiële schade

De door [slachtoffer 6] gevorderde vergoeding van materiële schade is niet betwist en komt de rechtbank ook niet ongegrond voor. De gevorderde schadevergoeding zal worden toegewezen. Het betreft de posten eigen risico zorgverzekering, ziekenhuis daggeldvergoeding, kledingschade, kosten fysiotherapie, reis- en parkeerkosten voor behandelingen, autokosten en kosten voor het opvragen van medische informatie en verlies verdienvermogen. In totaal € 17.621,07 aan materiële schade.

De vordering van [benadeelde 22] , moeder van [slachtoffer 6]

[benadeelde 22] vordert vergoeding van shockschade. Zij staat in een nauwe affectie relatie tot haar dochter [slachtoffer 6] en bij haar is een PTSS vastgesteld. [benadeelde 22] zal niettemin niet-ontvankelijk worden verklaard in haar vordering. De rechtbank neemt aan dat [benadeelde 22] zeer was aangedaan toen zij zich realiseerde dat haar dochter één van de slachtoffers was van de tramaanslag. Voor toewijzing van een bedrag ter zake van shockschade is echter, zoals eerder in dit vonnis is uiteengezet, vereist dat vast komt te staan dat het psychisch letsel een gevolg is van de waarneming van de directe gevolgen van het strafbare feit, in casu bij haar dochter. Naar burgerlijk recht komt schade die is toegebracht als gevolg van het besef dat het nog veel erger had kunnen aflopen niet voor vergoeding in aanmerking. [benadeelde 22] heeft in de middag van 18 maart 2019 haar dochter gezien nadat zij van de intensive care was overgebracht naar medium care. Nu de rechtbank in het bestek van de onderhavige procedure niet heeft kunnen vaststellen dat aan het confrontatievereiste is voldaan – en nadere bewijslevering een te zware belasting is voor dit strafproces – kan [benadeelde 22] in haar op shockschade gebaseerde vordering niet worden ontvangen.

11.4.8

De vorderingen van [slachtoffer 7] , [slachtoffer 18] , [slachtoffer 9] , [slachtoffer 12] , [slachtoffer 13] , [slachtoffer 19] , [slachtoffer 8] ,
[slachtoffer 10] , [slachtoffer 21] , [slachtoffer 17] , [slachtoffer 14] en [slachtoffer 15]

De vordering van [slachtoffer 7]

 Immateriële schade

[slachtoffer 7] is in de chronologie de eerste persoon die verdachte probeerde te doden. Hij is aan de dood ontsnapt doordat het vuurwapen van verdachte niet afging. [slachtoffer 7] heeft ten gevolge van de gebeurtenissen op 18 maart 2019 een PTSS opgelopen, waarvoor hij in behandeling is geweest bij een psycholoog. De immateriële schade is niet betwist. De rechtbank acht de vordering ter zake gegrond en zal deze toewijzen tot het bedrag van € 21.650,-.

 Materiële schade

De kosten die verband houden met de behandeling bij een psycholoog zal de rechtbank als onbetwist toewijzen. Het betreffen de eigen bijdrage zorgverzekering en kosten opvragen medische informatie, totaal € 654,95.

Van de gevorderde vergoeding voor reiskosten (€ 207,48) heeft ongeveer de helft betrekking op deze behandeling en het andere deel ziet op het bijwonen van terechtzittingen en (slachtoffer)gesprekken met vertegenwoordigers/medewerkers van het Openbaar Ministerie. De rechtbank zal daarom € 103,74 toewijzen ter zake van vergoeding van materiële schade en € 103,74 als proceskosten.

[slachtoffer 7] heeft voorts vergoeding gevraagd van inkomstenderving, te weten de uren die hij niet heeft kunnen werken. Van deze niet-gewerkte uren heeft ongeveer 1/3 deel betrekking op gesprekken met het Openbaar Ministerie en het bijwonen van zittingen. Het door [slachtoffer 7] gevorderde nettobedrag zal daarom worden begroot op (2/3 van € 5.876,26 =) € 3.917,50 aan materiële schade. Het overige deel van € 1.958,76 zal onder de noemer proceskosten worden toegewezen.

De kosten die [slachtoffer 7] opvoert vanwege de beschadiging van zijn kleding zijn niet betwist en toewijsbaar tot het gevorderde bedrag van € 100,-.

Samengevat wijst de rechtbank toe een bedrag van € 21.650,- ter zake van vergoeding van immateriële en € 4.776,19 aan materiële schade. Verdachte zal worden veroordeeld in de proceskosten, aan de zijde van [slachtoffer 7] begroot op € 2.062,50.

De vordering van [slachtoffer 18]

De vordering van [slachtoffer 18] ter zake van vergoeding van immateriële schade zal, nu deze niet is betwist en de rechtbank niet onrechtmatig of ongegrond voorkomt, worden toegewezen tot het gevorderde bedrag van € 7.500,-. [slachtoffer 18] is bedreigd door verdachte, die voor zijn ogen met een vuurwapen schoot op passagiers. [slachtoffer 18] bevond zich toen en daar in een bestelbus die stond opgesteld voor het stoplicht waar de tram de rijbaan passeerde. Ten gevolge van de bedreiging heeft [slachtoffer 18] aantoonbaar psychisch letsel opgelopen.

De vordering van [slachtoffer 9]

vordert een bedrag van € 10.000,- ter zake van vergoeding van immateriële schade. Zij heeft aantoonbaar psychisch letsel opgelopen. In de tenlastelegging is [slachtoffer 9] genoemd als getuige onder nummer [nummer] . Zij bevond zich in de tram en is door verdachte bedreigd, terwijl deze voor haar ogen trampassagiers doodde of trachtte te doden. [slachtoffer 9] heeft in paniek de tram kunnen ontvluchten. Het door haar gevorderde bedrag aan immateriële schade wordt als onbetwist toegewezen.

De vordering van [slachtoffer 12]

 Materiële schade

De rechtbank wijst toe een bedrag van € 721,08 als vergoeding van materiële schade. Dit betreffen de posten ter zake van beschadigde kleding en eigen risico zorgverzekering.

[slachtoffer 12] wordt niet-ontvankelijk verklaard in zijn vordering wat betreft de post inkomstenderving, omdat de omvang van de inkomstenderving onvoldoende is toegelicht en niet met onderliggende stukken is onderbouwd. Het causaal verband tussen de gevorderde kosten huishoudelijke hulp en de bewezen verklaarde feiten is onvoldoende gebleken, zodat [slachtoffer 12] ook in dit onderdeel van zijn vordering niet kan worden ontvangen.

De door [slachtoffer 12] gevorderde reiskosten hebben voor het overgrote deel betrekking op reiskosten van en naar advocaten of zijn adviseur. Deze kosten zullen als proceskosten worden toegewezen.

 Immateriële schade

Wat [slachtoffer 12] heeft aangevoerd ter onderbouwing van zijn vordering, heeft met name betrekking op het verschil van inzicht tussen hem en de officier van justitie omtrent de wijze waarop de tenlastelegging is ingekleed. In het bestek van het civiele geding tussen [slachtoffer 12] en verdachte kan [slachtoffer 12] hierop, wat daarvan overigens zij, in zijn relatie tot verdachte geen beroep doen. In het strafproces is slechts plaats voor toewijzen van schade die in rechtstreeks verband staat met de bewezen geachte feiten (artikel 361 Sv).

Uit wat door de rechtbank bewezen is geacht vloeit voort dat [slachtoffer 12] door verdachte is bedreigd, zowel in de tram als daarbuiten. [slachtoffer 12] heeft voldoende duidelijk gemaakt dat hij – mede – ten gevolge van deze gebeurtenissen psychisch letsel heeft bekomen.

De rechtbank zal de vordering van [slachtoffer 12] ter zake van immateriële schadevergoeding (smartengeld) toewijzen tot het bedrag van € 15.000,-.

 Proceskosten

Ter zitting heeft de juridisch adviseur van [slachtoffer 12] medegedeeld dat zijn cliënt de factuur van zijn onderneming niet hoeft te betalen. Reeds daarom zal het gevorderde bedrag van € 50.000,- worden afgewezen. Wel zal de rechtbank een bedrag van € 136,80 ter zake van reiskosten toewijzen als vergoeding van proceskosten.

De vordering van [slachtoffer 13]

 Immateriële schade

Namens [slachtoffer 13] – zij was minderjarig ten tijde van het indienen van de vordering – is een bedrag van € 20.000,- gevorderd als vergoeding van shockschade dan wel immateriële schade. [slachtoffer 13] heeft psychisch letsel opgelopen als gevolg van de bedreiging. Gelet op hetgeen de rechtbank inleidend over shockschade heeft verwoord, zal de rechtbank haar vordering als smartengeldvordering behandelen. De rechtbank acht de vordering toewijsbaar tot het bedrag van € 10.000,-. Dit is het bedrag dat de rechtbank aan alle personen toekent die zich in de tram bevonden en die door verdachte zijn bedreigd. Voor het meerdere is onvoldoende duidelijk geworden om welke redenen aan [slachtoffer 13] een hogere vergoeding toe zou komen dan aan de andere, eveneens bedreigde medepassagiers in de tram.

 Materiële schade

[slachtoffer 13] vordert verder een bedrag van € 17.715,- vanwege studievertraging. Deze vordering is voldoende onderbouwd. De rechtbank zal deze vordering toewijzen.

De vordering van [slachtoffer 19]

vordert een bedrag van € 20.000 ter zake van vergoeding van immateriële schade, gevorderd als shockschade dan wel smartengeld. Zij zat toen en daar in haar auto, die naast die van [slachtoffer 4] stond opgesteld, wachtend voor het stoplicht. Verdachte richtte zijn vuurwapen op haar en schoot vervolgens op [slachtoffer 4] . [slachtoffer 19] heeft psychisch letsel overgehouden aan deze gebeurtenissen.

De rechtbank zal – nu een nauwe, affectieve relatie met één van de slachtoffers ontbreekt – de vordering van [slachtoffer 19] bespreken als vordering smartengeld. De rechtbank zal – conform het voorstel van de officier van justitie – aan de slachtoffers die zich buiten de tram bevonden en door verdachte zijn bedreigd in beginsel steeds een smartengeld vergoeding van € 7.500,- toewijzen. Onvoldoende is gebleken om welke reden aan [slachtoffer 19] een hogere vergoeding zou toekomen. De vordering van [slachtoffer 19] wordt toegewezen tot dat bedrag van € 7.500,- en zij wordt niet-ontvankelijk verklaard ten aanzien van het meer gevorderde.

De vordering van [slachtoffer 8]

bevond zich als passagier in het achterste tramstel, waarin verdachte op medepassagiers heeft geschoten. Hij verstopte zich tussen de banken op het moment dat verdachte op medepassagiers schoot. Zijn vordering zal de rechtbank beschouwen als smartengeldvordering, omdat een nauwe relatie van [slachtoffer 8] met één van de overige slachtoffers ontbreekt. [slachtoffer 8] komt een vergoeding van immateriële schade (smartengeld) toe. De rechtbank sluit voor de omvang van de toe te kennen vordering, op voorstel van de officier van justitie, aan bij het bedrag dat ook aan de overige passagiers die zich in de tram bevonden en door verdachte zijn bedreigd zal worden toegewezen. Onvoldoende is gebleken om welke redenen aan [slachtoffer 8] een hoger bedrag zou toekomen. De vordering ter zake immateriële schade zal zodoende tot het bedrag van € 10.000,- worden toegewezen.

De vordering van [slachtoffer 10]
De vordering van [slachtoffer 10] ter zake immateriële schade is niet weersproken. Deze vordering komt de rechtbank niet onrechtmatig of ongegrond voor. [slachtoffer 10] was passagier in de tram. Hij is bedreigd en heeft moeten vluchten. Hij heeft hierdoor psychisch letsel bekomen. Evenals de overige personen die in de tram zijn bedreigd acht de rechtbank een vergoeding van € 10.000,- aan smartengeld billijk.

De vordering van [slachtoffer 21]

vordert in totaal een vergoeding van € 10.117,- voor geleden materiële en immateriële schade.

Omdat geen sprake is van een nauwe band van [slachtoffer 21] met één van de slachtoffers, zal de rechtbank [slachtoffer 21] niet ontvangen in zijn vordering ter zake van shockschade. Wel zal de rechtbank aan [slachtoffer 21] een bedrag toewijzen ter zake van smartengeld. [slachtoffer 21] zat toen en daar in een bedrijfsauto. Hij stond voor het stoplicht opgesteld en is met een vuurwapen bedreigd. Conform het voorstel van de officier van justitie zal de rechtbank in beginsel een gelijk bedrag aan smartengeld uitkeren aan de personen die psychisch letsel hebben opgelopen door een bedreiging buiten de tram. Onvoldoende is gebleken om welke redenen aan [slachtoffer 21] een hoger bedrag zou toekomen dan dit ook aan anderen toegewezen bedrag van € 7.500,-. De vordering zal tot dit bedrag worden toegewezen als immateriële schade.

De materiële schade, reiskosten voor behandelingen door een psychotherapeut, komen voor vergoeding in aanmerking tot het gevorderde bedrag van € 117,-.

De vordering van [slachtoffer 17]

 Immateriële schade

[slachtoffer 17] is uit het voorste tramstel weggevlucht (het deel van de tram waar niet is geschoten). Hij is over straat voorbij het tankstation gevlucht en aldaar heeft verdachte vanuit een auto richting wegvluchtende personen, onder wie [slachtoffer 17] , geschoten.

[slachtoffer 17] heeft als gevolg hiervan psychisch letsel opgelopen. De rechtbank kent aan [slachtoffer 17] een vergoeding toe van € 7.500,-.

 Materiële schade

[slachtoffer 17] vordert € 3.336,- ter zake van vergoeding van verlies aan verdienvermogen (materiële schade). Hij stelt dat zijn tijdelijke dienstverband na 1 juli 2019 niet is verlengd ten gevolge van een ziekmelding die het gevolg is van de gebeurtenissen op 18 maart 2019. Naar het oordeel van de rechtbank is onder die omstandigheden het causaal verband tussen het bewezen geachte handelen van verdachte en deze gevorderde schade onvoldoende onderbouwd. [slachtoffer 17] zal niet-ontvankelijk worden verklaard in zijn vordering ter zake van materiële schade, omdat nadere bewijslevering een onevenredige belasting vormt voor dit strafproces.

De vordering van [slachtoffer 14]

zat toen en daar in haar auto, opgesteld en vooraan bij het stoplicht, toen de tram tot stilstand kwam. Zij heeft direct haar auto verlaten om hulp te verlenen aan [slachtoffer 5] , nadat zij was neergeschoten. [slachtoffer 14] is daarna door verdachte bedreigd nadat deze gewapend haar richting op kwam lopen en daarbij heeft geschoten. [slachtoffer 14] heeft daardoor psychisch letsel bekomen. [slachtoffer 14] is bedreigd buiten de tram. De rechtbank zal – gelijk aan andere slachtoffers in een vergelijkbare positie – aan haar een smartengeld vergoeding toekennen van € 7.500,-.

