Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2019:707

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
21-02-2019
Datum publicatie
21-02-2019
Zaaknummer
16/659563-17 (P)
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Verdachte heeft zich als verkeersdeelnemer zodanig gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden. Verdachte heeft zeer onvoorzichtig en onoplettend gereden. Verdachte heeft een rood verkeerslicht genegeerd en reed met een hoge snelheid over het kruispunt. Daar kwam hij in botsing met de bestuurster van een fiets. Het slachtoffer heeft hierbij zwaar lichamelijk letsel opgelopen.

De rechtbank veroordeelt verdachte tot een taakstraf van 160 uur en een rijontzegging van 12 maanden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Afdeling strafrecht

Zittingsplaats Utrecht

Parketnummer: 16/659563-17 (P)

Vonnis van de meervoudige kamer van 21 februari 2019

in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren op [1997] te [geboorteplaats] ,

wonende te [woonplaats] , [adres] .

1 ONDERZOEK TER TERECHTZITTING

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen van 4 oktober 2018 en 7 februari 2019. Op laatstgenoemde zitting heeft de inhoudelijke behandeling plaatsgevonden.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering en standpunten van officier van justitie mr. R. Esbir Wildeman en van hetgeen verdachte en mr. A.C. Vingerling, advocaat te Utrecht, naar voren hebben gebracht. Voorts heeft de rechtbank kennisgenomen van de namens [slachtoffer] schriftelijk voorgedragen slachtofferverklaring.

2 TENLASTELEGGING

De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht. De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte:

primair: op 9 april 2017 op de Brailledreef te Utrecht als bestuurder van een personenauto een verkeersongeval heeft veroorzaakt door zeer, althans aanmerkelijk, onvoorzichtig en/of onoplettend te rijden, ten gevolge waarvan [slachtoffer] zwaar lichamelijk letsel heeft opgelopen dan wel

subsidiair: op 9 april 2017 op de Brailledreef te Utrecht als bestuurder van een personenauto gevaar op de weg heeft veroorzaakt.

3 VOORVRAGEN

De dagvaarding is geldig, de rechtbank is bevoegd tot kennisneming van het ten laste gelegde, de officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging van verdachte en er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging.

4 WAARDERING VAN HET BEWIJS

4.1

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het primair ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen kan worden, met dien verstande dat er volgens de officier van justitie sprake is geweest van zeer onvoorzichtig en onoplettend rijgedrag.

4.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft zich primair op het standpunt gesteld dat op grond van het dossier en het verhandelde ter terechtzitting het primair ten laste gelegde weliswaar wettig bewezen kan worden, maar dat niet de overtuiging bekomen kan worden dat verdachte door een rood verkeerslicht is gereden. De verklaringen die in het dossier aanwezig zijn leiden wat betreft het rode stoplicht tot een andere conclusie dan de technische gegevens die uit de onderzoeken naar voren zijn gekomen. Verdachte heeft vanaf het begin een consistente verklaring afgelegd; hij heeft steeds stellig ontkend door rood te zijn gereden. Voorts heeft [getuige 1] verklaard dat zij van een bij het slachtoffer staande man – met wie wordt bedoeld: getuige [getuige 2] , die op de rechterrijstrook reed – had gehoord dat hij groen licht had. Ook zijzelf, achter verdachte rijdende toen ze bij het bewuste verkeerslicht aan kwam, had groen licht, aldus de raadsman.

In het geval de rechtbank dit verweer volgt dient verdachte volgens de raadsman integraal vrijgesproken te worden van zowel het onder primair als subsidiair ten laste gelegde omdat de enkele (dan overblijvende) omstandigheid dat verdachte met een te hoge snelheid over de Brailledreef reed onvoldoende is om vast te stellen dat sprake is van overtreding van het bepaalde in artikel 6 en 5 van de Wegenverkeerswet 1994.

Indien de rechtbank aan voornoemd verweer voorbij gaat heeft de raadsman subsidiair verzocht om een contra-expertise van de verkeerskundige conclusies ten aanzien van het rode stoplichtplaats.

