Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2019:821

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
21-02-2019
Datum publicatie
11-03-2019
Zaaknummer
UTR 18/2855, UTR 18/2857, UTR 18/3473 en UTR 18/3626
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Vaststelling peilbesluit IJsselmeergebied. Het peilbesluit voorziet in een flexibel peilbeheer voor het IJsselmeergebied. Eisers vrezen hiervan nadelige gevolgen te zullen gaan ondervinden. De gevolgen van het peilbesluit voor de buitendijkse gebieden zijn in het MER onderzocht en de negatieve effecten zijn als relatief beperkt beoordeeld. In de belangenafweging is hier rekening mee gehouden. Verweerder heeft de zwaarwegende belangen van waterveiligheid, voldoende zoetwatervoorraad en het belang om flexibel te kunnen inspelen op veranderende meteorologische omstandigheden in redelijkheid zwaarder kunnen laten wegen dan de belangen van eisers.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JWA 2019/32 met annotatie van Meijden, D. van der
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Zittingsplaats Utrecht

Bestuursrecht

zaaknummers: UTR 18/2855, UTR 18/2857, UTR 18/3473 en UTR 18/3626

uitspraak van de meervoudige kamer van 21 februari 2019 in de zaak tussen

1. [eiseres sub 1]te [woonplaats] , eiseres

(gemachtigde: mr. D. Quakernaat),

2. [eiser sub 2]te [woonplaats] , eiser

(gemachtigde: mr. D. Quakernaat)

3. Stichting [.........] te [vestigingsplaats] , eiseres

4. [eiser sub 4] te [woonplaats] , eiser

en

de minister van Infrastructuur en Waterstaat, verweerder

(gemachtigde: mr. H.A.J. Gierveld).

Procesverloop

Bij besluit van 14 juni 2018 (het bestreden besluit) heeft verweerder het peilbesluit IJsselmeergebied (hierna: het peilbesluit) vastgesteld.

Eisers hebben daartegen beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

De beroepen zijn gevoegd behandeld op de zitting van 23 januari 2019. Eisers [eiseres sub 1] en [eiser sub 2] zijn verschenen, bijgestaan door hun gemachtigde. Namens de Stichting zijn [A] en [B] verschenen. Eiser [eiser sub 4] is niet verschenen.

Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde, vergezeld van ing. [C] , ing. [D] en ir. [E] , allen werkzaam bij verweerder.

Overwegingen

Het peilbesluit

1. Het peilbesluit vloeit voort uit het Deltaprogramma 2015 dat door samenwerking van verschillende overheden en organisaties tot stand is gekomen. In het Deltaprogramma zijn voorstellen voor deltabeslissingen en gebiedsgerichte strategieën gedaan waarmee hoofdkeuzes zijn gemaakt voor de aanpak van waterveiligheid en zoetwatervoorziening in Nederland. De uitkomsten van het Deltaprogramma zijn vervolgens opgenomen in het Nationaal Waterplan, waardoor deze beleidsmatig zijn verankerd.

2. Het peil voor het IJsselmeergebied was voorheen geregeld in het peilbesluit rijkswateren IJsselmeergebied uit 1992, dat voorzag in een vast streefpeil voor de zomer en de winter. Het nieuwe peilbesluit voorziet in een flexibel peilbeheer voor het IJsselmeergebied. Aanleiding voor het flexibiliseren van de peilen is het versterken en robuuster maken van de strategische zoetwatervoorraad. Met een flexibel peilbeheer kan in de toekomst beter ingespeeld worden op de meteorologische omstandigheden. De waterveiligheid en de waterafvoer uit het gebied spelen hierbij een belangrijke rol. Verder ontstaat door het flexibiliseren van de peilen de mogelijkheid om een natuurlijker peilverloop te creëren en dat is gunstig voor de natuur.