De vordering van [slachtoffer 15]

 Materiële schade

[slachtoffer 15] wordt niet-ontvankelijk verklaard in het deel van zijn vordering dat ziet op materiële schade. Kort gezegd vordert [slachtoffer 15] schade als gevolg van verlies van goederen. Het verlies van goederen is onvoldoende onderbouwd en voor nadere bewijslevering is geen plaats in dit strafproces.

 Immateriële schade

[slachtoffer 15] is evenals [slachtoffer 14] deed, [slachtoffer 5] te hulp geschoten. Verdachte heeft de tram verlaten en is in zijn richting gelopen, waarbij [slachtoffer 15] is bedreigd met een vuurwapen waarmee werd geschoten. Als gevolg daarvan heeft [slachtoffer 15] psychisch letsel opgelopen. De vordering van [slachtoffer 15] kan – zoals gevorderd – tot het bedrag van € 7.500,- aan immateriële schade worden toegewezen.

11.4.9

De vorderingen van [benadeelde 23] en [benadeelde 24] en de vordering van [benadeelde 25]

De vorderingen van [benadeelde 23] en [benadeelde 24]

De benadeelde partij kan in het strafproces vergoeding vorderen van de schade die zij als gevolg van een strafbaar feit heeft geleden, indien tussen het bewezen verklaarde handelen van de verdachte en de schade voldoende verband bestaat om te kunnen aannemen dat de benadeelde partij door dit handelen rechtstreeks schade heeft geleden. Voor de beantwoording van de vraag of zodanig verband bestaat zijn de concrete omstandigheden van het geval bepalend.

[benadeelde 23] en [benadeelde 24] zijn als passagiers uit de tram gestapt op halte 24 Oktoberplein, de halte waar verdachte is ingestapt. Terwijl zij lopend onderweg waren naar het zeer nabij deze halte gelegen UWV kantoor hebben de bewezen verklaarde feiten zich voorgedaan. [benadeelde 23] en [benadeelde 24] zijn van nabij getuige geweest van deze gebeurtenissen.

[benadeelde 23] en [benadeelde 24] zijn niet als slachtoffer opgenomen in de tenlastelegging. Van belang is dat bewezen is verklaard dat sprake is van terroristische misdrijven als bedoeld in artikel 83a Sr. Daarmee staat vast dat verdachte niet slechts misdrijven heeft gepleegd tegen de direct in de bewezenverklaring vermelde personen, maar dat hij met zijn handelen een breder bereik beoogde. Dit brengt echter niet met zich mee dat een ieder die zich angstig heeft gevoeld of ooggetuige is geweest, zich - zonder meer - als benadeelde in het strafproces kan voegen.

De rechtbank stelt vast dat in het dossier personen zijn te benoemen die in een vergelijkbare positie hebben verkeerd als de in de bewezenverklaring vermelde personen, bijvoorbeeld omdat zij zich in het tramdeel bevonden waar is geschoten of omdat zij buiten de tram letterlijk het pad van verdachte hebben gekruist. [benadeelde 23] en [benadeelde 24] zijn in een richting gevlucht waar verdachte zich niet naartoe heeft bewogen. Zij behoren niet tot de groep personen die in een vergelijkbare positie heeft verkeerd als de in de bewezenverklaring vermelde personen.

Daar komt voor hen bij dat in beider geval sprake was van op 18 maart 2019 reeds bestaande psychische klachten. Dit maakt dat het causaal verband tussen de door hen gestelde schade en het handelen van verdachte niet zonder nadere toelichting kan worden aangenomen.

Deze omstandigheden maken dat de rechtbank van oordeel is dat de behandeling van de vordering van [benadeelde 23] en [benadeelde 24] een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert en zal hun vordering daarom niet-ontvankelijk verklaren.

De vordering van [benadeelde 25]

vordert vergoeding van materiële schade als gevolg van het verlies van een tas met inhoud terwijl zij vanuit de tram (zij zat in het deel van de tram waar niet is geschoten) wegvluchtte. Daarnaast vordert zij immateriële schadevergoeding.

De rechtbank verklaart [benadeelde 25] niet-ontvankelijk in haar vordering. [benadeelde 25] is niet als slachtoffer opgenomen in de tenlastelegging. De schade waarvan zij vergoeding vordert is ook anderszins geen rechtstreekse schade die het gevolg is van de bewezen verklaarde feiten.

11.4.10

De vordering van de medewerker van de Penitentiaire Inrichting Lelystad

De medewerker van de PI heeft anoniem een vordering ingediend. De rechtbank kan daardoor niet beoordelen of deze medewerker wel zelfstandig vorderingsgerechtigd is. Daaraan doet niet af dat voor de officier van justitie volgens haar mededeling die identiteit kenbaar is. De anonieme medewerker van de PI wordt om die reden niet-ontvankelijk verklaard.

12 TOEPASSELIJKE WETTELIJKE VOORSCHRIFTEN

De beslissingen berusten op de artikelen 36a, 36b, 36f, 45, 57, 83, 83a, 285, 289 en 300 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezen verklaarde en op de reeds aangehaalde artikelen.

13 BESLISSING

De rechtbank:

Bewezenverklaring

- verklaart bewezen dat verdachte de onder 1 tot en met 6 ten laste gelegde feiten heeft begaan, zoals hiervoor in rubriek 6 is vermeld;

- verklaart niet bewezen het meer of anders ten laste gelegde en spreekt verdachte daarvan vrij;

Strafbaarheid

- verklaart het bewezen verklaarde strafbaar en kwalificeert dit zoals hiervoor in rubriek 7 is vermeld;

- verklaart verdachte strafbaar;

Oplegging straf

- veroordeelt verdachte tot een levenslange gevangenisstraf;

Beslag

- beveelt de onttrekking aan het verkeer van de in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerpen, te weten:

- een zwart vuurwapen (pistool) met SIN-nummer: AAMO1514NL;

- een zilverkleurige demper met SIN-nummer: AAMO1526NL;

Benadeelde partijen

De vordering van [benadeelde 1] , moeder van [slachtoffer 3]

  • -

    wijst de vordering van [benadeelde 1] toe tot een bedrag van € 17.500,- (zegge zeventienduizend en vijfhonderd euro), bestaande uit immateriële schade;

  • -

    veroordeelt verdachte tot betaling van het toegewezen bedrag aan [benadeelde 1] , te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 18 maart 2019 tot de dag van de volledige betaling;

  • -

    veroordeelt verdachte ook in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken, tot op heden begroot op € 521,60;

  • -

    legt verdachte de verplichting op ten behoeve van de benadeelde partij, [benadeelde 1] , € 17.500,- (zegge zeventienduizend en vijfhonderd euro) aan de Staat te betalen, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 18 maart 2019 tot de dag van volledige betaling, bij niet betaling aan te vullen met 1 dag gijzeling;

  • -

    bepaalt dat verdachte van zijn verplichting tot het vergoeden van schade is bevrijd als hij op een van de hiervoor beschreven manieren de schade aan de benadeelde dan wel aan de Staat heeft vergoed;

- bepaalt dat de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk is in de vordering en bepaalt dat dit gedeelte kan worden aangebracht bij de burgerlijke rechter;

De vordering van [benadeelde 2] , zus van [slachtoffer 3]

  • -

    wijst de vordering van [benadeelde 2] toe tot een bedrag van € 386,59 (zegge driehonderdzesentachtig euro en negenenvijftig eurocent), bestaande uit materiële schade;

  • -

    veroordeelt verdachte tot betaling van het toegewezen bedrag aan [benadeelde 2] , te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 18 maart 2019 tot de dag van de volledige betaling;

  • -

    veroordeelt verdachte ook in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken, tot op heden begroot op € 1.513,57;

  • -

    legt verdachte de verplichting op ten behoeve van de benadeelde partij, [benadeelde 2] , € 386,59 (zegge driehonderdzesentachtig euro en negenenvijftig eurocent) aan de Staat te betalen, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 18 maart 2019 tot de dag van volledige betaling, bij niet betaling aan te vullen met 1 dag gijzeling;

- bepaalt dat verdachte van zijn verplichting tot het vergoeden van schade is bevrijd als hij op een van de hiervoor beschreven manieren de schade aan de benadeelde dan wel aan de Staat heeft vergoed;

- bepaalt dat de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk is in de vordering en bepaalt dat dit gedeelte kan worden aangebracht bij de burgerlijke rechter;

De vordering van [benadeelde 3] , zus van [slachtoffer 3]

  • -

    bepaalt dat de benadeelde partij, [benadeelde 3] , niet-ontvankelijk is in haar vordering en dat de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht;

  • -

    compenseert de kosten tussen partijen aldus, dat elke partij de eigen kosten draagt;

De vordering van [benadeelde 4] , echtgenote van [slachtoffer 4]

  • -

    wijst de vordering van de benadeelde partij, [benadeelde 4] , toe tot een bedrag van € 71.894,07 (zegge eenenzeventigduizend achthonderdvierennegentig euro en zeven eurocent), bestaande uit € 10.644,07 voor materiële schade en € 61.250,- voor immateriële schade;

  • -

    veroordeelt verdachte tot betaling van het toegewezen bedrag aan [benadeelde 4] , te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 18 maart 2019 tot de dag van de volledige betaling;

  • -

    veroordeelt verdachte ook in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken, tot op heden begroot op nihil;

  • -

    legt verdachte de verplichting op ten behoeve van de benadeelde partij, [benadeelde 4] , € 71.894,07 (zegge eenenzeventigduizend achthonderdvierennegentig euro en zeven eurocent) aan de Staat te betalen, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 18 maart 2019 tot de dag van volledige betaling, bij niet betaling aan te vullen met 1 dag gijzeling;

- bepaalt dat verdachte van zijn verplichting tot het vergoeden van schade is bevrijd als hij op een van de hiervoor beschreven manieren de schade aan de benadeelde dan wel aan de Staat heeft vergoed;

- bepaalt dat de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk is in de vordering en bepaalt dat dit gedeelte kan worden aangebracht bij de burgerlijke rechter;

De vordering van [benadeelde 5] , zoon van [slachtoffer 4]

  • -

    wijst toe de vordering van de benadeelde partij, [benadeelde 5] ;

  • -

    veroordeelt verdachte mitsdien tot betaling aan [benadeelde 5] van een bedrag van € 20.000,- (zegge twintigduizend euro), bestaande uit immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 18 maart 2019 tot de dag van de volledige betaling;

  • -

    veroordeelt verdachte ook in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken, tot op heden begroot op nihil;

  • -

    legt verdachte de verplichting op ten behoeve van de benadeelde partij, [benadeelde 5] ,

€ 20.000,- (zegge twintigduizend euro) aan de Staat te betalen, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 18 maart 2019 tot de dag van volledige betaling, bij niet betaling aan te vullen met 1 dag gijzeling;

- bepaalt dat verdachte van zijn verplichting tot het vergoeden van schade is bevrijd als hij op een van de hiervoor beschreven manieren de schade aan de benadeelde dan wel aan de Staat heeft vergoed;

De vordering van [benadeelde 6] , zoon van [slachtoffer 4]

  • -

    wijst de vordering van de benadeelde partij, [benadeelde 6] , toe tot een bedrag van € 17.500,- (zegge zeventienduizend en vijfhonderd euro), bestaande uit immateriële schade;

  • -

    veroordeelt verdachte tot betaling van het toegewezen bedrag aan [benadeelde 6] , te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 18 maart 2019 tot de dag van de volledige betaling;

  • -

    veroordeelt verdachte ook in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken, tot op heden begroot op nihil;

  • -

    legt verdachte de verplichting op ten behoeve van de benadeelde partij, [benadeelde 6] , € 17.500,- (zegge zeventienduizend en vijfhonderd euro) aan de Staat te betalen, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 18 maart 2019 tot de dag van volledige betaling, bij niet betaling aan te vullen met 1 dag gijzeling;

- bepaalt dat verdachte van zijn verplichting tot het vergoeden van schade is bevrijd als hij op een van de hiervoor beschreven manieren de schade aan de benadeelde dan wel aan de Staat heeft vergoed;

- bepaalt dat de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk is in de vordering en bepaalt dat dit gedeelte kan worden aangebracht bij de burgerlijke rechter;

De vordering van [benadeelde 7] , vader van [slachtoffer 1]

  • -

    wijst de vordering van de benadeelde partij, [benadeelde 7] , toe tot een bedrag van € 20.000,- (zegge twintigduizend euro), bestaande uit immateriële schade;

  • -

    veroordeelt verdachte tot betaling van het toegewezen bedrag aan [benadeelde 7] , te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 18 maart 2019 tot de dag van de volledige betaling;

  • -

    veroordeelt verdachte ook in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken, tot op heden begroot op nihil;

  • -

    legt verdachte de verplichting op ten behoeve van de benadeelde partij, [benadeelde 7] , € 20.000,- (zegge twintigduizend euro) aan de Staat te betalen, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 18 maart 2019 tot de dag van volledige betaling, bij niet betaling aan te vullen met 1 dag gijzeling;

- bepaalt dat verdachte van zijn verplichting tot het vergoeden van schade is bevrijd als hij op een van de hiervoor beschreven manieren de schade aan de benadeelde dan wel aan de Staat heeft vergoed;

- bepaalt dat de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk is in de vordering en bepaalt dat dit gedeelte kan worden aangebracht bij de burgerlijke rechter;

De vordering van [benadeelde 8] , moeder van [slachtoffer 1]

  • -

    wijst de vordering van de benadeelde partij, [benadeelde 8] , toe tot een bedrag van € 17.500,- (zegge zeventienduizend en vijfhonderd euro), bestaande uit immateriële schade;

  • -

    veroordeelt verdachte tot betaling van het toegewezen bedrag aan [benadeelde 8] , te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 18 maart 2019 tot de dag van de volledige betaling;

  • -

    veroordeelt verdachte ook in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken, tot op heden begroot op nihil;

  • -

    legt verdachte de verplichting op ten behoeve van de benadeelde partij, [benadeelde 8] , € 17.500,- (zegge zeventienduizend en vijfhonderd euro) aan de Staat te betalen, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 18 maart 2019 tot de dag van volledige betaling, bij niet betaling aan te vullen met 1 dag gijzeling;

- bepaalt dat verdachte van zijn verplichting tot het vergoeden van schade is bevrijd als hij op een van de hiervoor beschreven manieren de schade aan de benadeelde dan wel aan de Staat heeft vergoed;

- bepaalt dat de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk is in de vordering en bepaalt dat dit gedeelte kan worden aangebracht bij de burgerlijke rechter;

De vordering van [benadeelde 9] , zus van [slachtoffer 1]

  • -

    bepaalt dat de benadeelde partij, [benadeelde 9] , niet-ontvankelijk is in haar vordering en dat de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht;

  • -

    compenseert de kosten tussen partijen aldus, dat elke partij de eigen kosten draagt;

De vordering van [benadeelde 10] , partner van [slachtoffer 2]

- wijst de vordering van de benadeelde partij, [benadeelde 10] , toe tot een bedrag van € 186.183,- (zegge honderdzesentachtig duizend en honderd drieëntachtig euro), bestaande uit

