Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2020:1044

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
04-03-2020
Datum publicatie
25-03-2020
Zaaknummer
UTR 19/2987
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Woz. Bevoegdheid gemachtigde verweerder. Kwalificatie verzoek van eiser om een afzonderlijke woz-beschikking te nemen voor het mandelig aandeel in het openbare gebied rondom zijn appartementencomplex. Beroep ongegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Viditax (FutD), 26-03-2020
V-N Vandaag 2020/766
FutD 2020-1055
FutD 2020-1054
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Zittingsplaats Utrecht

Bestuursrecht

zaaknummer: UTR 19/2987


uitspraak van de enkelvoudige kamer van 4 maart 2020 in de zaak tussen

ing. [eiser] te [woonplaats] , eiser,

en

de heffingsambtenaar van de gemeente Amersfoort, verweerder

(gemachtigde: mr. A.J. Lam).

Procesverloop

Bij beschikking van 10 april 2019 heeft verweerder het verzoek van eiser om voor het belastingjaar 2019 een waardebeschikking te nemen als bedoeld in de Wet waardering onroerende zaken (Wet woz) inzake zijn aandeel in mandelig gebied afgewezen.

Bij uitspraak op bezwaar van 17 juli 2019 (de bestreden uitspraak op bezwaar) heeft verweerder het door eiser gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Eiser heeft tegen de bestreden uitspraak op bezwaar beroep ingesteld. Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 26 november 2019. Eiser is verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde, vergezeld door [A] . Tijdens de zitting heeft eiser de behandelend rechter gewraakt, waarna het onderzoek is geschorst. De wrakingskamer heeft het verzoek tot wraking bij uitspraak van 5 december 2019 afgewezen (ECLI:NL:RBMNE:2019:5768).

Het onderzoek ter zitting is vervolgens voortgezet op 3 februari 2020. Eiser is verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde, vergezeld door [A] .

Overwegingen

Feiten

1. Eiser is eigenaar van het appartement aan de [adres] in [woonplaats] . Het appartement ligt in het gebied [gebied] in [woonplaats] ( [gebied] ). De openbare ruimte in de [gebied] is mandelig eigendom van de eigenaren van de woningen in het gebied [gebied] . Eiser is voor 1/763ste deel mandelig eigenaar van deze openbare ruimte.

Bevoegdheid gemachtigde verweerder

2. Eiser heeft tijdens de zittingen de bevoegdheid van verweerders gemachtigde

mr. A.J. Lam aan de orde gesteld. Volgens eiser is hij onbevoegd om namens verweerder het woord te voeren. Hij is dan wel gemachtigd door de inspecteur gemeentelijke belastingen, maar er ontbreekt een verklaring integriteit externen zoals aangegeven in de toolkit integriteit ambtenaren.

3. De rechtbank stelt vast dat uit de door A.J. Lam tijdens de zitting van 26 november 2019 overgelegde machtiging blijkt dat hij gemachtigd is om namens de inspecteur gemeentelijke belastingen van Amersfoort (de heffingsambtenaar) op te treden bij de mondelinge behandeling van het beroep tijdens de zitting. Hieruit blijkt dat A.J. Lam bevoegd is om verweerder te vertegenwoordigen. De stelling van eiser dat een integriteitsverklaring ontbreekt, maakt dit niet anders. Een dergelijke verklaring, als die nodig zou zijn voor de werkzaamheden van A.J. Lam, is een interne aangelegenheid tussen verweerder en/of het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Amersfoort en A.J. Lam. De omstandigheid dat geen integriteitsverklaring is overgelegd, betekent in ieder geval niet dat A.J. Lam niet bevoegd zou zijn om verweerder op zitting te vertegenwoordigen. Ook ziet de rechtbank niet in dat het college van burgemeester en wethouders een mandaat had moeten verlenen dan wel een machtiging had moeten verstrekken, zoals eiser dat in zijn pleitnota van 3 februari 2020 heeft gesteld. Het gaat hier immers om een besluit van verweerder. Verweerder is het bevoegde bestuursorgaan en niet het college van burgemeester en wethouders.

Kwalificatie verzoek eiser

4. Vast staat dat verweerder op 31 januari 2019 een woz-beschikking voor de woning heeft genomen, waarbij het mandelig aandeel van eiser in de [gebied] is betrokken. Naar aanleiding van deze beschikking heeft eiser verweerder verzocht om een afzonderlijke woz-beschikking voor het mandelig aandeel. Verweerder heeft dit verzoek opgevat als een verzoek om een afzonderlijke beschikking af te geven op grond van artikel 22 van de Wet woz en heeft dit verzoek afgewezen. Verweerder heeft echter miskend dat die bepaling slechts voorziet in de afgifte van één waardebeschikking voor een desbetreffend jaar. Omdat vast staat dat aan eiser een dergelijke waardebeschikking is gegeven, kan verweerder op grond van artikel 22, eerste lid, van de Wet woz niet nogmaals een waardebeschikking afgeven. De rechtbank verwijst hiervoor naar de uitspraak van het gerechtshof Amsterdam van 11 juli 2019 (ECLI:NL:GHAMS:2019:2442). Verweerder had het verzoek van eiser moeten opvatten als een bezwaarschrift tegen de woz-beschikking van 31 januari 2019. Om redenen van rechtsbescherming en finale geschilbeslechting ziet de rechtbank aanleiding om het verzoek van eiser als zodanig op te vatten. De rechtbank zal dan ook overgaan tot de inhoudelijke beoordeling van het beroep.

