Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2019:975

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
30-01-2019
Datum publicatie
15-03-2019
Zaaknummer
7082266 AC EXPL 18-2233
Rechtsgebieden
Verbintenissenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

onbetaalde factuur energielevering; naheffing voorgaande jaren; verjaring deel vordering (art. 7:28 BW); toepassing verjaringstermijn 2 jaar naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid niet onaanvaardbaar; opeisbaarheid restant niet onderbouwd

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Civiel recht

kantonrechter

locatie Amersfoort

zaaknummer: 7082266 AC EXPL 18-2233 BJ/33913

Vonnis van 30 januari 2019

inzake

de besloten vennootschap

[eiseres] B.V. h.o.d.n. [handelsnaam],

gevestigd te [vestigingsplaats] ,

verder ook te noemen: [handelsnaam] ,

eisende partij,

gemachtigde: Flanderijn & Van Eck,

tegen:

[gedaagde] ,

wonende te [woonplaats] ,

verder ook te noemen: [gedaagde] ,

gedaagde partij,

gemachtigde: mr. L. Rietbergen.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding van 11 juli 2018, met producties,

- de conclusie van antwoord, met producties,

- de conclusie van repliek, met producties,

- de conclusie van dupliek.

1.2.

Daarna is een datum bepaald waarop dit vonnis wordt uitgesproken. Vervolgens is de uitspraaktermijn verlengd.

2 De feiten

2.1.

Sinds 7 mei 2010 levert [handelsnaam] aan [gedaagde] elektriciteit en gas op het adres [adres] in [woonplaats] . In april 2010 hebben partijen voor deze energielevering een overeenkomst gesloten voor drie jaar. Die overeenkomst is vervolgens voortgezet voor onbepaalde tijd. [gedaagde] betaalt maandelijks een voorschot, dat aanvankelijk € 54,00 was en vervolgens is verhoogd. Sinds juni 2017 betaalde [gedaagde] een maandelijks voorschot van € 62,00.

2.2.

Op 26 februari 2013 zijn de meterstanden opgenomen door netbeheerder Stedin. Uit de jaarnota van 16 mei 2013 over de periode 2 mei 2012 – 1 mei 2013 blijkt dat de standen op 26 februari 2013 als volgt waren:

-gas: 16.929;

-elektriciteit piektarief: 43.424;

-elektriciteit daltarief: 85.838.

2.3.

Op 7 mei 2018 heeft [gedaagde] meterstanden aan [handelsnaam] doorgegeven.

2.4.

[handelsnaam] heeft [gedaagde] met een factuur van 29 mei 2018 een bedrag van € 4.508,88 in rekening gebracht (€ 5.254,88 min een door [gedaagde] betaald bedrag van € 746,00). Op de factuur staat vermeld dat het een jaarnota betreft over de periode 2 mei 2017 – 7 mei 2018. De volgende standen (van 7 mei 2018) staan vermeld:

-gas: 25.939;

-elektriciteit normaaltarief: 48.012;

-elektriciteit daltarief: 89.727.

Het gasverbruik is vastgesteld op 7.105 m3; het elektriciteitsverbruik is vastgesteld op 2.072 kWh (940 kWh normaaltarief en 1.132 kWh daltarief). Verder staat vermeld dat het in rekening gebrachte bedrag rond 12 juni 2018 zal worden afgeschreven en dat het termijnbedrag wijzigt naar € 522,00.

2.5.

In een brief van 8 juni 2018 heeft [gedaagde] [handelsnaam] verzocht de incasso van het bedrag van € 4.508,88 op te schorten. Volgens haar moet de factuur worden gecorrigeerd. [handelsnaam] heeft het verzoek afgewezen en [gedaagde] meegedeeld dat de meterstanden altijd zijn berekend omdat [gedaagde] nooit meterstanden door heeft gegeven tot 7 mei 2018. De meterstanden van 7 mei 2018 zijn gebruikt voor opmaak van de jaarnota van 29 mei 2018. Er is volgens [handelsnaam] een naheffing ontstaan, omdat de werkelijke meterstanden vele malen hoger lagen dan de laatst berekende meterstanden. [gedaagde] heeft haar verzoek op 11 juni 2018 herhaald en [handelsnaam] heeft het verzoek in een brief van 12 juni 2018 nogmaals afgewezen. Verder heeft [handelsnaam] in de brief geadviseerd om het termijnbedrag te verlagen naar € 150,00. In een brief van 22 juni 2018 deelt [gedaagde] [handelsnaam] mee dat zij een correctienota wil, omdat [handelsnaam] maar tot twee jaar terug mag rekenen.

2.6.

In een e-mail van 2 juli 2018 van Stedin aan [handelsnaam] staat onder meer het volgende:

“Op bovenstaande aansluiting is Stedin op 16.09.2015 en 08.05.2017 geweest voor het verwisselen van de meters en het collecteren van de gegevens van de oude meter.

