Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2019:974

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
31-01-2019
Datum publicatie
18-03-2019
Zaaknummer
7419661 UV EXPL 18-340
Rechtsgebieden
Arbeidsrecht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

kort geding; schorsing concurrentiebeding; geen ingrijpende wijziging functie; wel: onbillijke benadeling (art. 7:653 lid 3 onder b BW)

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR-Updates.nl 2019-0310
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Civiel recht

kantonrechter

locatie Utrecht

zaaknummer: 7419661 UV EXPL 18-340 BJ/33913

Kort geding vonnis van 31 januari 2019

inzake

[eiseres] ,

wonende te [woonplaats] ,

verder ook te noemen [eiseres] ,

eisende partij,

gemachtigde: mr. B.P.R. Milar,

tegen:

de besloten vennootschap

[gedaagde] B.V.,

gevestigd te [vestigingsplaats 1] ,

verder ook te noemen [gedaagde] ,

gedaagde partij,

gemachtigde: mr. S.J.W.M. Vonken.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding van 16 januari 2019, met producties,

  • -

    de mondelinge behandeling op 31 januari 2019, waarvan de griffier aantekeningen heeft gemaakt,

  • -

    de pleitnota van [eiseres] ,

  • -

    de akte tot eisvermindering van [eiseres] ,

  • -

    de pleitnota van [gedaagde] .

1.2.

Op 31 januari 2019 is in een verkort vonnis uitspraak gedaan. Het onderstaande vormt hiervan de nadere schriftelijke uitwerking en is op 8 februari 2019 vastgesteld.

2 De feiten

2.1.

[eiseres] is per 22 april 2013 als junior begeleider bij [gedaagde] in dienst getreden. Op 3 juli 2015 hebben partijen een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd gesloten, die is ingegaan op 22 juli 2015. [eiseres] was sinds die datum werkzaam als senior begeleider voor 36 uur per week, met een maandsalaris van € 2.131,00 bruto (exclusief emolumenten). [eiseres] werkte op locatie in ‘ [naam locatie] ’ in [vestigingsplaats 2] (Noord-Holland). Zij verzorgde in die functie groepsbegeleiding van kinderen met een stoornis in het autismespectrum volgens de behandelmethodes van [gedaagde] en verrichtte een aantal praktische taken zoals dag- en vervoersplanning opstellen/checken, medicatie toedienen, ouders bellen voor praktische zaken, werkmappen checken en maandverslagen maken.

2.2.

In de arbeidsovereenkomst is in artikel 12 een concurrentiebeding opgenomen dat als volgt luidt:

“Het is werknemer verboden binnen een tijdvak van 1 jaar na beëindiging van de arbeidsovereenkomst binnen een kring met werkgeefster als middelpunt en met een straal van 50 kilometers, in enigerlei vorm werkzaam te zijn bij een bedrijf, gelijksoortig of aanverwant aan dat van werkgeefster, hetzij tegen vergoeding, hetzij om niet, of daarin een aandeel van welke aard ook te hebben, tenzij werknemer daartoe schriftelijke toestemming van werkgeefster heeft gekregen, en aan welke toestemming werkgeefster voorwaarden kan verbinden.

Bij overtreding van bovenomschreven verbod verbeurt werknemer een dadelijk opvorderbare boete van € 1.000,00 voor elke dag dat werknemer in overtreding is, onverminderd zijn/haar gehoudenheid tot betaling aan werkgeefster van een volledige schadevergoeding ter zake indien deze meer dan gemeld boetebedrag beloopt.”

2.3.