€ 166.183,- voor materiële schade en € 20.000,- voor immateriële schade;

  • -

    veroordeelt verdachte tot betaling van het toegewezen bedrag aan [benadeelde 10] , te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 18 maart 2019 tot de dag van de volledige betaling;

  • -

    veroordeelt verdachte ook in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken, tot op heden begroot op nihil;

  • -

    legt verdachte de verplichting op ten behoeve van de benadeelde partij, [benadeelde 10] , € 186.183,- (zegge honderdzesentachtig duizend en honderd drieëntachtig euro) aan de Staat te betalen, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 18 maart 2019 tot de dag van volledige betaling, bij niet betaling aan te vullen met 1 dag gijzeling;

- bepaalt dat verdachte van zijn verplichting tot het vergoeden van schade is bevrijd als hij op een van de hiervoor beschreven manieren de schade aan de benadeelde dan wel aan de Staat heeft vergoed;

- bepaalt dat de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk is in de vordering en bepaalt dat dit gedeelte kan worden aangebracht bij de burgerlijke rechter;

De vordering van [benadeelde 11] , zoon van [slachtoffer 2]

  • -

    wijst de vordering van de benadeelde partij, [benadeelde 11] , toe tot een bedrag van € 25.500,- (zegge vijfentwintigduizend en vijfhonderd euro), bestaande uit € 5.500,- voor materiële schade en € 20.000,- voor immateriële schade;

  • -

    veroordeelt verdachte tot betaling van het toegewezen bedrag aan [benadeelde 11] , te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 18 maart 2019 tot de dag van de volledige betaling;

  • -

    veroordeelt verdachte ook in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken, tot op heden begroot op nihil;

  • -

    legt verdachte de verplichting op ten behoeve van de benadeelde partij, [benadeelde 11] , € 25.500,- (zegge vijfentwintigduizend en vijfhonderd euro) aan de Staat te betalen, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 18 maart 2019 tot de dag van volledige betaling, bij niet betaling aan te vullen met 1 dag gijzeling;

- bepaalt dat verdachte van zijn verplichting tot het vergoeden van schade is bevrijd als hij op een van de hiervoor beschreven manieren de schade aan de benadeelde dan wel aan de Staat heeft vergoed;

- bepaalt dat de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk is in de vordering en bepaalt dat dit gedeelte kan worden aangebracht bij de burgerlijke rechter;

De vordering van [benadeelde 12] , zoon van [slachtoffer 2]

  • -

    wijst de vordering van de benadeelde partij, [benadeelde 12] , toe tot een bedrag van € 28.250,- (zegge achtentwintigduizend en tweehonderdvijftig euro), bestaande uit € 8.250,- voor materiële schade en € 20.000,- voor immateriële schade;

  • -

    veroordeelt verdachte tot betaling van het toegewezen bedrag aan [benadeelde 12] , te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 18 maart 2019 tot de dag van de volledige betaling;

  • -

    veroordeelt verdachte ook in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken, tot op heden begroot op nihil;

  • -

    legt verdachte de verplichting op ten behoeve van de benadeelde partij, [benadeelde 12] , € 28.250,- (zegge achtentwintigduizend en tweehonderdvijftig euro) aan de Staat te betalen, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 18 maart 2019 tot de dag van volledige betaling, bij niet betaling aan te vullen met 1 dag gijzeling;

- bepaalt dat verdachte van zijn verplichting tot het vergoeden van schade is bevrijd als hij op een van de hiervoor beschreven manieren de schade aan de benadeelde dan wel aan de Staat heeft vergoed;

- bepaalt dat de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk is in de vordering en bepaalt dat dit gedeelte kan worden aangebracht bij de burgerlijke rechter;

De vordering van [benadeelde 13] , dochter van [slachtoffer 2]

  • -

    wijst de vordering van de benadeelde partij, [benadeelde 13] , toe tot een bedrag van € 42.250,- (zegge tweeënveertigduizend en tweehonderdvijftig euro), bestaande uit € 22.250,- voor materiële schade en € 20.000,- voor immateriële schade;

  • -

    veroordeelt verdachte tot betaling van het toegewezen bedrag aan [benadeelde 13] , te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 18 maart 2019 tot de dag van de volledige betaling;

  • -

    veroordeelt verdachte ook in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken, tot op heden begroot op nihil;

  • -

    legt verdachte de verplichting op ten behoeve van de benadeelde partij, [benadeelde 13] , € 42.250,- (zegge tweeënveertigduizend en tweehonderdvijftig euro) aan de Staat te betalen, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 18 maart 2019 tot de dag van volledige betaling, bij niet betaling aan te vullen met 1 dag gijzeling;

- bepaalt dat verdachte van zijn verplichting tot het vergoeden van schade is bevrijd als hij op een van de hiervoor beschreven manieren de schade aan de benadeelde dan wel aan de Staat heeft vergoed;

- bepaalt dat de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk is in de vordering en bepaalt dat dit gedeelte kan worden aangebracht bij de burgerlijke rechter;

De vordering van [benadeelde 14] , vader van [slachtoffer 2]

  • -

    wijst de vordering van de benadeelde partij, [benadeelde 14] , toe tot een bedrag van € 17.500,- (zegge zeventienduizend en vijfhonderd euro), bestaande uit immateriële schade;

  • -

    veroordeelt verdachte tot betaling van het toegewezen bedrag aan [benadeelde 14] , te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 18 maart 2019 tot de dag van de volledige betaling;

  • -

    veroordeelt verdachte ook in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken, tot op heden begroot op nihil;

  • -

    legt verdachte de verplichting op ten behoeve van de benadeelde partij, [benadeelde 14] , € 17.500,- (zegge zeventienduizend en vijfhonderd euro) aan de Staat te betalen, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 18 maart 2019 tot de dag van volledige betaling, bij niet betaling aan te vullen met 1 dag gijzeling;

- bepaalt dat verdachte van zijn verplichting tot het vergoeden van schade is bevrijd als hij op een van de hiervoor beschreven manieren de schade aan de benadeelde dan wel aan de Staat heeft vergoed;

- bepaalt dat de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk is in de vordering en bepaalt dat dit gedeelte kan worden aangebracht bij de burgerlijke rechter;

De vordering van [benadeelde 15] , moeder van [slachtoffer 2]

  • -

    wijst de vordering van de benadeelde partij, [benadeelde 15] , toe tot een bedrag van € 17.500,- (zegge zeventienduizend en vijfhonderd euro), bestaande uit immateriële schade;

  • -

    veroordeelt verdachte tot betaling van het toegewezen bedrag aan [benadeelde 15] , te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 18 maart 2019 tot de dag van de volledige betaling;

  • -

    veroordeelt verdachte ook in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken, tot op heden begroot op nihil;

  • -

    legt verdachte de verplichting op ten behoeve van de benadeelde partij, [benadeelde 15] , € 17.500,- (zegge zeventienduizend en vijfhonderd euro) aan de Staat te betalen, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 18 maart 2019 tot de dag van volledige betaling, bij niet betaling aan te vullen met 1 dag gijzeling;

- bepaalt dat verdachte van zijn verplichting tot het vergoeden van schade is bevrijd als hij op een van de hiervoor beschreven manieren de schade aan de benadeelde dan wel aan de Staat heeft vergoed;

- bepaalt dat de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk is in de vordering en bepaalt dat dit gedeelte kan worden aangebracht bij de burgerlijke rechter;

De vordering van [benadeelde 16] , zus van [slachtoffer 2]

  • -

    bepaalt dat de benadeelde partij, [benadeelde 16] , niet-ontvankelijk is in haar vordering en dat de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht;

  • -

    compenseert de kosten tussen partijen aldus, dat elke partij de eigen kosten draagt;

De vordering van [benadeelde 17] , zus van [slachtoffer 2]

  • -

    bepaalt dat de benadeelde partij, [benadeelde 17] , niet-ontvankelijk is in haar vordering en dat de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht;

  • -

    compenseert de kosten tussen partijen aldus, dat elke partij de eigen kosten draagt;

De vordering van [benadeelde 18] , broer van [slachtoffer 2]

  • -

    bepaalt dat de benadeelde partij, [benadeelde 18] , niet-ontvankelijk is in zijn vordering en dat de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht;

  • -

    compenseert de kosten tussen partijen aldus, dat elke partij de eigen kosten draagt;

De vordering van [slachtoffer 5]

  • -

    wijst de vordering van de benadeelde partij, [slachtoffer 5] , toe tot een bedrag van € 143.654,39 (zegge honderddrieënveertigduizend zeshonderdvierenvijftig euro en negenendertig eurocent), bestaande uit € 43.654,39 voor materiële schade en 100.000,- voor immateriële schade;

  • -

    veroordeelt verdachte tot betaling van het toegewezen bedrag aan [slachtoffer 5] , te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 18 maart 2019 tot de dag van de volledige betaling;

  • -

    veroordeelt verdachte ook in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken, tot op heden begroot op nihil;

  • -

    legt verdachte de verplichting op ten behoeve van de benadeelde partij, [slachtoffer 5] ,

€ 143.654,39 (zegge honderddrieënveertigduizend zeshonderdvierenvijftig euro en negenendertig eurocent) aan de Staat te betalen, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 18 maart 2019 tot de dag van volledige betaling, bij niet betaling aan te vullen met 1 dag gijzeling;

- bepaalt dat verdachte van zijn verplichting tot het vergoeden van schade is bevrijd als hij op een van de hiervoor beschreven manieren de schade aan de benadeelde dan wel aan de Staat heeft vergoed;

- bepaalt dat de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk is in de vordering en bepaalt dat dit gedeelte kan worden aangebracht bij de burgerlijke rechter;

De vordering van [benadeelde 19] , partner van [slachtoffer 5]

- wijst de vordering van de benadeelde partij, [benadeelde 19] , toe tot een bedrag van € 21.820,- (zegge eenentwintigduizend achthonderdtwintig euro), bestaande uit € 1.820,- voor materiële schade en 20.000,- voor immateriële schade;

  • -

    veroordeelt verdachte tot betaling van het toegewezen bedrag aan [benadeelde 19] , te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 18 maart 2019 tot de dag van de volledige betaling;

  • -

    veroordeelt verdachte ook in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken, tot op heden begroot op € 50,-;

  • -

    legt verdachte de verplichting op ten behoeve van de benadeelde partij, [benadeelde 19] ,

€ 21.820,- (zegge eenentwintigduizend achthonderdtwintig euro) aan de Staat te betalen, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 18 maart 2019 tot de dag van volledige betaling, bij niet betaling aan te vullen met 1 dag gijzeling;

- bepaalt dat verdachte van zijn verplichting tot het vergoeden van schade is bevrijd als hij op een van de hiervoor beschreven manieren de schade aan de benadeelde dan wel aan de Staat heeft vergoed;

- bepaalt dat de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk is in de vordering en bepaalt dat dit gedeelte kan worden aangebracht bij de burgerlijke rechter;

De vordering van [benadeelde 20] , moeder van [slachtoffer 5]

  • -

    wijst de vordering van de benadeelde partij, [benadeelde 20] , toe tot een bedrag van € 20.525,- (zegge twintigduizend vijfhonderdvijfentwintig euro), bestaande uit € 525,- voor materiëleschade en 20.000,- voor immateriële schade;

  • -

    veroordeelt verdachte tot betaling van het toegewezen bedrag aan [benadeelde 20] , te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 18 maart 2019 tot de dag van de volledige betaling;

  • -

    veroordeelt verdachte ook in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken, tot op heden begroot op € 50,-;

  • -

    legt verdachte de verplichting op ten behoeve van de benadeelde partij, [benadeelde 20] , € 20.525,- (zegge twintigduizend vijfhonderdvijfentwintig euro) aan de Staat te betalen, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 18 maart 2019 tot de dag van volledige betaling, bij niet betaling aan te vullen met 1 dag gijzeling;

- bepaalt dat verdachte van zijn verplichting tot het vergoeden van schade is bevrijd als hij op een van de hiervoor beschreven manieren de schade aan de benadeelde dan wel aan de Staat heeft vergoed;

- bepaalt dat de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk is in de vordering en bepaalt dat dit gedeelte kan worden aangebracht bij de burgerlijke rechter;

De vordering van [benadeelde 21] , zus van [slachtoffer 5]

  • -

    wijst de vordering van de benadeelde partij, [benadeelde 21] , toe tot een bedrag van € 20.928,35 (zegge twintigduizend negenhonderdachtentwintig euro en vijfendertig eurocent), bestaande uit € 928,35 voor materiële schade en € 20.000 voor immateriële schade;

  • -

    veroordeelt verdachte tot betaling van het toegewezen bedrag aan [benadeelde 21] , te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 18 maart 2019 tot de dag van de volledige betaling;

  • -

    veroordeelt verdachte ook in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken, tot op heden begroot op € 50,-;

  • -

    legt verdachte de verplichting op ten behoeve van de benadeelde partij, [benadeelde 21] , € 20.928,35 (zegge twintigduizend negenhonderdachtentwintig euro en vijfendertig eurocent) aan de Staat te betalen, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 18 maart 2019 tot de dag van volledige betaling, bij niet betaling aan te vullen met 1 dag gijzeling;

- bepaalt dat verdachte van zijn verplichting tot het vergoeden van schade is bevrijd als hij op een van de hiervoor beschreven manieren de schade aan de benadeelde dan wel aan de Staat heeft vergoed;

- bepaalt dat de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk is in de vordering en bepaalt dat dit gedeelte kan worden aangebracht bij de burgerlijke rechter;

De vordering van [slachtoffer 6]

  • -

    wijst toe de vordering van de benadeelde partij, [slachtoffer 6] ;

  • -

    veroordeelt verdachte mitsdien tot betaling aan [slachtoffer 6] van een bedrag van € 60.571,07 (zegge zestigduizend vijfhonderdeenenzeventig euro en zeven eurocent), bestaande uit

€ 17.621,07 voor materiële schade en 42.950,- voor immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 18 maart 2019 tot de dag van de volledige betaling;

  • -

    veroordeelt verdachte ook in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken, tot op heden begroot op nihil;

  • -

    legt verdachte de verplichting op ten behoeve van de benadeelde partij, [slachtoffer 6] ,

€ 60.571,07 (zegge zestigduizend vijfhonderdeenenzeventig euro en zeven eurocent) aan de Staat te betalen, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 18 maart 2019 tot de dag van volledige betaling, bij niet betaling aan te vullen met 1 dag gijzeling;

- bepaalt dat verdachte van zijn verplichting tot het vergoeden van schade is bevrijd als hij op een van de hiervoor beschreven manieren de schade aan de benadeelde dan wel aan de Staat heeft vergoed;

De vordering van [benadeelde 22] , moeder van [slachtoffer 6]

  • -

    bepaalt dat de benadeelde partij, [benadeelde 22] , niet-ontvankelijk is in haar vordering en dat de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht;

  • -

    compenseert de kosten tussen partijen aldus, dat elke partij de eigen kosten draagt;

De vordering van [slachtoffer 7]

