Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2019:860

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
27-02-2019
Datum publicatie
01-03-2019
Zaaknummer
16/659727-18 (P)
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Vrijspraak. De verklaring van verdachte dat hij aangever met de staaf heeft geslagen leidt niet tot een bewezenverklaring van het ten laste gelegde - poging om het slachtoffer van het leven te beroven - nu de tenlastelegging daar niet op ziet. Los daarvan is de rechtbank van oordeel dat er teveel onduidelijk is gebleven over wat zich heeft afgespeeld Niet uit te sluiten is dat aangever letsel heeft opgelopen bij zijn val tegen de tafel in de gang van zijn huis.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Afdeling strafrecht

Zittingsplaats Utrecht

Parketnummer: 16/659727-18 (P)

Vonnis van de meervoudige kamer van 27 februari 2019.

in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren op [1971] te [geboorteplaats] (Marokko),

wonende aan de [adres] , [woonplaats] .

1 ONDERZOEK TER TERECHTZITTING

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen van 19 december 2018 en 13 februari 2019.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering en standpunten van officier van justitie mr. J.R.F. Esbir Wildeman en van hetgeen verdachte en mr. A.C. Vingerling, advocaat te Utrecht, naar voren hebben gebracht en van hetgeen door een medewerker van Slachtofferhulp namens de benadeelde partij [benadeelde] naar voren is gebracht.

2 TENLASTELEGGING

De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte:

Primair op 19 september 2018 te Utrecht, opzettelijk heeft geprobeerd [benadeelde] , van het leven te beroven door met een mes in de (rechter)schouder te steken/snijden en door te trachten om meermalen met een mes om [benadeelde] in zijn hoofd en/of borst te steken en/of te snijden.

Subsidiair op 19 september 2018 te Utrecht, opzettelijk heeft geprobeerd [benadeelde] zwaar te mishandelen door met een mes in de (rechter)schouder te steken/snijden en door te trachten om meermalen met een mes [benadeelde] in zijn hoofd en/of borst te steken en/of te snijden.

3 VOORVRAGEN

De dagvaarding is geldig, de rechtbank is bevoegd tot kennisneming van het ten laste gelegde, de officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging van verdachte en er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging.

4 VRIJSPRAAK

4.1

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd verdachte integraal vrij te spreken.

De getuigenverklaringen die bij de rechter-commissaris zijn afgelegd, maken dat de zaak in een ander daglicht moet worden gezien. De getuigen zijn niet langer zeker of verdachte met een mes heeft gestoken, voor zover zij daarover eerder hebben verklaard zijn zij daarop terug gekomen. Aangever is de enige die heeft verklaard dat het letsel door steken met een mes is ontstaan. Daarnaast is aangever niet eerlijk geweest over zijn eigen rol in het geheel. Er bestaat te veel twijfel over de wijze waarop het letsel is ontstaan en het is niet duidelijk of zich mogelijk een noodweersituatie heeft voorgedaan. Ook moet in ogenschouw worden genomen dat het gerechtshof heeft beslist dat er geen ernstige bezwaren bestaan ten aanzien van de poging doodslag.

4.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft integrale vrijspraak bepleit. Aangever is niet consistent in zijn verklaring en heeft bewust informatie achtergehouden over zijn eigen rol. Daarnaast heeft aangever (on)bewust getuigen beïnvloed. De getuigen zijn bij de rechter-commissaris teruggekomen op hun eerdere verklaringen dat zij een mes hebben gezien. Alleen getuige [getuige 3] beweert een mes te hebben gezien. Deze getuige is uiterst ongeloofwaardig en heeft niet eerlijk verklaard over zijn contact met aangever. Het scenario zoals verdachte heeft aangevoerd, namelijk dat hij door aangever met een ijzeren staaf werd aangevallen en in reactie daarop deze staaf heeft afgepakt en daarmee aangever heeft geslagen, is veel aannemelijker. Daarnaast is de rechtbank gehouden aan de beslissing van het gerechtshof dat er geen ernstige bezwaren bestaan ten aanzien van de poging doodslag.

4.3

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank heeft op grond van wettige bewijsmiddelen niet de overtuiging gekregen dat verdachte het ten laste gelegde heeft begaan en zal verdachte hiervan vrijspreken. De rechtbank overweegt hiertoe als volgt.

Aangever heeft meerdere verklaringen afgelegd waarin hij stelt dat hij door verdachte met een mes is gestoken. De rechtbank constateert dat de verklaringen van aangever op punten inconsistent zijn over wat er precies die avond is gebeurd, dat aangever in eerste instantie niet open over zijn eigen aandeel in het gebeurde heeft verklaard en zelfs doelbewust informatie heeft trachten achter te houden door de door hem gehanteerde ijzeren staaf schoon te maken en in eerste instantie verborgen te houden voor de politie. In het licht van deze omstandigheden is de rechtbank van oordeel dat de verklaringen van aangever met betrekking tot het steken met het mes ongeloofwaardig zijn en daarmee niet bruikbaar zijn voor het bewijs.

Evenmin acht de rechtbank de getuigenverklaringen die in deze zaak zijn afgelegd bruikbaar voor het bewijs. De getuigen hebben zowel een verklaring bij de politie als bij de rechter-commissaris afgelegd. De getuigen [getuige 1] en [getuige 2] hebben bij de rechter-commissaris verklaard niet meer zeker te zijn van hun eerder afgelegde verklaringen en waarnemingen. Beide getuigen zijn bij de rechter-commissaris op hun eerdere verklaringen dat zij bij verdachte een mes hebben gezien, teruggekomen. Ook de wijze waarop de verklaringen die zijn afgelegd tegenover de politie tot stand zijn gekomen hebben er toe geleid dat de rechtbank van oordeel is dat die verklaringen niet bruikbaar zijn. De getuigenverklaringen die bij de politie zijn afgelegd, zijn in het bijzijn van elkaar en van aangever afgelegd. Daarnaast hebben beide getuigen verklaard dat zij beïnvloed waren door hetgeen aangever aan hen heeft verteld.

Alleen getuige [getuige 3] blijft bij zijn verklaring dat hij een mes heeft gezien. Bij de rechter-commissaris verklaart de getuige dat hij heeft gezien dat verdachte stekende bewegingen met een mes heeft gemaakt, terwijl hij bij de politie heeft verklaard te hebben gezien dat hij een mes dreigend boven aangever vasthield. De rechtbank is van oordeel dat de getuige daarmee dusdanig van elkaar afwijkende en bovendien ook innerlijk tegenstrijdige verklaringen heeft afgelegd, dat zijn verklaringen niet bruikbaar zijn voor het bewijs.

De verklaring van verdachte dat hij aangever met de staaf heeft geslagen leidt niet tot een bewezenverklaring van het ten laste gelegde nu de tenlastelegging daar niet op ziet. Los daarvan is de rechtbank van oordeel dat er teveel onduidelijk is gebleven over wat zich heeft afgespeeld Niet uit te sluiten is dat aangever letsel heeft opgelopen bij zijn val tegen de tafel in de gang van zijn huis.

Uit het voorgaande volgt dat verdachte wordt vrijgesproken van hetgeen hem ten laste is gelegd.

5 BENADEELDE PARTIJ

[benadeelde] heeft zich als benadeelde partij in het geding gevoegd en vordert een bedrag van

€ 1.344,47. Dit bedrag bestaat uit € 44,47 materiële schade en € 1.300,- immateriële schade, ten gevolge van het aan verdachte als primair ten laste gelegde feit. De vordering is ter terechtzitting door een medewerker van Slachtofferhulp nader toegelicht.

5.1

Het standpunt van de officier van justitie

Gelet op de gevorderde vrijspraak moet de benadeelde partij in de vordering niet-ontvankelijk worden verklaard.

5.2

Het standpunt van de verdediging

De vordering dient niet-ontvankelijk te worden verklaard in verband met de bepleitte vrijspraak.

5.3

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank verklaart de benadeelde partij niet-ontvankelijk in de vordering omdat verdachte van het ten laste gelegde wordt vrijgesproken. De benadeelde partij kan de vordering bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

6 BESLISSING

De rechtbank:

Vrijspraak

- verklaart het ten laste gelegde niet bewezen en spreekt verdachte daarvan vrij;

Benadeelde partij

- verklaart [benadeelde] niet-ontvankelijk in de vordering en bepaalt dat de vordering kan worden aangebracht bij de burgerlijke rechter.

Dit vonnis is gewezen door mr. E.W.A. Vonk, voorzitter, mrs. H.E. Spruit en

Y.E. Vanwersch, rechters, in tegenwoordigheid van mr. F.D.M. Osinga, griffier,

en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van 27 februari 2019.

Bijlage: de tenlastelegging

Aan verdachte wordt ten laste gelegd dat:

Primair

hij op of omstreeks 19 september 2018 te Utrecht, althans in het arrondissement Midden-Nederland, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om, opzettelijk [benadeelde] van het leven te beroven, met dat opzet die [benadeelde] met een mes, althans een scherp en/of puntig voorwerp, eenmaal in de (rechter)schouder, althans het bovenlichaam, heeft gestoken/gesneden en/of meermalen, althans eenmaal, met dat mes heeft getracht om die [benadeelde] in zijn hoofd en/of borst en/of andere delen van zijn (boven)lichaam te steken en/of

snijden,

zijnde de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet voltooid;

( art 287 Wetboek van Strafrecht, art 45 lid 1 Wetboek van Strafrecht )

Subsidiair

hij op of omstreeks 19 september 2018 te Utrecht, althans in het arrondissement Midden-Nederland, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan [benadeelde] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet die [benadeelde] met een mes, althans een scherp en/of puntig voorwerp, eenmaal in de (rechter)schouder, althans het bovenlichaam, heeft gestoken/gesneden, en/of meermalen, althans eenmaal, met dat mes heeft getracht om die [benadeelde] in zijn hoofd en/of borst en/of andere delen van zijn (boven)lichaam te steken en/of snijden,

zijnde de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet voltooid;

( art 302 lid 1 Wetboek van Strafrecht, art 45 lid 1 Wetboek van Strafrecht )