Per 1 februari 2017 is [eiseres] de functie van behandeling coördinator gaan uitoefenen. Partijen hebben hiertoe op 1 februari 2017 een addendum aanvullend op de arbeidsovereenkomst ondertekend. Het brutosalaris is daarin gewijzigd naar € 2.307,00 per maand (€ 2.464,00 bij een full-time aanstelling). De functie van behandel coördinator is gecreëerd door [gedaagde] zodat senior begeleiders konden doorgroeien binnen de organisatie. [eiseres] was in deze functie verantwoordelijk voor het uitvoeren van de behandeling van kinderen met een stoornis in het autismespectrum: zij ging na of de aangeboden behandeling aansloot, of de behandelmethodes op correcte wijze werden uitgevoerd en of de junior en senior begeleiders hun taken op de juiste wijze uitvoerden. Verder had zij overleg met gedragswetenschappers over de uitvoering van de behandeling. Ook was [eiseres] verantwoordelijk voor personeelszaken, zoals het uitnodigen van sollicitanten en het voeren van sollicitatiegesprekken en werkte zij nieuwe seniorbegeleiders in.

2.4.

Per september 2018 heeft [eiseres] de omvang van haar werkzaamheden gewijzigd van 32 naar 24 uur per week. Zij is op kosten van [gedaagde] een deeltijd HBO master Ecologische Pedagogiek gestart. Partijen zijn daartoe een studiekostenbeding overeengekomen.

2.5.

Op 2 oktober 2018 heeft de leidinggevende van [eiseres] haar meegedeeld dat [eiseres] een senior begeleider niet goed heeft ingewerkt. Op 3 oktober 2018 heeft [gedaagde] telefonisch aan [eiseres] bericht dat zij de werkzaamheden rondom personeelszaken niet meer mocht uitvoeren. Op 15 oktober 2018 heeft hierover een gesprek plaatsgevonden tussen [eiseres] , haar leidinggevende en de eigenaar van [gedaagde] .

2.6.

[eiseres] heeft op 25 oktober 2018 haar arbeidsovereenkomst schriftelijk opgezegd per 1 januari 2019, om per die datum te kunnen beginnen als levensloopcoach bij [bedrijfsnaam] B.V. (hierna: [bedrijfsnaam] ). Daarna heeft [gedaagde] [eiseres] meegedeeld dat zij haar aan het concurrentiebeding zou houden en niet instemde met de opvolgende baan bij [bedrijfsnaam] .

2.7.

[eiseres] heeft zich op 9 november 2018 ziek gemeld. Zij is niet, ondanks haar verzoeken daartoe, opgeroepen door de bedrijfsarts.

2.8.

[gedaagde] heeft het loon over de periode november 2018 verrekend met de door haar voorgeschoten studiekosten. Het loon over de maanden november en december 2018, het vakantiegeld en de eindejaarsuitkering zijn niet tijdig betaald.

2.9.

Per 1 januari 2019 is [eiseres] uit dienst bij [gedaagde] getreden.

3 Het geschil

3.1.

[eiseres] vordert, na vermindering van eis, dat de voorzieningenrechter bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad (samengevat weergegeven):

  1. het concurrentiebeding in artikel 12 van de arbeidsovereenkomst met onmiddellijke ingang buiten werking stelt, dan wel de werking ervan schorst totdat bij onherroepelijk uitspraak in een bodemprocedure over de rechtsgeldigheid van het concurrentiebeding is beslist;

  2. [gedaagde] verbiedt om voor de duur van de schorsing van het concurrentiebeding aanspraak te maken op de boeteclausule in artikel 12 van de arbeidsovereenkomst;

  3. [gedaagde] veroordeelt tot aanmelding van [eiseres] bij de bedrijfsarts vanwege haar ziekmelding van 9 november 2018 en [gedaagde] veroordeelt om het UWV per ommegaande schriftelijk te informeren dat [eiseres] per 1 januari 2019 ziek uit dienst is getreden, op straffe van een dwangsom van € 1.000,00 per dag of dagdeel dat [gedaagde] in gebreke blijft om aan deze veroordelingen te voldoen;

  4. [gedaagde] veroordeelt tot betaling van de wettelijke verhoging (artikel 7:625 BW) en de wettelijke rente (artikel 6:119 BW) over het loon van de maanden november 2018 en december 2018, over de eindejaarsuitkering van € 2.040,54 en over het vakantiegeld van € 1.026,90, vanaf de data van respectievelijke opeisbaarheid van de betreffende bedragen tot de voldoening;

e. [gedaagde] veroordeelt tot betaling van de proceskosten.