  • -

    wijst de vordering van de benadeelde partij, [slachtoffer 7] , toe tot een bedrag van € 26.426,19 (zegge zesentwintigduizend vierhonderdzesentwintig euro en negentien eurocent), bestaande uit € 4.776,19 voor materiële schade en 21.650,- voor immateriële schade;

  • -

    veroordeelt verdachte tot betaling van het toegewezen bedrag aan [slachtoffer 7] , te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 18 maart 2019 tot de dag van de volledige betaling;

  • -

    veroordeelt verdachte ook in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken, tot op heden begroot op € 2.062,50;

  • -

    legt verdachte de verplichting op ten behoeve van de benadeelde partij, [slachtoffer 7] , € 26.426,19 (zegge zesentwintigduizend vierhonderdzesentwintig euro en negentien eurocent) aan de Staat te betalen, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 18 maart 2019 tot de dag van volledige betaling, bij niet betaling aan te vullen met 1 dag gijzeling;

- bepaalt dat verdachte van zijn verplichting tot het vergoeden van schade is bevrijd als hij op een van de hiervoor beschreven manieren de schade aan de benadeelde dan wel aan de Staat heeft vergoed;

- bepaalt dat de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk is in de vordering en bepaalt dat dit gedeelte kan worden aangebracht bij de burgerlijke rechter;

De vordering van [slachtoffer 18]

  • -

    wijst toe de vordering van de benadeelde partij, [slachtoffer 18] ;

  • -

    veroordeelt verdachte mitsdien tot betaling aan [slachtoffer 18] van een bedrag van € 7.500,- (zegge zevenduizend vijfhonderd euro), bestaande uit immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 18 maart 2019 tot de dag van de volledige betaling;

  • -

    veroordeelt verdachte ook in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken, tot op heden begroot op nihil;

  • -

    legt verdachte de verplichting op ten behoeve van de benadeelde partij, [slachtoffer 18] , € 7.500,- (zegge zevenduizend vijfhonderd euro) aan de Staat te betalen, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 18 maart 2019 tot de dag van volledige betaling, bij niet betaling aan te vullen met 1 dag gijzeling;

- bepaalt dat verdachte van zijn verplichting tot het vergoeden van schade is bevrijd als hij op een van de hiervoor beschreven manieren de schade aan de benadeelde dan wel aan de Staat heeft vergoed;

De vordering van [slachtoffer 9]

  • -

    wijst toe de vordering van de benadeelde partij, [slachtoffer 9] ;

  • -

    veroordeelt verdachte mitsdien tot betaling aan [slachtoffer 9] van een bedrag van € 10.000,- (zegge tienduizend euro), bestaande uit immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 18 maart 2019 tot de dag van de volledige betaling;

  • -

    veroordeelt verdachte ook in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken, tot op heden begroot op nihil;

  • -

    legt verdachte de verplichting op ten behoeve van de benadeelde partij, [slachtoffer 9] , € 10.000,- (zegge tienduizend euro) aan de Staat te betalen, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 18 maart 2019 tot de dag van volledige betaling, bij niet betaling aan te vullen met 1 dag gijzeling;

- bepaalt dat verdachte van zijn verplichting tot het vergoeden van schade is bevrijd als hij op een van de hiervoor beschreven manieren de schade aan de benadeelde dan wel aan de Staat heeft vergoed;

De vordering van [slachtoffer 12]

  • -

    wijst de vordering van de benadeelde partij, [slachtoffer 12] , toe tot een bedrag van € 15.721,08 (zegge vijftienduizend zevenhonderdeenentwintig euro en acht eurocent), bestaande uit € 721,08 voor materiële schade en € 15.000,- voor immateriële schade;

  • -

    veroordeelt verdachte tot betaling van het toegewezen bedrag aan [slachtoffer 12] , te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 18 maart 2019 tot de dag van de volledige betaling;

  • -

    veroordeelt verdachte ook in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken, tot op heden begroot op € 136,80;

  • -

    legt verdachte de verplichting op ten behoeve van de benadeelde partij, [slachtoffer 12] ,

€ 15.721,08 (zegge vijftienduizend zevenhonderdeenentwintig euro en acht eurocent) aan de Staat te betalen, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 18 maart 2019 tot de dag van volledige betaling, bij niet betaling aan te vullen met 1 dag gijzeling;

- bepaalt dat verdachte van zijn verplichting tot het vergoeden van schade is bevrijd als hij op een van de hiervoor beschreven manieren de schade aan de benadeelde dan wel aan de Staat heeft vergoed;

- bepaalt dat de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk is in de vordering en bepaalt dat dit gedeelte kan worden aangebracht bij de burgerlijke rechter;

De vordering van [slachtoffer 13]

  • -

    wijst de vordering van de benadeelde partij, [slachtoffer 13] , toe tot een bedrag van € 27.715,- (zegge zevenentwintigduizend zevenhonderdvijftien euro), bestaande uit € 17.715,- voor materiële schade en € 10.000,- voor immateriële schade;

  • -

    veroordeelt verdachte tot betaling van het toegewezen bedrag aan [slachtoffer 13] , te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 18 maart 2019 tot de dag van de volledige betaling;

  • -

    veroordeelt verdachte ook in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken, tot op heden begroot op nihil;

  • -

    legt verdachte de verplichting op ten behoeve van de benadeelde partij, [slachtoffer 13] ,

€ 27.715,- (zegge zevenentwintigduizend zevenhonderdvijftien euro) aan de Staat te betalen, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 18 maart 2019 tot de dag van volledige betaling, bij niet betaling aan te vullen met 1 dag gijzeling;

- bepaalt dat verdachte van zijn verplichting tot het vergoeden van schade is bevrijd als hij op een van de hiervoor beschreven manieren de schade aan de benadeelde dan wel aan de Staat heeft vergoed;

- bepaalt dat de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk is in de vordering en bepaalt dat dit gedeelte kan worden aangebracht bij de burgerlijke rechter;

De vordering van [slachtoffer 19]

  • -

    wijst de vordering van de benadeelde partij, [slachtoffer 19] , toe tot een bedrag van € 7.500,- (zegge zevenduizend vijfhonderd euro), bestaande uit immateriële schade;

  • -

    veroordeelt verdachte tot betaling van het toegewezen bedrag aan [slachtoffer 19] , te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 18 maart 2019 tot de dag van de volledige betaling;

  • -

    veroordeelt verdachte ook in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken, tot op heden begroot op nihil;

  • -

    legt verdachte de verplichting op ten behoeve van de benadeelde partij, [slachtoffer 19] , € 7.500,- (zegge zevenduizend vijfhonderd euro) aan de Staat te betalen, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 18 maart 2019 tot de dag van volledige betaling, bij niet betaling aan te vullen met 1 dag gijzeling;

- bepaalt dat verdachte van zijn verplichting tot het vergoeden van schade is bevrijd als hij op een van de hiervoor beschreven manieren de schade aan de benadeelde dan wel aan de Staat heeft vergoed;

- bepaalt dat de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk is in de vordering en bepaalt dat dit gedeelte kan worden aangebracht bij de burgerlijke rechter;

De vordering van [slachtoffer 8]

  • -

    wijst de vordering van de benadeelde partij, [slachtoffer 8] , toe tot een bedrag van € 10.000,- (zegge tienduizend euro), bestaande uit immateriële schade;

  • -

    veroordeelt verdachte tot betaling van het toegewezen bedrag aan [slachtoffer 8] , te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 18 maart 2019 tot de dag van de volledige betaling;

  • -

    veroordeelt verdachte ook in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken, tot op heden begroot op nihil;

  • -

    legt verdachte de verplichting op ten behoeve van de benadeelde partij, [slachtoffer 8] ,

€ 10.000,- (zegge tienduizend euro) aan de Staat te betalen, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 18 maart 2019 tot de dag van volledige betaling, bij niet betaling aan te vullen met 1 dag gijzeling;

- bepaalt dat verdachte van zijn verplichting tot het vergoeden van schade is bevrijd als hij op een van de hiervoor beschreven manieren de schade aan de benadeelde dan wel aan de Staat heeft vergoed;

- bepaalt dat de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk is in de vordering en bepaalt dat dit gedeelte kan worden aangebracht bij de burgerlijke rechter;

De vordering van [slachtoffer 10]

  • -

    wijst toe de vordering van de benadeelde partij, [slachtoffer 10] ;

  • -

    veroordeelt verdachte mitsdien tot betaling aan [slachtoffer 10] van een bedrag van € 10.000,- (zegge tienduizend euro), bestaande uit immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 18 maart 2019 tot de dag van de volledige betaling;

  • -

    veroordeelt verdachte ook in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken, tot op heden begroot op nihil;

  • -

    legt verdachte de verplichting op ten behoeve van de benadeelde partij, [slachtoffer 10] ,

€ 10.000,- (zegge tienduizend euro) aan de Staat te betalen, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 18 maart 2019 tot de dag van volledige betaling, bij niet betaling aan te vullen met 1 dag gijzeling;

- bepaalt dat verdachte van zijn verplichting tot het vergoeden van schade is bevrijd als hij op een van de hiervoor beschreven manieren de schade aan de benadeelde dan wel aan de Staat heeft vergoed;

De vordering van [slachtoffer 21]

  • -

    wijst de vordering van de benadeelde partij, [slachtoffer 21] , toe tot een bedrag van € 7.617,- (zegge zevenduizend zeshonderdzeventien euro), bestaande uit € 117,- voor materiële schade en € 7.500 voor immateriële schade;

  • -

    veroordeelt verdachte tot betaling van het toegewezen bedrag aan [slachtoffer 21] , te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 18 maart 2019 tot de dag van de volledige betaling;

  • -

    veroordeelt verdachte ook in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken, tot op heden begroot op nihil;

  • -

    legt verdachte de verplichting op ten behoeve van de benadeelde partij, [slachtoffer 21] , € 7.617,- (zegge zevenduizend zeshonderdzeventien euro) aan de Staat te betalen, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 18 maart 2019 tot de dag van volledige betaling, bij niet betaling aan te vullen met 1 dag gijzeling;

- bepaalt dat verdachte van zijn verplichting tot het vergoeden van schade is bevrijd als hij op een van de hiervoor beschreven manieren de schade aan de benadeelde dan wel aan de Staat heeft vergoed;

- bepaalt dat de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk is in de vordering en bepaalt dat dit gedeelte kan worden aangebracht bij de burgerlijke rechter;

De vordering van [slachtoffer 17]

  • -

    wijst de vordering van de benadeelde partij, [slachtoffer 17] , toe tot een bedrag van € 7.500,- (zegge zevenduizend vijfhonderd euro), bestaande uit immateriële schade;

  • -

    veroordeelt verdachte tot betaling van het toegewezen bedrag aan [slachtoffer 17] , te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 18 maart 2019 tot de dag van de volledige betaling;

  • -

    veroordeelt verdachte ook in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken, tot op heden begroot op nihil;

  • -

    legt verdachte de verplichting op ten behoeve van de benadeelde partij, [slachtoffer 17] , € 7.500,- (zegge zevenduizend vijfhonderd euro) aan de Staat te betalen, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 18 maart 2019 tot de dag van volledige betaling, bij niet betaling aan te vullen met 1 dag gijzeling;

- bepaalt dat verdachte van zijn verplichting tot het vergoeden van schade is bevrijd als hij op een van de hiervoor beschreven manieren de schade aan de benadeelde dan wel aan de Staat heeft vergoed;

- bepaalt dat de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk is in de vordering en bepaalt dat dit gedeelte kan worden aangebracht bij de burgerlijke rechter;

De vordering van [slachtoffer 14]

  • -

    wijst de vordering van de benadeelde partij, [slachtoffer 14] , toe tot een bedrag van € 7.500,- (zegge zevenduizend vijfhonderd euro), bestaande uit immateriële schade;

  • -

    veroordeelt verdachte tot betaling van het toegewezen bedrag aan [slachtoffer 14] , te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 18 maart 2019 tot de dag van de volledige betaling;

  • -

    veroordeelt verdachte ook in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken, tot op heden begroot op nihil;

  • -

    legt verdachte de verplichting op ten behoeve van de benadeelde partij, [slachtoffer 14] , € 7.500,- (zegge zevenduizend vijfhonderd euro) aan de Staat te betalen, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 18 maart 2019 tot de dag van volledige betaling, bij niet betaling aan te vullen met 1 dag gijzeling;

- bepaalt dat verdachte van zijn verplichting tot het vergoeden van schade is bevrijd als hij op een van de hiervoor beschreven manieren de schade aan de benadeelde dan wel aan de Staat heeft vergoed;

- bepaalt dat de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk is in de vordering en bepaalt dat dit gedeelte kan worden aangebracht bij de burgerlijke rechter;

De vordering van [slachtoffer 15]

  • -

    wijst de vordering van de benadeelde partij, [slachtoffer 15] , toe tot een bedrag van € 7.500,- (zegge zevenduizend vijfhonderd euro), bestaande uit immateriële schade;

  • -

    veroordeelt verdachte tot betaling van het toegewezen bedrag aan [slachtoffer 15] , te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 18 maart 2019 tot de dag van de volledige betaling;

  • -

    veroordeelt verdachte ook in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken, tot op heden begroot op nihil;

  • -

    legt verdachte de verplichting op ten behoeve van de benadeelde partij, [slachtoffer 15] , € 7.500,- (zegge zevenduizend vijfhonderd euro) aan de Staat te betalen, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 18 maart 2019 tot de dag van volledige betaling, bij niet betaling aan te vullen met 1 dag gijzeling;

- bepaalt dat verdachte van zijn verplichting tot het vergoeden van schade is bevrijd als hij op een van de hiervoor beschreven manieren de schade aan de benadeelde dan wel aan de Staat heeft vergoed;

- bepaalt dat de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk is in de vordering en bepaalt dat dit gedeelte kan worden aangebracht bij de burgerlijke rechter;

De vordering van [benadeelde 23]

  • -

    bepaalt dat de benadeelde partij, [benadeelde 23] , niet-ontvankelijk is in zijn vordering en dat de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht;

  • -

    compenseert de kosten tussen partijen aldus, dat elke partij de eigen kosten draagt;

De vordering van [benadeelde 24]

  • -

    bepaalt dat de benadeelde partij, [benadeelde 24] , niet-ontvankelijk is in haar vordering en dat de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht;

  • -

    compenseert de kosten tussen partijen aldus, dat elke partij de eigen kosten draagt;

De vordering van [benadeelde 25]

  • -

    bepaalt dat de benadeelde partij, [benadeelde 25] , niet-ontvankelijk is in haar vordering en dat de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht;

  • -

    compenseert de kosten tussen partijen aldus, dat elke partij de eigen kosten draagt;

De vordering van de medewerker Penitentiaire Inrichting (dienstnummer [dienstnummer] )

  • -

    bepaalt dat de benadeelde partij, de medewerker van de Penitentiaire Inrichting met dienstnummer [dienstnummer] , niet-ontvankelijk is in zijn vordering en dat de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht;

  • -

    compenseert de kosten tussen partijen aldus, dat elke partij de eigen kosten draagt.

