Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2019:861

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
01-03-2019
Datum publicatie
01-03-2019
Zaaknummer
16/180690-18 (P)
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:GHARL:2020:5524
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De 19-jarige verdachte is door de rechtbank Midden-Nederland veroordeeld voor het medeplegen van een poging doodslag op 11 september in Almere. Hij heeft het slachtofer op het hoofd en het lichaam geslagen en/of gestompt en hij heeft het slachtoffer met één of meerdere scherpe voorwrepen gestoken. Bij het bepalen van de straf heeft de rechtbank gekeken naar de persoon van de verdachte, het reclasseringsadvies en heeft de rechtbank gekeken naar straffen die in soortgelijke zaken worden opgelegd.

De rechtbank veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 5 jaar.

De beslissing berust op de artikelen: 36c, 36f, 45, 57 en 287 van het Wetboek van Strafrecht en 2, 10 en 13a van de Opiumwet, zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Jwr 2019/27
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Afdeling Strafrecht

Zittingsplaats Lelystad

Parketnummer: 16/180690-18 (P)

Vonnis van de meervoudige kamer van 1 maart 2019

in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren op [1999] te [geboorteplaats] ,

thans gedetineerd in Justitieel Complex Zaanstad.

1 ONDERZOEK TER TERECHTZITTING

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 15 februari 2019.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering en standpunten van officier van justitie mr. A.A. Nieli en van hetgeen verdachte en zijn raadsman, mr. T. Den Haan, advocaat te Amsterdam, alsmede de benadeelde partij [slachtoffer] en zijn advocaat, mr. J.A. Neslo, advocaat te Almere, naar voren hebben gebracht.

2 TENLASTELEGGING

De tenlastelegging is op de zitting van 15 februari 2019 nader omschreven. De nader omschreven tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte:

Op 11 september 2018 te Almere (met (een) ander(en), althans alleen),

1. heeft geprobeerd [slachtoffer] te doden door (met een stomp/zwaar voorwerp) op zijn hoofd/gezicht/lichaam te slaan (waardoor [slachtoffer] buiten bewustzijn is geweest) en/of daarbij met (een) mes(sen) die [slachtoffer] in zijn zij en/of borstkas en/of de arm(en) en/of het been/de benen te steken;

2. heeft geprobeerd in een woning aan de [adres] te [woonplaats] [slachtoffer] met (bedreiging met) geweld te dwingen tot de afgifte van 125 euro, terwijl het feit zwaar lichamelijk letsel, te weten een klaplong en/of een beschadiging aan de milt en/of een (af)gebroken rib en/of meerdere littekens tot gevolg heeft gehad;

3. opzettelijk ongeveer 1,98 gram heroïne en/of ongeveer 1,55 gram cocaïne aanwezig heeft gehad.

3 VOORVRAGEN

De dagvaarding is geldig, de rechtbank is bevoegd tot kennisneming van het ten laste gelegde, de officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging van verdachte en er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging.

4 WAARDERING VAN HET BEWIJS

4.1

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht het onder 1, 2 en 3 ten laste gelegde wettig en overtuigend te bewijzen. De officier van justitie heeft, kort en zakelijk weergegeven, onder meer het volgende betoogd:

Ten aanzien van feit 1:

De verklaring van aangever [slachtoffer] is betrouwbaar, terwijl de verklaring van verdachte op diverse essentiële punten ongeloofwaardig is. Uit de bewijsmiddelen volgt dat er is gestoken door verdachte of [A] . Het is onduidelijk door wie van hen, maar het aandeel van verdachte is van voldoende gewicht om van medeplegen te kunnen spreken. Door zeven keer met een mes te steken, waarbij vitale organen zijn geraakt, is op zijn minst genomen sprake van voorwaardelijk opzet op het doen intreden van de dood.

Ten aanzien van feit 2:

Uit de bewijsmiddelen volgt dat er een conflict bestond tussen verdachte en [slachtoffer] over drugsgeld. [slachtoffer] heeft onder meer verklaard dat verdachte heeft gezegd ‘geef mij die 125. Jij moet nog betalen.’ Uit voornoemd conflict volgt het oogmerk [slachtoffer] te dwingen tot afgifte van het geld. Dit feit heeft zwaar lichamelijk letsel tot gevolg gehad.

Ten aanzien van feit 3

De verdovende middelen zijn onder de verdachte aangetroffen en inbeslaggenomen. Daarmee is het bewijs van het tenlastegelegde gegeven.

4.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft vrijspraak bepleit van het onder 1 en 2 ten laste gelegde en zich ten aanzien van het onder 3 ten laste gelegde gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank. Ten aanzien van het onder 1 en 2 ten laste gelegde heeft de raadsman kort en zakelijk weergegeven het volgende aangevoerd.

Aangever [slachtoffer] heeft geen gedetailleerde verklaring afgelegd en heeft een en ander veralgemeniseerd. Hij weet niet wie hem heeft gestoken. Bovendien heeft hij op diverse punten niet consistent verklaard. Hier staat de gedetailleerde verklaring van verdachte zoals door hem ter terechtzitting afgelegd tegenover. Deze verklaring van verdachte kan niet ter zijde worden geschoven; hij schetst een helder beeld van wat in de woning van [slachtoffer] is voorgevallen.