3. Met het peilbesluit is voor het IJsselmeer het volgende peilverloop beoogd. Een vroege voorjaarsopzet in maart, waarbij de peilopzet start op 1 maart en het peil van -0,10 m NAP wordt bereikt op 16 maart. Vervolgens wordt deze piek aangehouden tot 31 maart, waarna het meerpeil in maximaal twee weken uitzakt tot -0,20 m NAP. Vanaf half april tot en met half augustus is een gemiddeld meerpeil beoogd van -0,20 m NAP. Het uitzakken van het meerpeil tot -0,30 m NAP vindt plaats vanaf augustus tot begin september. De bandbreedtes van de meerpeilen voor de winter- en zomerperiode zijn vastgelegd in artikel 2 van het peilbesluit.

Wettelijk kader

4. Artikel 5.2, eerste lid, van de Waterwet bepaalt dat een beheerder verplicht is voor daartoe aan te wijzen oppervlaktewater- of grondwaterlichamen onder zijn beheer één of meer peilbesluiten vast te stellen.

Op grond van artikel 5.2, tweede lid, van de Waterwet worden in een peilbesluit waterstanden of bandbreedten waarbinnen waterstanden kunnen variëren vastgesteld, die gedurende daarbij aangegeven perioden zoveel mogelijk worden gehandhaafd.

5. Artikel 5.2, eerste lid, van het Waterbesluit bepaalt dat Onze Minister peilbesluiten vaststelt voor de volgende rijkswateren of onderdelen daarvan:
e. IJsselmeer, Ketelmeer, Vossemeer, Zwarte Meer, Markermeer, IJmeer, Buiten-IJ, Gooimeer, Eemmeer, Wolderwijd, Nijkerkernauw, Nuldernauw, Veluwemeer, Drontermeer.

In artikel 5.2, tweede lid, van het Waterbesluit is geregeld dat de voorbereiding van een peilbesluit geschiedt overeenkomstig afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), met dien verstande dat Onze Minister binnen acht weken na afloop van de termijn, genoemd in artikel 3:11, vierde lid, van de Awb, het peilbesluit vaststelt.

Bij het vaststellen van een peilbesluit houdt Onze Minister ingevolge het derde lid van artikel 5.2 van het Waterbesluit rekening met het nationale waterplan en het beheerplan voor de rijkswateren.

Wijze van toetsing van het peilbesluit

6. Uit vaste rechtspraak van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State volgt dat het bevoegd gezag bij het vaststellen van een peilbesluit op grond van artikel 5.2 van de Waterwet beoordelingsvrijheid heeft.1 Het is aan het bevoegd gezag om alle verschillende bij het peilbesluit betrokken belangen tegen elkaar af te wegen. Gelet op dit toetsingskader zal de rechtbank in het navolgende beoordelen of verweerder in redelijkheid het peilbesluit heeft kunnen vaststellen.

De beroepen van eisers 1 en 2

7. Eisers wonen in de wijk [naam wijk] in [woonplaats] . Deze wijk ligt in het buitendijkse gebied van het IJsselmeer. Zij vrezen dat hun woon- en leefklimaat onevenredig zal worden aangetast door het peilbesluit.

7.1

Aan het peilbesluit ligt een milieueffectrapport (MER) ten grondslag. In dit MER zijn de gevolgen van het flexibiliseren van het peilbeheer onderzocht. In het MER zijn de effecten beoordeeld ten opzichte van de referentiesituatie. Naast de referentiesituatie zijn twee alternatieven onderzocht, het basisalternatief en het natuuralternatief. Het basisalternatief bestaat uit een bandbreedte voor het meerpeil in de winter en in de zomer, zoals dat in het peilbesluit is vastgesteld. Met het natuuralternatief is een ander verloop van het meerpeil in de zomer onderzocht dan in het basisalternatief. De conclusie van het MER is kortgezegd dat het basisalternatief belangrijke voordelen heeft voor een robuuste watervoorziening en toekomstbestendig waterbeheer. Er kan ook een aantal negatieve effecten optreden, maar volgens het MER zijn deze effecten, behoudens effecten op de natuur, relatief beperkt. Om deze negatieve effecten te beperken of weg te nemen is het basisalternatief geoptimaliseerd door middel van aanvullende randvoorwaarden.