Dit vonnis is gewezen door mr. R. Veldhuisen, voorzitter, mr. C.M.A.T. van der Geest en

mr. J.G. van Ommeren, rechters, in tegenwoordigheid van mr. P.M. Lindeman, griffier, en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 20 maart 2020.

De jongste rechter is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.

Bijlage 1: de tenlastelegging

Feit 1

hij in de periode van 18 maart 2019 tot en met 28 maart 2019 te Utrecht [slachtoffer 1] , [slachtoffer 2] , [slachtoffer 3] en [slachtoffer 4] opzettelijk en met voorbedachten rade van het leven heeft beroofd, (telkens) door gericht met een vuurwapen (meerdere malen) op het lichaam van voornoemde personen te schieten, ten gevolge waarvan [slachtoffer 1] , [slachtoffer 2] en [slachtoffer 3] op 18 maart 2019 zijn overleden en [slachtoffer 4] op 28 maart 2019 is overleden, welke misdrijven (telkens) werden gepleegd met een terroristisch oogmerk, te weten het oogmerk om de bevolking of een deel der bevolking van een land ernstige vrees aan te jagen, dan wel een overheid of internationale organisatie wederrechtelijk te dwingen iets te doen, niet te doen of te dulden, dan wel de fundamentele politieke, constitutionele, economische of sociale structuren van een land of een internationale organisatie ernstig te ontwrichten of te vernietigen;

(art. 289 Sr juncto art. 287 Sr juncto art. 288a Sr juncto art. 83 Sr juncto art. 83a Sr)

Feit 2

hij op 18 maart 2019 te Utrecht ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om [slachtoffer 6] en [slachtoffer 5] opzettelijk en met voorbedachten rade van het leven te beroven

(telkens) gericht met een vuurwapen op het lichaam van voornoemde personen heeft geschoten, waarbij zij beiden door een kogel zijn geraakt in het (boven)lichaam, terwijl de uitvoering van die voorgenomen misdrijven niet is voltooid, welke misdrijven (telkens) werden gepleegd met een terroristisch oogmerk, te weten het oogmerk om de bevolking of een deel der bevolking van een land ernstige vrees aan te jagen, dan wel een overheid of internationale organisatie wederrechtelijk te dwingen iets te doen, niet te doen of te dulden, dan wel de fundamentele politieke, constitutionele, economische of sociale structuren van een land of een internationale organisatie ernstig te ontwrichten of te vernietigen;

(art. 289 Sr juncto art. 287 Sr juncto art. 288a Sr juncto art. 83 Sr juncto art. 83a Sr juncto art. 45 Sr)

Feit 3

hij op 18 maart 2019 te Utrecht ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om [slachtoffer 7] opzettelijk en met voorbedachten rade van het leven te beroven een (doorgeladen) vuurwapen op het (achter)hoofd van [slachtoffer 7] heeft gericht en daarna de trekker van dat vuurwapen heeft overgehaald, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid, welke misdrijf werd gepleegd met een terroristisch oogmerk, te weten het oogmerk om de bevolking of een deel der bevolking van een land ernstige vrees aan te jagen, dan wel een overheid of internationale organisatie wederrechtelijk te dwingen iets te doen, niet te doen of te dulden, dan wel de fundamentele politieke, constitutionele, economische of sociale structuren van een land of een internationale organisatie ernstig te ontwrichten of te vernietigen;

(art. 289 Sr juncto art. 287 Sr juncto art. 288a Sr juncto art. 83 Sr juncto art. 83a Sr juncto art. 45 Sr)

Feit 4

hij op 18 maart 2019 te Utrecht, [slachtoffer 8] , de persoon met nummer [nummer] , [slachtoffer 10] , [slachtoffer 11] , [slachtoffer 12] , [slachtoffer 13] en/of [slachtoffer 7] heeft bedreigd met een terroristisch misdrijf, althans met enig misdrijf tegen het leven gericht, (telkens) door in een tram waarvan de deuren waren afgesloten, in de nabijheid van de voornoemde personen, een vuurwapen door te laden en met dat vuurwapen te richten en te schieten op meerdere (ogenschijnlijk willekeurige) passagiers van de tram en/of waarbij verdachte Allāhu akbar heeft geroepen;

(art. 285, eerste en derde lid, Sr)

Feit 5

hij op 18 maart 2019 te Utrecht, de na te noemen personen heeft bedreigd met een terroristisch misdrijf, althans met enig misdrijf tegen het leven gericht:

  • -

    [slachtoffer 12] , [slachtoffer 14] , [slachtoffer 15] en/of [slachtoffer 16] (telkens) door met een vuurwapen in de hand dreigend op de voornoemde personen af te lopen en daarbij te schieten met het vuurwapen,

  • -

    [slachtoffer 17] en/of [slachtoffer 18] (telkens) door een vuurwapen in hun richting te houden en met dat vuurwapen te schieten,

  • -

    [slachtoffer 19] en/of [slachtoffer 20] (telkens) door een vuurwapen op hen te richten en/of

  • -

    [slachtoffer 21] , [slachtoffer 22] en/of [slachtoffer 23] (telkens) door voor hen zichtbaar in hun nabijheid (op ogenschijnlijk willekeurige personen) te schieten met een vuurwapen en dat vuurwapen te richten op (ogenschijnlijk willekeurige) personen,

waarbij verdachte Allāhu akbar heeft geroepen;

(art. 285, eerste en derde lid, Sr)

Feit 6

hij op 25 februari 2019 te Lelystad een medewerker (met dienstnummer [dienstnummer] ) van de Penitentiaire Inrichting Lelystad heeft mishandeld door die medewerker een kopstoot te geven tegen het jukbeen.

(art. 300 Sr)

Bijlage 2: de bewijsmiddelen 27

De bewijsmiddelen voor de feiten 1 tot en met 5

De met behulp van camera’s vastgelegde beelden

Een proces-verbaal van bevindingen (proces-verbaalnummer PL0900-2019079354-177), voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:

Op maandag 18 maart 2019 stapte de verdachte [verdachte] op het perron aan het 24 Oktoberplein in Utrecht in de tram in het tweede tramstel.28 In het tweede tramstel zaten onder meer: [slachtoffer 3] , [slachtoffer 2] [de rechtbank begrijpt: [slachtoffer 2] ], [slachtoffer 1] , [slachtoffer 6] , [slachtoffer 7] , [slachtoffer 8] , de persoon met nr. [nummer] [de rechtbank begrijpt en hierna ook te noemen: [slachtoffer 9] ], [slachtoffer 10] , [slachtoffer 11] , [slachtoffer 12] , [slachtoffer 13]29 en [slachtoffer 5] .30

Hieronder volgt een overzicht van wat er zich heeft afgespeeld in het 2e tramstel. Hierbij werden de beelden gebruikt die in de tram werden gemaakt. De beelden zijn zonder geluid zodat daaruit niet vastgesteld kon worden of verdachte daadwerkelijk heeft geschoten. In de omschrijving is er daarom voor gekozen de situatie zo te omschrijven dat verdachte zijn pistool heeft gericht. Naast ieder screenshot staat een tekening waarop is aangegeven waar verdachte en getuigen zich op dat moment in de tram bevonden.

10.41.00 uur: Verdachte stapt de tram in.31

  • -

    10.41.14 uur: Verdachte pakt een pistool onder zijn jas vandaan.

  • -

    10.41.17 uur: Verdachte loopt door de tram met een vuurwapen met demper in zijn
    hand.32

10.41.19 uur: Verdachte richt een pistool op het achterhoofd van [slachtoffer 7] .33 Hierna
trekt verdachte het pistool terug.

10.41.43 uur: Verdachte loopt naar achteren en zit aan zijn wapen.34

10.41.24 uur: Verdachte richt zijn pistool op [slachtoffer 6] .35

10.41.26 uur: Verdachte richt nogmaals zijn wapen op [slachtoffer 6] .36

10.41.35 uur: Verdachte loopt naar voren en richt zijn pistool op [slachtoffer 1] . [slachtoffer 1] grijpt
naar haar borst.37

  • -

    10.41.36 uur: Verdachte richt zijn wapen weer op [slachtoffer 6] . [slachtoffer 6] duikt weg en
    houdt haar tas voor zich.

  • -

    10.41.37 uur: Verdachte richt hierna zijn wapen op [slachtoffer 12] .38

10.41.43 uur: Verdachte heeft zich omgedraaid en loopt naar de voorzijde van
tramstel 2. Hier richt hij zijn wapen op [slachtoffer 2] [de rechtbank
begrijpt: [slachtoffer 2] ] die zijn tas voor zijn hoofd houdt als bescherming.
De andere getuigen zitten gehurkt dicht achter elkaar [de rechtbank
begrijpt uit de screenshots en tekening dat met de andere getuigen
worden bedoeld: [slachtoffer 11] , [slachtoffer 10] en [slachtoffer 9] ].

Verdachte richt zijn wapen nogmaals op [slachtoffer 2] [de rechtbank
begrijpt: [slachtoffer 2] ]. Gezien de reacties van de getuigen, gehurkt voorin
de tram is er een schot afgegaan. Later werden in de tas van [slachtoffer 2]
twee kogelinslagen aangetroffen.39

  • -

    10.41.45 uur: Verdachte richt vervolgens zijn pistool op [benadeelde 5] [de rechtbank
    begrijpt: [slachtoffer 3] ]. Gezien de reactie van [benadeelde 5] lijkt hij te worden
    geraakt en duikt ineen.

  • -

    10.41.51 uur: Verdachte loopt terug door het tramstel en richt zijn wapen in het
    voorbijlopen nogmaals op [slachtoffer 1] . Hierna zakt het bovenlichaam van
    naar voren.40

10.41.56 uur: Een aantal getuigen heeft de tram al verlaten, waaronder [slachtoffer 6] en
[slachtoffer 13] . Verdachte ziet dat de deur opengaat en dat getuigen uit de
tram rennen, waaronder [slachtoffer 5] en [slachtoffer 12] .41

  • -

    10.41.58 uur: Verdachte richt zijn pistool op [slachtoffer 5] , die blijft liggen.

  • -

    10.42.01 uur: Verdachte bekijkt zijn pistool terwijl op dat moment door andere
    getuigen wordt geprobeerd om de deuren van de tram te openen [de
    rechtbank begrijpt: de deuren aan de voorzijde van het tramstel].42

  • -

    10.42.02 uur: Verdachte bekijkt zijn patroonhouder in zijn pistool.

  • -

    10.42.21 uur: Verdachte loopt naar voren en lijkt zijn patroonhouder te vullen met
    nieuwe patronen.

Intussen is het getuigen gelukt om de ruit in te trappen van de deur en te zien is dat [slachtoffer 11] en [slachtoffer 10] de tram zijn uitgegaan.43

  • -

    10.42.23 uur: Verdachte loopt naar de voorzijde van de tram en te zien is dat hij de
    slede van het pistool naar achteren trekt.

  • -

    10.42.26 uur: Verdachte stapt over het lichaam van [slachtoffer 1] heen die van haar stoel op
    de grond is gezakt.

  • -

    10.42.38 uur: Intussen zijn [slachtoffer 7] en [slachtoffer 8] bezig om de tram te verlaten.

  • -

    10.42.31 uur: [slachtoffer 2] [de rechtbank begrijpt: [slachtoffer 2] ] verlaat als laatste het tramstel
    door de geopende ruit in de deur.44

Verdachte loopt naar de deur met de ingetrapte ruit en richt zijn
pistool op [slachtoffer 2] [de rechtbank begrijpt: [slachtoffer 2] ].45

10.42.40 uur: Verdachte loopt terug de tram in legt zijn pistool even op een stoel.
Achter hem is [benadeelde 5] [de rechtbank begrijpt: [slachtoffer 3] ] te zien die
bewegingsloos in zijn stoel zit.46

  • -

    10.42.43 uur: Verdachte heeft vermoedelijk de houder uit zijn pistool gehaald en is
    deze kennelijk aan het vullen met nieuwe patronen.

  • -

    10.43.07 uur: Verdachte trekt de slede van zijn pistool naar achteren en loopt
    richting de voorzijde van de tram.47

10.43.09 uur: Verdachte stapt door de ingetrapte ruit in de deur uit de tram.48

Het overlijden van [slachtoffer 2] , [slachtoffer 1] en [slachtoffer 3]

Een proces-verbaal van bevindingen (proces-verbaalnummer PL0900-2019079354-7), voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:

Op 18 maart 2019, ter plaatse op het 24 Oktoberplein, zag en hoorde ik, verbalisant, dat omstanders mij wezen op een man naast de tram. Bij de man aangekomen zijn wij gaan reanimeren. Ik zag dat de man een rond bebloed gat op zijn borst had op de onderzijde van zijn lichaam. Mogelijk was dit veroorzaakt door een kogel. Na enige tijd hoorde ik dat de vrouwelijke ambulance medewerker riep: ‘stop maar, de man is overleden’.49 Na controle identiteit zag ik dat deze man [slachtoffer 2] bleek te heten.50

Een rapport van het NFI ‘Pathologie onderzoek naar aanleiding van een mogelijk niet natuurlijke dood’ van 25 maart 2019, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:

[slachtoffer 2] [de rechtbank begrijpt: [slachtoffer 2] ] is overleden te 24 Oktoberplein in Utrecht op 18 maart 2019.51 Het overlijden van [slachtoffer 2] wordt verklaard door één doorschot van de romp.52

Een proces-verbaal van bevindingen (proces-verbaalnummer PL0900-2019079354-145), voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:

Op 18 maart 201953 eenmaal binnen in de tram, zag ik, verbalisant, direct 2 slachtoffers liggen. Ik zag dat er op de vloer 2 hulzen lagen. Ik zag een mannelijk slachtoffer op een van de banken zitten. Ik zag dat de man daar levenloos zat en hevig aan het bloeden was. Ik zag dat er naast de plas bloed tussen de voeten van het mannelijk slachtoffer een scherp patroon lag. Ik zag in de rechterzij van het mannelijk slachtoffer een gat, wat ik herkende als een schotwond. Het slachtoffer is met spoed overgebracht naar het ziekenhuis.