Uit de verklaring van [slachtoffer] kan worden afgeleid dat er geen sprake was van een conflict over die € 125,00, hetgeen in lijn is met de verklaring van verdachte. Dit kan dan ook niet als motief voor het aangewende geweld en de daderschap van verdachte worden gezien. Een contra-indicatie voor daderschap is de constatering dat uit forensisch onderzoek is gebleken dat verdachte brandschoon was; uit het dossier volgt niet dat verdachte gelegenheid heeft gehad zich te douchen en andere kleding aan te trekken.

4.3

Het oordeel van de rechtbank

Bewijsmiddelen 1

Ten aanzien van feit 1:

In een proces-verbaal van bevindingen staat onder meer, zakelijk weergegeven, het volgende gerelateerd:

‘Wij kregen op 11 september 2018 omstreeks 19.55 uur de melding om te gaan naar de [adres] te [woonplaats] . Aldaar zou er gevochten zijn in de woning. Wij zagen dat, naar later bleek het slachtoffer [slachtoffer] , in de deuropening stond. Hij stond in zijn onderbroek en had een ontbloot bovenlijf. Ik zag dat [slachtoffer] een shirt tegen zijn bovenbeen hield. Ik zag dat hij onder het bloed zat. Ik zag dat de gehele woning onder het bloed zat. Wij zagen dat hij op de bank ging zitten en zei: "Ik heb pijn." Hij wees naar zijn zij. Wij zagen dat er een snijwond in zijn linker zij zat, ter hoogte van zijn ribben. Wij zagen dat er ook snij/steekwonden in zijn linker bovenarm en bovenbeen zaten. Wij zagen dat er veel bloed uit deze wonden kwam.
Op de vraag wat er was gebeurd antwoordde hij: "Gestoken. 2 jongens." Hierop vroeg ik, verbalisant [verbalisant] of hij die jongens kende. Wij hoorden dat hij zei: "Ja."2

Aangever [slachtoffer] heeft als getuige ter terechtzitting onder meer verklaard, zakelijk weergegeven:

‘Op 11 september 2018 heeft verdachte mij gebeld en gevraagd of hij en een vriend van hem – die ik ken als [A] – konden langskomen. Die [A] mocht niet meekomen van mij, ik mag hem niet. Hij heeft [A] toch meegenomen want vervolgens stonden verdachte en ook [A] voor de deur die dag en ik heb ze beiden binnen gelaten in mijn woning.

Ik kocht mijn cocaïne bij verdachte en er is daaruit een schuld ontstaan van € 125,00 bij verdachte. Ik heb mijn bankpasje met pincode aan verdachte gegeven om mijn schuld te betalen, dit was al een tijd vóór 11 september 2018. Toen zij binnen waren was het eerst gezellig, maar op enig moment gingen zij op zoek naar iets waardevols in mijn woning. Ze waren beiden aan het zoeken. Verdachte deed de ramen dicht. Verdachte zei dat ik geld aan hem moest terugbetalen. Verdachte en [A] gingen toen in het Marokkaans met elkaar praten, ik kon het niet verstaan. Ineens kreeg ik van alle kanten klappen op mijn hoofd. Van allebei kreeg ik klappen. Ik heb daarbij messteken aan mijn linkerkant, namelijk in mijn been, mijn zij, mijn rug en dicht bij mijn hart opgelopen.’3

In een letselrapportage betreffende [slachtoffer] , opgemaakt op 7 december 2018, staat onder meer het volgende opgenomen:

“SEH diagnose:

Thuis heeft meneer veel bloed verloren en is ter plaatse geholpen door het MMT (mobiel medisch team). Hierna is hij overgeplaatst naar het AMC. Hier werd op de SEH een klaplong links vastgesteld en behandeld. Op beeldvormend onderzoek bleek een klein fragment van de linker 9e rib te zijn gebroken.(....)

De buik van meneer is op de operatiekamer geopend en werd een beschadiging van de milt vastgesteld. Van 11-09-2018 t/m 13-09-2018 heeft meneer op de intensive care gelegen en van 13-09 t/m 17-09-2018 op een gewone afdeling (....)

De aanwezige littekens zullen aanwezig blijven.” 4

In voornoemde letselrapportage staat voorts ten aanzien van de geconstateerde littekens, zakelijk weergegeven, het volgende opgenomen:
‘- aan de bovenkant van de linker onderarm is een scherp begrensd paars-roze huidverkleuring zichtbaar. Het is een litteken;
- halverwege de buitenkant van de linker bovenarm is een scherp begrensd paars-roze huidverkleuring zichtbaar. Het is een litteken;
- halverwege de achterkant van de linker bovenarm is een scherp begrensd paars-roze huidverkleuring zichtbaar. Het is een litteken;
- aan de linker zijkant van de borstkas, richting de voorkant, is een scherp begrensd paars-roze huidverkleuring zichtbaar. Het is een litteken;
- onder de linker oksel is een scherp begrensd paars-roze huidverkleuring zichtbaar. Het is een litteken;
- aan de linker zijkant van de borstkas, richting de rug, is een scherp begrensd paars-roze huidverkleuring zichtbaar. Het is een litteken;
- halverwege de buitenkant van het linker bovenbeen is een scherp begrensd paars-roze huidverkleuring zichtbaar. Het is een litteken;

Ten aanzien van voornoemde letsels heeft [slachtoffer] aangegeven dat deze zijn ontstaan door het steken met een mes en in de letselrapportage wordt daarbij (steeds) aangegeven dat deze letsels goed bij deze toedracht kunnen passen.

Over de buik vanaf de onderkant van het borstbeen tot even boven de navel is een scherp begrensd paars-roze huidverkleuring zichtbaar. Het is een litteken. [slachtoffer] vertelt dat dit ontstaan is na en spoedoperatie in het ziekenhuis. Dit kan goed passen bij het geconstateerde letsel.’5

In een proces-verbaal van bevindingen met betrekking tot het uitlezen van de telefoon van [slachtoffer] staat onder meer, zakelijk weergegeven:
‘Dat er op 11 september 2018 om 19:11 uur door [verdachte] is gebeld naar het slachtoffer en dit gesprek 0:28 seconden duurde. Dat er om 19:11 uur nogmaals door [verdachte] is gebeld naar het slachtoffer en dit gesprek 0:16 seconden duurde. Dat er door het slachtoffer om 19:13 uur is teruggebeld naar “ [verdachte] ” en dit gesprek 00:03 seconden duurde. Dat er door het slachtoffer om 19:14 uur is teruggebeld naar “ [verdachte] ” en dit gesprek 00:03 seconden duurde.’

Getuige [getuige] , woonachtig aan de [adres] te [woonplaats] , heeft onder meer verklaard, zakelijk weergegeven:

‘Ik zag vanavond, vlak voordat jullie (de rechtbank begrijpt: de ambtenaren van politie) kwamen, een rode auto aankomen. Ik zag dat het kenteken van het voertuig [kenteken] was. Ik zag dat er twee mannen uit stapten. Ik zag dat de mannen een nogal stoere manier van lopen hadden. Het leek ook alsof zij iets van plan waren, zo liepen ze. Ze liepen in de richting van het hoekje bij nummer [nummer] . Ze liepen erg snel. Ik wist eigenlijk gelijk dat het niet goed was. Ze waren allebei licht getint, beetje stoere mannen en allebei zwart haar. Ik heb ze niet daar naar binnen zien gaan maar vlak erna hoorde ik veel lawaai. Ik hoorde gebonk en gerommel. Dat duurde ongeveer twee minuten. Ik denk dat de rode auto er ongeveer 10 tot 15 minuten heeft gestaan. Het lawaai kwam uit de richting van woning [nummer] .’6

Ze kwamen echt met een vaart aanrijden en stapte meteen uit en liepen versneld naar de buurman.’7

Verdachte heeft onder meer verklaard, zakelijk weergegeven:

‘Ik ben op 11 september 2018 in de avond met een ander, [A] , in mijn auto naar de woning van aangever gegaan en wij zijn bij aangever in zijn woning geweest. [A] heeft aangever in elkaar geslagen; hij heeft hem geslagen en gestompt. [A] en ik zijn tegelijkertijd weggegaan. Wij renden weg uit de woning en zijn in mijn auto gestapt. ’8

Ten aanzien van feit 3:

Het feit is door verdachte begaan. Verdachte heeft het onder 3 ten laste gelegde feit bekend. De raadsman heeft geen vrijspraak voor dit feit bepleit. De rechtbank volstaat onder deze omstandigheden met een opsomming van de volgende bewijsmiddelen:

- de bekennende verklaring van verdachte ter terechtzitting van 15 februari 2019;9

- het Proces-verbaal van bevindingen ‘aantreffen drugs in fouillering’;10

- het ‘Proces-verbaal onderzoek verdovende middelen’;11

- de rapportages van het Nederlands Forensisch Instituut.12

Bewijsoverwegingen ten aanzien van feit 1:

Op grond van de inhoud van de hiervoor genoemde bewijsmiddelen stelt de rechtbank de volgende feiten en omstandigheden vast:

  • -

    verdachte heeft kort voordat hij naar aangever ging, telefonisch contact gezocht met aangever en met aangever afgesproken om bij hem, aangever, langs te gaan;

  • -

    aangever heeft tegen verdachte gezegd dat hij niet wilde dat [A] mee zou komen;

  • -

    verdachte is vervolgens met [A] naar aangevers woning gegaan, in kennelijke haast;

  • -

    aangever heeft verdachte en [A] binnengelaten in zijn woning;

  • -

    dat er vervolgens buiten de woning van aangever gebonk en gerommel hoorbaar was, kennelijk afkomstig uit die woning;

  • -

    verdachte en [A] hebben in die woning geweld jegens aangever gebruikt, welk geweld bestond uit het slaan/stompen door zowel verdachte als [A] ;

  • -

    aangever vlak daarna ontdekte dat hij meermalen was gestoken;

  • -

    verdachte en [A] zijn vervolgens gezamenlijk die woning uitgerend.

Verklaring(en) / proceshouding verdachte

Verdachte heeft zich gedurende het voorbereidende onderzoek veelal op zijn zwijgrecht beroepen en pas bij de rechter-commissaris op enkele inhoudelijke vragen antwoord gegeven. Hij heeft toen verklaard dat hij in de woning van aangever was en dat er ruzie ontstond met aangever.

Tijdens het onderzoek ter terechtzitting heeft verdachte meer vragen beantwoord. Zo heeft hij erkend dat hij in de woning was toen er geweld werd gebruikt jegens aangever, maar heeft hij ontkend dat hij zelf daarin enig aandeel heeft gehad. Verdachte heeft verklaard dat de met hem meegekomen man, [A] , waarvan hij nadere persoonsgegevens niet wil noemen, uit het niets begon te schreeuwen en de aangever heeft geslagen, waarbij verdachte niet heeft gezien dat aangever is gestoken. Evenmin heeft verdachte een mes gezien, zo heeft hij verklaard. Derhalve legt verdachte – uiteindelijk, na eerst te hebben gezwegen – de verantwoordelijkheid voor alles wat aangever is aangedaan, zowel daar waar het gaat over de aanleiding als ook de geweldshandelingen, neer bij de niet nader door verdachte aangeduide man [A] .

Betrouwbaarheid verklaring(en) van aangever

Aangever is diverse malen gehoord door de politie. Het eerste, korte, verhoor vond krap een dag na het incident plaats toen aangever in het ziekenhuis verbleef en op de afdeling intensive care werd verpleegd en verzorgd. Aangever heeft toen verklaard dat beide personen een mes hadden en dat beiden hebben gestoken. In het desbetreffende proces-verbaal relateren verbalisanten dat aangever meermalen op een morfinepomp drukte, dat aangever emotioneel werd en dat hij aangaf dat hij pijn heeft en niet verder wil spreken, waarop verbalisanten hebben aangeven dat een nader verhoor zal worden afgenomen als hij beter aanspreekbaar is. De rechtbank zal deze verklaring, gelet op wat aldus is gebleken over aangevers toestand toen en daar, niet bezigen voor het bewijs.

Het nadere verhoor van aangever heeft vervolgens plaatsgevonden op 15 september 2018. Tijdens dat verhoor heeft aangever uitgebreider en gedetailleerder verklaard over wat zich op 11 september 2018 heeft afgespeeld in zijn woning en wat hem is aangedaan. Aangever heeft onder meer verklaard dat het beide personen, waaronder verdachte, zijn geweest die hem hebben geslagen, maar dat hij niet weet wie van hen beiden hem heeft gestoken. Ook dit verhoor vond plaats toen aangever in het ziekenhuis verbleef, overigens zonder bijstand van een tolk.

De rechtbank heeft de noodzaak van een verhoor van aangever als getuige aangenomen en is daarom overgegaan tot zijn verhoor ter terechtzitting. Dit verhoor is gehouden met bijstand van een tolk. De aangever heeft ter terechtzitting als getuige uitgebreid verklaard over de afspraak die met verdachte werd gemaakt om bij aangever langs de komen en hetgeen vervolgens in de woning heeft plaatsgevonden kort voordat het geweld jegens hem werd toegepast. Ten aanzien van het op hem uitgeoefende geweld heeft hij verklaard dat verdachte en [A] hem hebben geslagen, maar dat hij niet heeft gezien wie van hen beiden hem heeft gestoken. Hij ontdekte pas later de bloedende steekletsels. De inhoud van deze verklaring komt op essentiële onderdelen overeen met zijn op 15 september 2018 afgelegde verklaring. De inhoud van de verklaring van aangever vindt bovendien verankering in andere bewijsmiddelen, waarbij de rechtbank in het bijzonder oog heeft voor het feit dat aangever zijn pinpas met pincode aan verdachte heeft afgegeven als onderpand voor een schuld die aangever had voor de door verdachte eerder aan hem geleverde drugs. Die pinpas is ook aangetroffen bij verdachte en verdachte heeft erkend daarover te hebben beschikt in het kader van een openstaande schuld van aangever. Verdachte heeft in het geheel geen vragen willen beantwoorden die betrekking hadden op zijn handel in drugs. Verdachte heeft echter wel erkend dat de bij hem aangetroffen en inbeslaggenomen cocaïne en heroïne zijn eigendom zijn, dat hij zelf die middelen niet gebruikt en ook nimmer gebruikt heeft.

Dit een en ander ondersteunt de verklaring van aangever dat verdachte drugs aan aangever verkocht. Uit dit een en ander blijkt bovendien dat allerminst sprake was van een gelijkwaardige relatie tussen aangever en verdachte. Integendeel, veel wijst erop dat het verdachte was die de lakens uitdeelde. Dat beeld wordt ook bevestigd in het bezoek dat verdachte aan aangever heeft gebracht, te weten met [A] , in weerwil van de verklaarde wens van aangever. De rechtbank acht al met al de verklaring van aangever, zoals afgelegd tijdens het onderzoek ter terechtzitting, betrouwbaar en bruikbaar voor het bewijs.

Medeplegen

Uit de inhoud van de bewijsmiddelen volgt dat de steekverwondingen zijn toegebracht bij gelegenheid van het door verdachte en [A] op aangever toegepaste geweld. De precieze rolverdeling tussen verdachte en medeverdachte [A] op het moment van het steken is echter niet komen vast te staan. Op momenten voorafgaand aan en na afloop van het steken blijkt steeds van een gezamenlijkheid van handelen door verdachte en [A] . Ten aanzien van het bij aangever toegebrachte steekletsel wijst verdachte iedere eigen betrokkenheid van de hand en is volgens zijn verklaring [A] degene die daarvoor feitelijk verantwoordelijk is, zonder zijn stellingen – ook waar het gaat om de identiteit van [A] – nader te concretiseren en zodoende verifieerbaar te maken.

Tegenover de voor het bewijs redengevende en voor verdachte in hoge mate belastende feiten en omstandigheden zoals deze volgen uit de gebezigde bewijsmiddelen en de hiervoor opgesomde vaststellingen, levert de verklaring van verdachte volstrekt onvoldoende op om die redengevendheid te kunnen ontzenuwen. Bij die stand van zaken houdt de rechtbank het ervoor dat bij het op aangever toegepaste geweld sprake is geweest van de voor medeplegen vereiste nauwe en bewuste samenwerking tussen verdachte en [A] , welk geweld mede heeft bestaan in het meermalen steken in het lichaam van aangever. De aard en ernst van het bij aangever toegebrachte steekletsel in aanmerking genomen – onder meer daar waar zich vitale organen bevinden – voert de rechtbank tot de conclusie dat ook het tenlastegelegde opzet op de dood van aangever voor bewezenverklaring in aanmerking komt. De rechtbank acht het onder 1 ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen zoals hierna onder 5 omschreven.

Vrijspraak feit 2

Vast dat verdachte en [A] geweld hebben toegepast jegens aangever en dat aangever een schuld heeft/had bij verdachte ter hoogte van € 125,00, op welk geldbedrag de tenlastelegging ook is toegespitst en op welk bedrag het dwingen tot de afgifte ervan, gelet ook op het debat ter zitting, zou moeten zien. Uit de door aangever ter terechtzitting als getuige afgelegde verklaring komt echter onvoldoende duidelijk naar voren dat het toegepaste geweld is gepleegd met het oogmerk om de afgifte van dat of enig ander geldbedrag, mogelijk te maken. Aangever heeft immers ook verklaard dat er in de woning is gesproken over een regeling die getroffen kon worden over de schuld. Nu naar het oordeel van de rechtbank uit de bewijsmiddelen niet ondubbelzinnig blijkt dat het toegepaste geweld in verband staat met het dwingen tot de afgifte van voornoemd, dan wel enig ander geldbedrag, zal de rechtbank verdachte van het hem onder 2 ten laste gelegde vrijspreken.

5 BEWEZENVERKLARING

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte:

1.

op 11 september 2018 te Almere tezamen en in vereniging met een ander, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om [slachtoffer] opzettelijk van het leven te beroven,

  • -

    die [slachtoffer] op het hoofd en het lichaam hebben geslagen en/of gestompt en

  • -

    (daarbij) met één of meerdere scherp(e) voorwerp(en) heeft/hebben gestoken in de zij en de borstkas en de arm en het been van die [slachtoffer] ,

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

3.

hij op 11 september 2018 te Almere opzettelijk aanwezig heeft gehad 1,98 gram heroïne en 1,55 gram cocaïne, zijnde heroïne en cocaïne telkens een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I.

Voor zover in het bewezen verklaarde deel van de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet in de verdediging geschaad.

Hetgeen onder 1 en 3 meer of anders is ten laste gelegd is niet bewezen. Verdachte wordt hiervan vrijgesproken.

6 STRAFBAARHEID VAN DE FEITEN

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezen verklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.

Het bewezen verklaarde levert volgens de wet de volgende strafbare feiten op:

feit 1:

medeplegen van poging tot doodslag

feit 3:

opzettelijk handelen in strijd met het onder 2, onder C, van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd

7 STRAFBAARHEID VAN VERDACHTE

Er is geen omstandigheid gebleken of aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.

8 OPLEGGING VAN STRAF

8.1

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd verdachte ter zake van het door de officier van justitie bewezen geachte te veroordelen tot een gevangenisstraf van 5 jaren, met aftrek van het voorarrest. De officier van justitie heeft gemotiveerd uiteengezet dat zij het advies van de reclassering een deels voorwaardelijke straf met bijzondere voorwaarden op te leggen, niet kan volgen.

8.2

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft geen strafmaatverweer gevoerd.

8.3

Het oordeel van de rechtbank

De aard en ernst van de feiten

Verdachte heeft zich met een ander schuldig gemaakt aan poging tot doodslag. Verdachte heeft met zijn mededader jegens het slachtoffer in diens woning fors geweld gebruikt, waarbij het slachtoffer ook is gestoken. Uit de geneeskundige verklaring volgt de zeer aanzienlijke fysieke schade die verdachte en zijn mededader met hun handelen hebben toegebracht aan het slachtoffer. Die fysieke schade betreft onder meer een klaplong, een beschadiging aan de milt, een gebroken rib en diverse het lichaam ontsierende littekens. Medisch ingrijpen was noodzakelijk; het slachtoffer heeft daarbij meerdere dagen op de intensive care afdeling van het ziekenhuis moeten verblijven. Dat het slachtoffer het geweld heeft overleefd is geenszins aan het handelen van verdachte en zijn mededader te danken. Verdachte heeft zich, met zijn mededader, uit de voeten gemaakt en heeft het slachtoffer in erbarmelijke toestand en hevig bloedend achtergelaten.

Naast fysieke schade heeft het slachtoffer ook psychische schade opgelopen ten gevolge van dit handelen. Aangenomen mag worden dat hij nog lang de fysieke en geestelijke gevolgen van de steekpartij zal ondervinden. Dit soort zeer ernstige geweldsmisdrijven worden als zeer bedreigend ervaren en versterken in de samenleving bestaande gevoelens van onrust en onveiligheid. Zeker als deze worden begaan in een eigen woning, bij uitstek de plaats waarin men zich veilig zou mogen wanen. Verdachte heeft voor zijn handelen in het geheel geen verantwoordelijkheid genomen. Hij heeft zich eerst op meerdere momenten op zijn zwijgrecht beroepen en vervolgens, toen hij uiteindelijk wel een verklaring heeft afgelegd, alle verantwoordelijkheid bij de mededader, wiens identiteit (nog) niet bekend is geworden, gelegd. Dit alles rekent de rechtbank verdachte zwaar aan.

Voorts heeft verdachte cocaïne en heroïne opzettelijk voorhanden gehad. Aangenomen mag worden dat die middelen waren bestemd voor verkoop. Het is algemeen bekend dat verdovende middelen schadelijk zijn voor de volksgezondheid en dat de handel in verdovende middelen andere vormen van (zware) criminaliteit met zich meebrengt. De verdachte heeft met zijn handelen bijgedragen aan het in stand houden van die negatieve effecten.

De persoon en zijn omstandigheden

Bij haar beslissing heeft de rechtbank acht geslagen op:

- een uittreksel justitiële documentatie betreffende verdachte van 1 november 2018, waaruit blijkt dat verdachte eerder is veroordeeld ter zake van een strafbaar feit, zij het niet voor soortgelijke als de onderhavige;

- een reclasseringsadvies van Reclassering Nederland van 29 november 2018. Hierin wordt onder meer geadviseerd het strafrecht voor volwassenen toe te passen, welk advies de rechtbank zal overnemen.

De op te leggen straf

Gelet op de aard en ernst van de feiten, zoals hiervoor uiteengezet, komt alleen de oplegging van een gevangenisstraf in aanmerking. De rechtbank heeft ten aanzien van de duur daarvan gelet op straffen die in min of meer vergelijkbare zaken worden opgelegd. De rechtbank waardeert de door de officier van justitie gevorderde straf als passend. Daaraan doet niet af dat de rechtbank de verdachte vrijspreekt van het onder 2 tenlastegelegde feit. De rechtbank ziet, net als de officier van justitie, geen aanleiding om een deels voorwaardelijke straf met bijzondere voorwaarden op te leggen.

Alles overwegende acht de rechtbank het opleggen van een gevangenisstraf voor de duur van 5 jaren, met aftrek van het voorarrest, passend en geboden.

9 BESLAG

9.1

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd de inbeslaggenomen drugs te onttrekken aan het verkeer, de inbeslaggenomen ABN Amro bankpas terug te geven aan [slachtoffer] en de overige inbeslaggenomen goederen terug te geven aan de beslagene(n) op het moment dat het vonnis onherroepelijk is geworden, nu zich bij die overige inbeslaggenomen goederen ook sporendragers bevinden.

9.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft zich aangesloten bij voornoemd standpunt van de officier van justitie.

9.3

Het oordeel van de rechtbank

Onttrekking aan het verkeer

De rechtbank zal de in beslag genomen drugs zoals vermeld op het zich in het dossier bevindende ‘Overzicht in beslag genomen goederen’ (welke als bijlage aan het vonnis zal worden gehecht), te weten ‘brokjes in zakje, 10 bruine bolletjes, plastic zak met hash, 3 witte bolletjes, XTC, plastic zakje met drugs, 7 ponypaks,’ onttrekken aan het verkeer. Deze voorwerpen zijn van zodanige aard zijn dat het ongecontroleerde bezit daarvan in strijd is met de wet of met het algemeen belang.

Teruggave aan [slachtoffer]

De rechtbank zal de teruggave gelasten van de in beslag genomen ABN AMRO bankpas aan [slachtoffer] , die hiervan als redelijkerwijs rechthebbende kan worden aangemerkt.

Teruggave overige inbeslaggenomen goederen

De rechtbank zal de overige in beslag genomen goederen, zoals vermeld op voornoemd ‘Overzicht in beslag genomen goederen’ (welke als bijlage aan het vonnis zal worden gehecht) teruggeven aan de beslagene(n) vanaf het moment dat onderhavig vonnis onherroepelijk is geworden, gelet op de redenen die de officier van justitie aan haar standpunt ten grondslag heeft gelegd.

10 BENADEELDE PARTIJ

[slachtoffer] heeft zich als benadeelde partij in het geding gevoegd en vordert, na vermindering met € 125,- (weggenomen geldbedrag) ter terechtzitting van 15 februari 2019 , een bedrag van € 6.698,89. Dit bedrag bestaat uit € 848,89 materiële schade en € 5.850,00 immateriële schade, ten gevolge van het aan verdachte onder 1 ten laste gelegde feit.

10.1

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd de verzochte schadevergoeding toe te wijzen, met uitzondering van de schadepost ad € 270,00 die ziet op de iPad, nu deze schade niet als rechtstreekse schade kan worden gezien.

10.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft aangevoerd zich te kunnen vinden in het standpunt van de officier van justitie.

10.3

Het oordeel van de rechtbank

Vaststaat dat de benadeelde partij als gevolg van het hiervoor onder 1 bewezen verklaarde feit rechtstreeks schade heeft geleden. De rechtbank waardeert deze schade op € 6.428,89, tot welk bedrag de vordering inhoudelijk niet is betwist, en zal de vordering tot dat bedrag toewijzen nu deze de rechtbank niet ongegrond of onrechtmatig voorkomt, te vermeerderen met de gevorderde wettelijke rente vanaf 11 september 2018 tot de dag van volledige betaling.

De rechtbank zal de vordering van de benadeelde partij voor wat betreft het meer gevorderde, te weten de betwiste schadepost die ziet op schade aan een iPad, afwijzen. Reden daarvoor is dat deze schade niet als rechtstreekse schade kan worden gezien.

Verdachte is voor de schade, voor zover toegewezen, naar burgerlijk recht met zijn mededader hoofdelijk aansprakelijk. Dit betekent dat verdachte tegenover de benadeelde partij voor dat hele bedrag aansprakelijk is.

Verdachte zal ook worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog zal maken. Deze kosten worden tot op dit moment begroot op nihil.

Als extra waarborg voor betaling zal de rechtbank ten behoeve van de benadeelde partij aan verdachte de verplichting opleggen tot betaling aan de Staat van het bedrag van € 6.428,89, te vermeerderen met de gevorderde wettelijke rente vanaf 11 september 2018, tot de dag van volledige betaling. Als door verdachte niet wordt betaald, zal deze verplichting worden aangevuld met 67 dagen hechtenis, waarbij toepassing van de hechtenis de betalingsverplichting niet opheft.

De rechtbank zal daarbij bepalen dat verdachte van zijn verplichting tot het vergoeden van schade is bevrijd als hij en/of zijn mededader op een van de hiervoor beschreven manieren de schade aan de benadeelde dan wel aan de Staat heeft vergoed.

11 TOEPASSELIJKE WETTELIJKE VOORSCHRIFTEN

De beslissing berust op de artikelen

  • -

    36c, 36f, 45, 57 en 287 van het Wetboek van Strafrecht en

  • -

    2, 10 en 13a van de Opiumwet,

zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

12 BESLISSING

De rechtbank:

Vrijspraak

- verklaart het onder 2 ten laste gelegde niet bewezen en spreekt verdachte daarvan vrij;

Bewezenverklaring

- verklaart het onder 1 en 3 ten laste gelegde bewezen zoals hiervoor in rubriek 5 is vermeld;

- verklaart het onder 1 en 3 meer of anders ten laste gelegde niet bewezen en spreekt verdachte daarvan vrij;

Strafbaarheid

- verklaart het onder 1 en 3 bewezen verklaarde strafbaar en kwalificeert dit zoals hiervoor in rubriek 6 is vermeld;

- verklaart verdachte strafbaar;

Oplegging straf

- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 5 jaren;

- bepaalt dat de tijd, door verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht;

Beslag

- verklaart de volgende voorwerpen zoals vermeld op het ‘Overzicht in beslag genomen goederen’ (welke als bijlage aan het vonnis is gehecht), onttrokken aan het verkeer, te weten ‘brokjes in zakje, 10 bruine bolletjes, plastic zak met hash, 3 witte bolletjes, XTC, plastic zakje met drugs, 7 ponypaks,’ ;

- gelast de teruggave aan [slachtoffer] van de ABN AMRO bankpas, zoals vermeld op voornoemd ‘Overzicht in beslag genomen goederen’;

- gelast de teruggave aan de beslagene(n) van de overige op het ‘Overzicht in beslag genomen goederen’ vermelde voorwerpen vanaf het moment van onherroepelijk worden van onderhavig vonnis;

Benadeelde partij [slachtoffer]

  • -

    wijst de vordering van de benadeelde partij toe tot een bedrag van € 6.428,89;

  • -

    veroordeelt verdachte hoofdelijk tot betaling aan de benadeelde partij van het toegewezen bedrag, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 11 september 2018 tot de dag van de algehele voldoening, met dien verstande dat indien en voor zover reeds door een ander (gedeeltelijk) is betaald, verdachte (in zoverre) van deze verplichting zal zijn bevrijd;

  • -

    wijst de vordering van de benadeelde partij voor wat betreft het meer gevorderde af;

  • -

    veroordeelt verdachte ook in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil;

  • -

    legt verdachte de hoofdelijke verplichting op ten behoeve van de benadeelde partij aan de Staat € 6.428,89 te betalen, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 11 september 2018 tot de dag van de volledige betaling, bij niet betaling aan te vullen met 30 dagen hechtenis;

  • -

    bepaalt dat verdachte van zijn verplichting tot het vergoeden van schade is bevrijd als hij en/of zijn mededader op een van de hiervoor beschreven manieren de schade aan de benadeelde dan wel aan de Staat heeft vergoed.

Dit vonnis is gewezen door mr. R. Veldhuisen, voorzitter, mrs. V.M.A. Sinnige en

A. Wilken, rechters, in tegenwoordigheid van mr. D.J. Laanstra, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van 1 maart 2019.

Mr. Wilken, voornoemd, is buiten staat het vonnis mede te ondertekenen.

Bijlage: de tenlastelegging

Aan verdachte wordt ten laste gelegd dat:

1.

hij op of omstreeks 11 september 2018 te Almere tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om

[slachtoffer] opzettelijk van het leven te beroven,

  • -

    (met een stomp en/of zwaar voorwerp) op het hoofd en/of in/op/tegen het gezicht en/of het lichaam, heeft/hebben geslagen en/of gestompt (ten gevolge waarvan die [slachtoffer] buiten bewustzijn is geweest) en/of

  • -

    (daarbij) met één of meerdere mes(sen), althans één of meerdere scherp(e) en/of puntig(e) voorwerp(en) heeft/hebben gestoken en/of gesneden in/op/tegen de zij en/of de borstkas en/of de arm(en) en/of de be(e)n(en), althans het lichaam, van die [slachtoffer] ,

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

2.

hij op of omstreeks 11 september 2018 te [woonplaats] , tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, in een woning gelegen aan de [adres] [woonplaats] , ter uitvoering van het door verdachte en/of zijn mededader(s) voorgenomen misdrijf om met het oogmerk om zich en/of een ander wederrechtelijk te bevoordelen door geweld en/of bedreiging met geweld [slachtoffer] te dwingen tot de afgifte van een geldbedrag van 125 euro, in elk geval enig geldbedrag dat geheel of ten dele aan die [slachtoffer] of aan een derde toebehoorde,

  • -

    naar voornoemde woning is/zijn gegaan en/of

  • -

    voornoemde woning heeft/hebben doorzocht en/of

  • -

    tegen die [slachtoffer] heeft/hebben gezegd: “Geef mij die 125 euro, jij moet nog betalen”, althans woorden van gelijke aard en/of strekking en/of

  • -

    (met een stomp en/of zwaar voorwerp) op het hoofd en/of in/op/tegen het gezicht en/of het lichaam van die [slachtoffer] , heeft/hebben geslagen en/of gestompt (ten gevolge waarvan die [slachtoffer] buiten bewustzijn is geweest) en/of,

  • -

    (daarbij) met één of meerdere mes(sen), althans één of meerdere scherp(e) en/of puntig(e) voorwerp(en) heeft/hebben gestoken en/of gesneden in/op/tegen de zij en/of de borstkas en/of de arm(en) en/of de be(e)n(en), althans het lichaam, van die [slachtoffer]

terwijl het feit zwaar lichamelijk letsel, te weten een klaplong en/of een beschadiging aan de milt en/of een (af)gebroken rib en/of meerdere littekens, tot gevolg heeft gehad,

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

3.

hij op of omstreeks 11 september 2018 te Almere, opzettelijk aanwezig heeft gehad ongeveer 1,98 gram, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende heroïne en/of ongeveer 1,55 gram, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde heroïne en/of cocaïne, (telkens) een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet.

1 Wanneer hierna wordt verwezen naar paginanummers betreft dit pagina’s van op ambtseed of ambtsbelofte opgemaakte processen-verbaal. Deze processen-verbaal zijn als bijlagen opgenomen bij het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal genummerd 2018263576, opgemaakt door politie eenheid Midden-Nederland, doorgenummerd 1 tot en met 1171. Tenzij anders vermeld, zijn dit processen-verbaal in de wettelijke vorm opgemaakt door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren.

2 Pagina 1000 en 1001.

3 De verklaring van aangever [slachtoffer] , afgelegd als getuige tijdens het onderzoek ter terechtzitting van 15 februari 2019 (zie proces-verbaal van het onderzoek ter terechtzitting).

4 Pagina 1140.

5 Pagina’s 1141 tot en met 1148.

6 Pagina 1042.

7 Pagina 1058.

8 De verklaring van verdachte, afgelegd tijdens het onderzoek ter terechtzitting van 15 februari 2019.

9 De bekennende verklaring, afgelegd tijdens het onderzoek ter terechtzitting van 15 februari 2019.

10 Pagina 1038.

11 Pagina’s 1115 en 1116.

12 Pagina’s 1119 en 1120.