4.3

Het oordeel van de rechtbank

4.3.1

De bewijsmiddelen 1

De verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting voor zover hier van belang en zakelijk weergegeven inhoudende:

Op 9 april 2017, omstreeks 21.30 uur reed ik in een personenauto van het merk Citroën over de Brailledreef te Utrecht. Ik reed toen in de richting van de Kardinaal de Jongweg. Op de kruising van de Brailledreef met de Zamenhofdreef kwam ik in botsing met een van rechts komende fietsster. Ik reed toen ik deze kruising op reed op de linkerbaan voor rechtdoor. Deze fietsster bleek later [slachtoffer] .2

Het proces-verbaal van verhoor van [slachtoffer] van 20 juni 2017 voor zover hier van belang en zakelijk weergegeven inhoudende:

Ik wil graag een verklaring van je opnemen in verband met de aanrijding die op 9 april 2017 heeft plaatsgevonden op de Brailledreef te Utrecht.

V= vraag verbalisant

A= antwoord betrokkene

A: (…) Ik weet nog dat ik op de kruising van de Brailledreef met de Zamenhofdreef kwam en dat ik op de Brailledreef over moest steken (…)3

V: wat is je letsel als gevolg van deze aanrijding?

A: Ik heb hoofdletsel opgelopen, dit bestaat uit een hersenkneuzing en een bloedschilfer in mijn hersenen (…). Ook heb ik een dubbele beenbreuk opgelopen in mijn onderbeen.4

Een geneeskundige verklaring betreffende [slachtoffer] voor zover hier van belang en zakelijke weergegeven inhoudende:

Medische informatie betreffende: [slachtoffer] (…)

Uitwendig waargenomen letsel: gebroken been met wondje

Overige van belang zijnde informatie (operaties, blijvend letsel ed): open fractuur onderbeen links  geopereerd, longkneuzing, kleine bloeding in het hoofd.

Datum waarop voornoemde persoon werd onderzocht: 9 april 2017.5

Het proces-verbaal verkeersongevalanalyse voor zover hier van belang en zakelijk weergegeven inhoudende:

Op zondag 9 april 2017, omstreeks 21.36 heeft op het kruispunt gevormd door de Brailledreef en de Zamenhofdreef, gelegen in de bebouwde kom van Utrecht, een aanrijding plaatsgevonden, waarbij een Citroën Saxo personenauto, hierna te noemen voertuig 2, tegen een fietsster, hierna te noemen voertuig 1 is gebotst.

De bestuurder van voertuig 2 bereed de rijbaan van de Brailledreef, komende uit de richting van de Einsteindreef en gaande in de richting van de Kardinaal de Jongweg. De bestuurster van voertuig 1 bereed het fietspad/bromfietspad behorende tot de Brailledreef, komende uit de richting van de Einsteindreef en gaande in de richting van de Kardinaal de Jongweg en wilde bij voornoemd kruispunt de rijbaan van de Brailledreef oversteken (…).6 Ter plaatse was een fietsoversteek gerealiseerd (…).7

Voor motorvoertuigen bedroeg de ter plaatse (de rechtbank begrijpt: op de rijbaan voor personenauto’s) toegestane maximumsnelheid 50 km/h. (…) De rijbaan was voorzien van drie voorsorteervakken, waarvan twee voor rechtdoorgaand verkeer en een links daarnaast gelegen voorsorteervak voor linksafslaand verkeer. (…) . Het verkeer op het genoemde kruispunt werd door middel van een verkeersregelinstallatie geregeld.8 (…) In de rijrichting, die voertuig 2 vlak voor het ongeval gehad moet hebben zagen wij op het wegdek van de linker rijstrook voor rechtdoorgaand verkeer een recent spoor, met de uiterlijke kenmerken van een remblokkeerspoor, bestaande uit 2 parallel aan elkaar afgetekende sporen.