Ongeveer vier á vijf meter achter het mannelijk slachtoffer zag ik een vrouwelijk slachtoffer liggen. Ik zag dat de vrouw ook gewond was en daar levenloos lag.54 In de nabije omgeving van de vrouw zag ik een huls liggen. Na enige tijd is ook dit slachtoffer met spoed overgebracht naar het UMC ziekenhuis.55

Een proces-verbaal van bevindingen ‘Identificatie dodelijk slachtoffer [slachtoffer 1] ’ (proces-verbaalnummer PL0900-2019079354-109), voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:

Op 18 maart 2019 hebben wij verbalisanten in het mortuarium van het UMC onderzoek ingesteld naar de identiteit van een vrouwelijk slachtoffer.56 In het mortuarium werd het slachtoffer in ons bijzijn door haar ouders herkend als hun dochter [slachtoffer 1] .57

Een rapport van het NFI ‘Pathologie onderzoek naar aanleiding van een mogelijk niet natuurlijke dood’ van 25 maart 2019, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:
[slachtoffer 1] is overleden in het UMC Utrecht op 18 maart 2019.58 Het overlijden van [slachtoffer 1] wordt verklaard door twee doorschoten van de romp.59

Een proces-verbaal van bevindingen ‘Identificatie dodelijk slachtoffer [slachtoffer 3] ’ (proces-verbaalnummer PL0900-2019079354-108), voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:

Op 18 maart 2019 werd een mannelijk slachtoffer binnengebracht bij het ziekenhuis. Dit slachtoffer was vervoerd door een ambulance vanaf het 24 Oktoberplein te Utrecht. Het slachtoffer overleed snel na aankomst. In de tram op het 24 Oktoberplein werd een legitimatiebewijs aangetroffen van een man genaamd [benadeelde 5] [slachtoffer 3] . Door de forensisch opsporingsambtenaar zijn foto’s gemaakt van het dodelijk slachtoffer.60 Ik, verbalisant, toonde de moeder van [benadeelde 5] [slachtoffer 3] deze foto en zij herkende de persoon op de foto als haar zoon: [benadeelde 5] [slachtoffer 3] .61

Een rapport van het NFI ‘Pathologie onderzoek naar aanleiding van een mogelijk niet natuurlijke dood’ van 25 maart 2019, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:

[slachtoffer 3] is overleden op 18 maart 2019.62 Het overlijden van [slachtoffer 3] wordt verklaard door één doorschot van de romp en één inschot van de linker bovenarm en romp.63

[slachtoffer 5] , [slachtoffer 6] en [slachtoffer 7]

Een proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer 5] (proces-verbaalnummer PL0900-2019079354-835), voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:

De tram ging rijden en hij stond op en hij schreeuwde Allah Akbar. Toen keek ik en zag ik dat hij een wapen gericht had op een meisje of een vrouw. Hij haalt die trekker over en ik hoor allemaal mensen schreeuwen. Toen ben ik gaan duiken. Even later gingen de deuren open en ben ik eruit gesprongen. Ik verzwikte mijn enkel en lag gebukt op de grond en ik probeer nog een soort van weg te kruipen. In één keer een schok in mijn rug en toen lag ik op de grond. Toen wist ik al dat ik ook was neergeschoten.64

Een brief van artsen van het UMC Utrecht over het letsel van [slachtoffer 5] , voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:

[slachtoffer 5] is op 18-03-2019 opgenomen met een schotverwonding met als gevolg thoraxletsel.65

Een proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer 6] (proces-verbaalnummer PL0900-2019079354-314), voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:

Ik ging in de tram zitten. Bij het 24 Oktoberplein keek ik opzij en toen zag ik een man staan met een groot geweer op mij gericht en hij probeerde op mij te schieten, maar dit lukte niet. Toen ging hij hem herladen. Toen ging hij weer schieten maar toen kwam hij nog steeds niet, toen stapte hij iets naar achteren en ging hij weer laden. Er zat een meisje tegenover mij in de tram. Toen schoot hij op haar en ik zag bloed bij haar. Toen richtte hij op mij en schoot hij op mij.66 Toen hij ons allebei had geraakt is hij door gelopen.67 Toen gingen de deuren open en toen ben ik uit de tram gesprongen.68 Ik had een schotwond in mijn borst.69


Een medische verklaring van chirurgen van het UMC Utrecht over het letsel van [slachtoffer 6] , voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:

[slachtoffer 6] is op 18-03-2019 gezien in het Calamiteitenhospitaal. Heeft schotverwonding t.p.v. sternum [de rechtbank begrijpt: het borstbeen].70

Een proces-verbaal van verhoor getuige [slachtoffer 7] (proces-verbaalnummer PL0900-2019079354-26), voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:

Toen we net weer vertrokken vanaf de tramhalte van het 24 Oktoberplein hoorde ik achter me een geluid als dat van een Zippo-aansteker, een metalen klik, maar dan harder. Ik keek eerst een medepassagier verbaasd aan en toen keek ik achterom. Toen zag ik een man een wapen richten op een vrouw die in de tram zat. In eerste instantie weigerde het wapen want ik zag hem verschillende keren bewegen met het wapen, voordat het eerste schot afging. Ik hoorde een vrouw gillen. Hierna ben ik direct naar beneden gedoken en heb ik gehoord dat hij schoten afvuurde. Tijdens het lopen hoorde ik de man ‘Allah Akbar’ roepen. Ik zag dat de man aan het einde van de coupé zijn wapen aan het laden was. We probeerden de deur open te maken van de tram maar dat lukte niet. Hierna heeft iemand de ruit van de deur ingetrapt. Toen hij met intrappen bezig was hoorde ik schoten. Ik ging naar buiten en hoorde de man achter me ‘auw’ roepen. Hij viel op het grind waar de tram stil stond.71

[slachtoffer 8] , [slachtoffer 9] , [slachtoffer 10] , [slachtoffer 11] , [slachtoffer 12] en [slachtoffer 13]

Een proces-verbaal van verhoor getuige [slachtoffer 8] (proces-verbaalnummer PL0900-2019079354), voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:

Vandaag zat ik in de tram. Ik had oortjes in. Vervolgens zag ik een aantal mensen langs mij door het gangpad rennen naar de voorzijde van de tram. Ik deed mijn oortjes uit. Ik hoorde een vrouw gillen. Ik keek om en zag een man in het gangpad van de tram staan. Ik zag direct dat deze man een geweer in zijn hand had. Ik zag dat dit wapen waarschijnlijk voorzien was van een geluidsdemper. Ik zag de verdachte in mijn richting lopen. Ik zag dat de verdachte met zijn wapen op iemand richtte in de tram. Ik hoorde vervolgens een schot afgaan. Ik ben direct onder mijn stoel gekropen. Ik hoorde vervolgens meerdere schoten. Ik hoorde de verdachte ook roepen ‘Allah Akbar’.72 Ik hoorde dat de verdachte door het gangpad liep in de richting van de achterzijde van mijn tramstel. Hij liep dus langs mij.73

Een proces-verbaal van verhoor [slachtoffer 9] (proces-verbaalnummer PL0900-2019079354-340), voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:

Ik stapte in de tram. Ik zag mensen mijn kant op rennen en hoorde ze schreeuwen. Toen zag ik een man staan met een pistool en hij schoot.74 Ik heb hem zien schieten naar iemand op het bankje links. Toen ben ik in het hoekje gaan liggen achter twee jongens. Ik hoorde de schutter ook zeggen Allah Akbar. Op een gegeven moment schopten de jongens de ruit eruit. Zij sprongen er eerst uit en toen ben ik erachteraan gegaan.75

Een proces-verbaal van bevindingen (proces-verbaalnummer PL0900-2019079354-23), voor zover inhoudende de verklaring van [slachtoffer 10] , zakelijk weergegeven:

Ik stapte in het achterste rijtuig in de tram. Net toen de tram het viaduct onderdoor wilde rijden hoorde ik een paar harde knallen. Ik zag dat er toen een man langs mij liep. Ik zag dat hij een pistool in zijn hand had en ik zag dat hij met dat pistool naar links en rechts schoot. Ik heb gezien dat er mensen werden geraakt.

Ik zag dat die man met dat pistool mijn richting uit kwam lopen. Ik zag dat die man naar achteren liep en zijn pistool opnieuw laadde. Ik heb niet verder gewacht en ben door het kapotte raam naar buiten gevlucht.76 De man heeft zes of zeven keer geschoten. Ik hoorde dat die man daarbij Allah Akbar riep.77

Een proces-verbaal van verhoor getuige [slachtoffer 11] (proces-verbaalnummer PL0900-2019079354), voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:

Ik ben achterin de achterste wagon gestapt en zag dat de persoon die later geschoten heeft tegelijk achter mij instapte. Ik zag dat gelijk nadat de deuren gesloten waren hij een vuurwapen tevoorschijn haalde onder zijn jas vandaan. Ik zag dat hij deze doorlaadde en direct hierna probeerde te schieten. Ik zag dat het een pistool was en ik zag ook dat deze een lange geluidsdemper had. Ik zag en hoorde dat hij in eerste instantie probeerde te schieten maar dat het pistool niet af ging. Ik hoorde 4 of 5 klikken. Ik weet niet wat hij hieraan gedaan heeft maar ineens werkte het vuurwapen kennelijk wel en begon hij in het wilde weg te schieten op de mensen in de tram. Toen ik aan het einde van de wagon was gekomen zag ik dat hij mijn kant op kwam lopen.78 Ik zag en hoorde dat hij onderweg in de tram schoot. Ik heb vervolgens de toegangsdeur aan de voorzijde open getrapt. Ik hoorde dat hij ‘Allah Akbar’ riep terwijl hij aan het schieten was in de tram.79


Een proces-verbaal van verhoor getuige [slachtoffer 12] (proces-verbaalnummer PL0900-2019079354-9), voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:

Ongeveer 10 seconden nadat de tram wegreed hoorde ik ineens een hoop geschreeuw in de tram. Ik keen achterom en ik zag dat de terrorist een pistool richtte op het meisje achter mij. Ik hoorde dat de terrorist riep: Allah Akbar. Ik zag en hoorde dat de man op het meisje schoot. Ik zag dat er een geluidsdemper op het pistool zat. Ik zag dat de terrorist zijn pistool op mij richtte.

Op het perron viel het meisje. Ik hoorde haar zeggen dat ze niet meer kon lopen. We hebben het meisje opgetild en naar het begin van het perron gedragen. Ik hoorde toen dat een van de jongens riep dat de terrorist er weer aan kwam. Ik zag toen dat de terrorist weer bij de achterste tramdeuren was.80 Ik zag en hoorde dat de terrorist weer aan het schieten was. Ik ben toen weggerend. Ik zag dat de terrorist achter mij aan kwam en ik zag dat hij om zich heen aan het schieten was.81

Een proces-verbaal van bevindingen (proces-verbaalnummer PL0900-2019079354-25), voor zover inhoudende de verklaring van [slachtoffer 13] , zakelijk weergegeven:

Ik zat achterin de tram. Ik zag toen achterin de tram mensen achter de glazen wanden gaan zitten. Ik keek naar voren en zag een man met een pistool. Ik zag dat die man probeerde om het pistool te laden maar dat lukte elke keer niet, het moest wel vier of vijf keer overnieuw. Ik ben toen bij die mensen gaan zitten achter die wanden. Ik voelde dat de tram werd stil gezet en ik ben de tram uitgerend met nog een andere vrouw en nog een meisje achter mij. Dat meisje achter mij werd neergeschoten. Het pistool dat de man vast hield, had een demper.82

[slachtoffer 14] , [slachtoffer 15] , [slachtoffer 16] , [slachtoffer 18] , [slachtoffer 19] , [slachtoffer 20] , [slachtoffer 21] , [slachtoffer 22] en [slachtoffer 23]

Een proces-verbaal van bevindingen (proces-verbaalnummer PL0900-2019079354-10), voor zover inhoudende de verklaring van [slachtoffer 14] , zakelijk weergegeven:

Op 18 maart 2019 zat ik in mijn auto. Ik stond stil op de Beneluxlaan in Utrecht bij de verkeerslichten. Ik zag dat een stilstaande tram de weg blokkeerde. Enkele seconden later zag ik meerdere personen uit de achterste cabine van de tram naar buiten springen en rennen. Kort daarop zag ik een meisje vlakbij de tram op de grond liggen. Ik besloot uit mijn auto te stappen en naar het meisje toe te lopen. Twee mannen hebben haar opgepakt en haar voor mijn auto neergelegd. Ik zag dat het meisje gewond was. Op dat moment hoorde ik meerdere schoten. De schoten klonken heel afgebeten. Ik zag een man met een pistool in zijn handen uit de tram springen. Ik zag dat de man al schietend in de richting van ons aan kwam rennen. Toen ik de man aan zag komen, ben ik meteen gaan schuilen achter mijn auto.83

Een proces-verbaal van verhoor getuige [slachtoffer 15] (proces-verbaalnummer PL0900-2019079354,2), voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:

Ik had vandaag, 18 maart 2019, een klus in Utrecht 24oktoberplein.84 Ik keek naar voren en zag een tram stilstaan. Ik hoorde schoten vanuit de tram. Ik zag het meisje op de grond liggen. Ik zag bloed op de grond liggen. Ik zag dat mensen in de tram een ruit eruit trapten en daaruit springen. In tussentijd was ik al naar die vrouw gerend. Op het moment dat ik bij de vrouw was werd er nog twee keer geschoten. Op het moment dat ik bij de vrouw was schoten er nog twee mensen te hulp. Samen hebben we haar achter de auto’s gekregen. Ik zag dat er uit de tram een jongen stapte. Ik zag dat deze jongen een wapen in zijn hand had. Hij kwam mijn richting op. Ik hoorde dat deze jongen Allah Akbar riep. Dit wapen richtte hij mijn kant op. Ik ben opgestaan en weggerend. Op het moment dat ik rende hoorde ik schoten.85

Een proces-verbaal van bevindingen (proces-verbaalnummer PL0900-2019079354-5), voor zover inhoudende de verklaring van [slachtoffer 16] , zakelijk weergegeven:

Vandaag zat ik samen met [slachtoffer 22] in de auto voor het stoplicht te wachten. Ik zag dat de tram in de bocht stil stond. Ik zag meerdere passagiers uit de tram rennen. Ik zag een meisje uit de tram springen. Ik zag dat dit meisje werd neergeschoten door iemand achter haar. Ik ben uit de auto gestapt en naar haar toegerend. Ik keek de tram in en ik zag de dader naar voren rennen in de tram. Ik heb haar samen versleept om haar in veiligheid te brengen. Vanuit dat punt waar het meisje lag, zag ik de dader uit de tram stappen. Ik zag en hoorde hem op een groepje mensen schieten. Ik hoorde schoten. Ik hoorde geschreeuw. Toen de dader uit de tram sprong, hoorde ik hem roepen 'Allah Akbar’. Ik heb het op een lopen gezet. Ik zag de dader onze kant op komen. Ik zag dat de dader op een auto door de voorruit schoot. Toen heb ik het op een sprinten gezet.86

Een proces-verbaal van bevindingen (proces-verbaalnummer PL0900-2019079354-13), voor zover inhoudende de verklaring van [slachtoffer 18] , zakelijk weergegeven:

Ik kwam aanrijden bij het kruispunt. Ik keek naar links en zag dat mensen trapten tegen de deur van de tram om eruit te kunnen. Er was een meisje dat werd neergeschoten op het kruispunt voor de tram. Ik zag iemand met pistool uit tram stappen. Ik zag dat hij naar dat meisje toeliep. Zij lag tussen mij en hem in. Ik zag dat hij zijn pistool tevoorschijn haalde en op dat moment dook ik weg. Ik hoorde een schot en hoorde mijn auto geraakt worden. Aan mijn auto zit aan de linkerkant naast mijn kentekenplaat een kogelgat.87

Een proces-verbaal van bevindingen (proces-verbaalnummer PL0900-2019079354-4), voor zover inhoudende de verklaring van [slachtoffer 19] , zakelijk weergegeven:

