Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2019:938

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
05-03-2019
Datum publicatie
13-03-2019
Zaaknummer
UTR 18/2502
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

WIA, CBBS en deskundigenverzoek

In het besluit van 18 oktober 2017 (het primaire besluit) heeft verweerder de uitkering van eiser op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) per 18 december 2017 beëindigd.

De rechtbank wijst het verzoek van eiser om een medisch deskundige in te schakelen af, omdat er naar het oordeel van de rechtbank geen sprake is van ‘inequality of arms’ vanwege eisers financiële situatie. Niet is gebleken dat eiser ook daadwerkelijk bij zijn behandelaar heeft geïnformeerd of er kosten zijn verbonden aan het opvragen van informatie. Of en zo ja, welke kosten daaraan zijn verbonden is daarom onduidelijk gebleven. Daarmee is onvoldoende onderbouwd dat eiser door zijn financiële situatie niet in staat was die informatie in het geding te brengen. De rechtbank vindt daarbij ook van belang dat eiser op de zitting weliswaar naar voren heeft gebracht dat hij niet in staat is om rond te komen, maar dat niet heeft onderbouwd met relevante stukken. De rechtbank twijfelt verder niet aan de zorgvuldigheid en juistheid van het medisch onderzoek, zodat ook daarin geen reden is gelegen voor het inschakelen van een medisch deskundige.

Ook voor het inschakelen van een deskundige arbeidsdeskundige ziet de rechtbank geen aanleiding. In vaste rechtspraak van de CRvB zoals de uitspraak van 8 augustus 2006, ECLI:NL:CRVB:2006:AY6390, is bepaald dat verweerder in beginsel mag uitgaan van de juistheid van aan het CBBS ontleende gegevens. Pas als die juistheid voldoende gemotiveerd wordt bestreden of als de rechter zelf aan de juistheid van die gegevens twijfelt, kan van verweerder worden verlangd dat hij de betreffende gegevens overgelegd zodat verificatie daarvan mogelijk is. Het algemene betoog van eiser op de zitting is onvoldoende feitelijk en specifiek en doet de rechtbank niet twijfelen aan de juistheid van de CBBS gegevens. De rechtbank ziet daarom geen reden voor het oordeel dat verweerder deze gegevens had moeten overgelegen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Zittingsplaats Utrecht

Bestuursrecht

zaaknummer: UTR 18/2502

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 5 maart 2019 in de zaak tussen

[eiser] , te [woonplaats] , eiser

(gemachtigde: mr. R.J. Hoogeveen)

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv), verweerder

(gemachtigde: M. Tiemersma).

Procesverloop

In het besluit van 18 oktober 2017 (het primaire besluit) heeft verweerder de uitkering van eiser op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) per 18 december 2017 beëindigd.

In het besluit van 30 mei 2018 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard.

Eiser heeft vervolgens beroep ingediend. Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het beroep is op zitting behandeld op 27 november 2018. Eiser is daarbij verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1.1

De rechtbank gaat uit van de volgende feiten. Eiser werkte als chauffeur bij het […] voor 38 uur per week. Op 30 mei 2005 heeft hij zich voor dit werk ziekgemeld vanwege medische klachten. Na twee jaar heeft verweerder de werkgever van eiser een loondoorbetalingsverplichting van 52 weken opgelegd. Per einde wachttijd, heeft verweerder eisers aanvraag om een WIA-uitkering afgewezen omdat eiser minder dan 35% arbeidsongeschikt wordt beschouwd. Na een herbeoordeling wordt eiser 80 tot 100% arbeidsongeschikt bevonden, zodat hij alsnog in aanmerking wordt gebracht voor WIA‑uitkering.

1.2

Op 5 oktober 2016 is eisers mate van arbeidsongeschiktheid herbeoordeeld op grond waarvan eiser opnieuw minder dan 35% arbeidsongeschikt wordt beschouwd. Verweerder heeft de WIA-uitkering van eiser vervolgens per 7 december 2016 beëindigd. Naar aanleiding van het bezwaar dat eiser hiertegen heeft ingediend wordt eisers mate van arbeidsongeschiktheid gecorrigeerd vastgesteld op 42,42%. De WIA-uitkering van eiser wordt daarom alsnog voortgezet op basis van deze mate van arbeidsongeschiktheid. Het beroep dat eiser vervolgens heeft ingediend is door deze rechtbank bij uitspraak van 22 november 2017, ECLI:NL:RBMNE:2017:6922, ongegrond verklaard.

1.3

Naar aanleiding van een melding toegenomen arbeidsongeschiktheid van eiser, heeft verweerder de besluiten genomen die onder ‘Procesverloop’ staan vermeld.

2. Aan het bestreden besluit heeft verweerder ten grondslag gelegd dat eiser geen recht meer heeft op een WIA-uitkering, omdat hij minder dan 35% arbeidsongeschikt wordt beschouwd. Verweerder heeft zich daarbij gebaseerd op medische en arbeidskundige rapporten. Eiser is het hier niet mee eens. De rechtbank moet beoordelen of verweerder de mate van arbeidsongeschiktheid van eiser per 18 december 2017 terecht heeft vastgesteld op 33,61%.

3. Bij haar beoordeling stelt de rechtbank voorop dat verweerder besluiten over iemands arbeidsongeschiktheid mag baseren op rapporten van verzekeringsartsen wanneer deze op een zorgvuldige manier tot stand zijn gekomen, geen tegenstrijdigheden bevatten en voldoende begrijpelijk zijn. Dit betekent niet dat de rapporten en de daarop gebaseerde besluitvorming in beroep onaantastbaar zijn. Het is aan een eiser om aan te voeren en zo nodig aannemelijk te maken dat de rapporten niet op zorgvuldige wijze tot stand zijn gekomen, tegenstrijdigheden bevatten, onvoldoende begrijpelijk zijn of dat de daarin gegeven beoordeling onjuist is. Tegenstrijdigheden, onzorgvuldigheden en onbegrijpelijkheden in de rapporten kunnen aannemelijk gemaakt worden door niet medisch geschoolden. Voor het aannemelijk maken dat de gegeven medische beoordeling onjuist is, is in beginsel een rapport van een arts nodig. Dit brengt mee dat de manier waarop iemand zelf zijn gezondheidsklachten ervaart, geen toereikende grondslag vormt voor het aannemen van een hogere mate van arbeidsongeschiktheid.

4. Eiser voert aan dat het bestreden besluit onzorgvuldig is, omdat verweerder niet op al zijn bezwaargronden heeft beslist. Verweerder is niet ingegaan op het bezwaar van eiser tegen het feit dat er ten opzichte van de beoordeling van eisers belastbaarheid in 2016 méér beperkingen voor eiser zijn vastgesteld, maar zijn mate van arbeidsongeschiktheid desondanks lager uitvalt.

5.1

De rechtbank stelt voorop dat artikel 7:11, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) voorschrijft dat verweerder een besluit volledig heroverweegt op de grondslag van het bezwaar. Dit betekent dat verweerder op alle ingediende bezwaargronden moet beslissen. De rechtbank stelt vast dat voornoemde bezwaargrond van eiser in het bestreden besluit, maar ook in rapporten die daaraan ten grondslag liggen, door verweerder onbesproken is gelaten. Verweerder heeft daarmee in strijd gehandeld met artikel 7:11, eerste lid, van de Awb, zodat sprake is van een motiveringsgebrek in het bestreden besluit. Het beroep van eiser is daarom gegrond en het bestreden besluit zal worden vernietigd.

5.2

Eiser heeft de bezwaargrond over zijn mate van arbeidsongeschiktheid ook in beroep aangevoerd. Op de zitting is de gemachtigde van verweerder hier op ingegaan en heeft uitgelegd dat het lagere arbeidsongeschiktheidspercentage van eiser niet alleen verband houdt met eisers beperkingen, maar ook met de functies die in het CBBS‑systeem staan en het moment waarop dat systeem door de arbeidsdeskundige wordt geraadpleegd. Tussen de beoordeling van eisers belastbaarheid in 2016 en de onderhavige beoordeling is het CBBS‑systeem waarschijnlijk vernieuwd waarbij nieuwe functies zijn toegevoegd en bestaande functies zijn gewijzigd bijvoorbeeld naar taakomschrijving of loon. Volgens de gemachtigde van verweerder is dat de reden dat eiser bij onderhavige beoordeling (per 18 december 2017) in staat wordt geacht de functie van ‘Productiemedewerker samenstellen van producten’ (SBC-111180) te kunnen doen, terwijl die functie ten tijde van de beoordeling in 2016 niet voor eiser werd geduid. De rechtbank kan deze toelichting volgen en overweegt daarbij dat verweerder ter onderbouwing van het bestreden besluit niet hoeft te motiveren waarom de belastbaarheid van eiser is gewijzigd ten opzichte van een beoordeling in het verleden. Hiermee heeft verweerder het geconstateerde gebrek in het bestreden besluit hersteld. De rechtbank zal daarom de overige beroepsgronden van eiser beoordelen en bekijken of zij aanleiding ziet om de rechtsgevolgen van het vernietigde bestreden besluit op grond van artikel 8:72, derde lid, aanhef en onder a, van de Awb in stand te laten.

6. Eiser verzoekt de rechtbank om een deskundige in te schakelen, omdat zijn beroep aanleiding geeft voor twijfel aan de medische beoordeling. Daarbij komt dat eiser zelf geen geld heeft voor het inschakelen van een deskundige of voor het opvragen van medische informatie bij zijn behandelaars waarmee hij zijn beroep kan onderbouwen, zodat om die reden sprake is van een oneerlijk proces. In dat kader verwijst eiser naar de uitspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens van 8 oktober 2015 (Korošec tegen Slovenië, ECLI:CE:ECHR:2015:1008JUD007721212). Ook verwijst eiser naar de uitspraak van Centrale Raad van Beroep (CRvB) van 28 juli 2017, ECLI:NL:CRVB:2017:2770, met annotatie van E. van den Boogaard.

7. De rechtbank ziet in wat eiser naar voren heeft gebracht geen aanleiding om een deskundige in te schakelen. In de uitspraak van 30 juni 2017, ECLI:NL:CRVB:2017:2226, heeft de CRvB, gelet op het arrest Korošec, de uitgangspunten uiteengezet voor de toetsing door de bestuursrechter van de beoordeling door verzekeringsartsen van het Uwv. Dat leidt in dit geval tot het volgende.

Stap 1: zorgvuldigheid van de besluitvorming

8. Volgens eiser is de medische beoordeling onzorgvuldig is geweest, omdat de verzekeringsartsen geen informatie hebben opgevraagd bij zijn orthopedisch chirurg. Op de zitting heeft de gemachtigde van eiser toegelicht dat eiser bij het onderzoek in bezwaar weliswaar heeft gezegd dat hij niet onder behandeling was, maar dat dit niet klopte. Eiser was op dat moment wél onder behandeling bij de orthopedisch chirurg. Gelet op de doorverwijzingsbrief in het dossier waarin de orthopedisch chirurg eiser doorverwijst naar de pijnpoli, had dit voor de verzekeringsarts bezwaar en beroep duidelijk kunnen zijn. Bovendien heeft de orthopedisch chirurg een beredeneerd afwijkend standpunt over de beperkingen van eiser. Op de zitting heeft eiser toegelicht dat dat standpunt inhoudt dat hij eiser energetisch beperkt acht vanwege de forse pijnklachten die eiser heeft. Ook om die reden had dus informatie moeten worden opgevraagd bij de orthopedisch chirurg, aldus de gemachtigde van eiser.

9.1

De rechtbank ziet in wat eiser naar voren heeft gebracht geen aanleiding voor het oordeel dat het medisch onderzoek onzorgvuldig is geweest. De primaire verzekeringsarts [A] heeft eiser lichamelijk onderzocht. De verzekeringsarts bezwaar en beroep [B] heeft dossierstudie verricht en heeft eiser gezien tijdens de hoorzitting en daarbij een anamnese bij eiser afgenomen. Zij heeft geen aanvullende medische informatie opgevraagd bij de behandelaars van eiser omdat eiser volgens haar voldoende geïnformeerd bleek over zijn klachten en behandeling en dat op adequate wijze wist te verwoorden tijdens het onderzoek. Hierdoor was er voldoende informatie voorhanden om beperkingen voor eiser vast te stellen in arbeid. Over het standpunt van eiser dat dit ten onrechte is geweest, overweegt de rechtbank dat een verzekeringsarts in beginsel mag varen op zijn eigen oordeel. De rechtbank verwijst hiervoor naar vaste rechtspraak, zoals de uitspraak van de CRvB van 7 december 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:4971. Raadpleging van de behandelend sector is slechts aangewezen in die gevallen waarin een behandeling in gang is gezet of zal worden die een beduidend effect zal hebben op de mogelijkheden van eiser tot het verrichten van arbeid, of als eiser stelt dat de behandelend sector een beredeneerd afwijkend standpunt heeft over zijn beperkingen.

9.2

De rechtbank overweegt dat de verwijzingsbrief waar eiser zich op beroept niet in het dossier zit waar de rechtbank over beschikt. Nu eiser heeft bevestigd dat hij niets over de verwijzing heeft gezegd tegen [B] kan de rechtbank niet vaststellen dat de verwijzing naar de pijnpoli bij haar bekend was. Daar komt bij dat eiser onvoldoende concreet heeft onderbouwd dat de orthopedisch chirurg een beredeneerd afwijkend standpunt heeft over zijn beperkingen. Uit het rapport van [B] volgt immers dat eiser melding heeft gemaakt van de pijnklachten en dat hiermee rekening is gehouden bij het vaststellen van beperkingen. De omstandigheid dat [B] daarin geen aanleiding heeft gezien om nog nadere informatie in te winnen bij de orthopedisch chirurg, maakt haar onderzoek niet onzorgvuldig. De beroepsgrond slaagt niet.

Stap 2: equality of arms

10. De rechtbank ziet geen aanleiding voor het oordeel dat eiser belemmeringen heeft ondervonden bij de onderbouwing van zijn standpunt dat verweerder zijn beperkingen heeft onderschat. Daarbij betrekt de rechtbank dat eiser voldoende ruimte heeft gehad om medische stukken in te dienen, maar geen gebruik heeft gemaakt van die ruimte. Op de zitting heeft eiser toegelicht dat hij aanvullende informatie van de orthopedisch chirurg in het geding had willen brengen, maar dit niet heeft opgevraagd omdat hij dat niet kan betalen. Op de zitting is echter niet gebleken dat eiser ook daadwerkelijk bij de orthopedisch chirurg heeft geïnformeerd of er kosten zijn verbonden aan het opvragen van de informatie. Of en zo ja, welke kosten daaraan zijn verbonden is daarom onduidelijk gebleven. Daarmee is onvoldoende onderbouwd dat eiser door zijn financiële situatie niet in staat was die informatie in het geding te brengen. De rechtbank vindt daarbij ook van belang dat eiser op de zitting weliswaar naar voren heeft gebracht dat hij niet in staat is om rond te komen, maar dat niet heeft onderbouwd met relevante stukken.

Stap 3: inhoudelijke beoordeling

11. Eiser voert aan dat het medisch onderzoek onjuist is. Er had een urenbeperking voor eiser moeten worden aangenomen, omdat hij structureel kampt met een tekort aan energie door de combinatie van zijn fybromyalgie en psychische klachten. Hierdoor is sprake van een ernstig slaaptekort en hoge rustbehoefte.

12.1

De rechtbank volgt eiser hierin niet en stelt voorop dat een urenbeperking pas aan de orde komt als met het vaststellen van andere beperkingen niet voldoende recht kan worden gedaan aan de mogelijkheden en beperkingen van eiser. Uit de rapporten van de verzekeringsartsen blijkt in de eerste plaats dat eiser kampt met artrose in zijn bekken, onderrug en heupen. Verder is sprake van schouderklachten, fybromyalgie en diverse pijnklachten en kampt eiser met psychische (angst-)klachten.

12.2

Over de fysieke klachten die eiser heeft oordeelt [B] in haar rapport van 16 mei 2018, dat die voldoende worden ondervangen door de beperkingen die [A] daarvoor in de FML heeft aangenomen. Eiser is vanwege zijn artrose in de FML onder meer aangewezen op werk zonder grove trillingsbelasting, zware werkkleding en blootstelling aan kou. De medicatie die eiser gebruikt zorgen ervoor dat eiser minder alert en trager is. Voor vervoer is eiser in de FML daarom aangewezen op hulp van anderen. Ook is hij beperkt geacht voor het werken op verhogingen en met gevaarlijke machines. Verder zijn er verschillende beperkingen voor eiser aangenomen die de schouder- rug- en kniebelasting in werk verminderen. Eiser is bijvoorbeeld beperkt geacht in buigen, frequent buigen tijdens werk en torderen. Ook zijn er beperkingen voor eiser aangenomen in staan en zitten, waarbij is opgemerkt dat eiser dat alleen kan als hij daarbij de mogelijkheid heeft om regelmatig te vertreden. Ook is eiser beperkt geacht voor duwen en trekken, tillen en dragen en het frequent hanteren van lichte en zware voorwerpen. Hoewel de stok waar eiser mee loopt thans niet medisch is voorgeschreven, is eiser vanwege zijn artrose ook beperkt geacht voor lopen tijdens werk, trappenlopen en klimmen. Eiser is daarnaast beperkt in staat geacht om geknield/gehurkt of gebogen/getordeerd actief te zijn. De schouderklachten en de pijnklachten die eiser heeft van zijn fybromyalgie worden ook ondervangen door deze fysieke beperkingen in de FML. Verder is eiser hiervoor beperkt geacht op boven schouderhoogte actief zijn en frequent reiken.

12.3

De zware pijnmedicatie, psychische klachten en de slaapstoornis waar eiser mee kampt, hebben [A] ook aanleiding gegeven om beperkingen voor eiser vast te stellen in de FML. Eisers medicatie zorgt voor concentratieproblemen en een traag reactievermogen. Hiervoor is eiser in de FML onder meer aangewezen op werk waarin geen sprake is van veelvuldige storingen en onderbrekingen, veelvuldige deadlines en productiepieken en een hoog handelingstempo. Ook is eiser aangewezen op een voorspelbare werksituatie. Vanwege zijn psychische klachten is eiser beperkt geacht in het omgaan met conflicten en wordt hij niet in staat geacht werk te doen dat leidinggevende aspecten heeft. [B] onderschrijft deze beperkingen en oordeelt dat die passend zijn bij de klachten en aandoeningen die eiser heeft, voor zover die medisch objectiveerbaar zijn. Omdat bij eiser sprake is van een slaapstoornis en daardoor van vermoeidheidsklachten en omdat een verdere verstoring van het dag- nachtritme ongewenst is, heeft [A] eiser volgens [B] terecht beperkt geacht voor ‘s nachts en ’s avonds werken. Ook is eiser in de FML terecht in staat geacht om maximaal 8 uur per dag en 40 uur per week te werken. Voor een verdergaande urenbeperking bestaat volgens [B] geen medische noodzaak. Eiser volgt op de datum in geding van 18 december 2017 immers geen behandeling die een of meer dagdelen per week in beslag neemt. Ook is geen sprake van een ernstige stoornis bij eiser die gepaard gaat met een afnemend energetisch vermogen, zoals een ernstige hart- of longaandoening of een zeer ernstige depressie. Voor een urenbeperking op preventieve gronden is evenmin aanleiding omdat eiser geen aandoening heeft waarvoor een dagelijkse herstelperiode nodig is om gezondheidsschade te voorkomen.

12.4

De rechtbank kan de redeneringen en conclusies van [A] en [B] volgen en ziet daarbij niet dat zij relevante informatie over de gezondheidstoestand van eiser hebben gemist of ten onrechte niet hebben betrokken bij hun beoordeling. Alle door eiser genoemde klachten en aandoeningen zijn door de verzekeringsartsen onderkend en vertaald naar beperkingen in de FML van 16 mei 2018. Ook is de rechtbank niet gebleken dat de beoordeling niet in lijn is met het verzekeringsgeneeskundige protocol Artrose en de standaard Duurbelastbaarheid. Eiser heeft ook niet concreet gemaakt aan welke vereisten uit deze protocollen niet is voldaan. Voor zover eiser heeft gewezen op het protocol CVS kan de rechtbank hem niet volgen. Bij eiser is geen CVS vastgesteld. Aan de wijze waarop eiser zelf zijn klachten ervaart, kan in de systematiek van de arbeidsongeschiktheidsbeoordeling geen doorslaggevende betekenis toekomen. Alleen klachten die kunnen worden geobjectiveerd met medische gegevens kunnen leiden tot het aannemen van beperkingen voor het verrichten van arbeid. Het betoog van eiser slaagt niet.

13. Gelet op al het voorgaande ziet de rechtbank geen aanleiding voor het oordeel dat het medisch onderzoek onzorgvuldig is geweest. Ook ziet de rechtbank geen reden om aan te nemen dat eiser belemmeringen heeft ondervonden bij de onderbouwing van zijn standpunt dat verweerder zijn beperkingen heeft onderschat, zodat sprake zou zijn van een oneerlijk proces. Tot slot twijfelt de rechtbank ook niet aan de juistheid van de medische beoordeling, zodat ook daarin geen reden bestaat voor het inschakelen van een onafhankelijk deskundige. De rechtbank wijst het verzoek van eiser daarom af.

Arbeidskundige beoordeling

14.1

Op de zitting is namens eiser nog aangevoerd dat verweerder onvoldoende inzicht heeft verschaft in de veranderingen die vanaf 2016 in het CBBS‑systeem zouden zijn doorgevoerd, zodat het eiser onmogelijk wordt gemaakt om dat te verifiëren. De rechtbank volgt eiser hierin niet. In vaste rechtspraak van de CRvB zoals de uitspraak van 8 augustus 2006, ECLI:NL:CRVB:2006:AY6390, is bepaald dat verweerder in beginsel mag uitgaan van de juistheid van aan het CBBS ontleende gegevens. Pas als die juistheid voldoende gemotiveerd wordt bestreden of als de rechter zelf aan de juistheid van die gegevens twijfelt, kan van verweerder worden verlangd dat hij de betreffende gegevens overgelegd zodat verificatie daarvan mogelijk is. Zoals onder rechtsoverweging 5.2 is overwogen kan de rechtbank de toelichting van de gemachtigde van verweerder volgen. Het algemene betoog van eiser op de zitting is onvoldoende feitelijk en specifiek en doet de rechtbank niet twijfelen aan de juistheid van de CBBS‑gegevens. De rechtbank ziet daarom geen reden voor het oordeel dat verweerder deze gegevens had moeten overgelegen.

14.2

Op de zitting heeft de gemachtigde van eiser de rechtbank in dit kader ook verzocht om een deskundige (arbeidsdeskundige) in te schakelen die het nodige inzicht kan verschaffen in de veranderingen die vanaf 2016 in het CBBS‑systeem zouden zijn doorgevoerd. Omdat de rechtbank in deze zaak niet twijfelt aan de juistheid van de CBBS‑gegevens, ziet zij ook geen aanleiding om daar een deskundige voor aan te wijzen. Dit verzoek wordt dan ook afgewezen.

14.3

Tegen de arbeidskundige beoordeling heeft eiser verder geen specifieke beroepsgronden naar voren gebracht, anders dan dat hij de functies om medische redenen niet kan verrichten. Uit wat hiervoor is overwogen volgt dat ervan uit moet worden gegaan dat de beperkingen van eiser, zoals opgenomen in de FML van 16 mei 2018, juist zijn. Er bestaat daarom geen aanleiding voor het oordeel dat eiser de functies die geduid zijn op grond van die FML, niet zou kunnen doen. Daarbij neemt de rechtbank in aanmerking dat de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep [C] in zijn rapport van 25 mei 2018, per functie toereikend heeft gemotiveerd waarom daarin de belastbaarheid van eiser niet wordt overschreden. De rechtbank kan de redeneringen en conclusies van [C] volgen en oordeelt dat het bestreden besluit is voorzien van een zorgvuldige arbeidskundige grondslag.

15. Nu uit het arbeidskundig onderzoek blijkt dat de mate van arbeidsongeschiktheid van eiser 33,61% is, heeft verweerder eisers WIA-uitkering terecht beëindigd. De overige beroepsgronden die eiser heeft aangevoerd slagen niet. De rechtbank laat de rechtsgevolgen van het vernietigde bestreden besluit daarom in stand. Dit betekent dat het beroep weliswaar gegrond is, maar dat eiser inhoudelijk geen gelijk krijgt in de zaak.

16. Omdat de rechtbank het beroep van eiser vanwege het onder rechtsoverweging 5.1 geconstateerde motiveringsgebrek gegrond verklaart, veroordeelt zij verweerder in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.024, (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen op de zitting met een waarde per punt van € 512,-- en een wegingsfactor 1).

17. De rechtbank bepaalt tot slot dat verweerder het door eiser betaalde griffierecht van € 46,-- aan hem vergoedt.

Beslissing

De rechtbank:

 verklaart het beroep gegrond;

 vernietigt het bestreden besluit;

 bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde bestreden besluit in stand blijven;

 veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 1.024,--;

 bepaalt dat verweerder het door eiser betaalde griffierecht van € 46,-- aan hem vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door mr. R.C. Moed, rechter, in aanwezigheid van mr. N.K. de Bruin, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 5 maart 2019.

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending van het proces-verbaal daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.