7.2

Ter zitting hebben eisers gesteld dat in het MER een vergelijking gemaakt had moeten worden met het oude peil en niet met de feitelijke situatie. De rechtbank overweegt dat in het MER de effecten van het beoogde nieuwe peilbeheer (het basisalternatief) ten opzichte van de referentiesituatie zijn onderzocht. In het MER staat dat voor de referentiesituatie is uitgegaan van het huidige peilbeheer op basis van de huidige waterstanden, aangevuld met autonome veranderingen waaronder klimaatverandering. Als referentiejaar is 2050 aangehouden. De rechtbank ziet in wat door eisers is aangevoerd geen grond om te oordelen dat in het MER van een onjuiste referentiesituatie is uitgegaan. Verweerder heeft de referentiesituatie in redelijkheid niet hoeven beperken tot de streefpeilen uit het oude peilbesluit. Hierbij neemt de rechtbank in aanmerking dat het in het oude peilbesluit juist om streefpeilen ging, die feitelijk niet zijn aangehouden.

8. Over de stelling van eisers dat het vaste streefpeil uit het oude peilbesluit jarenlang regelmatig is overschreden, overweegt de rechtbank dat dit een kwestie van handhaving is die in deze procedure niet aan de orde kan komen.

9. Eisers zijn het niet eens met de in het peilbesluit vastgestelde bandbreedte van het meerpeil voor het IJsselmeer, omdat daardoor hogere waterstanden mogelijk zijn dan in de huidige situatie waardoor het overstromingsrisico en dus het risico op (funderings)schade aan hun woningen toeneemt. Volgens eisers heeft verweerder ten onrechte nagelaten om onderzoek te doen naar de specifieke gevolgen voor de woningen aan de [naam wijk] .

9.1

In het MER zijn de effecten van het basisalternatief op hoogfrequente waterstanden onderzocht. De resultaten staan beschreven in paragraaf 5.2.5. Hierin staat dat de kans op inundatie rondom het IJsselmeer gedurende de voorjaarsopzet gemiddeld met een factor 3 toeneemt en dat dit gemiddeld over de gehele winterperiode leidt tot een toename van de inundatiekans met factor 1,2. In bijlage 7 bij het MER is specifiek ingegaan op de situatie bij [naam wijk] . De hoogteligging van [naam wijk] is in kaart gebracht. Rondom de huizen en de straat is het tussen de +1,60 m NAP en +1,80 m NAP hoog. De laagste terrassen achter de huizen rondom de haven liggen op ongeveer +0,40 m NAP en +0,60 m NAP. De waterstand komt in de huidige situatie gemiddeld 3 keer per jaar boven de +0,40 m NAP. In maart is dat gemiddeld 1 keer per 2 jaar. De kans neemt in maart toe met een factor 2,1 naar ruim 1 keer per jaar en gemiddeld over het winterseizoen is dat een factor 1,2. Verder staat in deze bijlage dat het peilbesluit geen effect heeft op de hoger gelegen huizen en straten.

9.2

De rechtbank stelt vast dat in het MER de situatie bij [naam wijk] is onderzocht. Ter zitting hebben eisers toegelicht dat zij bedoelen dat de gevolgen van waterstanden boven de +0,50 m NAP ter plaatse van hun woningen niet zijn onderzocht. Verweerder stelt zich op het standpunt dat de gebieden die hoger liggen dan +0,50 m NAP niet verder onderzocht hoeven te worden, omdat uit het MER blijkt dat waterstanden boven de +0,50 m NAP niet worden beïnvloed door het peilbesluit. In paragraaf 5.2.4 van het MER staat beschreven dat de kanstoename op hoge waterstanden als gevolg van het basisalternatief doorwerkt in het IJsselmeer op waterstanden tot ongeveer +0,50 m NAP. Boven dit niveau heft het effect van een toename van de spuicapaciteit het effect van de peilverhoging op. Dit blijkt uit de doorberekeningen van het effect van het basisalternatief en is zichtbaar gemaakt in figuur 5.8. Ter zitting heeft de heer [C] , deskundige van verweerder, toegelicht dat uit meetwaarden en modelberekeningen die zijn gebruikt bij het opstellen van het MER is gebleken dat het effect van het peilbesluit bij een waterstand van +0,50 m NAP helemaal is uitgewerkt. Eisers hebben de conclusie uit het MER dat het peilbesluit geen effect heeft op waterstanden boven de +0,50 m NAP niet gemotiveerd bestreden. Gelet op de bevindingen van het MER heeft verweerder zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat nader onderzoek naar de gevolgen van waterstanden boven de +0,50 m NAP niet nodig is.