Ik stond voor het verkeerslicht. Ik zag dat er uit de tram twee meisjes kwamen rennen. Op het moment dat de mensen uit de tram kwamen hoorde ik knallen. Ik ben naar achteren gereden. Ik keek toen weer voor mij en toen zag ik de dader. Ik heb mij toen heel klein gemaakt alsof de auto leeg was. Ik zag dat hij het wapen op mij gericht had.88 Ik zag hem voor de auto staan die naast mij stond. Ik zag dat de dader op de man schoot.89

Een proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer 20] (proces-verbaalnummer PL0900 2019079354/190321. 1300), voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:

Ik stond stil in mijn voertuig voor het stoplicht op het 24 oktoberplein. Ik zag dat de tram tot stilstond kwam.90 Ik zag dat er drie meiden uit kwamen. De derde meid viel neer op de grond naast de tram. Ik stapte uit en liep richting haar. Ik zag bloedsporen op haar buik. Op dat moment zag ik ook de schutter in de tram staan. Ik zag hem met een wapen in zijn hand. Samen met anderen heb ik het meisje opgetild en tussen de voertuigen bij het stoplicht gelegd. Daar zag ik dat de schutter uit de ruit van het tramstel kwam. Hij kwam mijn kant op met versnelde pas. Hij keek mij aan en richtte zijn wapen op mij. Ik ben toen achter mijn auto gaan schuilen. Op dat moment riep hij: ‘Allah Akbar’. Toen de schutter bij mijn auto kwam zag ik dat hij een geluidsdemper op het pistool had. Hij liep tussen de stilstaande auto’s door en daar zag ik hem op personen in stilstaande voertuigen schieten.91

Een proces-verbaal van bevindingen (proces-verbaalnummer PL0900-2019079354-2), voor zover inhoudende de verklaring van [slachtoffer 21] , zakelijk weergegeven:

Ik stond voor een verkeerslicht op de Beneluxlaan. Ik zag dat de tram midden op het 24 oktoberplein stopte. Ik zag dat de achterste deuren van de tram opengingen. Ik zag dat hier mensen uit kwamen. Ik zag mensen gelijk wegvluchten. Er kwam iemand voorbij die riep: ‘Ze schieten’. Ik stapte uit. Terwijl ik naast de cabine stond zag ik twee auto’s voor mij een persoon naast een auto staan. Ik zag dat die persoon een zilverkleurig ding in zijn handen had. Ik zag dat die persoon zijn arm strekte. Ik zag dat de persoon op een auto richtte.92 Ik hoorde één knal. Ik realiseerde mij dat er geschoten werd en ik rende weg.93

Een proces-verbaal van bevindingen (proces-verbaalnummer PL0900-2019079354-15), voor zover inhoudende de verklaring van [slachtoffer 22] , zakelijk weergegeven:

Ik ben getuige geweest van een schietpartij op 18 maart 2019. Ik bevond mij in een auto

naast mijn collega [slachtoffer 16] . Wij stonden stil voor een verkeerslicht. Ik zag dat een tram stil stond. Wij keken uit op de achterkant van deze tram. Ik zag dat de achterdeuren van de tram werden geopend en ik zag drie vrouwelijke studenten uit de tram stappen.
Nadat deze mensen waren uitgestapt zag ik in de zelfde deuropening een man staan. Ik zag vervolgens dat één van de studentes op de grond viel. Ik zag vervolgens dat de man in de deuropening op het meisje schoot. Ik zag dat deze man een wapen in zijn handen vast hield. Ik hoorde en zag dat de man één schot op het meisje afvuurde. Ik zag dat de man vervolgens de tram weer inliep. Vervolgens hoorde ik nog enkele schoten.

Ik zag vervolgens dat de man met het wapen door het raam naar buiten klom en zo de tram verliet.94

Ik zag dat de man in de richting van het Kanaaleiland liep. Ik ben, toen de man met het pistool wegrende, in de richting van Kanaaleiland gerend. 95

Een proces-verbaal van verhoor getuige [slachtoffer 23] (proces-verbaalnummer PL0900-2019079354-11), voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:

Op 18 maart 2019 was ik aan het werk met [slachtoffer 15] aan de Beneluxlaan in Utrecht. Ik zag een tram stilstaan. Ik zag dat er een meisje voor de tram lag.96 Ik zag dat [slachtoffer 15] en twee andere mannen dat meisje naar achteren aan het verplaatsen waren. Op dat moment zag ik een man rennen. Ik zag dat de man een vuurwapen gelijkend voorwerp in zijn hand droeg. Ik zag dat er op het wapen een soort van geluidsdemper zat.. Ik zag dat de man richting de tramhalte reden tussen de auto’s door. Ik hoorde dat man riep: Allah Akbar. Ik zag dat de man langzamer begon te lopen. Ik zag dat hij zijn wapen richtte op een auto. Ik zag en hoorde dat hij tweemaal schoot op deze auto. Later zag ik dat er 2 kogelgaten in de voorruit zaten. Later heb ik gezien dat de bestuurder ook gewond was.97

Het overlijden van [slachtoffer 4]

Een proces-verbaal van bevindingen (proces-verbaalnummer PL0900-2019079354-8), voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:

Op 18 maart 2019 liep ik, verbalisant, richting het 24 Oktoberplein. Ik werd aangesproken door een man in ANWB kleding. Ik hoorde hem zeggen dat hij hulp nodig had. Ik zag dat hij bij een auto stond. Ik zag dat in de auto een oudere man zat. Ik hoorde de ANWB medewerker zeggen dat de man een schotwond op de borst had. Ik zag een ronde wond op de borst van de man. De man bleek te zijn: [slachtoffer 4] .98 De man is met spoed naar het ziekenhuis gebracht.

Voertuig: Suzuki, kleur wit.99

Een rapport van het NFI ‘Pathologie onderzoek naar aanleiding van een mogelijk niet natuurlijke dood’ van 21 juni 2019, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:

[slachtoffer 4] is overleden op 28 maart 2019.100 [slachtoffer 4] is overleden ten gevolge van ernstige verwikkelingen van schotletsel in de buik.101

[slachtoffer 17]

Een proces-verbaal van bevindingen (proces-verbaalnummer PL0900-2019079354), voor zover inhoudende de verklaring van [getuige 1] , zakelijk weergegeven:

De getuige verklaarde op 18 maart 2019:

  • -

    Ik hoorde iets en zag een vrouw op de tramrails vallen.

  • -

    Tram stond half in de bocht.

  • -

    Meerdere mensen gingen bij het slachtoffer staan om te helpen.

  • -

    Toen schutter er aan kwam rende iedereen weg.102

  • -

    Verdachte is toen naar een andere auto gelopen. Rode Renault [kenteken] .

  • -

    Zwaaide met wapen.

  • -

    Stapte in deze auto, ging zigzaggen idrv oog in al.103

Een proces-verbaal van bevindingen (proces-verbaalnummer PL0900-2019079354-9), voor zover inhoudende de verklaring van [getuige 2] , zakelijk weergegeven:

Op 18 maart 2019 hoorde ik [getuige 2] het volgende vertellen:

Er kwam een meisje aan rennen vanuit de tram. Zij schreeuwde dat ze aan het schieten waren. Toen zag ik dat er een man uit de tram kwam lopen. Ik zag dat hij begon te schieten op auto’s. Ik zag toen dat hij in een rode Renault Clio stapte en de kruising over reed richting Oog in Al. Na de kruising stopte de rode auto weer en schoot de man wat om zich heen bij het tankstation daar.104

Een proces-verbaal van verhoor getuige [slachtoffer 17] (proces-verbaalnummer PL0900-2019079354), voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:

Ik zat in de voorste wagon van de tram en het gebeurde in de achterste wagon. Maar in die bocht, kun je precies kijken naar achteren. En toen zag ik die man naar die vrouw toe lopen en schieten. En toen dacht ik, ik moet uit deze trein.105

Dus ik doe op die nooddeur, dus iedereen gaat voor mij en iedereen gaat alle kanten op rennen. En ik ren naar het tankstation toe, de Esso. Ik loop om het tankstation heen. Toen kwam er een auto gewoon zo langs ons en die stopt naast ons en die begint gewoon uit de auto te schieten.106 Hij schoot wel gericht op ons, maar heeft ons niet geraakt.107 Dus ik ging rennen. En toen kwam er een andere man naar mij toe.108 Die man kwam ook uit de tram, maar hij kwam uit die achterste. Die man dacht dat ik [slachtoffer 17] heette, maar ik heet [slachtoffer 17] .109

Een proces-verbaal van bevindingen (proces-verbaalnummer PL0900-2019079354), voor zover inhoudende de verklaring van [slachtoffer 7] , zakelijk weergegeven:

Ik ben uit de zijruit van de tram gesprongen en naar de Esso gelopen. Toen ik voorbij de Esso liep werd er weer op mij geschoten. Ik was met een medepassagier, ik weet alleen dat hij [slachtoffer 17] heet. 110

Een proces-verbaal forensisch onderzoek (proces-verbaalnummer PL0900-2019079354-45), voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:

Op 18 maart 2019 bevonden wij ons op de Tichelaarslaan in Utrecht. Op deze locatie was het voertuig welke de verdachte van de schietpartij op het 24 Oktoberplein, aangetroffen. Wij zagen dat het voertuig een auto was van het merk Renault, type Clio, rood, kenteken [kenteken] . Wij zagen en hoorden dat het voertuig met draaiende motor geparkeerd stond. Wij zagen dat het raam van het portier aan de passagierszijde gedeeltelijk open stond.111 Bij nader onderzoek in het voertuig bleken er twee hulzen in de kofferruimte van het voertuig te liggen.112

Verdachte

Een proces-verbaal van herkenning (proces-verbaalnummer PL0900-2019079354), voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:

Op 18 maart 2019 in het kader van de opsporing zag ik, verbalisant, een foto van de hoofdverdachte van het schietincident. Ik zag dat het foto’s van de verdachte betrof afkomstig vanuit camerabeelden van een tram. Toen ik de foto bekeek herkende ik direct met zekerheid deze persoon als: [verdachte] .113

Een proces-verbaal van verhoor van verdachte [verdachte] bij de rechter-commissaris van 22 maart 2019, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:

De RC: De officier van justitie verdenkt u ervan dat u meerdere moorden
met terroristisch oogmerk zou hebben gepleegd, meerdere pogingen
tot moord met terroristisch oogmerk zou hebben gepleegd en
meerdere bedreigingen met terroristisch oogmerk zou hebben
gepleegd. Heeft u de feiten gepleegd?

De verdachte: Ja, dat was ik.114

Een proces-verbaal ter terechtzitting van 1 juli 2019, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:

De voorzitter: De verdenking die op uw bordje ligt is heftig, zwaar en ernstig.

De verdachte: Het betreft geen verdenking. Ik heb al bekend!115

Een proces-verbaal van verhoor van verdachte [verdachte] bij de rechter-commissaris van 22 maart 2019, voor zover inhoudende de verklaring van verdachte, zakelijk weergegeven:

Onze profeet wordt door de karikatuurs van Nederland vernederd en verlaagd. De Koran wordt op blote vrouwen geschreven en wordt laten zien als film. 10 jaar lang worden onze broeders en zussen doodgeknald. Niemand zegt er wat van. Ik zeg 'zodra deze arm en deze hand leeft laat ik niemand met ons geloof spotten, ook al is het een Koning'. Ik heb mensen doodgeschoten.

Jullie komen met jullie democratie en jullie geloof naar ons, waarom worden wij niet gerespecteerd? Waarom worden wij doodgemaakt?

Dat is waarom ik het gedaan heb. Ik wilde jullie laten zien dat jullie niet van diamant zijn en wij niet van zand. Al zou ik 1000 levens hebben, Ik wil ze allemaal geven aan Allah. Ik ben voor niemand bang. Ik heb bewezen dat de woorden die ik heb genoemd zijn gekomen.116

Een proces-verbaal van verhoor van verdachte bij de rechter-commissaris van 8 mei 2019, voor zover inhoudende de verklaring van verdachte, zakelijk weergegeven:

Ik ben degene die een tramaanslag heeft gedaan. Eén ding moeten jullie goed begrijpen, Ik ben niet iemand die democraat is. Hoe jullie onze sharia de rug keren. [bijnaam] keert ook zijn rug naar jullie democratie. Ik zeg nogmaals ‘ik ben geen democraat. Ik ben volgeling van Sharia’.

Nu komt de echte reden waarom ik de aanslag heb gedaan.

Moslims worden door Nederlandse militairen in Libië, Syrië Tsjetsjenië, Afghanistan, overal met Europa doodgemaakt en denken jullie nou echt dat wij niets terug zullen doen? President Rutte, na mijn aanslag, komt op tv. Ik zie met mijn eigen ogen de angst die hij heeft in zijn ogen en hij zegt ‘Fanatisme haalt ons niet weg van de democratie’. Hé luister, Rutte. Jij laat jouw democratie niet los, maar denk jij nou echt dat wij sharia los gaan laten? Dat dacht ik niet. Weet jij hoeveel koppen voor Islam is gerold? Omdat wij van Allah en Mohamed houden. En bereid zijn om dood te gaan en dood te maken. Wollah, ik weet dat jullie oneerlijke mensen zijn en alleen maar Islam aanvallen om Islam te vernietigen. Dat zal jullie nooit lukken. Wij zijn niet bang voor jullie. En Rutte zegt ‘Vandaag is maandag, een zwarte dag voor ons’. Ik zeg nogmaals ‘Hé Rutte 12 jaar lang is een zwarte dag voor Moslims. Waarom zeggen jullie dat niet’?117

Een proces-verbaal ter terechtzitting van 1 juli 2019, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:

De voorzitter: De beschuldiging komt er op neer dat u op 18 maart 2019 in Utrecht
in een tram, een vuurwapen heeft gepakt, dat heeft gericht op een
aantal personen en vervolgens daarmee kogels heeft geschoten. Wie
bent u om dat alles te doen?