Het proces-verbaal ‘onderzoek plaats delict werking van verkeersregelinstallaties’ voor zover hier van belang en zakelijk weergegeven inhoudende:

Op 9 april 2017, omstreeks 21.37 uur, had op het kruispunt van de voor het openbaar verkeer openstaande wegen de Brailledreef en de Zamenhofdreef te Utrecht (…) een verkeersongeval plaatsgevonden. (…) Het betreffende kruispunt werd ten tijde van het verkeersongeval geregeld door een verkeersregelinstallatie (VRI).9 (…) De bestuurder van de personenauto had gereden over de linker voorsorteerstrook voor rechtdoorgaand verkeer, komende uit de richting van de Einsteindreef, gaande in de richting van de Kardinaal de Jongweg. Ik zag op de verkeerslantaarns boven de weg dat daarop de nummers 8.1 en 8.2 waren aangebracht. Daaruit maakte ik op dat de door bestuurder van de personenauto gevolgde rijrichting in de verkeerslichtenregeling was opgenomen als richting 8.10 (…) De bestuurder van de fiets had gereden over de fietsoversteekplaats van de Brailledreef, gaande in de richting van Zamenhofdreef. Ik zag op de verkeerslantaarn rechts naast het fietspad, dat het nummer 86.1 was aangebracht. Daaruit maakte ik op dat de bestuurder van de fiets had gereden over richting 86.11 (…) Ik zag dat de detectielussen op het kruispunt in de toplaag van het wegdek waren aangebracht. De ligging van de detectielussen werd met behulp van landmeetapparatuur ingemeten. Tijdens het onderzoek aan het verkeersregeltoestel, stelde ik vast dat de detectielussen voor de rijstrook waarop de bestuurder van de personenauto reed, als volgt waren genummerd (van veraf tot aan de stopstreep):

Detectielus Aanvang (afstand tot stopstreep in m) Lengte lus (in m)

D8.10 ± 62,3 m ± 5,0 m

D8.8 ± 44,4 m ±19,7 m

D8.6 ± 18,8 m ± 1,0 m

D8.4 ± 15,8 m ± 1,0 m

D8.2 ± 3,5 m ± 1,0 m12

Het proces-verbaal ‘analyse van een verkeersdelict op basis van gegevens van een verkeersregelinstallatie’ voor zover hier van belang en zakelijke weergegeven inhoudende:

Naar aanleiding van een verkeersongeval op het kruispunt van de voor het openbaar verkeer openstaande wegen de Brailledreef en de Zamenhofdreef te Utrecht, werd door mij een onderzoek ingesteld naar de werking van de verkeersregelinstallatie (VRI) op de plaats delict ten tijde van het verkeersongeval.13 (…) De getuige [getuige 1] verklaarde dat zij op de linker rijstrook reed toen zij het ongeval voor zich zag gebeuren. Zij stopte direct voor de fietser die voor haar op de linker rijstrook lag. Zij heeft daarbij haar auto stil laten staan op de linker rijstrook voor de stopstreep en is uitgestapt.14 (…) Tijdens het PD-onderzoek werd (…) vastgesteld dat de verkeersregelinstallatie op het kruispunt k075 een voertuigafhankelijke verkeerslichtenregeling betrof. Het verkeersregeltoestel stond ten tijde van het onderzoek in de regeltoestand “regelen”. Uit de verklaringen van de betrokkenen en getuigen, bleek dat de verkeersregelinstallatie kennelijk aan het regelen was op het moment van het ongeval. Ook uit de analyse van de logbestanden, bleek dat de verkeersregelinstallatie aan het regelen was ten tijde van het ongeval.15 (…) Tijdens het PD-onderzoek was vastgesteld (onder andere op basis van de aangetroffen rem/blokkeersporen) dat de bestuurder van de Citroën had gereden over de linker voorsorteerstrook voor rechtdoorgaand verkeer (…). De bestuurder van de fiets had gereden over het fietspad dat langs de Brailledreef lag en was haaks de rijbaan van de Brailledreef overgestoken in de richting van de Zamenhofdreef. (…) In de onderstaande tabel is inzichtelijk gemaakt wat de nummer van de rijrichtingen, detectoren en eventuele andere elementen was: (…)