3.2.

Ter onderbouwing van de vordering stelt [eiseres] primair dat het concurrentiebeding niet rechtsgeldig is. Per 1 februari 2017 is haar functie ingrijpend gewijzigd. Het concurrentiebeding is daardoor aanmerkelijk zwaarder gaan drukken en had daarom opnieuw overeengekomen moeten worden om gelding te behouden. Subsidiair stelt [eiseres] dat het concurrentiebeding geen werking heeft, omdat de nieuwe werkzaamheden niet binnen een straal van 50 kilometer zullen worden uitgevoerd, [gedaagde] geen concurrent is van [bedrijfsnaam] en [eiseres] geen concurrerend werk zal gaan doen. Op grond van artikel 7:653 lid 3 onder b BW komt het beding volgens [eiseres] voor vernietiging in aanmerking, omdat in verhouding tot het te beschermen belang van [gedaagde] , [eiseres] door het beding onbillijk wordt benadeeld.

3.3.

[gedaagde] heeft verweer gevoerd. Op de inhoud daarvan zal hierna - voor zover van belang - worden ingegaan.

4 De beoordeling

Kort geding

4.1.

Het spoedeisend belang is in voldoende mate gegeven. [eiseres] wilde per 1 januari 2019 bij [bedrijfsnaam] starten, maar heeft daarmee gewacht vanwege het beroep van [gedaagde] op het concurrentiebeding. Ter zitting heeft [eiseres] verklaard dat zij per 1 februari 2019, een dag na de mondelinge behandeling in kort geding, zou kunnen beginnen met een inwerktraject en dat een dergelijk inwerktraject telkens per eerste van de maand wordt gestart.

4.2.

De voorzieningenrechter dient te beoordelen of op basis van de feiten en omstandigheden en zonder nadere bewijslevering de vordering die bij wijze van voorziening is verzocht in een bodemprocedure een zodanige kans van slagen heeft, dat vooruitlopen daarop door toewijzing in kort geding gerechtvaardigd is. Daarbij moeten de belangen van beide partijen tegen elkaar worden afgewogen. Beoordeeld dient dus te worden of al dan niet aannemelijk is dat de bodemrechter tot het oordeel zal komen dat het concurrentiebeding rechtsgeldig is overeengekomen en zo ja, dat dit beding dient te worden vernietigd.

Is het concurrentiebeding zwaarder gaan drukken na wijziging functie?

4.3.

Het concurrentiebeding in de arbeidsovereenkomst van 22 juli 2015 is schriftelijk overeengekomen met een meerderjarige werknemer en voldoet daarmee aan de formele eisen van artikel 7:653 lid 1 BW. In het op 1 februari 2017 ondertekende addendum wordt uitdrukkelijk verwezen naar de arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd en ook wordt vermeld dat het addendum als aanvulling daarop geldt. In beginsel geldt dus ook vanaf 1 februari 2017 nog steeds het in de arbeidsovereenkomst opgenomen concurrentiebeding.

4.4.

Volgens vaste rechtspraak moet een concurrentiebeding in de zin van art. 7:653 BW opnieuw schriftelijk overeengekomen worden indien de wijziging in de arbeidsverhouding van zo ingrijpende aard is, dat het concurrentiebeding aanmerkelijk zwaarder gaat drukken. Bij die beoordeling zal niet alleen onderzocht moeten worden of sprake is van een wijziging van de arbeidsverhouding van ingrijpende aard, maar ook of, en zo ja op grond waarvan, die wijziging meebrengt dat het concurrentiebeding aanmerkelijk zwaarder gaat drukken. Daarbij mag betekenis worden gehecht aan de mate waarin de wijziging van de arbeidsverhouding redelijkerwijs was te voorzien voor de werknemer toen deze het beding aanvaardde. Voorts is de enkele vaststelling dat zich een ingrijpende wijziging van de arbeidsverhouding heeft voorgedaan, in het algemeen onvoldoende voor het aannemen van het oorzakelijk verband met het aanmerkelijk zwaarder gaan drukken van het beding. Bij de beoordeling of van dit laatste sprake is zal onderzocht moeten worden of, en zo ja in hoeverre en in welke mate, die wijziging, na een eventuele beëindiging van het dienstverband van de werknemer, bij handhaving van het concurrentiebeding een belemmering voor hem zal vormen om, een nieuwe, gelijkwaardige, werkkring hetzij in loondienst hetzij als zelfstandig ondernemer te vinden (zie onder meer het arrest van het Gerechtshof ’s-Hertogenbosch van 20 juli 2017, ECLI:NL:GHSHE:2017:3420).

4.5.

[eiseres] stelt dat haar werkzaamheden per 1 februari 2017 volledig zijn gewijzigd en haar verantwoordelijkheden aanzienlijk zijn vergroot. De ingrijpende aard van haar functiewijziging wordt volgens haar onderstreept door de loonsverhoging die met de functiewijziging gepaard ging (inmiddels € 333,00 bruto per maand). Door de coördinerende taken die zij per 1 februari 2017 is gaan verrichten heeft zij een gunstigere positie op de arbeidsmarkt verworven. Het concurrentiebeding heeft dus een verstrekkende omvang gekregen en een beroep op het beding vormt daarom een grotere belemmering voor [eiseres] om elders een gelijkwaardige arbeidsbetrekking aan te gaan. De functie van behandeling coördinator bestond niet op 22 juli 2015, zodat voor haar niet was te voorzien dat zij deze functie zou gaan verrichten toen zij het concurrentiebeding aanvaardde. Van een gebruikelijke carrièrestap of natuurlijk verloop was dus evenmin sprake, aldus [eiseres] .

4.6.

De voorzieningenrechter overweegt dat de aard van de werkzaamheden met het verkrijgen van de nieuwe functie per 1 februari 2017 deels is gewijzigd. Zo is [eiseres] meer overkoepelende taken gaan verrichten met betrekking tot de werkzaamheden van de seniorbegeleiders, terwijl zij eerst zelf senior begeleider was. Daarnaast bleef zij, zo leidt de voorzieningenrechter uit de stellingen van partijen af, zich nog steeds ook richten op het uitvoeren van de behandeling van kinderen met een stoornis in het autismespectrum. Waar zij dat in de functie van senior begeleiding in de vorm van groepsbegeleiding deed, werd dat in de functie van behandel coördinator gegoten in een meer coördinerende taak. Daarin keek zij echter ook nog steeds (inhoudelijk) mee of de behandeling juist werd uitgevoerd en had zij overleg daarover met gedragswetenschappers. Partijen zijn het erover eens dat de functie is gecreëerd om (onder meer) [eiseres] verder te kunnen laten groeien, maar daaruit volgt niet zonder meer dat sprake was van wijziging in de arbeidsverhouding van ingrijpende aard. De functie werd op dezelfde locatie uitgeoefend, de doelgroep waar [eiseres] mee werkte bleef ongewijzigd en [eiseres] opereerde nog steeds onder verantwoordelijkheid van een leidinggevende. Zij bleef ook nog steeds praktische taken uitoefenen, namelijk op het gebied van personeelszaken. De wijzigingen zijn naar het oordeel van de voorzieningenrechter dan ook niet van zo ingrijpende aard dat daardoor het concurrentiebeding aanmerkelijk zwaarder is gaan drukken. Het feit dat het een nieuwe functie betrof en deze ontwikkeling bij het aangaan van de arbeidsovereenkomst in juli 2015 mogelijk niet was te voorzien, doet daar niet aan af. Ook de loonsverhoging is onvoldoende om een dergelijke verzwaring aan te nemen. Er is geen sprake van een dusdanige verzwaring in de groei van senior begeleider naar behandel coördinator dat aannemelijk is geworden dat de wijziging een belemmering vormt om een nieuwe, gelijkwaardige werkkring te vinden. De voorzieningenrechter acht het daarom aannemelijk dat het oordeel in een bodemzaak zal luiden dat het concurrentiebeding rechtsgeldig is en naar aanleiding van de functiewijziging niet opnieuw overeengekomen hoefde te worden.

Onbillijke benadeling?

4.7.

Subsidiair stelt [eiseres] dat het concurrentiebeding geen werking heeft. Allereerst omdat de werkzaamheden van [eiseres] niet plaats zullen vinden binnen een straal van 50 kilometer vanaf de vestigingsplaats van [gedaagde] in [naam provincie] . [gedaagde] weerspreekt dit met de stelling dat niet naar de vestigingsplaats moet worden gekeken maar naar de locatie waar [eiseres] werkte, dus [vestigingsplaats 2] . Verder heeft [gedaagde] volgens [eiseres] een beperktere doelgroep dan [bedrijfsnaam] , hanteert [gedaagde] andere behandelmethodieken dan [bedrijfsnaam] en gaat [eiseres] bovendien geen behandelingen maar begeleiding doen. [bedrijfsnaam] is dus geen concurrent van [gedaagde] en zij zal bij [bedrijfsnaam] geen concurrerende werkzaamheden gaan verrichten, aldus [eiseres] . [gedaagde] is het daar niet mee eens, omdat het door [eiseres] gemaakte onderscheid tussen behandeling en begeleiding niet zo scherp is, de doelgroep van beide organisaties wel dezelfde is (namelijk zowel kinderen als (jong-)volwassenen met autisme) en [gedaagde] gecontracteerd is door de gemeente [naam gemeente] om dezelfde soort zorg als [bedrijfsnaam] aan te bieden. [bedrijfsnaam] is dus volgens [gedaagde] een directe concurrent. Of deze stellingen van [eiseres] over de werking van het concurrentiebeding slagen, wordt in dit kort geding in het midden gelaten. Op grond van artikel 7:653 lid 3 onder b BW komt de voorzieningenrechter namelijk tot het oordeel dat het aannemelijk is dat de bodemrechter zal oordelen dat het concurrentiebeding moet worden vernietigd, omdat - in verhouding tot het belang van [gedaagde] - [eiseres] door het beding onbillijk wordt benadeeld. De voorzieningenrechter overweegt daartoe als volgt.

4.8.

Bij een beoordeling op grond van artikel 7:653 lid 3 onder b BW dient een belangenafweging te worden gemaakt tussen enerzijds het grondrecht van [eiseres] om vrij te zijn in haar arbeidskeuze en anderzijds de bescherming van het debiet van [gedaagde] .

4.9.

[gedaagde] voert verschillende redenen aan waarom zij vasthoudt aan het concurrentiebeding. Zo zou [eiseres] beschikken over kennis van bedrijfsgeheimen, marktgevoelige informatie en specifieke behandelingsmethodieken. [gedaagde] heeft echter onvoldoende gespecificeerd (en ook ter zitting desgevraagd niet toe kunnen lichten) wat zij hier precies mee bedoelt en hoe dit haar in de situatie van [eiseres] zou kunnen schaden. Bovendien gelden nog steeds het relatie- en geheimhoudingsbeding, die voldoende waarborg bieden om te voorkomen dat [eiseres] bepaalde gevoelige informatie deelt met haar nieuwe werkgever. [eiseres] heeft ter zitting verklaard dat zij zich hiervan bewust is en dat zij zich aan die bedingen zal houden. Verder voert [gedaagde] aan dat zij heeft geïnvesteerd in de opleiding en deskundigheid van [eiseres] . De kosten voor de HBO-opleiding heeft [eiseres] inmiddels geheel terugbetaald, zodat overblijft de algemene investering die een werkgever doorgaans doet in haar medewerkers. [gedaagde] heeft vooralsnog onvoldoende aannemelijk gemaakt dat zij zodanig in de deskundigheid van [eiseres] heeft geïnvesteerd dat haar bedrijfsdebiet daarom bescherming behoeft met behulp van het concurrentiebeding.

4.10.

[gedaagde] heeft verklaard dat zij sterk hecht aan het concurrentiebeding, dat standaard in haar arbeidscontracten wordt opgenomen. Dat zegt op zichzelf nog niets over het belang daarvan in dit specifieke geval. [gedaagde] voert wel aan dat het voor haar van belang is dat zij haar contract met de gemeente [naam gemeente] om gespecialiseerde zorg aan te bieden in de regio ook daadwerkelijk kan uitvoeren, zonder daarbij concurrentie van [bedrijfsnaam] te ondervinden. [gedaagde] heeft haar stelling echter niet toegespitst op de individuele situatie van [eiseres] en heeft niet nader toegelicht hoe [eiseres] in haar toekomstige functie bij [bedrijfsnaam] direct concurrerend opereert. [eiseres] heeft uitgelegd dat zij cliënten aan huis zorg zal leveren in de vorm van begeleiding (bij ‘het praktische leven’) en dat zij, anders dan zij bij [gedaagde] deed, geen behandelingen zal uitvoeren bij haar cliënten. Het kan zijn dat, zoals [gedaagde] aanvoert, de scheiding tussen behandeling en begeleiding niet zo zwart-wit is als het lijkt, maar ook dan heeft [eiseres] voldoende aannemelijk gemaakt dat haar werk als levensloopcoach hoofdzakelijk bestaat uit begeleiding en dat zij geen behandelingen zal uitvoeren. De behandelingen worden overigens door een aparte divisie van [bedrijfsnaam] aangeboden en niet in de regio waar [eiseres] werkzaam zal zijn. Voor het uitvoeren van de behandelingen die [bedrijfsnaam] aanbiedt is [eiseres] (gezien haar opleiding) ook niet bevoegd. Eventuele kennis en ervaring die [eiseres] bij [gedaagde] in het kader van haar behandelingswerk heeft opgedaan neemt zij uiteraard mee, maar dat maakt nog niet dat het werk dat zij bij [bedrijfsnaam] gaat verrichten daarom als directe concurrentie van [gedaagde] heeft te gelden. Ter zitting heeft [eiseres] desgevraagd verklaard dat zij zich niet kan voorstellen dat zij bij [bedrijfsnaam] cliënten zal begeleiden die ook bij [gedaagde] terecht hadden kunnen komen. [gedaagde] heeft dat onvoldoende weersproken. Tot slot is de door [gedaagde] geuite vrees voor precedentwerking te algemeen. [gedaagde] heeft niet concreet gemaakt waar die vrees in dit geval vandaan komt.

4.11.

Uit het voorgaande volgt dat [gedaagde] haar belang bij handhaving van het concurrentiebeding onvoldoende heeft onderbouwd. Tegenover het belang van [gedaagde] staan de belangen van [eiseres] , die naar het oordeel van de voorzieningenrechter zwaarder wegen. [eiseres] heeft voldoende aannemelijk gemaakt dat er sprake is van een positieverbetering. Ze gaat meer verdienen en ook heeft zij uitzicht op doorgroeimogelijkheden binnen de organisatie (zonder dat de behandelkant direct in zicht komt). Aannemelijk is dat [eiseres] meer doorgroeimogelijkheden zal hebben bij [bedrijfsnaam] dan bij [gedaagde] . De stelling van [gedaagde] dat [eiseres] ook bij [gedaagde] had kunnen doorgroeien, na afronding van haar HBO-opleiding, naar een hogere functie, is niet onderbouwd. Ten slotte is het voor [eiseres] van belang dat zij, met een jong gezin, in de omgeving van [woonplaats] aan de slag kan en beperkte reistijd heeft.

4.12.

De conclusie luidt dan ook dat in verhouding tot het te beschermen belang van [gedaagde] [eiseres] onbillijk benadeeld wordt door het concurrentiebeding. De voorzieningenrechter zal de werking van het concurrentiebeding dan ook schorsen totdat de bodemrechter een uitspraak heeft gedaan over de rechtsgeldigheid van het beding.

Aanmelding bedrijfsarts en UWV

4.13.

Ter zitting heeft [eiseres] te kennen gegeven dat zij per 1 februari 2019 – als het concurrentiebeding wordt geschorst – bij [bedrijfsnaam] met een inwerktraject zal beginnen. Hoe dit zich verhoudt tot haar ziekmelding bij [gedaagde] en haar in januari 2019 ontvangen uitkering van het UWV heeft zij onvoldoende concreet gemaakt. In dit kort geding is dan ook onvoldoende aannemelijk geworden dat [eiseres] nog belang heeft bij dit deel van haar vordering, zodat het zal worden afgewezen.

Wettelijke verhoging en wettelijke rente

4.14.

De wettelijke verhoging (artikel 7:625 BW) en de wettelijke rente (artikel 6:119 BW) zullen als onweersproken worden toegewezen zoals [eiseres] heeft gevorderd, zowel over het loon van de maanden november en december 2018, als over de eindejaarsuitkering en het vakantiegeld. [gedaagde] heeft op 30 januari 2019 de betalingen verricht en [eiseres] heeft deze betalingen op 31 januari 2019 ontvangen, zo is ter zitting vastgesteld. De wettelijke verhoging en wettelijke rente worden daarom toegekend vanaf de data van respectievelijke opeisbaarheid tot 31 januari 2019.

4.15.

[gedaagde] heeft op vrijwel alle punten ongelijk gekregen en zal daarom in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten van [eiseres] worden begroot op:

- dagvaarding € 99,01

- griffierecht € 81,00

- salaris gemachtigde € 720,00

Totaal € 900,01.

5 De beslissing

De voorzieningenrechter:

5.1.

schorst de werking van het concurrentiebeding in artikel 12 van de arbeidsovereenkomst met onmiddellijke ingang totdat onherroepelijk is beslist in een bodemprocedure over de rechtsgeldigheid van het concurrentiebeding;

5.2.

verbiedt [gedaagde] om voor de duur van de schorsing van het concurrentiebeding aanspraak te maken op de boeteclausule in artikel 12 van de arbeidsovereenkomst;

5.3.

veroordeelt [gedaagde] om aan [eiseres] te betalen:

-de wettelijke verhoging als bedoeld in artikel 7:625 BW over het loon van de maanden november 2018 en december 2018, over de eindejaarsuitkering van € 2.040,54 en over het vakantiegeld van € 1.026,90, vanaf de data van respectievelijke opeisbaarheid tot

31 januari 2019;

-de wettelijke rente over het loon van de maanden november 2018 en december 2018, over de eindejaarsuitkering van € 2.040,54 en over het vakantiegeld van € 1.026,90, vanaf de data van respectievelijke opeisbaarheid tot 31 januari 2019;

5.4.

veroordeelt [gedaagde] tot betaling van de proceskosten aan de zijde van [eiseres] , tot de uitspraak van dit vonnis begroot op € 900,01 waarin begrepen € 720,00 aan salaris gemachtigde;

5.5.

verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

5.6.

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. A.J. Reitsma, kantonrechter, en is in aanwezigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 31 januari 2019.