Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2019:826

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
27-02-2019
Datum publicatie
06-03-2019
Zaaknummer
UTR 18/2399
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Leges

De Belastingsamenwerking gemeenten & hoogheemraadschap Utrecht (verweerder) heeft van eiseressen leges geheven tot een bedrag van € 44.087,20 voor het in behandeling nemen van een aanvraag om een omgevingsvergunning.

Eiseressen zijn het hier niet mee eens. De rechtbank verklaart het beroep van eiseressen gegrond. In de eerste plaats omdat verweerder eiseres 2 in de bestreden uitspraak ontvankelijk heeft bevonden terwijl eiseres 2 geen belanghebbende is bij de legesheffing. Ten tweede omdat verweerder in beroep een ander standpunt heeft ingenomen over zijn bevoegdheid tot legesheffing en daarmee de motivering van de bestreden uitspraak op dat punt heeft verlaten. De rechtbank vernietigt de bestreden uitspraak.

Zij voorziet zelf in de zaak door eiseres 2 alsnog niet-ontvankelijk te verklaren in haar bezwaar en te bepalen dat de uitspraak voor dat deel in de plaats treedt van de vernietigde bestreden uitspraak. De gronden van eiseressen slagen niet. Om die reden bepaalt de rechtbank dat de rechtsgevolgen van de vernietigde bestreden uitspraak ten aanzien van eiseres 1 in stand blijven.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Zittingsplaats Utrecht

Bestuursrecht

zaaknummer: UTR 18/2399

uitspraak van de meervoudige kamer van 27 februari 2019 in de zaak tussen

1 a

[eiseres 1] B.V., eiseres 1, en [eiseres 2] B.V., eiseres 2, beide te [vestigingsplaats] , gezamenlijk te noemen eiseressen,

(gemachtigde: mr. J. de Vis)

en

de heffingsambtenaar van belastingsamenwerking gemeenten & hoogheemraadschap Utrecht, verweerder

(gemachtigde: mr. W.G. Vos).

Procesverloop

In de beschikking van 2 november 2017 (de primaire beschikking) heeft verweerder aan eiseres 1 een legesaanslag opgelegd van € 44.087,20 voor het in behandeling nemen van een aanvraag om een omgevingsvergunning.

In de uitspraak op bezwaar van 16 mei 2018 (de bestreden uitspraak) heeft verweerder het bezwaar van eiseressen ongegrond verklaard.

Eiseressen hebben vervolgens beroep ingesteld. Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek op de zitting was op 18 december 2018. Eiseressen hebben zich laten vertegenwoordigen door mr. S. Smit, kantoorgenoot van hun gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde, bijgestaan door [A] , mr. [B] en [C] .

Overwegingen

Feiten

1. De rechtbank gaat uit van de volgende feiten. Op 17 juli 2014 heeft de gemeenteraad het bestemmingsplan ‘Lage Weide’ (het bestemmingsplan) vastgesteld. Hierin zijn de gronden waarop het perceel aan de [adres] zijn gelegen bestemd. Namens [eiseres 1] B.V. is op 7 juli 2017 een aanvraag ingediend om een omgevingsvergunning voor het bouwen van een bijbehorend bouwwerk aan de [adres] in [vestigingsplaats] . Nadat deze aanvraag in behandeling is genomen, heeft verweerder de besluiten genomen die onder ‘Procesverloop’ staan vermeld.

Beoordeling van de zaak

Belanghebbendheid

2. De rechtbank stelt eerst vast dat de legesaanslag waar het in deze zaak om gaat is opgelegd aan eiseres 1, maar dat het bezwaarschrift mede is ingediend namens eiseres 2. Het is de rechtbank in deze procedure niet gebleken dat eiseres 2 belanghebbende is bij de legesaanslag. Op de zitting is dit door eiseressen ook erkend. Dit betekent dat verweerder het bezwaar van eiseres 2 naar het oordeel van de rechtbank, in de bestreden uitspraak ten onrechte ontvankelijk heeft bevonden. Het beroep is dus gegrond. De rechtbank zal de bestreden uitspraak vernietigen. Voor het deel van de bestreden uitspraak waarin eiseres 2 ten onrechte ontvankelijk is verklaard zal de rechtbank zelf in de zaak voorzien en eiseres 2 alsnog niet-ontvankelijk verklaren in haar bezwaar.

Bevoegdheid

3. Eiseressen voeren aan dat verweerder niet bevoegd is om leges te heffen, omdat het bestemmingsplan ouder is dan 10 jaar. Het bestemmingsplan is door de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (ABRvS) in 2016 vernietigd, zodat er ten tijde van de vergunningaanvraag geen geldig bestemmingsplan was. De voorlopige voorziening die de Afdeling bestuursrecht van de Raad van State bij de vernietiging van het bestemmingsplan heeft getroffen geldt slechts 52 weken. Eiseressen sluiten hiervoor aan bij de termijn van 52 weken die de ABRvS in deze uitspraak aan de raad van Utrecht heeft opgelegd voor het vaststellen van een nieuw bestemmingsplan. Die termijn was ten tijde van de vergunningaanvraag verlopen, zodat het (meer dan 10 jaar) oude bestemmingsplan is gaan gelden waardoor verweerder niet langer de bevoegdheid heeft om leges te heffen.

4. In het bestreden besluit heeft verweerder zich op het standpunt gesteld dat hij op grond van artikel 7g en 7c, tweede lid, van de Crisis- en herstelwet bevoegd is om leges te heffen. Op grond daarvan geldt een termijn van 20 jaar voor het vaststellen van de bestemmingen van de gronden binnen de gemeente Utrecht. Omdat die termijn nog niet was verstreken toen de aanvraag voor een omgevingsvergunning waarvoor de leges zijn geheven in behandeling was, bestond er volgens verweerder de bevoegdheid om leges te heffen. In beroep heeft verweerder het standpunt ingenomen dat hij bevoegd was om leges te heffen, omdat de Afdeling Bestuursrecht van de Raad van State (ABRvS) bij de vernietiging van het bestemmingsplan in de uitspraak van 29 juni 2016, ECLI:NL:RVS:2016:1814, een voorlopige voorziening heeft getroffen waardoor het onderdeel van het plan waarop de legesheffing is gebaseerd is blijven gelden. In beroep hebben eiseressen de bevoegdheid van verweerder bestreden.

5.1

De rechtbank constateert dat verweerder in de beroepsprocedure zijn bevoegdheid tot het heffen van leges op een andere grondslag heeft gebaseerd dan in de bestreden uitspraak. Dit betekent dat de bestreden uitspraak in strijd met artikel 7:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) ondeugdelijk is gemotiveerd. Het beroep is dus ook om deze reden gegrond. De rechtbank zal hierna onderzoeken of de rechtsgevolgen van de bestreden uitspraak ten aanzien van eiseres 1 in stand kunnen blijven aan de hand van een inhoudelijke bespreking van de beroepsgronden.

5.2

De rechtbank volgt eiseressen niet in hun betoog. Op grond van artikel 3.1, vierde lid, van de Wro vervalt de bevoegdheid tot het invorderen van rechten terzake van door of vanwege het gemeentebestuur verstrekte diensten die verband houden met het bestemmingsplan, als niet voor het verstrijken van de periode van tien jaar de gemeenteraad opnieuw een bestemmingsplan heeft vastgesteld of een verlengingsbesluit heeft genomen. Dit wordt ook wel de legessanctie genoemd. In de uitspraak van 29 juni 2016 heeft de ABRvS het besluit van de gemeenteraad van de gemeente Utrecht waarbij het bestemmingsplan is vastgesteld weliswaar vernietigd, maar onder IV. van het dictum is de voorlopige voorziening getroffen dat dit besluit, met uitzondering van een aantal onderdelen, blijft gelden. De rechtbank stelt vast en tussen partijen is ook niet in geschil, dat die onderdelen niet relevant zijn voor de onderhavige zaak. Onder III. van het dictum heeft de ABRvS de gemeenteraad van de gemeente Utrecht opgedragen om binnen 52 weken een nieuw plan vast te stellen. Onder V. van het dictum heeft de ABRvS vervolgens bepaald dat de getroffen voorlopige voorziening vervalt op het tijdstip van inwerkingtreding van het plan zoals bedoeld onder III. De rechtbank stelt vast dat de geldingsduur van de getroffen voorlopige voorziening is gekoppeld aan de datum van inwerkingtreding van het nieuwe plan en niet aan de termijn van 52 weken die de gemeenteraad daarvoor heeft. Onder V. van het dictum is die termijn immers niet opgenomen. Dit betekent dat het bestemmingsplan - met uitzondering van de (niet‑relevante) vernietigde onderdelen - en daarmee dus de bevoegdheid van verweerder om op grond van dat bestemmingsplan leges te heffen, ten tijde van de aanvraag van eiseressen korter dan 10 jaar in werking is getreden. De beroepsgrond slaagt niet.

Opbrengstlimiet

6. Eiseressen voeren verder aan dat verweerder geen leges had mogen heffen omdat er mogelijk sprake was van een overschrijding van de opbrengstlimiet. Eiseressen hebben dit al in bezwaar aangevoerd, zodat verweerder in de uitspraak op bezwaar ten onrechte geen inzicht heeft gegeven in de raming van baten en lasten die in de begroting is opgenomen. Dat verweerder dit moet doen volgt volgens hen uit de uitspraak van het Gerechtshof Arnhem‑Leeuwarden van 16 januari 2018, ECLI:NL:GHARL:2018:398. Volgens eiseressen moet de legesverordening Utrecht daarom onverbindend worden geacht.

7.1

De rechtbank volgt eiseressen niet hun betoog. In bezwaar is namens eiseressen onder meer het volgende aangevoerd: “Bovendien stellen cliënten zich op het standpunt dat sprake is van disproportionaliteit met betrekking tot het in rekening gebrachte bedrag van leges en de daartoe verrichte werkzaamheden door de gemeente. Op geen enkele wijze is inzichtelijk gemaakt hoe die kosten zijn opgebouwd en welke werkzaamheden daartoe zijn verricht. Cliënte wil gaarne alsnog inzicht daarin hebben.” Naar het oordeel van de rechtbank ziet deze bezwaargrond niet op een vermeende overschrijding van de opbrengstlimiet, maar op de verhouding tussen de in rekening gebrachte legeskosten en de door verweerder verrichte werkzaamheden. Het betoog dat verweerder al in de uitspraak op bezwaar inzicht had moeten geven in de raming van baten en lasten, kan de rechtbank dan ook niet volgen.

7.2

Voor zover eiseressen in beroep hebben aangevoerd dat sprake is van een overschrijding van de opbrengstlimiet, kan de rechtbank hen evenmin volgen. Verweerder heeft op 10 september 2018 inzicht gegeven in de raming van baten en lasten die in de begroting is opgenomen. Daaruit blijkt dat sprake is van een kostendekkingspercentage van 99,9%. Uit vaste rechtspraak, zoals de genoemde uitspraak van het Gerechtshof Arnhem‑Leeuwarden van 16 januari 2018, volgt dat het uitgangspunt is dat de bewijslast bij een beroep op overschrijding van de opbrengstlimiet rust op de belanghebbende, in dit geval dus eiseressen. Dit brengt mee dat nadat verweerder inzicht heeft verschaft in de raming van baten en lasten, eiseressen voldoende gemotiveerd moeten stellen waarom volgens hen ten aanzien van een of meer bepaalde posten in de begroting redelijke twijfel bestaat over de juistheid daarvan. Op de zitting hebben eiseressen de juistheid van een of meer bepaalde posten willen betwisten. Nu dit betoog pas op de zitting naar voren is gebracht en verweerder op de zitting bezwaren heeft geuit tegen toelating van het betoog, heeft de rechtbank beslist dat dit in strijd is met de goede procesorde. De rechtbank betrekt de betwisting van eiseressen dus niet bij de beoordeling van het beroep. Nu uit het inzicht dat verweerder heeft verschaft blijkt dat aan de opbrengstlimiet wordt voldaan omdat sprake is van een kostendekkingspercentage van 99,9%, en eiseressen hiertegen niets hebben ingebracht dat de rechtbank daar aan doet twijfelen, slaagt het betoog van eiseressen niet.

Dwangbevel

8. De beroepsgronden van eiseressen tegen de oplegging van het dwangbevel van 31 januari 2018 en de betekeningskosten daarvan, zijn op de zitting ingetrokken. Deze beroepsgronden behoeven dan ook geen verdere bespreking.

Conclusie

9. De rechtbank concludeert dat de beroepsgronden van eiseressen geen van allen slagen. Met toepassing van artikel 8:72, derde lid, van de Awb bepaalt de rechtbank daarom dat de rechtsgevolgen van het bestreden besluit ten aanzien van eiseres 1 in stand blijven. Dit betekent dat het beroep weliswaar gegrond is, maar dat eiseressen inhoudelijk geen gelijk krijgen.

10. Omdat het beroep gegrond is, bepaalt de rechtbank dat verweerder het door eiseressen betaalde griffierecht van € 338,-- aan hen vergoedt. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eiseressen gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1024,-- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het bijwonen van de zitting, met een waarde van € 512,-- en een wegingsfactor 1).

Beslissing

De rechtbank:

 verklaart het beroep gegrond;

 vernietigt de bestreden uitspraak;

 voorziet zelf in de zaak door eiseres 2 alsnog niet‑ontvankelijk te verklaren in haar bezwaar;

 bepaalt dat deze uitspraak voor dat deel in de plaats treedt van de vernietigde bestreden uitspraak;

 bepaalt dat de rechtsgevolgen van de vernietigde bestreden uitspraak ten aanzien van eiseres 1 in stand blijven;

 bepaalt dat verweerder het door eiseressen betaalde griffierecht van € 338,-- aan hen vergoedt;

 veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiseressen tot een bedrag van € 1.024,--.

Deze uitspraak is gedaan door mr. R.C. Moed, voorzitter, en mr. drs. R. in ’t Veld en mr. J.L.W. Broeksteeg, leden, in aanwezigheid van mr. N.K. de Bruin, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 27 februari 2019.

griffier voorzitter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij het Gerechtshof in Arnhem.