9.3

Zoals hiervoor in 9.1 is overwogen is uit het MER naar voren gekomen dat de kans op overstroming in het winterseizoen met een factor 1,2 toeneemt. In de Nota van Antwoord bij het peilbesluit is uiteengezet dat hoge waterstanden zoveel mogelijk beperkt zullen worden, omdat in de praktijk via operationeel peilbeheer zal worden gestuurd op actuele weersomstandigheden. In artikel 4 van het peilbesluit is geregeld dat de sturingsprincipes voor het operationeel peilbeheer worden vastgelegd in een protocol. Door middel van operationeel peilbeheer kan worden gestuurd op het voorkomen van hoge waterstanden, maar zoals eisers terecht stellen, biedt dit geen garantie dat hun percelen nooit zullen overstromen. Bij de effectbeschrijving in het MER staat dat de woon- en werkfuncties in de buitendijkse gebieden voldoende hoog liggen (hoger dan +2,0 m NAP). Het peilbesluit heeft daarom geen invloed op deze functies. Het peilbesluit heeft volgens het MER wel effect op de direct aangrenzende gebruiksfuncties, zoals tuinen, terrassen, steigers en kades. De toename van de overstromingskansen voor deze gebruiksfuncties is in het MER als beperkt negatief beoordeeld.

9.4

Hoewel uit bijlage 7 van het MER blijkt dat de huizen van eisers iets lager liggen dan in de effectbeschrijving aangegeven, namelijk op een hoogte van +1,60 tot +1,80 m NAP, is de rechtbank van oordeel dat verweerder gelet op de conclusies uit het MER in redelijkheid heeft kunnen stellen dat eisers niet hoeven te vrezen voor schade aan hun woningen ten gevolge van het peilbesluit. Zoals hierboven is weergegeven heeft het peilbesluit geen invloed op waterstanden boven +0,5 m NAP. Verweerder heeft bij de besluitvorming onderkend dat de tuinen en terrassen van eisers iets vaker kunnen overstromen door het peilbesluit waardoor schade kan ontstaan. Eisers hebben de gestelde funderingsproblemen aan hun woningen of verdergaande gevolgen dan beschreven in het MER niet aannemelijk gemaakt. Verweerder heeft zich dan ook in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat het woon- en leefklimaat van eisers niet onevenredig zal worden aangetast door het peilbesluit.

10. Eisers vinden dat de nadeelcompensatieregeling niet voldoende zekerheid biedt. Verweerder stelt namelijk dat bewoners zelf verantwoordelijk zijn voor het treffen van beperkende maatregelen en het risico dragen van waterschade. Zij willen meer zekerheid dat schade als gevolg van de hogere waterstanden vergoed zal worden.

10.1

In artikel 7, eerste lid, van het peilbesluit staat dat de Minister van Infrastructuur en Waterstaat aan degene die ten gevolge van dit peilbesluit schade lijdt of zal lijden, op grond van artikel 7.14 van de Waterwet, op zijn aanvraag een tegemoetkoming toekent, voor zover de schade redelijkerwijs niet voor zijn rekening behoort te blijven en voor zover de tegemoetkoming niet voldoende anderszins is verzekerd.