De verdachte: Wie zijn jullie om de moslims van de aarde dood te maken, wie zijn
jullie.118

Het pistool en de geluiddemper

Een proces-verbaal van bevindingen (proces-verbaalnummer PL0900-2019079354), voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:

Op 18 maart 2019 hebben wij als verdachte aangehouden: [verdachte] . Ik hoorde de verdachte zeggen dat hij een vuurwapen in het matras op de kleine slaapkamer had zitten. Ik zag in een gat in het matras op de kleine slaapkamer een zilverkleurig buisje, met teksten beschreven, gelijkend op een geluidsdemper van een vuurwapen. Onder de geluidsdemper zag ik een zwart kleurig vuurwapen zitten.119

Een proces-verbaal van bevindingen ‘duiding handgeschreven tekst op de demper’ (proces-verbaalnummer PL0900-2019079354-983), voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:

Ik, Midden-Oosten deskundige, heb de handgeschreven tekst op de demper gelezen. Hieronder wordt de tekst aangetroffen op de geluidsdemper uitgeschreven. De tekst luidt: (*** zijn onleesbare tekens):

[bijnaam] 120 houd van ALLAH (cc) ALLAHU ER*** LA ILLAHE ILLALLAH MUHHAMEDUR RASULLU*LAH ALLAH is wetmaker SERIA is zijn worden demokrasi is de worden van mensen wie seria volgt gaat naar paradijs wie demokrasi volgt gaat naar hel jullie maken mensen dood die moslim zijn en ALLAH LAAT mij jullie dood maken vuul de pijn wat moslims vullen dan weten julli ook wat pijn is ik ken jullie en jullie weten niet ik ken allen ALLAH de weten!!!!

lnhoud en uitleg van de tekst:

Tussen haakjes staan twee letters (CC). Het betreft vermoedelijk een afkorting van een eretitel voor Allah in het Turks. Het is – gezien de lengte van de woorden en de context – aannemelijk dat de zin die hierop volgt gelezen moet worden als: "Allah akbar" ("Allah is groot"). Dit wordt gevolgd door de islamitísche geloofsbelijdenis121: "er is geen god dan Allah en Mohammed is zijn profeet". Hierop volgt de stelling dat Allah de "wetmaker" ["wetgever"] is, en dat de "shari'a" [seria] de woorden van Allah bevat. Dit in tegenstelling tot de democratie, die de woorden en wetten van mensen bevat.

Hieruit volgt de conclusie: wie leeft volgens de shari'a zal naar het paradijs gaan, maar

wie leeft volgens de principes en de wetten van de democratie gaat naar de "hel".

Wat volgt is een aanklacht gericht aan "jullie": "jullie" doden moslims. Dit wordt gevolgd door een wens of dreigement, dat Allah hem zal toestaan of zal helpen in het doden van "jullie" als vergelding voor de pijn die moslims moeten voelen. Op deze manier zullen "jullie" weten en voelen "wat pijn is", en de pijn voelen die moslims voelen.

De tekst eindigt met de woorden, weer gericht aan "jullie", dat de schrijver hen kent ook al kent men hem niet. De laatste zin, "ik ken allen allah de weten!!!" is vermoedelijk te lezen als: "ik erken alleen de wetten van Allah" [en niet de door mensen gemaakte wetten].

ln de tekst op de demper spreekt de schrijver zijn liefde uit tot Allah en belijdt hij zijn geloof door de islamitische geloofsbelijdenis op te schrijven. Dit wordt gevolgd door een verwerping van de wetten die door mensen zijn gemaakt en van de democratie. Enkel de wetten van Allah worden erkend, de "shari'a". Ondanks dat Allah in het hiernamaals iedereen zal straffen of belonen volgens de daden en het geloof stelt de schrijver dat hijzelf ook tot actie zal overgaan om de pijn van de moslims te vergelden, die immers door "jullie" worden gedood.

Wie de groep aangeduid met "jullie" precies is blijft onduidelijk, maar in ieder geval behoren deze mensen niet tot de "moslims": "jullie" doden de moslims en moeten nu boeten voor de pijn die "jullie" de moslims aandoen, zo kan men lezen. Deze groep ("jullie") wordt direct aangesproken.122

Een proces-verbaal van verhoor verdachte bij de rechter-commissaris van 22 maart 2019, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:

De verdachte: Dat heb ik ook in de demper van het pistool geschreven maar dat
lezen ze allemaal niet. Ze lezen niet wat het belang is van de
mensen maar alleen van de democratie.123

Een proces-verbaal ter terechtzitting van 1 juli 2019, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:

De verdachte: Als jullie eerlijke mensen willen zijn, waarom vertellen jullie dan
deze hele media niet wat er op de demper van het pistool
geschreven is.124

Overweging ten aanzien van het bewijs voor de feiten 1 tot en met 5

De hiervoor vermelde bewijsmiddelen zijn – ook in hun onderdelen – telkens gebezigd tot het bewijs van het feit of de feiten, waarop zij blijkens hun inhoud betrekking hebben en, voor zover het een geschrift als bedoeld in artikel 344, eerste lid, aanhef, onder 5° Sv betreft, telkens slechts gebezigd in verband met de inhoud van de andere op het feit respectievelijk de feiten betrekking hebbende bewijsmiddelen.

Die bewijsmiddelen zijn bovendien mede redengevend voor de andere feiten dan die waarop zij blijkens hun inhoud rechtstreeks betrekking hebben. Dat heeft in het bijzonder te gelden voor het bewijs van achtereenvolgens de voorbedachte raad (feiten 1, 2 en 3) en het terroristisch oogmerk (feiten 1 tot en met 3). Daarbij kent de rechtbank betekenis toe aan de aard van die feiten, de materiële samenhang daarvan, en de zeer korte tijdspanne waarin deze zijn begaan, zoals daarvan blijkt uit de inhoud van de bewijsmiddelen.

De bewijsmiddelen voor feit 6

Een proces-verbaal van aangifte (proces-verbaalnummerPL0900-2019069033-1), voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:

Ik ben vestigingsdirecteur van de penitentiaire inrichting Lelystad. Ik doe aangifte van mishandeling van een medewerker van mij. Zijn dienstnummer is [dienstnummer] . De verdachte van de mishandeling is [verdachte] .125

Een proces-verbaal van bevindingen (proces-verbaalnummer PL0900-2019069033-2), voor zover inhoudende:

Onderstaande betreft de eigen verklaring van dienstnummer [dienstnummer] :

Gedetineerde: [verdachte] .

Inrichting Lelystad

Op 25-02-2019 had ik dienst als arbeidsmedewerker, waar ik gedetineerde [verdachte] een rapport heb aangezegd. Gedetineerde zat in de arbeidszaal te bidden. Na zijn gebed heb ik hem verteld dat het niet is toegestaan om in de arbeidszaal te bidden.

Een aantal minuten later was ik aan het werk op de zaal alwaar gedetineerde naar mij toe kwam en zei dat hij morgen weer zou gaan bidden. Daarop zei ik hem dat ik hem dan met een rapport zou wegsturen. Hierna liep hij rustig mijn kant op en gaf mij uit het niets een kopstoot op mijn jukbeen. Hierdoor had ik pijn bij mijn jukbeen.’126

Een proces-verbaal van verhoor verdachte bij de rechter-commissaris van 8 mei 2019, voor zover inhoudende de verklaring van verdachte, zakelijk weergegeven:

Laatst ben ik in de gevangenis in Lelystad. Ik kom op de werkzaal. Ik wil gaan bidden. En de bewaarder komt zomaar mijn bidkleed wegtrekken. Ik ben het helemaal zat en geef hem een kopstoot.127

1 Wanneer hierna wordt verwezen naar paginanummers betreft dit pagina’s van op ambtseed of ambtsbelofte
opgemaakte processen-verbaal. Deze processen-verbaal zijn als bijlagen opgenomen bij het in de wettelijke
vorm opgemaakte proces-verbaal van 12 november 2019 (einddossier) en het in de wettelijke vorm
opgemaakte proces-verbaal van 24 februari 2020 (aanvullend einddossier), doorgenummerd pagina 1 tot en
met 2100, genummerd PL0900-2019079354 (03Oktober19) en opgemaakt door politie Midden-Nederland.
Tenzij anders vermeld, zijn dit processen-verbaal in de wettelijke vorm opgemaakt door daartoe bevoegde
opsporingsambtenaren.

2 Pagina 1845 e.v.

3 Pagina 84.

4 Pagina 2075.

5 Pagina 2075.

6 Pagina 95.

7 Pagina 2068.

8 Pagina 1476.

9 Pagina’s 96 en 97.

10 Pagina 1689.

11 Pagina 557.

12 Een geschrift, te weten een bijlage bij een proces-verbaal forensisch onderzoek plaats delict
(Tichelaarslaan Utrecht), pagina 110.

13 Pagina1733.

14 Een proces-verbaal van verhoor verdachte ten overstaan van de rechter-commissaris van 22 maart 2019.

15 Pagina 1845 e.v.

16 Pagina 1658.

17 Nota naar aanleiding van het verslag, Kamerstuk 2002–2003, 28463, nr. 6, Tweede Kamer, pagina. 4.

18 Een proces-verbaal ter terechtzitting van 1 juli 2019 in de strafzaak tegen verdachte.

19 HR 10 december 2019, ECLI:NL:HR:2019:1890.

20 Pagina 752 e.v.

21 Pagina 175 tot en met 179.

22 Pagina 2053 e.v.

23 Hoge Raad 19 december 2017, ECLI:NL:HR:2017:3185

24 Hoge Raad 23 april 2019, ECLI:NL:HR:2019:603

25 HR 22 februari 2002, ECLI:NL:HR:2002:AD5356.

26 HR 9 oktober 2009, ECLI:NL:HR:2009:BI8583.

27 Wanneer hierna wordt verwezen naar paginanummers betreft dit pagina’s van op ambtseed of ambtsbelofte
opgemaakte processen-verbaal. Deze processen-verbaal zijn als bijlagen opgenomen bij het in de wettelijke
vorm opgemaakte proces-verbaal van 12 november 2019 (einddossier) en het in de wettelijke vorm
opgemaakte proces-verbaal van 24 februari 2020 (aanvullend einddossier), doorgenummerd pagina 1 tot en
met 2100, genummerd PL0900-2019079354 (03Oktober19) en opgemaakt door politie Midden-Nederland.
Tenzij anders vermeld, zijn dit processen-verbaal in de wettelijke vorm opgemaakt door daartoe bevoegde
opsporingsambtenaren.

28 Pagina 83.

29 Pagina 84.

30 Pagina 85.

31 Pagina 86.

32 Pagina 87.

33 Pagina 88.

34 Pagina 89.

35 Pagina 90.

36 Pagina 91.

37 Pagina 92.

38 Pagina 93.

39 Pagina 94.

40 Pagina 95.

41 Pagina 96.

42 Pagina 97.

43 Pagina 98.

44 Pagina 99.

45 Pagina 100.

46 Pagina 101.

47 Pagina 102.

48 Pagina 103.

49 Pagina 124.

50 Pagina 125.

51 Een schriftelijk bescheid, te weten een rapport van het NFI “Pathologie onderzoek naar aanleiding van een
mogelijk niet natuurlijke dood” van 25 maart 2019, opgesteld door dr. J. Fonczek, pagina 1288.

52 Een schriftelijk bescheid, te weten een rapport van het NFI “Pathologie onderzoek naar aanleiding van een mogelijk niet natuurlijke dood” van 25 maart 2019, opgesteld door dr. J. Fonczek, pagina 1290.

53 Pagina 172.

54 Pagina 173.

55 Pagina 174.

56 Pagina 1126.

57 Pagina 1127.

58 Een schriftelijk bescheid, te weten een rapport van het NFI “Pathologie onderzoek naar aanleiding van een
mogelijk niet natuurlijke dood” van 25 maart 2019, opgesteld door dr. H.H. de Boer, pagina 1158.

59 Een schriftelijk bescheid, te weten een rapport van het NFI “Pathologie onderzoek naar aanleiding van een
mogelijk niet natuurlijke dood” van 25 maart 2019, opgesteld door dr. H.H. de Boer, pagina 1161.

60 Pagina 1191.

61 Pagina 1192.

62 Een schriftelijk bescheid, te weten een rapport van het NFI “Pathologie onderzoek naar aanleiding van een
mogelijk niet natuurlijke dood” van 25 maart 2019, opgesteld door dr. J. Fonczek en dr. H.H. de Boer,
pagina 1227.

63 Een schriftelijk bescheid, te weten een rapport van het NFI “Pathologie onderzoek naar aanleiding van een
mogelijk niet natuurlijke dood” van 25 maart 2019, opgesteld door dr. J. Fonczek en dr. H.H. de Boer,
pagina 1230.

64 Pagina 1452.

65 Een schriftelijk bescheid, te weten een brief van artsen van het UMC Utrecht van 2 mei 2019 over de opname
van [slachtoffer 5] , pagina 1403.

66 Pagina 1481.

67 Pagina 1487.

68 Pagina 1481.

69 Pagina 1490.

70 Een schriftelijk bescheid, te weten een brief van artsen van het UMC Utrecht van 18 maart 2019 over het letsel
van [slachtoffer 6] , pagina 1497.

71 Pagina 1527.

72 Pagina 1568.

73 Pagina 1569.

74 Pagina 257.

75 Pagina 258.

76 Pagina 1585.

77 Pagina 1586.

78 Pagina 1593.

79 Pagina 1594.

80 Pagina 1549.

81 Pagina 1550.

82 Pagina 1576.

83 Pagina 395.

84 Pagina 1661.

85 Pagina 1662.

86 Pagina 1649.

87 Pagina 1628.

88 Pagina 1655.

89 Pagina 1656.

90 Pagina 1614.

91 Pagina 1615.

92 Pagina 1621.

93 Pagina 1622.

94 Pagina 1644.

95 Pagina 1645.

96 Pagina 1670.

97 Pagina 1671.

98 Pagina 146.

99 Pagina 147.

100 Hoewel in het rapport als datum van overlijden 18 maart 2019 is vermeld, is hierboven als datum van overlijden 28 maart 2019 opgenomen. Gelet op de brief van een intensivist in het UMC Utrecht aan de
huisarts van [slachtoffer 4] van 29 maart 2019, waarin is vermeld dat [slachtoffer 4] op 28 maart 2019 is overleden (pagina
1390), wordt het rapport van het NFI op dit punt verbeterd gelezen.

101 Een schriftelijk bescheid, te weten een rapport van het NFI “Pathologie onderzoek naar aanleiding van een
mogelijk niet natuurlijke dood” van 21 juni 2019, opgesteld door prof. dr. B. Kutbat, pagina 1374.

102 Pagina 480.

103 Pagina 481.

104 Pagina 555.

105 Pagina 1684.

106 Pagina 1683.

107 Pagina 1684.

108 Pagina 1683.

109 Pagina 1684.

110 Pagina 1524.

111 Forensisch dossier, ordner 1, pagina 298.

112 Forensisch dossier, ordner 1, pagina 299.

113 Pagina 176.

114 Een proces-verbaal van verhoor verdachte ten overstaan van de rechter-commissaris op 22 maart 2019.

115 Een proces-verbaal ter terechtzitting van 1 juli 2019 in de strafzaak tegen verdachte.

116 Een proces-verbaal van verhoor verdachte ten overstaan van de rechter-commissaris op 22 maart 2019.

117 Een proces-verbaal van verhoor verdachte ten overstaan van de rechter-commissaris op 8 mei 2019.

118 Een proces-verbaal ter terechtzitting van 1 juli 2019 in de strafzaak tegen verdachte.

119 Pagina 1733.

120 Verdachte noemt zichzelf [bijnaam] , zo blijkt onder meer uit een proces-verbaal van verhoor verdachte van 28 maart 2019, pagina 2025.

121 Pagina 1929.

122 Pagina 1930.

123 Een proces-verbaal van verhoor verdachte bij de rechter-commissaris van 22 maart 2019.

124 Een proces-verbaal ter terechtzitting van 1 juli 2019 in de strafzaak tegen verdachte.

125 Pagina 1825.

126 Pagina 1827.

127 Een proces-verbaal van verhoor verdachte ten overstaan van de rechter-commissaris van 8 mei 2019.