Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2020:1029

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
13-03-2020
Datum publicatie
19-03-2020
Zaaknummer
8338897
Rechtsgebieden
Burgerlijk procesrecht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Artt. 1:438 en 1:441 BW. Kort geding vonnis.

De kantonrechter verklaart eiser niet-ontvankelijk in zijn loonvordering omdat hij onder bewind staat en hij de vordering op eigen naam heeft ingesteld. Ondanks daartoe in de gelegenheid te zijn gesteld heeft zijn gemachtigde niet alsnog een onvoorwaardelijke machtiging van de bewindvoerder overgelegd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Civiel recht

kantonrechter

locatie Amersfoort

zaaknummer: 8338897 AV EXPL 20-9 SV/40160

Kort geding vonnis van 13 maart 2020

inzake

[eiser] ,

wonende te [woonplaats] ,

verder ook te noemen: [eiser] ,

eisende partij,

gemachtigde: mr. J.A.C.M. van Ginneken, werkzaam bij FNV te Rotterdam,

tegen:

1. de besloten vennootschap

NCN Payroll B.V.,

gevestigd te Amersfoort

verder ook te noemen: Payroll B.V.

gedaagde sub 1

2. de besloten vennootschap

NCN Logistics B.V.,

gevestigd te Rotterdam

verder ook te noemen: Logistics B.V.

gedaagde sub 2

3 [gedaagde sub 3] ,

zonder bekende woon- of verblijfplaats

verder ook te noemen: [gedaagde sub 3]

gedaagde sub 3

4 [gedaagde sub 4] ,

wonende te [woonplaats] ,

verder ook te noemen: [gedaagde sub 4]

gedaagde sub 4.

Gedaagde partij sub 1 tot en met 4 worden hierna ‘Payroll c.s.’ genoemd.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding van 24 februari 2020 met bijlagen

  • -

    de mondelinge behandeling op 28 februari 2020

  • -

    de brieven van de gemachtigde van [eiser] van 3 maart 2020 en 5 maart 2020 met bijlagen.

1.2.

[eiser] is tijdens de mondelinge behandeling verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. [gedaagde sub 4] is verschenen, mede als bestuurder van Logistics B.V.. Payroll B.V. en [gedaagde sub 3] zijn niet verschenen. De griffier heeft aantekeningen gehouden van wat op de zitting is besproken. Aan het einde van de zitting is bepaald dat op 13 maart 2020 vonnis wordt gewezen.

2 De beoordeling

2.1.

[eiser] vordert - kort samengevat - veroordeling van Payroll c.s. tot betaling van nog verschuldigd loon en niet-genoten vakantiedagen.

Is de eisende partij bevoegd om de procedure te voeren?

2.2.

Voordat de vordering wordt beoordeeld, moet de kantonrechter eerst ambtshalve toetsen of een procespartij bevoegd is om een procedure te voeren.

2.3.

In de dagvaarding is vermeld dat [eiser] onder bewind is gesteld. Uit het openbare bewindregister blijkt dat [eiser] onder bewind staat. [eiser] heeft dit tijdens de zitting bevestigd.

2.4.

Omdat [eiser] onder bewind staat, kan hij de onderhavige procedure niet zelf voeren. Alleen zijn bewindvoerder kan dit doen. De bewindvoerder vertegenwoordigt bij de vervulling van zijn taak de rechthebbende in en buiten rechte. Dit volgt uit de artikelen 1:438 en 1:441 van het Burgerlijk Wetboek (BW).

2.5.

De gemachtigde van [eiser] heeft tijdens de zitting hierover toegelicht dat hij telefonisch contact heeft gehad met de bewindvoerder over deze procedure en dat deze daarmee akkoord is. De kantonrechter heeft er tijdens de zitting op gewezen dat uit artikel 1:441 BW volgt dat de vordering op naam van de bewindvoerder had moeten worden ingesteld en dat om die reden alleen een mondelinge instemming van de bewindvoerder niet voldoende is. De kantonrechter heeft de gemachtigde van [eiser] in de gelegenheid gesteld uiterlijk op maandag 2 maart 2020 een schriftelijke verklaring van de bewindvoerder over te leggen, waarin wordt vermeld dat deze ermee instemt dat de procedure op zijn naam wordt gevoerd en dat het petitum van de dagvaarding zo moet worden gelezen, dat bij een toewijzing het gevorderde bedrag aan de bewindvoerder - in plaats van aan [eiser] - betaald moet worden. [gedaagde sub 4] heeft met deze aanpak ingestemd.

2.6.

De gemachtigde van [eiser] heeft op 5 maart 2020 een afdruk overgelegd van een emailbericht van de bewindvoerder, G.J. van Rossen van Modus Vivendi, aan mr. Van Ginneken van 4 maart 2020. Hierin is het volgende vermeld:

“U vraagt mij machtiging voor een procedure waarvan ik de inhoud niet ken. (…) Graag ontvang ik van U op zeer korte termijn inzage in de procedure waarin U cliënt vertegenwoordigd.

Teneinde de belangen van rechthebbende niet te willen schade als gevolg van de kort gegunde termijn van reageren verstrek ik U toestemming voor de procedure onder de opschortende voorwaarde dat ik op een later tijdstip, wanneer de kantonrechter mij geen toestemming geeft, deze toestemming zal kunnen intrekken. ..”

2.7.

De kantonrechter is van oordeel dat dit bericht geen onvoorwaardelijke machtiging van de bewindvoerder aan mr. Van Ginneken bevat om deze procedure (alsnog) op naam van de bewindvoerder te voeren. Daar komt bij dat mr. Van Ginneken de bewindvoerder kennelijk ook niet van de inhoud van de procedure op de hoogte heeft gesteld. De kantonrechter zal [eiser] daarom niet-ontvankelijk verklaren in zijn vordering. Dit betekent dat de kantonrechter de vordering van [eiser] niet gaat beoordelen.

Proceskosten gedaagden

2.8.

[eiser] zal in de proceskosten worden veroordeeld, welke aan de zijde van Payroll B.V. en [gedaagde sub 3] , die niet zijn verschenen, worden begroot op nihil, en aan de zijde van Logistics B.V. en [gedaagde sub 4] ook op nihil, nu zij zonder gemachtigde zijn verschenen en zelf geen kosten hebben opgegeven.

3 De beslissing

De kantonrechter,

rechtdoende in kort geding:

3.1.

verklaart [eiser] niet-ontvankelijk in zijn vordering;

3.2.

veroordeelt [eiser] tot betaling van de proceskosten aan de zijde van Payroll c.s., tot de uitspraak van dit vonnis begroot op nihil.

Dit vonnis is gewezen door mr. P. Krepel, kantonrechter, en is in aanwezigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 13 maart 2020.