10.2

Verweerder wijst er in de Nota van Antwoord op dat bewoners en gebruikers op grond van de tussentijdse wijziging van het Nationaal Waterplan zelf verantwoordelijk zijn voor de risico’s van wateroverlast in buitendijkse gebieden. Alleen als extra schade wordt geleden als gevolg van het peilbesluit kan gebruik worden gemaakt van de nadeelcompensatieregeling, aldus verweerder.

10.3

De rechtbank stelt voorop dat het gestelde in artikel 7, eerste lid, van het peilbesluit gelijk is aan wat in artikel 7.14, eerste lid, van de Waterwet is geregeld. De rechtbank acht het niet onredelijk dat verweerder in het peilbesluit heeft volstaan met een verwijzing naar de nadeelcompensatieregeling uit de Waterwet. Dat verweerder heeft benadrukt dat de kans op een vergoeding beperkt is, doet niet af aan de mogelijkheid om een verzoek om nadeelcompensatie in te dienen. Uit het verhandelde ter zitting is gebleken dat verweerder dit naar voren heeft gebracht in het kader van verwachtingenmanagement. Voor het oordeel dat verweerder in het peilbesluit een verdergaande regeling had moeten treffen, zoals eisers willen, bestaat geen aanleiding. De beroepsgronden slagen niet.

Het beroep van eiseres 3

11. Eiseres behartigt de belangen van de eigenaren van de recreatiewoningen in het recreatiepark [naam recreatiepark] . Het recreatiepark ligt direct aan het IJsselmeer.

Eiseres stelt dat in de Nota van Antwoord niet is ingegaan op de zienswijze dat in het MER staat dat alle buitendijks gelegen huizen hoger liggen dan +2,0 m NAP, terwijl de recreatiewoningen op een hoogte van +0,80 m NAP tot +1,2 m NAP liggen.

11.1

Op pagina 41 en 42 van de Nota van Antwoord staat de zienswijze van eiseres samengevat weergegeven. In reactie hierop is aangegeven dat in het MER op basis van de beschikbare informatie zoals hoogtekaarten en GIS-gegevens een analyse is gemaakt van de hoogteligging van de diverse gebruiksfuncties rondom het IJsselmeer en dat bij deze analyse ook nadrukkelijk is gekeken naar het recreatiepark. De Nota van Antwoord verwijst naar bijlage 7 bij het MER. Verder is bij de beantwoording van de zienswijze overwogen dat het park overwegend boven +0,80 m NAP ligt. Gelet hierop is de rechtbank van oordeel dat verweerder voldoende op de zienswijze is ingegaan.

12. Eiseres vreest dat het recreatiepark nadelige gevolgen zal ondervinden van de voorjaarsopzet in maart. Zij wijst erop dat in het MER bij de beoordeling van de effecten ten onrechte is uitgegaan van de situatie dat alle recreatiewoningen hoger dan +2,0 m NAP liggen.

12.1

Paragraaf 8.4 van het MER gaat over de functies ‘wonen’ en ‘werken’ in het buitendijkse gebied. In deze paragraaf staat dat alle woon- en werkgebieden boven +2,0 m NAP liggen. Hiermee wordt, anders dan eiseres 3 meent, niet gedoeld op de woningen in het recreatiepark, omdat het recreatiepark valt onder gebruiksfunctie ‘recreatie’. Het MER is in paragraaf 8.2 op deze gebruiksfunctie, waaronder ook begrepen accommodaties voor verblijfsrecreatie, ingegaan. Dat de recreatiewoningen jaarrond gebruikt worden maakt dat niet anders. Verder staan in bijlage 7 bij het MER de gevolgen van de voorjaarsopzet ter plaatse van het gebied [...] , waar het recreatiepark ligt, beschreven. De bijlage bevat een hoogtekaart van het gebied. In de beschrijving van die hoogteligging staat dat het recreatiegebied hoger ligt dan +1,20 m NAP en dat enkele gebieden langs de kaden lager liggen. Ter zitting heeft de deskundige van verweerder – de heer [C] – toegelicht dat alle delen van het gebied die boven +0,50 m NAP liggen in de hoogtekaart grijs gekleurd zijn en dat de door eiseres gestelde ligging van het recreatiepark zal kloppen. Gelet hierop stelt de rechtbank vast dat partijen dus niet van mening verschillen over de hoogteligging van het recreatiepark. Het betoog van eiseres dat er in het MER ten onrechte vanuit is gegaan dat alle recreatiewoningen boven +2,0 m NAP liggen, slaagt niet.