Beide keren zijn de meters niet verwisseld omdat de klant niet thuis was en geen contact heeft opgenomen met Stedin.”

3 Het geschil

3.1.

[handelsnaam] vordert bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, veroordeling van [gedaagde] om aan [handelsnaam] te voldoen € 4.508,88, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de dagvaarding tot de voldoening en met veroordeling van [gedaagde] in de proceskosten.

3.2.

Ter onderbouwing van die vordering stelt [handelsnaam] dat [gedaagde] haar verplichtingen op grond van de overeenkomst tot energielevering niet is nagekomen door de factuur van 29 mei 2018 niet te betalen. Voor het geval de vordering op die grondslag niet kan worden toegewezen, vordert [handelsnaam] de hoofdsom op grond van ongerechtvaardigde verrijking. [handelsnaam] maakt aanspraak op de wettelijke rente omdat [gedaagde] in verzuim is.

3.3.

[gedaagde] is het niet eens met de hoogte van het gevorderde bedrag. De factuur betreft niet alleen het verbruik in 2017/2018 maar is volgens haar feitelijk ook een naheffing van kosten van daadwerkelijk verbruik in de jaren daarvóór sinds februari 2013. Volgens haar is daarom in ieder geval een deel van de vordering verjaard, voor zover de factuur het energieverbruik betreft in de periode vóór april 2016. Gelet op de verjaringstermijn van twee jaar (artikel 7:28 BW), kon [handelsnaam] in ieder geval het daadwerkelijke verbruik in die periode niet alsnog in rekening brengen met de factuur van 29 mei 2018. Voor geval het beroep op verjaring niet slaagt, verzoekt [gedaagde] de methode Vink toe te passen. [handelsnaam] dient er in het kader van haar zorgplicht ten opzichte van haar afnemers, voor te zorgen dat ten minste één keer per drie jaar de meterstanden daadwerkelijk worden opgenomen door de netbeheerder of de leverancier zelf. Indien over een periode langer dan drie jaar geen daadwerkelijk opgenomen meterstanden zijn doorgegeven of bekend zijn, zijn eventuele afwijkingen ouder dan drie jaar niet meer aan de consument toe te rekenen, aldus [gedaagde] .

3.4.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling

4.1.

De kantonrechter stelt vast dat op 26 februari 2013 de meterstanden daadwerkelijk zijn opgenomen en als uitgangspunt zijn genomen voor de jaarnota voor het verbruik over 2012/2013. Daarna heeft [handelsnaam] de meterstanden steeds berekend (geschat) aan de hand van de verbruikshistorie van [gedaagde] , omdat geen (daadwerkelijke) meterstanden zijn doorgegeven of opgenomen. De jaarnota’s over 2013/2014, 2014/2015, 2015/2016 en 2016/2017 zijn aan de hand van die geschatte meterstanden opgemaakt. [handelsnaam] stelt dat zij bij het opmaken van de jaarnota 2017/2018 gebruik heeft gemaakt van de op 7 mei 2018 door [gedaagde] doorgegeven meterstanden en dat die jaarnota niet is gebaseerd op een berekend (geschat) verbruik, maar op werkelijk verbruik in de betreffende periode.

4.2.

Volgens [gedaagde] kan de factuur niet alleen zien op het verbruik in 2017/2018, gezien de omvang van het in rekening gebrachte verbruik. Met namen het gasverbruik (7.105 m3) is heel hoog. Het verbruik kan niet zodanig zijn gestegen in één jaar. Aan haar woonsituatie is niets gewijzigd: zij woont samen met haar minderjarige zoon in een appartement. [handelsnaam] factureert volgens haar het werkelijk verbruik over vijf jaar na.

4.3.