Rijrichting Tekening Faselog

Linker rijstrook voor rechtdoorgaand verkeer dl8.2 d082

dl8.4 d084

dl8.6 d086

dl8.8 d088

dl8.10 d081016

(…) Uit de algemene mutatie van het ongeval in de Basis Voorziening Handhaving (BHV), bleek dat de melding door het Operationeel Centrum Utrecht was geregistreerd om 21.37 uur. (…) (….) ik ben voor 21.38.00 uur gaan zoeken in de logbestanden. (…) De detectielus d082 betrof de koplus van de linkerrijstrook van richting 8. (…) In het faselog zag ik dat detector d082 vanaf het tijdstip 21.35.42 continu bezet bleef. Ik zag dat de bijbehorende richting daarna meerdere keren een groen lampsignaal kreeg, maar dat deze detector onveranderd bleef tot 22.14.09 uur. Tevens zag ik in het faselog dat dit voertuig de opvolgende detectoren d0810, d088, d086 en d084 tijdens een groenfase had geactiveerd en gedeactiveerd om vervolgens stil te gaan staan op d082. De wijze van naderen van het kruispunt en de doorlopende bezetting van de koplus, komen overeen met de verklaring van getuig [getuige 1] , welke verklaarde haar voertuig na het ongeval stilgezet te hebben ter hoogte van de stopstreep.17 (…) Tevens volgt hieruit dat het ongeval vrijwel zeker ontstaan moet zijn met het laatste voertuig dat voor getuige [getuige 1] had gereden over de linker voorsorteerstrook, daar waren tijdens het PD-onderzoek namelijk duidelijke rem-blokkeersporen van de Citroën aangetroffen. In het faselog zag ik dat het laatste voertuig dat vóór getuige [getuige 1] uit had gereden, ongeveer 15,2 seconden eerder dan [getuige 1] , een detectorregistratie op de dectielus d0810 veroorzaakte. Vervolgens zag ik dat dit betreffende voertuig ook de opvolgende detectielussen activeerde en deactiveerde en zag ik dat dit voertuig de koplus (d082) activeerde en deactiveerde tijdens de roodfase. Een dergelijke activatie en deactivatie van de koplus tijdens de roodfase, kan gezien worden als een rood licht negatie door de bestuurder van dat betreffende voertuig.18 (…) De pop-ups van de roodfase van richting 8 en de detectorregistraties van het voortuig dat voor getuige [getuige 1] door rood reed (…) zijn hierna weergegeven. Uit de pop-ups blijkt dat om 21.35.18.6 uur een rood lampsignaal werd gegeven voor richting 8. De koplus d082 bleek door het betreffende voertuig geactiveerd te zijn om 21.35.24.4 uur en gedeactiveerd om 21.35.24.7 uur (…). Het betreffende voertuig passeerde derhalve de stopstreep terwijl richting 8 tussen de 5,8 en 6,1 seconden was (de rechtbank begrijpt: rood licht uitstraalde).19 Nagenoeg gelijktijdig met de rood licht negatie op richting 8, was er een detectorregistratie zichtbaar op de detectielus d861 waarbij een voertuig de stopstreep passeerde terwijl er een groen lampsignaal werd afgegeven voor richting 86, zijnde de rijrichting van de bij het ongeval betrokken fietser.20 (…) Uit de voorgaande analyse bleek mij dat (…) de detectorregistraties op richting 86 zijn veroorzaakt door de bestuurder van de fiets. (…) De bestuurder van de Citroën passeerde de stopstreep, terwijl de verkeerslichten voor die richting minimaal 5,8 seconden rood licht uitstraalden. De bestuurden van de fiets passeerde de stopstreek, terwijl de verkeerslichten voor die richting minimaal 1,6 seconden groen licht uitstraalden. (…) Onderzoek door Politie Midden-Nederland in samenwerking met het Nederlands Forensisch Instituut heeft aangetoond dat het mogelijk is om betrouwbare snelheidsberekeningen te maken op basis van logbestanden.21 (…) Bij deze berekening is gebruik gemaakt van de afstanden tussen de punten van detectie (…). Uit deze berekening bleek dat de bestuurder van de Citroën, voorafgaand aan de door hem ingezette noodremming, het kruispunt was genaderd, met een gemiddelde indicatieve snelheid, gelegen tussen de 78 km/h en 89 km/h (…).22

4.3.2

Overwegingen van de rechtbank

Om tot een veroordeling voor overtreding van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994 te kunnen komen, is onder meer vereist dat verdachte schuld heeft aan een aanrijding, in die zin dat hij – zoals ten laste is gelegd – zich zeer, althans aanmerkelijk onvoorzichtig en/of onoplettend heeft gedragen.

Op grond van vaste rechtspraak van de Hoge Raad komt het bij de vraag of sprake is van schuld in de zin van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994, aan op het geheel van gedragingen van verdachte, de aard en de ernst daarvan en de overige omstandigheden van het geval. Niet kan reeds uit de ernst van de gevolgen van het verkeersgedrag, dat is strijd is met één of meer wettelijke gedragsregels in het verkeer, worden afgeleid dat sprake is van schuld in vorenbedoelde zin.

Aan de hand van vorenstaande bewijsmiddelen stelt de rechtbank – kort gezegd de volgende feiten en omstandigheden vast:

  • -

    verdachte heeft met een door hem bestuurde personenauto een rood verkeerslicht genegeerd en is kort hierna in botsing gekomen met een overstekende fietsster;

  • -

    verdachte reed met een veel te hoge snelheid, namelijk in ieder geval meer dan 28 km/h te hard op een plaats waar 50 km/h was toegestaan;

  • -

    ten tijde van het ongeval was het donker en verdachte had door een andere auto, die rechts voor verdachte en op korte afstand van de verkeerslichten reed dan wel stond (getuige [getuige 2] ), geen vrij zicht op de gehele kruising.

De rechtbank is, gelet op het vorenstaande, van oordeel dat het ongeval, waarbij [slachtoffer] zwaar lichamelijk letsel heeft opgelopen aan verdachtes schuld te wijten is. Met betrekking tot de mate van schuld is de rechtbank van oordeel dat het rijgedrag van verdachte gekwalificeerd dient te worden als zeer onvoorzichtig en onoplettend.

Het verweer van de raadsman dat verdachte door groen is gereden vindt zijn weerlegging in de door de rechtbank gebruikte bewijsmiddelen.

Het voorwaardelijk verzoek van de raadsman tot het verrichten van contra-expertise wijst de rechtbank af omdat zij dit gelet op de vorenstaande bewijsmiddelen niet noodzakelijk acht.

5 BEWEZENVERKLARING

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte:

Primair

op 9 april 2017, te Utrecht, als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een

motorrijtuig (personenauto, merk Citroën, type Saxo, kenteken [kenteken] ),

daarmede rijdende over de weg, de Brailledreef, zich zodanig heeft gedragen

dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden, door

zeer onvoorzichtig en onoplettend, te rijden,

op de Brailledreef, komende uit de richting van de Einsteindreef en gaande in

de richting van de Kardinaal de Jongweg, met hoge snelheid, rechtdoor een kruispunt is overgestoken, waarbij hij, verdachte, een rood verkeerslicht negeerde, welke reeds 5,8 seconden op rood stond, en aldaar in botsing kwam met de bestuurster van een fiets, te weten [slachtoffer] , welke bestuurster, nadat zij daarvoor groen licht had, het kruispunt van de Brailledreef overstak

waardoor die [slachtoffer] , zwaar lichamelijk letsel werd toegebracht, te weten een beenbreuk op twee plekken, waarvoor operatief ingrijpen noodzakelijk was, een hersen- en longkneuzing en een bloedschilfer in de schedel,

terwijl het feit is medeveroorzaakt doordat hij, verdachte, de krachtens de Wegenverkeerswet 1994 vastgestelde ter plaatse maximaal toegestane snelheid van 50 km/u in ernstige mate heeft overschreden, te weten dat hij met een snelheid van 78 kilometer per uur reed.

Voor zover in het bewezen verklaarde deel van de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet in de verdediging geschaad.

Hetgeen onder het primair ten laste gelegde meer of anders is ten laste gelegd is niet bewezen. Verdachte wordt hiervan vrijgesproken.

6 STRAFBAARHEID VAN HET FEIT

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezen verklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.

Het onder primair bewezen verklaarde levert volgens de wet het volgende strafbare feit op:

overtreding van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994, terwijl het een ongeval betreft waardoor een ander lichamelijk letsel wordt toegebracht en terwijl het feit is medeveroorzaakt doordat de schuldige een krachtens deze wet vastgestelde maximumsnelheid in ernstige mate heeft overschreden.

7 STRAFBAARHEID VAN VERDACHTE

Er is geen omstandigheid gebleken of aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.

8 OPLEGGING VAN STRAF EN MAATREGEL

8.1

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft, rekening houdend met de LOVS-oriëntatiepunten, gevorderd verdachte ter zake van het door hem bewezen geachte te veroordelen tot:

- een taakstraf van 160 uren, indien niet of niet naar behoren verricht te vervangen door 80 dagen hechtenis;

- een ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van 12 maanden.

8.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft – in geval van een bewezenverklaring van het primair ten laste gelegde overeenkomstig het standpunt van de officier van justitie – verzocht de gevorderde rij-ontzegging niet op te leggen. Hierbij heeft de raadsman gewezen op het tijdsverloop in deze zaak, het gegeven dat verdachte door deze maatregel gehinderd wordt in zijn carrièremogelijkheden, verdachte na het onderhavige feit niet meer met justitie in aanraking is gekomen en van onverantwoord rijgedrag geen sprake meer is geweest.

8.3

Het oordeel van de rechtbank

Bij het bepalen van de straf en maatregel heeft de rechtbank rekening gehouden met de ernst van het bewezen verklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals ter terechtzitting is gebleken.

Verdachte heeft met een veel te hoge snelheid over de Brailledreef gereden en hij heeft een rood verkeerslicht genegeerd. Vervolgens is hij, terwijl hij onvoldoende zicht had, de kruising met de Zamenhofdreef opgereden en heeft hij daar een overstekende fietsster, genaamd [slachtoffer] , aangereden.

Door het kwalijke rijgedrag van verdachte heeft het slachtoffer zwaar lichamelijk letsel opgelopen, waaronder beenbreuken en een longkneuzing. Uit de namens het slachtoffer voorgelezen slachtofferverklaring blijkt hoezeer haar leven de afgelopen jaren in het teken heeft gestaan van het ongeval en welke verstrekkende gevolgen deze gebeurtenis op zowel fysiek als psychisch vlak hebben gehad op haar leven en nog steeds hebben. Zo heeft zij als gevolg van het ongeval nog steeds last van haar been en moet zij nogmaals aan haar been geopereerd worden.

Om te bevorderen dat voor dezelfde feiten door rechtbanken en gerechtshoven ongeveer dezelfde straffen worden opgelegd, zijn landelijke oriëntatiepunten voor straftoemeting ontwikkeld (LOVS-oriëntatiepunten). Voor het veroorzaken van een verkeersongeval met zwaar lichamelijk letsel tot gevolg, waarbij sprake is van zeer onvoorzichtig rijgedrag, wordt als uitgangspunt een taakstraf voor de duur van 160 uren en een rijontzegging voor de duur van 12 maanden genoemd.

Reclassering Nederland heeft omtrent verdachte een rapport opgemaakt. In dit rapport van 15 mei 2018 wordt weergeven dat verdachte zijn leven op de praktische gebieden op orde lijkt te hebben en dat er geen aanwijzingen zijn voor problemen op het gebied van financiën, middelengebruik en relaties. Daarnaast heeft hij zich meewerkend opgesteld met de reclassering en worden op basis van de huidige informatie geen risicofactoren voor delictgedrag gezien. Door de reclassering wordt geadviseerd aan verdachte een werkstraf op te leggen.

Uit het strafblad van verdachte van 23 augustus 2018 is gebleken dat verdachte niet eerder ter zake van een soortgelijk feit met justitie in aanraking is gekomen. Het voornoemde oriëntatiepunt gaat uit van een verdachte die first offender is. Het ontbreken van relevante recidive heeft dan ook geen invloed op de straftoemeting.

In het nadeel van verdachte houdt de rechtbank er rekening mee dat verdachte, ondanks het technische tegenbewijs, heeft volhard in zijn verklaring dat hij niet door rood heeft gereden en daardoor geen volledige verantwoordelijkheid heeft willen nemen voor zijn rijgedrag.

De rechtbank zal evenwel toch niet afwijken van het hiervoor genoemde LOVS-oriëntatiepunt en zal verdachte veroordelen tot een taakstraf van 160 uren subsidiair 80 dagen hechtenis en een rijontzegging voor de duur van 12 maanden.

In hetgeen de verdediging heeft aangevoerd met betrekking tot het opleggen van onvoorwaardelijke rij-ontzegging ziet de rechtbank geen aanleiding om tot een andersluidend oordeel te komen.

9 TOEPASSELIJKE WETTELIJKE VOORSCHRIFTEN

De beslissing berust op de artikelen:

  • -

    22c, 22d van het Wetboek van Strafrecht;

  • -

    6, 175 en 179 van de Wegenverkeerswet 1994;

zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

10 BESLISSING

De rechtbank:

- wijst af het onder 4.3.2. genoemde verzoek tot het verrichten van contra-expertise;

Bewezenverklaring

- verklaart het onder primair ten laste gelegde bewezen zoals hiervoor in rubriek 5 is vermeld;

- verklaart het onder primair meer of anders ten laste gelegde niet bewezen en spreekt verdachte daarvan vrij;

Strafbaarheid

- verklaart het onder primair bewezen verklaarde strafbaar en kwalificeert dit zoals hiervoor in rubriek 6 is vermeld;

- verklaart verdachte strafbaar;

Oplegging straf en maatregel

- veroordeelt verdachte tot een taakstraf van 160 uren;

- beveelt dat voor het geval verdachte de taakstraf niet of niet naar behoren verricht de taakstraf wordt vervangen door 80 dagen hechtenis;

- ontzegt verdachte ter zake van het onder primair bewezen verklaarde de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van 12 maanden.

Dit vonnis is gewezen door mr. M. Eversteijn, voorzitter, mrs. K.J. Veenstra en H.E. Spruit, rechters, in tegenwoordigheid van J.J. Veldhuizen griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van 21 februari 2019.

Bijlage: de tenlastelegging

Aan verdachte wordt ten laste gelegd dat:

Primair

hij op of omstreeks 9 april 2017, te Utrecht, althans in het arrondissement

Midden-Nederland, als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een

motorrijtuig (personenauto, merk Citroën, type Saxo, kenteken [kenteken] ),

daarmede rijdende over de weg, de Brailledreef, zich zodanig heeft gedragen

dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden, door

zeer, althans aanmerkelijk, onvoorzichtig en/of onoplettend, te rijden,

op de Brailledreef, komende uit de richting van de Einsteindreef en gaande in

de richting van de Kardinaal de Jongweg, met hoge snelheid, althans met een

hogere snelheid dan de aldaar ter plaatse toegestane snelheid van 50

kilometer per uur, in elk geval met een te hoge snelheid voor een veilig

verkeer, (rechtdoor) een kruispunt is overgestoken, waarbij hij, verdachte,

een rood verkeerslicht negeerde (welke reeds 5,8 seconden op rood stond)

en/of aldaar in botsing kwam met de bestuurster van een fiets, te weten [slachtoffer]

, welke bestuurster, nadat zij daarvoor groen licht had, het kruispunt

van de Brailledreef overstak

waardoor die [slachtoffer] , zwaar lichamelijk letsel werd toegebracht of zodanig

lichamelijk letsel dat daaruit tijdelijke ziekte of verhindering in de

uitoefening van de normale bezigheden is ontstaan (te weten een beenbreuk op

twee plekken (waarvoor operatief ingrijpen noodzakelijk was), een hersen- en

longkneuzing, een bloedschilfer in de schedel, een gebroken teen en/of

schaafwonden/sneeën (waardoor onder andere een blijvend litteken in het gelaat

terwijl het feit is veroorzaakt en/of medeveroorzaakt doordat hij,

verdachte, de krachtens de Wegenverkeerswet 1994 vastgestelde ter plaatse

maximaal toegestane snelheid van 50 km/u in ernstige mate heeft overschreden,

te weten dat hij met een snelheid van 79 tot 89 kilometer per uur, althans een

snelheid van 75 tot 76 kilometer per uur, althans met een snelheid die

aanmerkelijk boven de ter plaatse geldende maximumsnelheid lag, reed

De in deze telastelegging gebruikte termen en uitdrukkingen worden, voorzover

daaraan in de Wegenverkeerswet 1994 betekenis is gegeven, geacht in dezelfde

betekenis te zijn gebezigd;

is ontstaan)

art 6 Wegenverkeerswet 1994

Subsidiair

hij, op of omstreeks 9 april 2017, te Utrecht, althans in het arrondissement

Midden-Nederland, als bestuurder van een motorrijtuig (personenauto, merk

Citroën, type Saxo, kenteken [kenteken] ), heeft gereden op de voor het openbaar

verkeer openstaande weg, de Brailledreef,

komende uit de richting van de Einsteindreef en gaande in de richting van de

Kardinaal de Jongweg, met hoge snelheid, althans met een hogere snelheid dan

de aldaar ter plaatse toegestane snelheid van 50 kilometer per uur, in elk

geval met een te hoge snelheid voor een veilig verkeer, (rechtdoor) een

kruispunt is overgestoken, waarbij hij, verdachte, een rood verkeerslicht

negeerde (welke reeds 5,8 seconden op rood stond) en/of aldaar in botsing

kwam met de bestuurster van een fiets, te weten [slachtoffer] , welke bestuurster,

nadat zij daarvoor groen licht had, het kruispunt van de Brailledreef overstak

door welke gedraging(en) gevaar op die weg werd veroorzaakt, althans kon

worden veroorzaakt, en/of het verkeer op die weg werd gehinderd, althans kon

worden gehinderd;

art 5 Wegenverkeerswet 1994

1 Wanneer hierna wordt verwezen naar paginanummers betreffen dit pagina’s van processen-verbaal die als bijlagen zijn opgenomen bij het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal, genummerd PL0900-2017106745, opgemaakt door politie Midden-Nederland, Dienst Regionale Operationele Samenwerking, doorgenummerd 1 tot en met 148. Aan het proces-verbaal zijn op een later moment ongenummerde verbalen toegevoegd. Dit betreffen een proces-verbaal van bevindingen van verbalisant [verbalisant 1] van 18 december 2018, de bijlagen van het proces-verbaal met nr. 2017106745 (remproevenonderzoek), een proces-verbaal van verbalisant [verbalisant 2] van 5 januari 2019, een pv-Fotomap bevindingen 2017106745 van 23 januari 2019 en een tweetal processen-verbaal van verhoor getuigen ( [getuige 3] en [getuige 2] ). Tenzij anders vermeld, zijn dit processen-verbaal die op ambtseed of ambtsbelofte en in de wettelijke vorm zijn opgemaakt door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren.

2 Verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van 7 februari 2019.

3 Proces-verbaal van verhoor van [slachtoffer] , pag. 15.

4 Idem, pag. 16.

5 Geneeskundige verklaring betreffende [slachtoffer] , pag. 17.

6 Proces-verbaal verkeersongevalsanalyse, pag. 32.

7 Idem, pag. 33.

8 Idem, pag. 35.

9 Proces-verbaal ‘onderzoek plaats delict werking van verkeersregelinstallaties’, pag. 79.

10 Idem, pag. 80.

11 Idem, pag. 81.

12 Idem, pag. 96.

13 Proces-verbaal ‘analyse van een verkeersdelict op basis van gegevens van een verkeersinstallatie’, pag. 105.

14 Idem, pag. 106.

15 Idem, pag. 107.

16 Idem, pag. 108.

17 Idem, pag. 109.

18 Idem, pag. 110.

19 Idem, pag. 111.

20 Idem, pag. 111.

21 Idem, pag. 112.

22 Idem, pag. 114.