12.2

Volgens bijlage 6 en 7 van het MER neemt de inundatiekans in de winterperiode gemiddeld toe met een factor 1,2. Verder staat vermeld dat de hoogste winter waterstand in de 23-jarige meetperiode +0,87 m NAP was en dat deze tweemaal optrad. De hoogste waterstand in maart in de 23-jarige meetperiode was + 0,72 m NAP en deze trad eenmaal op. Verder is geconcludeerd dat waterstanden vanaf +0,50 m NAP niet worden beïnvloed door het peilbesluit. Eiseres stelt enkel het niet eens te zijn met deze conclusie en niet te begrijpen hoe in het MER tot deze conclusie is gekomen. Dat is onvoldoende om te oordelen dat de conclusie uit het MER zoals verwoord in paragraaf 5.2.4, onjuist is. De rechtbank verwijst hiervoor naar wat is overwogen in 9.2. Voor het oordeel dat nader onderzoek moet worden gedaan naar de gevolgen van waterstanden boven de +0,50 m NAP ter plaatse van het recreatiepark, zoals door eiseres verzocht, bestaat geen aanleiding.

12.3

Eiseres voert verder aan dat in de (bijlagen bij) het MER vermelde historische gegevens over hoge waterstanden niet representatief zijn voor de toekomst. In reactie hierop heeft de deskundige van verweerder ter zitting uiteengezet dat vlakbij het recreatiepark een meetpunt is en dat de meetgegevens hiervan gebruikt zijn bij het opstellen van het MER. Het gaat om daadwerkelijk gemeten waterstanden. Niet valt in te zien waarom deze gegevens niet gebruikt hadden mogen worden bij de effectbeoordeling. Voor zover eiseres bedoeld dat ten onrechte geen rekening is gehouden met toekomstige weerscenario’s, overweegt de rechtbank dat met het peilbesluit juist is beoogd om beter in te kunnen spelen op klimaatverandering en dat hiermee in het MER rekening is gehouden.

12.4

Bijlage 7 bij het MER vermeldt bij de beoordeling van het effect dat het recreatiegebied voldoende hoog ligt waardoor dit gebied door de peilopzet in maart niet zal inunderen. De laaggelegen randen in maart lopen iets vaker de kans om te inunderen, maar hier liggen geen kwetsbare functies, zodat extra overlast volgens het MER niet te verwachten is. De rechtbank ziet in het aangevoerde geen reden om te oordelen dat verweerder de gevolgen van de voorjaarsopzet voor het recreatiepark heeft onderschat. Van belang hierbij is dat bij de beoordeling van het effect van de voorjaarsopzet op de waterstanden is uitgegaan van een ligging van de recreatiewoningen op tenminste +0,80 m NAP. Gelet op de conclusie uit het MER dat waterstanden boven de +0,50 m NAP niet het gevolg zijn van het peilbesluit, liggen de woningen dus voldoende hoog. Volgens verweerder is in het MER van een worst case scenario uitgegaan, waarbij is aangenomen dat de extra opzet volledig doorwerkt in de maximaal optredende waterstand. Eiseres betwist dit, maar heeft die betwisting niet gemotiveerd. Gelet op paragraaf 5.2.3 van het MER heeft verweerder kunnen stellen dat bij de effectbeoordeling van een worst case scenario is uitgegaan. De beroepsgrond slaagt niet.

13. Eiseres brengt naar voren dat het vervroegd uitzakken van het meerpeil vanaf half augustus nadelig is, omdat het vakantieseizoen dan nog volop bezig is. Als gevolg van het vervroegd uitzakken moeten woningeigenaren met boten die een diepe vaargang hebben eerder het park verlaten.

13.1

In paragraaf 8.2 van het MER zijn de effecten van het peilbesluit voor recreatief gebruik beschreven. Geconstateerd is dat de bevaarbaarheid van ondiepe gebieden afneemt door het vervroegd uitzakken. De afname van de bevaarbaarheid is in kaart gebracht voor drie typen boten. Deze afname is zeer beperkt (minder dan 1%) en daarom is dit effect in het MER als neutraal beoordeeld. Verder blijkt uit het MER dat 20% van de jachthavens een vaardiepte heeft van minder dan 2 meter. In het verweerschrift en ter zitting is toegelicht dat met de watersportsector, gemeenten en provincies een nadere knelpuntenanalyse is uitgevoerd naar de bereikbaarheid en toegankelijkheid van de jachthavens. Deze analyse heeft geen duidelijkheid gegeven over concrete locaties waar zich knelpunten kunnen voordoen. Verweerder heeft daarom geen reden gezien om een mitigerende maatregel aan het peilbesluit te verbinden.

13.2

De rechtbank overweegt dat het recreatiepark aan een ondiep gedeelte van het IJsselmeer ligt. Dit betekent dat het vervroegd uitzakken van het meerpeil in augustus gevolgen zal hebben voor de watersportmogelijkheden bij het recreatiepark. Het probleem zal zich vooral voordoen bij boten met een diepgang tussen de 0,40 en 0,50 m. Eiseres heeft geen inzicht gegeven in de omvang van het probleem. Vanwege het ondiepe gedeelte van het IJsselmeer bij het recreatiepark kunnen in de huidige situatie ter plaatse ook al geen grotere boten varen.

Ter zitting heeft deskundige [C] toegelicht dat het vervroegd uitzakken onderdeel is van een meer natuurlijk verloop van het meerpeil en dat dit veel positieve natuureffecten heeft, zoals uitbreiding van foerageergebieden voor vogels. Uit het voorgaande blijkt dat verweerder bij de belangenafweging zowel de negatieve als de positieve effecten van het vervroegd uitzakken in de zomer heeft betrokken. Daarbij heeft verweerder oog gehad voor de belangen van het recreatiepark. De rechtbank vindt dat verweerder bij de keuze voor het vervroegd uitzakken van het meerpeil in de zomer gelet op het natuurbelang, de conclusie uit het MER dat de afname van de bevaarbaarheid zeer beperkt is en het feit dat ondanks de uitgevoerde knelpuntenanalyse concrete problemen niet duidelijk zijn geworden geen onredelijke afweging heeft gemaakt. De beroepsgrond slaagt niet.

14. Eiseres twijfelt of met succes een beroep gedaan kan worden op de nadeelcompensatieregeling, gelet op de bewijslast. De rechtbank verwijst naar het oordeel over de nadeelcompensatieregeling zoals gegeven in overweging 10.3.

Het beroep van eiser 4

15. Eiser voert aan dat de negatieve gevolgen van het peilbesluit voor zijn percelen landbouwgronden in Genemuiden nabij Zwarte Water onvoldoende zijn erkend. De verhoging van het peil zal zonder aanvullende maatregelen een sterk verhoogd risico van inundatie met zich mee brengen. Voor de 1,30 hectare landbouwgrond van eiser gelegen buiten de zomerkades zal het peilbesluit desastreuze gevolgen hebben, omdat deze gronden ongeschikt worden voor agrarisch gebruik.

15.1

Alle landbouwgronden van eiser liggen buitendijks. In bijlage 7 bij het MER is ingegaan op de situatie voor het buitendijkse gebied van Zwarte Water. Een deel van het buitendijkse gebied is omgeven door relatief lage kades. Het effect van het peilbesluit is dat de kans op een waterstand hoger dan +0,30 m NAP in maart zal toenemen met factor 1,7. Door de maximale opzet in de zomermaanden (-0,10 m NAP) neemt de kans op hoge waterstanden toe met een factor 2 tot 4. Tussen partijen is niet in geschil dat de kans op overstromingen als gevolg van het peilbesluit toeneemt. In het MER is het effect van waterschade door overstromingen van buitendijkse gebieden door de voorjaarsopzet als beperkt negatief beoordeeld, omdat de wateroverlast plaatsvindt voorafgaand aan het groeiseizoen, tijdelijk van aard is en veelal optreedt in extensieve agrarische gebieden met een beheerfunctie. De grotere inundatiekans als gevolg van de zomeropzet is in het MER als negatief beoordeeld. Verweerder heeft uiteengezet dat het peil in de eerste twee weken van april zakt van -0,10 m NAP naar -0,20 m NAP. Het reguliere zomerpeil is -0,20 m NAP, maar kan bij periodes van extreme droogte stijgen naar -0,10 m NAP. Naar verwachting komt dit 1 keer per 5 jaar voor. Een langdurige droogte wordt 1 keer per 10 à 15 jaar verwacht. Daarbij merkt verweerder nog op dat het verhogen van het peil niet direct zal leiden tot overstroming van de percelen, omdat dit pas zal gebeuren als opstuwing door wind tot verhoogde waterstanden leidt.

15.2

Gelet op de conclusies uit het MER is de rechtbank van oordeel dat de gebruiksmogelijkheden van de landbouwgronden van eiser niet dusdanig zullen verslechteren door het peilbesluit dat verweerder niet in redelijkheid het peilbesluit heeft mogen vaststellen. Daarbij neemt de rechtbank ook in aanmerking dat in het MER van een worst case scenario is uitgegaan, waarbij is aangenomen dat de extra opzet volledig doorwerkt in de maximaal optredende waterstand. Gelet op dit oordeel heeft verweerder geen aanleiding hoeven zien om aan het peilbesluit een voorwaarde te verbinden dat de zomerkades en het jaagpad worden verhoogd, zoals door eiser is verzocht. Het beroep van eiser slaagt niet.

Belangenafweging

16. Ten aanzien van het betoog van met name eisers 1 en 2 en eiseres 3 dat de belangenafweging van verweerder niet zorgvuldig is geweest, omdat met hun belangen onvoldoende rekening is gehouden, overweegt de rechtbank als volgt. Uit de stukken, waaronder het MER en de Nota van Antwoord, komt naar voren dat verweerder bij de belangenafweging rekening heeft gehouden met de gevolgen van het peilbesluit voor buitendijkse gelegen gronden en het gebruik daarvan. Bij de gemaakte afweging heeft verweerder van belang geacht dat de keuze voor een flexibel peilbeheer in overeenstemming is met de uitgangspunten uit het Nationaal Waterplan. Het gaat daarbij vooral om het belang van waterveiligheid, het belang van voldoende zoetwatervoorraad en het belang om flexibel te kunnen inspelen op veranderende meteorologische omstandigheden. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder aan deze zwaarwegende algemene belangen in redelijkheid een doorslaggevend gewicht kunnen toekennen. De rechtbank ziet geen grond voor het oordeel dat verweerder een onevenwichtige of onzorgvuldige belangenafweging heeft gemaakt.

Conclusie

17. De rechtbank komt tot de slotconclusie dat verweerder het peilbesluit in redelijkheid heeft kunnen vaststellen.

18. De beroepen zijn ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart de beroepen ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. N.H.J.M. Veldman-Gielen, voorzitter, en mr. N.M. Spelt en mr. G.C.W. van der Feltz, leden, in aanwezigheid van mr. S.C.J. van der Hoorn, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 21 februari 2019.

griffier voorzitter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.

1 bijvoorbeeld de uitspraak van 26 februari 2014, ECLI:NL:RVS:2014:689