De kantonrechter volgt [gedaagde] in haar stelling dat het in feite om een naheffing gaat van het energieverbruik over een langere periode dan een jaar voorafgaand aan mei 2018. De stelling van [gedaagde] wordt bevestigd in de correspondentie die in juni 2018 tussen partijen is gevoerd, waarin [handelsnaam] zelf aangeeft dat het bedrag zo hoog is omdat het een naheffing op basis van werkelijk verbruik betreft. De kantonrechter ziet verder een aanwijzing in het feit dat met name het (gestelde) gasverbruik over 2017/2018 in verhouding tot de voorgaande jaren zodanig hoog is dat dit niet alleen de periode 2017/2018 kan betreffen. In de voorgaande jaren lag het verbruik rond de 500 m3 gas. Hoewel de hoeveelheden in die jaren vanaf 2013 zijn geschat, is het uitgangspunt van die schattingen de daadwerkelijke meting in 2013 geweest en dus zijn die schattingen wel een indicatie van het gemiddelde jaarverbruik aan gas. Verder heeft [handelsnaam] niet weersproken de stelling van [gedaagde] dat in de woonsituatie van [gedaagde] volgens het Nibud een gemiddeld gasverbruik van rond de 1.000 m3 normaal is. Zelfs als het verbruik (iets) hoger dan dat zou liggen, dan is nog steeds het door [handelsnaam] gestelde gasverbruik in de periode 2017/2018 veel te hoog om alleen op die periode te kunnen zien. Tot slot lijkt [handelsnaam] in haar berekening in punt 13 van de conclusie van repliek ook uit te gaan van verbruik over vijf jaar bij het opstellen van de nota van 2017/2018. Daar staat dat [gedaagde] over de periode van 26 februari 2013 tot 7 mei 2018 9.010 m3 (25.939-16.929) gas heeft verbruikt. In de jaarnota’s van 2013 tot en met 2017 is al 1.882 m3 in rekening gebracht, dus is volgens [handelsnaam] terecht nu nog (9.010-1.882 m3 =) 7.128 m3 in rekening gebracht. Deze berekening wijst juist uit dat het om het in rekening brengen van verbruik in meerdere jaren, omdat het verschil tussen de standen in 2018 en 2013 (minus de schattingen in de voorgaande jaren) volledig wordt toegeschreven aan de periode 2017/2018.

4.4.

De kantonrechter overweegt als volgt over het beroep op verjaring van [gedaagde] . Energielevering is ondergebracht bij consumentenkoop voor zover de afnemer een consument is en dus geldt ook de verjaringstermijn van twee jaar uit artikel 7:28 BW. Op grond van artikel 3:313 BW vangt deze verjaringstermijn aan op de dag volgend op die waarop de onmiddellijke nakoming kan worden gevorderd. Dat is in beginsel de dag nadat de vordering opeisbaar is geworden.

4.5.

De kantonrechter volgt [handelsnaam] niet in haar standpunt dat de vordering op 12 juni 2018 pas opeisbaar is geworden. [handelsnaam] heeft steeds één keer per jaar een afrekening gemaakt en daarbij de door [gedaagde] betaalde voorschotten verrekend. Het bedrag dat gemoeid was met het werkelijke verbruik over het afgelopen (afgerekende) jaar werd steeds opeisbaar toen de jaarnota’s opeisbaar werden, en daarmee ving ook de verjaringstermijn aan. Dit uitgangspunt, in combinatie met de verjaringstermijn van twee jaar, strookt ook met de bescherming van de consument tegen onvoorziene, al te hoog oplopende rekeningen. Dat [handelsnaam] de jaarnota’s voorafgaand aan die van 2017/2018 steeds op basis van schattingen heeft bepaald doet daaraan niet af. [handelsnaam] had dus in 2018 alleen verbruik mogen naheffen over een periode tot twee jaar terug. Voor zover [handelsnaam] dus in de jaarnota van 2017/2018 (en nu in deze procedure) kosten van verbruik heeft nagevorderd voor verbruik van vóór de periode die in rekening is gebracht met de jaarnota van 2016/2017 (dus de periode vóór 2 april 2016) is dit deel van de vordering verjaard.

4.6.

[handelsnaam] heeft nog gesteld dat het onaanvaardbaar is om de verjaringstermijn van twee jaar toe te passen, omdat [gedaagde] opzettelijk de meterstanden niet heeft doorgegeven. [handelsnaam] stelt dat zij [gedaagde] brieven en e-mails heeft gestuurd met verzoeken om de meterstanden door te geven, maar daar heeft [gedaagde] nooit op gereageerd. Ook heeft [gedaagde] naar aanleiding van de bezoeken van de netbeheerder in 2015 en 2017 nooit iets laten horen. [handelsnaam] verwijst in dit verband naar de e-mail van Stedin van 2 juli 2018 (2.6.). [gedaagde] betwist dat zij met opzet heeft gehandeld. Zij was zich er niet van bewust dat ze zelf steeds de meterstanden moest doorgeven. Ze heeft steeds keurig betaald en dacht dat ze daarmee aan haar verplichtingen had voldaan. Van de netbeheerder heeft zij nooit iets vernomen, zij was waarschijnlijk aan het werk toen die langs kwam. Toen zij er in 2018 achter kwam dat ze zelf werd geacht meterstanden door te geven, heeft zij meteen contact met [handelsnaam] opgenomen, aldus [gedaagde] .

4.7.

De kantonrechter overweegt dat [handelsnaam] geen enkele brief of e-mail heeft overgelegd waaruit blijkt dat zij om meterstanden heeft gevraagd. [gedaagde] betwist deze te hebben ontvangen. [handelsnaam] heeft daar niets meer tegenover gesteld, terwijl ze heeft gesteld dat er rond de achttien verzoeken om meterstanden naar [gedaagde] zijn gestuurd. [handelsnaam] heeft verder verwezen naar de toelichting bij de eerste jaarnota van 31 mei 2011 (over de periode van 7 mei 2010 tot 14 april 2011) die [gedaagde] ook zelf heeft overgelegd. Daarin staat de zin

“Indien de meterstanden niet of te laat zijn opgenomen en/of doorgegeven, worden deze door de [bedrijfsnaam] (kantonrechter: de rechtsvoorganger van [handelsnaam]) of de netbeheerder vastgesteld. Deze vastgestelde standen zullen afwijken van de werkelijke standen.” In de zin erboven over de meterstanden staat nog:

“Deze meterstand kan worden opgenomen en doorgegeven door uzelf of door uw regionale netbeheerder”. Uit deze toelichting is niet zonder meer duidelijk dat [gedaagde] in beginsel zelf de meterstanden dient door te geven. Er wordt steeds een keuze gepresenteerd en ook wordt niet de consequentie vermeld van het nalaten van het zelf doorgeven van de meterstanden. Ook uit de letters op de jaarnota’s achter de meterstanden (K = via meterstandenkaart, B = berekening, O = opgenomen door meetbedrijf, S = uitlezen slimme meter) volgt niet zonder meer dat [gedaagde] de meterstanden zelf moest doorgeven, zoals [handelsnaam] stelt. Op de nota’s van [gedaagde] stond steeds de letter B, maar daaruit volgt nog niet dat K eigenlijk de gebruikelijke (of verplichte) manier is om de standen vast te stellen. Al met al zijn de aanwijzingen in de stukken die [handelsnaam] presenteert niet zo duidelijk dat [gedaagde] dat had moeten begrijpen. De kantonrechter houdt het ervoor dat [gedaagde] steeds gewoon heeft betaald, ervan uitgaande dat [handelsnaam] een juiste berekening had gemaakt, zonder dat actie van haar werd verwacht. Er is dan ook geen sprake geweest van opzet. Dat [gedaagde] niets heeft laten horen naar aanleiding van de bezoeken van de netbeheerder in 2015 en 2017 maakt dit oordeel niet anders. Niet is gebleken dat de netbeheerder destijds een bericht heeft achtergelaten en/of wat de inhoud van het bericht was. Uit hoofde van haar zorgplicht had [handelsnaam] wel iets meer moeite mogen doen om de meterstanden alsnog te verkrijgen. Dit geldt temeer omdat zij ervoor dient te zorgen dat één keer in de drie jaar de meterstanden daadwerkelijk worden opgenomen door haarzelf of de netbeheerder.

De kantonrechter acht het dan ook naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid niet onaanvaardbaar dat de verjaringstermijn van twee jaar wordt toegepast.

4.8.

De kantonrechter ziet geen aanleiding om zelf te berekenen of te schatten welk deel van de vordering nog niet is verjaard. [gedaagde] heeft na ontvangst van de factuur van 29 mei 2018 een aantal keer verzocht om een correctienota vanwege de verjaringstermijn van twee jaar. [handelsnaam] zag geen noodzaak tot correctie. Ook naar aanleiding van het verjaringsverweer in deze procedure heeft [handelsnaam] , bijvoorbeeld bij wijze van subsidiair verweer, geen herberekening gemaakt. Zij krijgt daar nu niet alsnog de gelegenheid toe. De conclusie luidt dat niet vastgesteld kan worden welk deel van de vordering eventueel nog wel toewijsbaar is. De kantonrechter zal de vordering daarom afwijzen.

4.9.

Het beroep op ongerechtvaardigde verrijking van [handelsnaam] slaagt niet. Niet is vast komen te staan dat [gedaagde] ongerechtvaardigd is verrijkt over de periode tot april 2016. De verrijking in die periode, als daar al sprake van is, wordt gerechtvaardigd doordat de verjaringstermijn van twee jaar van toepassing is. Voor het resterende deel van de vordering kan niet worden vastgesteld dat sprake is van verrijking, omdat [handelsnaam] dat deel nog in rekening kon brengen met de factuur van 29 mei 2018. Bovendien heeft [handelsnaam] onvoldoende gesteld waaruit haar schade bestaat.

4.10.

[handelsnaam] zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van [gedaagde] worden begroot op € 480,00 aan salaris gemachtigde (2 punten x tarief € 240,00).

5 De beslissing

de kantonrechter

5.1.

wijst de vordering af;

5.2.

veroordeelt [handelsnaam] tot betaling van de proceskosten aan de zijde van [gedaagde] , tot de uitspraak van dit vonnis begroot op € 480,00 aan salaris gemachtigde;

5.3.

verklaart deze kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. D.A. van Steenbeek, kantonrechter, en is in aanwezigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 30 januari 2019.