Het mandelig aandeel

5. De rechtbank stelt vast dat eiser de woz-waarde van de woning op zichzelf niet betwist, zij het dat eiser vindt dat de waarde van de mandelige eigendom in de [gebied] afgesplitst moet worden van de waarde van de woning. De rechtbank begrijpt dat eiser zich daarmee op het standpunt stelt dat de waarde van de woning te hoog is vastgesteld, omdat het mandelig aandeel ten onrechte bij de waarde van de woning is betrokken. Verweerder heeft dit standpunt bestreden.

6. Onder verwijzing naar de eerdere uitspraak van deze rechtbank van 5 juli 2019 (ECLI:NL:RBMNE:2019:3615) is de rechtbank van oordeel dat er geen wettelijke grondslag is om de [gebied] als een afzonderlijk woz-object te zien waarvoor verweerder een afzonderlijke woz-beschikking kan nemen. De [gebied] is op grond van artikel 5:60 van het Burgerlijk Wetboek (BW) het gemeenschappelijk eigendom van de eigenaren van de appartementen in het gebied [gebied] . Het recht op een mandelig aandeel kan op grond van artikel 5:63 van het BW niet worden gescheiden van het eigendom van de woningen. Het is niet mogelijk om los van de woning over een mandelig aandeel te beschikken. Omdat de [gebied] een mandelige zaak is en gemeenschappelijk eigendom van alle mandelige eigenaren gezamenlijk, is het dienstbaar aan die eigenaren gezamenlijk. De [gebied] is dan ook niet bestemd om los daarvan als afzonderlijk geheel te worden gebruikt. Een aandeel in de [gebied] kan daarom ook niet afzonderlijk worden afgebakend en als onderdeel van een samenstel worden gezien, zoals bedoeld in artikel 16, onder c en d, van de Wet woz. Dit betekent dat het mandelig aandeel van eiser moet worden gezien als een kenmerk van zijn woning. Het maakt onderdeel uit van die woning.

7. In de argumenten die eiser aandraagt, ziet de rechtbank geen reden om daar anders over te denken dan in de uitspraak van 5 juli 2019. Eiser stelt dat zijn mandelig aandeel met nummer [nummer] slechts één stuk betreft dat geleverd is en dat dit stuk buiten het gebied van zijn appartementsrecht ligt. De rechtbank stelt echter vast dat uit de door eiser overgelegde leveringsakte blijkt dat het onverdeeld aandeel [nummer] is geleverd samen met zijn aandeel in 17 andere onverdeelde mandelige percelen. De omstandigheid dat eiser over die andere percelen geen informatie van het Kadaster heeft verkregen, betekent niet dat zijn aandeel in alle mandelige aandelen niet aan hem is geleverd. Eiser is dan ook eigenaar van zijn aandeel in alle onverdeelde mandelige percelen. Dat het aandeel [nummer] buiten het gebied van zijn appartementsrecht zou liggen, maakt dat niet anders omdat niet van belang is of dat concrete mandelige perceel al dan niet in de nabijheid van het gebied van zijn appartementsrecht ligt.

8. Eiser voert verder aan dat verweerder in het verleden wel heeft aangegeven dat samenvoeging van het mandelig perceel en zijn appartementsrecht op grond van artikel 16 van de Wet woz niet was toegestaan. Eiser verwacht dan ook dat verweerder een consequent beleid voert. Deze beroepsgrond slaagt niet. Met verweerder is de rechtbank van oordeel dat het aandeel in het mandelig gebied eerder nog niet aan eiser was geleverd, zodat het recht op een toekomstige levering van het aandeel in het mandelig gebied beschouwd moet worden als een persoonlijk recht dat geen onderdeel uitmaakt van de woning. Om die reden was het niet mogelijk om het aandeel in het mandelig gebied te betrekken in de waardebepaling van de woning van eiser. De rechtbank verwijst hiervoor naar de uitspraak van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 10 december 2013 (ECLI:NL:GHARL:2013:9365) in een eerdere zaak van eiser. Nadat het aandeel in het mandelig gebied wel aan eiser is geleverd, betreft het een zakelijk recht dat niet gescheiden kan worden van de woning. Verweerder heeft dat aandeel dan ook terecht in de waardebepaling van de woning betrokken.

9. Het beroep is ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. J.J. Catsburg, rechter, in aanwezigheid van mr. A. Azmi, griffier. De uitspraak is in het openbaar gedaan op 4 maart 2020.

griffier

rechter

Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden.