Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2020:1022

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
18-03-2020
Datum publicatie
18-03-2020
Zaaknummer
16/217963-19 (P)
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Uitgaansgeweld. Verdachte en de medeverdachte hebben het slachtoffer met kracht in het gezicht geslagen en tegen het lichaam geschopt. Verdachte en de medeverdachte zijn door gegaan met de geweldshandelingen toen het slachtoffer al bewusteloos op de grond lag. Dat (met kracht) tegen het hoofd is geschopt kan niet worden vastgesteld. Vrijspraak (medeplegen van) poging tot doodslag en (medeplegen van) zware mishandeling.

Bewezenverklaring medeplegen van poging tot zware mishandeling.

De rechtbank veroordeelt verdachte tot een gevangenisstaf van 12 maanden, waarvan 4 maanden voorwaardelijk. Gedeeltelijke toewijzing van de vordering benadeelde partij (€ 9.261,04).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Strafrecht

Zittingsplaats Utrecht

Parketnummer: 16/217963-19 (P)

Vonnis van de meervoudige kamer van 18 maart 2020.

in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren op [1999] te [geboorteplaats] ,

wonende aan de [adres] , [woonplaats] ,
gedetineerd in / verblijvende te P.I. Lelystad.

1 ONDERZOEK TER TERECHTZITTING

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 4 maart 2020.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering en standpunten van officier van justitie mr. V.A.S.E. Lantain en van hetgeen verdachte en mr. J.G.M. Dassen, advocaat te Utrecht, alsmede de benadeelde partij [slachtoffer] , bijgestaan door Slachtofferhulp naar voren hebben gebracht.

2 TENLASTELEGGING

De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte:

primair: op 1 september 2019 te Zeist samen met een ander, althans alleen, heeft geprobeerd

om [slachtoffer] opzettelijk van het leven te beroven door hem meerdere malen met kracht

tegen het hoofd en het lichaam te schoppen en te slaan;

subsidiair is bovenstaande gedraging ten laste gelegd als (medeplegen van) zware mishandeling,

meer subsidiair als (medeplegen van) poging tot zware mishandeling en

meest subsidiair als het openlijk in vereniging plegen van geweld.

3 VOORVRAGEN

De dagvaarding is geldig, de rechtbank is bevoegd tot kennisneming van het ten laste gelegde, de officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging van verdachte en er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging.

4 WAARDERING VAN HET BEWIJS

4.1

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht het primair ten laste gelegde wettig en overtuigend te bewijzen.

De verdachte ontkent dat hij één van de twee personen op de beelden is, maar daar staat tegenover dat hij door vijf verbalisanten wordt herkend, onder wie zijn wijkagent. De officier van justitie is daarom van oordeel dat kan worden bewezen dat verdachte de tweede pleger van het geweldsincident is. Op grond van de camerabeelden, de getuigenverklaringen en de medische informatie kan worden vastgesteld dat twee personen, samen, fors geweld tegen het slachtoffer hebben gebruikt en dat het slachtoffer ten gevolge daarvan hersenletsel en verwondingen aan zijn gezicht en op zijn hoofd heeft opgelopen. Het met kracht schoppen tegen het hoofd van iemand die op de grond ligt levert volgens vaste jurisprudentie de aanmerkelijke kans op dat het slachtoffer daardoor komt te overlijden. Verdachten hebben het slachtoffer – terwijl hij in bewusteloze toestand op de grond lag – nog minstens één klap en één trap tegen zijn hoofd gegeven. Door zo te handelen hebben verdachten ook de aanmerkelijke kans aanvaard dat het slachtoffer zou komen te overlijden. Beide verdachten hebben zowel direct na elkaar als gelijktijdig fors geweld uitgeoefend, zodat ook medeplegen kan worden bewezen.

4.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft integraal vrijspraak van het ten laste gelegde bepleit en verzoekt aansluiting te zoeken bij de verklaring van verdachte dat hij niet de persoon is op de beelden, omdat hij niet in Zeist is geweest die nacht. De beelden zijn van slechte kwaliteit, zodat terughoudendheid geboden is bij de herkenningen.

Als de rechtbank van oordeel is dat verdachte wel de persoon is op de beelden verzoekt de raadsman verdachte vrij te spreken van het primair, subsidiair en meer subsidiair ten laste gelegde. De gepleegde geweldshandelingen zijn niet van zodanige aard dat daarmee kan worden bewezen dat verdachte de aanmerkelijk kans dat de dood zou kunnen intreden heeft aanvaard, dan wel dat het slachtoffer ten gevolge daarvan zwaar lichamelijk letsel zou oplopen. Het letsel van het slachtoffer kan bovendien ook niet worden gekwalificeerd als zwaar lichamelijk letsel. Ten aanzien van de meest subsidiair ten laste gelegde openlijke geweldpleging refereert de raadsman zich aan het oordeel van de rechtbank.

4.3

Het oordeel van de rechtbank

Inleiding

De eerste vraag die de rechtbank moet beantwoorden is de vraag of verdachte één van de twee personen is die betrokken is bij de ten laste gelegde geweldshandelingen. Verdachte ontkent immers dat hij de persoon is op de camerabeelden en stelt dat hij niet in Zeist is geweest, maar ten tijde van het ten laste gelegde in de woning van één van zijn broers in Soesterberg was.

Op grond van na te noemen bewijsmiddelen is de rechtbank van oordeel dat verdachte de persoon op de beelden is die in het proces-verbaal bevindingen van het uitlezen van de camerabeelden van de openbare weg als verdachte 2 wordt aangemerkt. Verdachte wordt door vijf verbalisanten vanaf de camerabeelden herkend. De beelden van eetgelegenheid [eetgelegenheid] van vlak voor het incident zijn scherp en deze beelden in combinatie met de beelden op straat maken dat er geen redenen zijn om te twijfelen aan de gemotiveerde herkenningen door voornoemde verbalisanten. De rechtbank hecht mede daarom weinig waarde aan de verklaring van verdachte dat hij niet in Zeist en ook niet in eetgelegenheid [eetgelegenheid] is geweest, temeer omdat er geen personen zijn die kunnen verklaren dat verdachte daadwerkelijk in de woning van zijn broer was ten tijde van het ten laste gelegde.

Nu de rechtbank heeft vastgesteld dat verdachte de persoon op de beelden is komt de rechtbank toe aan een inhoudelijke beoordeling van het ten laste gelegde.

Vrijspraak primair en subsidiair ten laste gelegde

De rechtbank acht niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen verdachte onder 1 primair (medeplegen poging doodslag) en subsidiair (medeplegen zware mishandeling) ten laste is gelegd, zodat hij daarvan moet worden vrijgesproken. De rechtbank overweegt daartoe als volgt.

Vrijspraak medeplegen van poging tot doodslag

Uit het dossier (waaronder de camerabeelden) en het verhandelde ter terechtzitting is naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende naar voren gekomen dat verdachte opzet heeft gehad, al dan niet in voorwaardelijke zin, om het slachtoffer van het leven te beroven. Hoewel op basis van de bewijsmiddelen bewezen geacht kan worden dat verdachte en de medeverdachte het slachtoffer meermalen met kracht tegen het gezicht hebben geslagen en tegen het lichaam en in de richting van het hoofd hebben geschopt – ook toen het slachtoffer al op de grond lag – bevat het dossier onvoldoende bewijs om vast te kunnen stellen dat door bovengenoemd handelen naar algemene ervaringsregels de aanmerkelijke kans bestond op de dood van het slachtoffer.


De rechtbank overweegt dat voor de bewezenverklaring van een poging tot doodslag tenminste moet worden bewezen dat sprake is van één of meerdere trappen of schoppen tegen het hoofd of gezicht van het slachtoffer. Op de camerabeelden is te zien dat verdachte – terwijl het slachtoffer op de grond ligt – met kracht richting de linkerkant van het hoofd van het slachtoffer schopt. Niet is te zien dat hij het hoofd met deze schop raakt. Getuige [getuige] verklaart dat zij heeft gezien dat er tegen het hoofd van het slachtoffer werd getrapt. De rechtbank schat aan de hand van de beelden dat deze getuige op ongeveer acht meter afstand stond en dat de medeverdachte in haar gezichtsveld staat op het moment dat verdachte richting het hoofd schopt. Mede daardoor is niet met zekerheid vaststellen dat deze getuige kon zien en heeft gezien dat het slachtoffer door dit schoppen tegen het hoofd is geraakt. Daarbij komt dat het letsel van het slachtoffer met name aan de rechterkant van zijn gezicht zit en niet aan de linkerkant (de kant in welke richting de medeverdachte schopte). De rechtbank is daarom van oordeel dat niet met voldoende zekerheid kan worden vastgesteld dat met kracht tegen het hoofd van het slachtoffer is geschopt en zal verdachte daarom vrijspreken van het primair ten laste gelegde.

Vrijspraak medeplegen van zware mishandeling

De rechtbank is van oordeel dat het letsel van het slachtoffer, hoewel ernstig, niet kan worden gekwalificeerd als zwaar lichamelijk letsel in de zin van artikel 82 van het Wetboek van Strafrecht. Uit het dossier volgt dat het slachtoffer als gevolg van het feit verwondingen aan zijn gezicht en een zware hersenschudding met traumatisch bloed in zijn hersenen heeft opgelopen. Het slachtoffer mocht het ziekenhuis na enkele dagen verlaten en operatief ingrijpen was niet nodig. Langdurig of blijvend letsel voor het slachtoffer is niet komen vast te staan.

Bewijsmiddelen 1

Een proces-verbaal van aangifte, opgemaakt op 1 september 2019:

Afgelopen nacht ben ik mishandeld nadat ik in de kroeg [kroeg] in [woonplaats] ben geweest. Ik ben naar mijn scooter gelopen. Vlakbij de scooter stonden drie of vier Marokkanen. (…) Het werd een soort discussie met hen. Ik bemerkte dat een van de jongens op een gegeven moment wat dreigender werd. Vanaf dat moment weet ik niets meer. Ik denk dat ik toen naar achteren ben geslagen of geschopt. Ik ben blijkbaar op de grond terecht gekomen. Als gevolg van de klappen of schoppen heb ik nu een bloeding bij mijn hersenen en een gekneusde rib. Verder heb ik op meerdere plaatsen blauwe plekken en bloeduitstortingen.2

Een proces-verbaal van bevindingen:

Op 2 september 2019 bekeek ik de camerabeelden die waren aangeleverd door cameratoezicht vanuit de politie. Het ging om de camera die hing op de openbare weg, namelijk de camera gericht op de Geiserlaan met de Steynlaan. Ik spoelde door naar het tijdstip waarop het incident begon, 02.58 uur. Ik zag dat voor café [café] gevestigd naast [kroeg] op de [adres] te [woonplaats] , een groepje met jongens stond. Ik zag tussen het groepje jongens de reeds aangehouden verdachte staan.( de rechtbank begrijpt: medeverdachte [medeverdachte] )3 Ik herkende hem aan zijn kleding signalement. Ik zag namelijk dat hij gekleed was in het lichtgekleurde colbert. Ik zal hem hierna verdachte 1 noemen. Ik zag dat er tussen het groepje jongens een jongen stond met een wit t-shirt aan. Ik zal hem hierna verdachte 2 noemen. Ik zag op de camerabeelden dat de aangever op een scooter zat. Ik zag dat er 3 jongens om hem heen stonden, waaronder verdachte 1 en verdachte 2.4 Ik zag ook dat verdachte 1 heel dicht tegen de aangever aan ging staan. Ik zag dat verdachte 2 om de aangever heen liep. Ik zag dat verdachte 1 nu aan een kant stond, verdachte 2 aan de andere kant stond. Ik zag dat verdachte 2 de groep inliep en iets naar achter liep. Ik zag dat hij wees met zijn vinger in de richting van de aangever. Ik zag dat hij iets verder naar achteren liep een aanloop nam en zijn linkerbeen ophief en de aangever trapte ter hoogte van zijn borst. Ik zag dat de aangever hierdoor naar achteren schoot. Ik zag dat verdachte 1 op dat moment aan de zijkant van de aangever stond. Ik zag dat verdachte 1 nadat verdachte 2 hem die trap gaf vanaf de zijkant met zijn rechterhand sloeg tegen het gezicht van de aangever. Ik zag dat de aangever direct hierna van de verdachte 1 nog een vuistslag kreeg in zijn gezicht en tegelijkertijd trapte verdachte 2 de verdachte (de rechtbank begrijpt: de aangever) nog een keer ter hoogte van zijn borst. Ik zag dat verdachte 2 de lantarenpaal vastpakte en zijn been hoog omhoog hief om de aangever te trappen. Ik zag dat de aangever hierna ten val kwam en op de grond lag. Nadat de aangever ten val kwam zag ik dat verdachte 2 zijn been uithaalt en de aangever trapt. Ik kon doordat er een boom in het beeld staat niet zien waar de trap de aangever raakte, maar ik kon wel zien dat dit op zijn bovenlichaam is. Ik zag dat verdachte 1 boven de aangever staat en zijn been beweegt richting de aangever. Ik zag dat verdachte 2 zijn rechterhand balde tot een vuist en deze omhoog hief. Ik zag dat hij uithaalde en de aangever tegen zijn gezicht sloeg. Ik zag dat verdachte 2 de aangever nog een trap gaf ter hoogte van zijn onderrug, terwijl de aangever nog op de grond lag.5

Een proces-verbaal herkenning door opsporingsambtenaar:

Op 5 september 2019 zag ik een aandachtvestiging van WC Zeist, waarin

videobeelden werden getoond van een persoon en de volgende informatie werd gegeven:

Videobeelden van cameratoezicht op de Steynlaan

Videobeelden vanuit eetgelegenheid " [eetgelegenheid] ".

Ik herken de persoon op de videobeelden voor 100% als zijnde [verdachte] . Ik herken hem omdat ik hem veelvuldig heb gesproken tijdens mijn werkzaamheden in de incidentafhandeling. Tevens heb ik hem enkele maanden geleden nog aangehouden terzake rijden onder invloed van verdovende middelen. Ik herken hem aan de vorm van zijn gelaat, de vorm van zijn neus en zijn algehele uiterlijk.6

Een proces-verbaal herkenning door opsporingsambtenaar:

Op 5 september 2019 zag ik een aandachtvestiging van Wijkteam ZBLW,

afdeling veel voorkomende criminaliteit, waarin videobeelden werden getoond van

personen en de volgende informatie werd gegeven:

In verband met een openlijk geweldpleging zoeken wij de identiteit van de persoon in het witte T-shirt voorzien van print, met een zwarte broek en zwarte schoenen met

witte zolen.

De persoon herken ik als: [verdachte] . Ik ben de wijkagent van [verdachte] , ik heb afgelopen jaar meerdere malen contact gehad met hem. Ik herken [verdachte] aan zijn loopje op de camera beelden van cameratoezicht. Op de beelden van grillroom [eetgelegenheid] herken ik [verdachte] ook nog aan zijn postuur gecombineerd met de ovale vorm van zijn gezicht met puntige kin, de naar buiten staande oren, de grote ogen en de wijze waarop zijn haar naar rechts gekamd is.7

Een proces-verbaal herkenning door opsporingsambtenaar:

Ik zag dat de eerste videobeelden die aan mij werden getoond beelden waren van de

nieuw geplaatste camera's op de Steynlaan te Zeist.

Ik zag dat op de beelden een tweede manspersoon betrokken was bij de vechtpartij en eveneens fors geweld gebruikte. Ik zag dat deze manspersoon gekleed was in een wit T-shirt met opdruk en eerder uit horecagelegenheid [eetgelegenheid] kwam lopen. Ik herkende deze persoon onmiddellijk als [verdachte] . Dit doordat [verdachte] typerende vrijstaande oren heeft, vrijliggende ogen waardoor deze groot tonen en een tenger postuur met naar voren gerichte schouders. De beelden waren niet heel duidelijk maar doordat ik zeer bekend ben met zowel [verdachte] als [medeverdachte] (de rechtbank begrijpt: [medeverdachte] ) kon ik beide heren herkennen. Toen ik de tweede set videobeelden bekeek zag ik dat dat dezelfde jongeman in het opvallende witte t-shirt met opdruk op de toonbank leunde. Ook hier herkende ik [verdachte] .8

Bewijsoverwegingen

Medeplegen

De rechtbank is van oordeel dat uit de aangehaalde bewijsmiddelen en met name uit het proces-verbaal van het uitkijken van de camerabeelden blijkt van een zodanige nauwe en bewuste samenwerking tussen verdachte en medeverdachte dat sprake is van medeplegen. Dit betekent dat de gepleegde geweldshandelingen zowel aan verdachte als diens medeverdachte kunnen worden toegerekend.

Uit de bewijsmiddelen blijkt namelijk dat beide verdachten met het slachtoffer in discussie zijn en dat de gemoederen steeds hoger oplopen. Medeverdachte gaat steeds dicht tegen het slachtoffer aan staan en verdachte loopt op dat moment om het slachtoffer heen waardoor het slachtoffer geen kant mee rop kan. Het geweld begint doordat de verdachte een harde trap tegen de borst van het slachtoffer geeft. Meteen daarna geeft de medeverdachte het slachtoffer twee harde vuistslagen en bijna tegelijkertijd trapt verdachte het slachtoffer nog een keer, waardoor het slachtoffer ten val komt. Ook als aan het slachtoffer op de grond ligt plegen zowel verdachte als medeverdachte nog geweldshandelingen.

De rechtbank concludeert dan ook dat gelet op de aanleiding, waarbij beide verdachten betrokken waren, het korte tijdsverloop waarin het geweld heeft plaatsgevonden en de vaststelling dat beide verdachten zowel tegelijkertijd als om-en-om geweldshandelingen uitvoeren, het ten laste gelegde medeplegen wettig en overtuigend kan worden bewezen.

Poging tot zware mishandeling

De rechtbank is verder van oordeel dat het door meer personen met kracht slaan/stompen tegen het hoofd en schoppen/trappen tegen het lichaam van een persoon, deels terwijl deze persoon op de grond ligt – gelet op de voorzienbare mogelijke ernstige gevolgen hiervan – een poging tot zware mishandeling oplevert. Daaraan doet niet af dat het letsel in concrete gevallen Uiteindelijk soms niet als zwaar lichamelijk letsel kan worden gekwalificeerd. De rechtbank is van oordeel dat uit de uiterlijke verschijningsvorm van het handelen van verdachte en zijn medeverdachte in de onderhavige zaak zonder meer volgt, dat bij beiden het opzet op het medeplegen van poging tot zware mishandeling aanwezig was.

Conclusie

Op basis van de bewijsmiddelen en hetgeen hiervoor is overwogen vindt de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich samen met een ander schuldig heeft gemaakt aan een poging tot zware mishandeling.

5 BEWEZENVERKLARING

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte:

(meer subsidiair)

op 1 september 2019 te Zeist, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging met een ander aan [slachtoffer] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet met zijn mededader, die [slachtoffer] met kracht heeft geslagen/gestompt en geschopt/getrapt waardoor deze ten val kwam en vervolgens, terwijl die [slachtoffer] op de grond lag, (met kracht) die [slachtoffer] :

- in het gezicht, althans op/tegen het hoofd heeft geslagen/gestompt en

- meerdere malen op/tegen het lichaam heeft geslagen/gestompt en geschopt/getrapt.

Voor zover in het bewezen verklaarde deel van de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet in de verdediging geschaad.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd is niet bewezen. Verdachte wordt hiervan vrijgesproken.

6 STRAFBAARHEID VAN HET FEIT

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezen verklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.

Het (meer subsidiair) bewezen verklaarde levert volgens de wet het volgende strafbare feit op: poging tot zware mishandeling

7 STRAFBAARHEID VAN VERDACHTE

Er is geen omstandigheid gebleken of aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.

8 OPLEGGING VAN STRAF EN MAATREGEL

8.1

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd verdachte ter zake van het door de officier van justitie bewezen geachte te veroordelen tot:

- een gevangenisstraf van 30 maanden, met aftrek van het voorarrest, waarvan een gedeelte van 6 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 3 jaren;

- een vrijheidsbeperkende maatregel voor de duur van 2 jaren, inhoudende een contactverbod met het slachtoffer en een locatieverbod ten aanzien van het woonadres en de cafetaria van het slachtoffer. Voor het geval niet aan de maatregel wordt voldaan, hechtenis voor de duur van 1 week.

De officier van justitie heeft voorts gevorderd de vrijheidsbeperkende maatregel dadelijk

uitvoerbaar te verklaren.

8.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft verzocht aan verdachte een straf op te leggen gelijk aan de tijd die verdachte reeds in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht.

8.3

Het oordeel van de rechtbank

Bij het bepalen van de straf en maatregel heeft de rechtbank rekening gehouden met de ernst van het bewezen verklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals ter terechtzitting is gebleken.

Ernst van het feit

Verdachte heeft zich samen met de medeverdachte, zijn broer, schuldig gemaakt aan een poging tot zware mishandeling. De broer van verdachte stond op straat tussen het uitgaanspubliek een broodje te eten toen hij door het slachtoffer werd aangesproken dat hij iets op straat liet vallen. Er ontstond een discussie met het slachtoffer, waarna bij verdachte en de medeverdachte de stoppen door zijn geslagen. Verdachte en de medeverdachte hebben het slachtoffer vervolgens ernstig toegetakeld, onder andere door hem met kracht in het gezicht te slaan en tegen het lichaam schoppen. Verdachte en de medeverdachte zijn bovendien door gegaan met dit excessieve geweld toen het slachtoffer al bewusteloos op de grond lag. Door zo te handelen heeft verdachte een ernstige inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit van het slachtoffer. De beelden van de harde vuistslagen en de krachtige trap die verdachte en de medeverdachte hebben gegeven wekken gevoelens van afschuw op. Het moet voor de omstanders een schokkende ervaring zijn geweest om daarvan getuige te zijn. Delicten als deze veroorzaken veel maatschappelijke onrust en leiden tot een toename van gevoelens van angst en onveiligheid bij omstanders

De rechtbank kan niet anders dan spreken van een ware afranseling van het slachtoffer, zonder dat er ook maar enige aanleiding bestond die dat geweld kon rechtvaardigen. Uit de ter terechtzitting voorgelezen slachtofferverklaring blijkt ook dat het feit nog altijd veel impact heeft op het leven van het slachtoffer. Dat de lichamelijke gevolgen voor het slachtoffer enigszins beperkt zijn gebleven is niet aan verdachte te danken. Verdachte toont bovendien geen inzicht in het verwerpelijke van zijn gedrag en hij neemt geen verantwoordelijkheid voor zijn handelen. Dit rekent de rechtbank verdachte aan

Persoon van verdachte

Bij haar beslissing heeft de rechtbank ook rekening gehouden met een uittreksel justitiële documentatie betreffende verdachte van 4 november 2019, waaruit volgt dat verdachte niet eerder voor soortgelijke feiten is veroordeeld. Wel is verdachte veroordeeld voor vermogensdelicten al dan niet gepaard gaand met geweld.

Daarnaast heeft de rechtbank acht geslagen op de inhoud van een reclasseringsadvies van

20 november 2019, opgemaakt door mevrouw M. Vogelpoel. Hieruit volgt dat verdachte een lange hulpverleningsgeschiedenis kent en tot 2016 bemoeienis van de jeugdreclassering heeft gehad. Er zijn diverse hulpverleningsplannen gemaakt die allemaal faalden wegens een gebrek aan motivatie van betrokkene. De reclassering spreekt haar zorg uit over de criminogene factoren zoals dagbesteding, relatie met familie, psychosociaal functioneren, probleembesef, probleemhantering en de houding van verdachte. Een behandeling in ambulant kader is niet voldoende om zijn denkwijze te doorbreken en tot een beperking van het risico op recidive te komen. Omdat verdachte niet heeft meegewerkt aan het psychologisch onderzoek van het NIFP kan geen diagnose worden gesteld. De reclassering adviseert het commune strafrecht toe te passen. Gezien de opstelling van verdachte dat hij nergens aan mee wil werken en elk soort begeleiding/bemoeizorg om zijn huidige situatie te bespreken afwijst, acht de reclassering de mogelijkheden voor een pedagogische aanpak uitgeput. Gelet op de ernst van het feit geeft de reclassering de rechtbank in het advies in overweging om verdachte te laten observeren in het Pieter Baan Centrum, zodat verder onderzoek kan worden gedaan naar mogelijke psychische problematiek. De reclassering heeft geen advies gegeven over de op te leggen straf en eventuele bijzondere voorwaarden.

Straf

Zoals hiervoor is overwogen heeft verdachte zich schuldig gemaakt aan een ernstige poging tot zware mishandeling. Naar het oordeel van de rechtbank kan gelet op de aard en de ernst van het feit met geen andere straf worden volstaan dan met een deels onvoorwaardelijke gevangenisstraf van aanzienlijke duur. De rechtbank ziet in de proceshouding van verdachte ook geen reden om aan verdachte een andere of lagere straf op te leggen.

De oriëntatiepunten voor straftoemeting van het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht gaan bij het opzettelijk toebrengen van zwaar lichamelijk letsel uit van een gevangenisstraf van 6 maanden gevangenisstraf onvoorwaardelijk en bij zeer zwaar lichamelijk letsel van een gevangenisstraf van 8 maanden onvoorwaardelijk.

Verdachte toont geen berouw en neemt geen verantwoordelijkheid voor zijn handelen. Het betreft in deze zaak weliswaar een poging tot het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel, maar het feit is wel samen met een ander gepleegd, hetgeen strafverhogend is. Bovendien is er wel degelijk fors letsel ontstaan bij het slachtoffer waar hij veel last van heeft ondervonden en nog steeds vindt. Ook vond het strafbare feit plaats in de openbare ruimte en wordt het door de rechtbank beschouwd als zogenoemd uitgaansgeweld.

Dit alles maakt dat de rechtbank een gevangenisstraf van 12 maanden waarvan 4 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar passend en geboden vindt.

De rechtbank zal aan verdachte geen bijzondere voorwaarden op leggen, omdat verdachte te kennen heeft gegeven hier niet aan mee te willen werken.

Deze straf is lager dan door de officier van justitie geëist, omdat de rechtbank anders dan de officier van justitie de primair ten laste gelegde poging tot doodslag niet bewezen vindt.

Vrijheidsbeperkende maatregel

Tenslotte zal de rechtbank voor het voorkomen van strafbare feiten bevelen dat verdachte:

  • -

    zich onthoudt van contact met [slachtoffer]

  • -

    zich niet ophoudt bij de woning van [slachtoffer] , adres: [adres] te [woonplaats] en de cafetaria van [slachtoffer] , te weten [cafetaria] , adres: [adres] te [woonplaats] .

De rechtbank legt deze vrijheidsbeperkende maatregel op voor de duur van 2 jaren. Voor het geval niet aan de maatregel wordt voldaan, zal vervangende hechtenis voor de duur van 7 dagen worden opgelegd.

Gelet op de inhoud van voornoemd reclasseringsadvies is de rechtbank van oordeel dat er ernstig rekening mee moet worden gehouden dat verdachte opnieuw een strafbaar feit zal plegen en/of zich belastend zal gedragen jegens [slachtoffer] Daarom zal zij bevelen dat de maatregel dadelijk uitvoerbaar is.

9 BENADEELDE PARTIJ

[slachtoffer] heeft zich als benadeelde partij in het geding gevoegd en vordert een bedrag van € 10.761,04. Dit bedrag bestaat uit € 4.261,04 materiële schade en € 6.500,00 immateriële schade, ten gevolge van het aan verdachte ten laste gelegde feit.

De materiële schade bestaat uit de volgende schadeposten:

- verplaatste schade: € 239,09

- reiskosten: € 12,60

- eigen risico zorgverzekering 2019 en 2020: € 743,50

- broek: € 49,99

- vest: € 32,99

- derving consumptiegoederen cafetaria: € 587,53

- verlies arbeidsvermogen: € 1.622,04

- kosten boekhouder: € 883,30

9.1

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd de vordering van de benadeelde partij volledig hoofdelijk toe te wijzen te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

9.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft zich ten aanzien van de schadeposten ‘broek’, ‘vest’ en ‘eigen risico zorgverzekering’ gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.

Ten aanzien van de schadeposten ‘verlies arbeidsvermogen’, ‘derving consumptiegoederen’ en ‘kosten boekhouder’ heeft de raadsman zich op het standpunt gesteld dat deze posten onvoldoende zijn onderbouwd en daarom moeten worden afgewezen.

Met betrekking tot de immateriële schade is de raadsman van oordeel dat deze moet worden gematigd en dat aansluiting moet worden gezocht bij de smartengeldgids, waarin een bedrag van € 1200,00 euro is vermeld. Voor het overige dient de vordering niet-ontvankelijk te worden verklaard.

9.3

Het oordeel van de rechtbank

Gedeeltelijke toewijzing van de vordering

Vaststaat dat de benadeelde partij als gevolg van het hiervoor bewezen verklaarde feit rechtstreeks schade heeft geleden.

De rechtbank is van oordeel dat de gevorderde materiële schade met betrekking tot alle schadeposten goed is onderbouwd. Uit het dossier blijkt afdoende dat het slachtoffer een tijd niet heeft kunnen werken en de daarmee gepaard gaande kosten zijn concreet en voldoende onderbouwd. Dat het slachtoffer ter begroting van de schade kosten voor een boekhouder heeft moeten maken is ook afdoende aangetoond en onderbouwd. De materiële schade ter hoogte van € 4.261,04 komt dan ook voor vergoeding in aanmerking.

Uit het dossier, het verhandelde ter zitting en de door de benadeelde partij overgelegde stukken is voldoende vast komen te staan dat de benadeelde partij door het handelen van verdachte lichamelijk en psychisch letsel heeft opgelopen. De rechtbank zal de omvang van de immateriële schade op de grond van het bepaalde in artikel 6:106 van het Burgerlijk Wetboek naar maatstaven van billijkheid schatten op € 5.000,00, waarbij is gelet op de schadevergoeding die in vergelijkbare gevallen door rechters is toegekend.

Gelet op voorgaande zal de rechtbank de vordering toewijzen tot een bedrag van € 9.261,04.

Deels niet-ontvankelijk

De benadeelde partij heeft meer gevorderd dan de rechtbank zal toewijzen. De behandeling van de vordering levert voor dat deel een onevenredige belasting van het strafgeding op. De rechtbank zal daarom de benadeelde partij in dat deel van de vordering niet-ontvankelijk verklaren en bepalen dat de vordering voor dat deel slechts bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht.

Hoofdelijkheid

Verdachte is voor de schade, voor zover toegewezen, naar burgerlijk recht met zijn mededader hoofdelijk aansprakelijk. Dit betekent dat verdachte tegenover de benadeelde partij voor dat hele bedrag aansprakelijk is.

Kosten benadeelde partij

Verdachte zal ook worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog zal maken. Deze kosten worden tot op dit moment begroot op nihil.

Schadevergoedingsmaatregel

Als extra waarborg voor betaling zal de rechtbank ten behoeve van de benadeelde partij aan verdachte de verplichting opleggen tot betaling aan de Staat van het bedrag van € 9.261,04, te vermeerderen met de gevorderde wettelijke rente vanaf 1 september 2019 tot de dag van volledige betaling. Als door verdachte niet wordt betaald, zal deze verplichting worden aangevuld met 81 dagen gijzeling, waarbij toepassing van de gijzeling de betalingsverplichting niet opheft.

De betaling die is gedaan aan de Staat wordt op de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij in mindering gebracht. Dit geldt andersom ook indien betaling is gedaan aan de benadeelde partij.

10 TOEPASSELIJKE WETTELIJKE VOORSCHRIFTEN

De beslissing berust op de artikelen 14a, 14b, 14c, 36f, 38v, 38w, 45, 47, 302 van het Wetboek van Strafrecht, zoals de artikelen luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

11 BESLISSING

De rechtbank:

Vrijspraak

- verklaart het primair en subsidiair ten laste gelegde niet bewezen en spreekt verdachte daarvan vrij;

Bewezenverklaring

- verklaart het meer subsidiair ten laste gelegde bewezen zoals hiervoor in rubriek 5 is vermeld;

- verklaart het meer of anders ten laste gelegde niet bewezen en spreekt verdachte daarvan vrij;

Strafbaarheid

- verklaart het bewezen verklaarde strafbaar en kwalificeert dit zoals hiervoor in rubriek 6 is vermeld;

- verklaart verdachte strafbaar;

Oplegging straf

- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 12 maanden;

- bepaalt dat van de gevangenisstraf een gedeelte van 4 maanden, niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders gelast op grond van het feit dat verdachte de hierna te melden algemene voorwaarde niet heeft nageleefd;

- stelt daarbij een proeftijd van 2 (twee) jaren vast;

- als voorwaarde geldt dat verdachte zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;

Vrijheidsbeperkende maatregel

  • -

    legt aan verdachte op de maatregel strekkende tot beperking van de vrijheid voor de duur van 2 jaren.

  • -

    beveelt dat verdachte

  • -

    zich niet ophoudt in bij de woning van [slachtoffer] , adres: [adres] te [woonplaats] en de cafetaria van [slachtoffer] ‘ [cafetaria] ’, adres: [adres] te [woonplaats] ;

  • -

    zich onthoudt van contact met [slachtoffer]

- beveelt dat deze vrijheidsbeperkende maatregel dadelijk uitvoerbaar is;

- beveelt dat voor het geval niet aan de maatregel wordt voldaan de maatregel wordt vervangen door 7 dagen hechtenis;

Benadeelde partij

  • -

    wijst de vordering van [slachtoffer] toe tot een bedrag van € 9.261,04;

  • -

    veroordeelt verdachte hoofdelijk tot betaling aan [slachtoffer] van het toegewezen bedrag, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 1 september 2019 tot de dag van de algehele voldoening, met dien verstande dat indien en voor zover reeds door een ander (gedeeltelijk) is betaald, verdachte (in zoverre) van deze verplichting zal zijn bevrijd;

  • -

    verklaart [slachtoffer] voor wat betreft het meer gevorderde niet-ontvankelijk in de vordering en bepaalt dat de vordering voor dat deel kan worden aangebracht bij de burgerlijke rechter;

  • -

    veroordeelt verdachte ook in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil;

  • -

    legt verdachte de hoofdelijke verplichting op ten behoeve van [slachtoffer] aan de Staat € 9.261,04 te betalen, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 1 september 2019 tot de dag van de volledige betaling, bij niet betaling aan te vullen met 81 dagen gijzeling;

  • -

    bepaalt dat verdachte van zijn verplichting tot het vergoeden van schade is bevrijd als hij en/of zijn mededaders op een van de hiervoor beschreven manieren de schade aan de benadeelde dan wel aan de Staat heeft vergoed.

Voorlopige hechtenis

- heft op het bevel tot voorlopige hechtenis met ingang van het tijdstip waarop de duur van de voorlopige hechtenis gelijk wordt aan het onvoorwaardelijk gedeelte van de opgelegde vrijheidsstraf;

Dit vonnis is gewezen door mr. Mr. I.J.B. Corbeij, voorzitter, mrs. N.M. Spelt en O.P. van Tricht, rechters, in tegenwoordigheid van mr. L. Antonides, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van 18 maart 2020.

Mrs. I.J.B. Corbeij en N.M. Spelt zijn buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.

Bijlage: de tenlastelegging

Aan verdachte wordt ten laste gelegd dat:

hij op of omstreeks 1 september 2019 te Zeist, althans in het

arrondissement Midden-Nederland, ter uitvoering van het door

verdachte voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging met een

ander of anderen, althans alleen, opzettelijk [slachtoffer] van het leven

te beroven, met dat opzet met een of meer van zijn mededader(s),

althans alleen, die [slachtoffer] met kracht heeft/hebben geduwd en/of

geslagen/gestompt en/of geschopt/getrapt (waardoor deze ten val

kwam), en/of vervolgens, terwijl die [slachtoffer] op de grond lag (met

kracht) die [slachtoffer] :

- meerdere malen in/op het gezicht, althans op/tegen het hoofd

heeft/hebben geslagen/gestompt en/of geschopt/getrapt en/of

- meerdere malen op/tegen het lichaam heeft/hebben

geslagen/gestompt en/of geschopt/getrapt en/of

- in/op het gezicht, althans het hoofd, heeft/hebben gestaan/gestampt;

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid

( art 287 Wetboek van Strafrecht, art 45 lid 1 Wetboek van Strafrecht, art

47 lid 1 ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht )

subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling

mocht of zou kunnen leiden:

hij op of omstreeks 1 september 2019 te Zeist, althans in het

arrondissement Midden-Nederland, tezamen en in vereniging met een

of meer anderen, althans alleen, aan [slachtoffer] opzettelijk zwaar

lichamelijk letsel, te weten een hersenbloeding en/of hersenkneuzing

en/of (blijvend) hersenletsel en/of een gekneusde rib, heeft toegebracht

door die [slachtoffer] met dat opzet met een of meer van zijn

mededader(s), althans alleen, met kracht te duwen en/of te

slaan/stompen en/of te schoppen/trappen (waardoor deze ten val

kwam), en vervolgens, terwijl die [slachtoffer] op de grond lag, deze (met

kracht):

- meerdere malen in/op het gezicht, althans op/tegen het hoofd te

slaan/stompen en/of schoppen/trappen en/of

- meerdere malen op/tegen het lichaam te slaan/stompen en/of

schoppen/trappen, en/of

- in/op het gezicht, althans het hoofd, te staan/stampen;

( art 302 lid 1 Wetboek van Strafrecht, art 47 lid 1 ahf/sub 1 Wetboek van

Strafrecht )

meer subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een

veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

hij op of omstreeks 1 september 2019 te Zeist, althans in het

arrondissement Midden-Nederland, ter uitvoering van het door

verdachte voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging met een

ander of anderen, althans alleen, aan [slachtoffer] opzettelijk zwaar

lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet met een of meer van zijn

mededader(s), althans alleen, die [slachtoffer] met kracht heeft/hebben

geduwd en/of geslagen/gestompt en/of geschopt/getrapt (waardoor

deze ten val kwam) en/of vervolgens, terwijl die [slachtoffer] op de grond

lag, (met kracht) die [slachtoffer] :

- meerdere malen in het gezicht, althans op/tegen het hoofd

heeft/hebben geslagen/gestompt en/of geschopt/getrapt en/of

- meerdere malen op/tegen het lichaam heeft/hebben

geslagen/gestompt en/of geschopt/getrapt en/of

- in/op het gezicht, althans het hoofd, heeft/hebben gestaan/gestampt;

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid

( art 302 lid 1 Wetboek van Strafrecht, art 45 lid 1 Wetboek van

Strafrecht, art 47 lid 1 ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht )

meest subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een

veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

hij op of omstreeks 1 september 2019 te [woonplaats] , althans in het

arrondissement Midden-Nederland, openlijk, te weten op de openbare

weg op of aan de [adres] , in elk geval op of aan de openbare

weg en/of op een voor het publiek toegankelijke plaats, in vereniging

geweld heeft gepleegd tegen een persoon, te weten: [slachtoffer] , welk

geweld bestond uit het met kracht duwen en/of slaan/stompen en/of

schoppen/trappen van die [slachtoffer] (waardoor deze ten val kwam)

en/of vervolgens, terwijl die [slachtoffer] op de grond lag, meermalen met

kracht slaan/stompen en/of schoppen/trappen in/tegen het gezicht

en/of tegen het hoofd en/of tegen het (boven)lichaam van die [slachtoffer] .

( art 141 lid 1 Wetboek van Strafrecht )

1 Wanneer hierna wordt verwezen naar paginanummers betreft dit pagina’s van op ambtseed of ambtsbelofte opgemaakte processen-verbaal. Deze processen-verbaal zijn als bijlagen opgenomen bij het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal van 17 februari 2020 genummerd PL0900-2019262181, opgemaakt door politie Midden-Nederland, doorgenummerd 1 tot en met 135. Tenzij anders vermeld, zijn dit processen-verbaal in de wettelijke vorm opgemaakt door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren.

2 Een proces-verbaal van aangifte, pagina 25.

3 Een proces-verbaal van aanhouding, pagina 11

4 Een proces-verbaal van bevindingen, pagina 47.

5 Een proces-verbaal van bevindingen, pagina 48.

6 Een proces-verbaal herkenning door opsporingsambtenaar, pagina 82.

7 Een proces-verbaal herkenning door opsporingsambtenaar, pagina 86.

8 Een proces-verbaal herkenning door opsporingsambtenaar, pagina 91.